Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:1472

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-05-2022
Datum publicatie
02-06-2022
Zaaknummer
21/00235
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:5827, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inwoner van Bulgarije geniet AOW en verricht, eerst in Nederland en later via detachering in België, werkzaamheden voor een Nederlandse werkgever. De inspecteur heeft terecht belasting geheven over de AOW-uitkering. Geen fout in aangifteprogramma. Verordening 883/2004 bepaalt dat de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing is. De inspecteur heeft terecht premies Anw en Wlz geheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 2-6-2022
FutD 2022-1620
V-N Vandaag 2022/1378
NLF 2022/1174
V-N 2022/32.1.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 21/00235

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

met gekozen domicilie in [plaats 1] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 november 2020, nummer BRE 19/6356, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2016 opgelegd (hierna: de aanslag). Tevens is bij beschikking belastingrente vergoed.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft in reactie op het verweerschrift een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingediend.

1.6.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.

1.7.

De zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.8.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting een kopie van de aangiften IB/PVV 2016 en 2019 overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

1.9.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft de Duitse nationaliteit en woonde in 2016 in Bulgarije.

2.2.

Belanghebbende had aan het begin van 2016 al de Nederlandse AOW-leeftijd bereikt.

2.3.

Op 21 maart 2016 is belanghebbende in dienst getreden bij [A BV] in [plaats 2] (hierna: de werkgever). Belanghebbende heeft zijn werkzaamheden voor de werkgever van 21 maart 2016 tot 22 augustus 2016 uitgevoerd in Nederland. Met ingang van 22 augustus 2016 is belanghebbende door de werkgever naar [plaats 3] (België) gedetacheerd. Ter zake van de werkzaamheden van belanghebbende voor de werkgever is een A1-verklaring afgegeven inhoudende dat de Nederlandse wetgeving van toepassing blijft gedurende de periode dat belanghebbende is gedetacheerd in België.

2.4.

Belanghebbende heeft in 2016 een belastbaar loon uit dienstbetrekking genoten van € 50.240. Daarnaast heeft belanghebbende een AOW-uitkering ontvangen van € 2.090.

2.5.

De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 52.330. Tevens is bij beschikking € 185 belastingrente vergoed. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur premies volksverzekeringen geheven voor de Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw) en de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz). Daarbij is de inspecteur uitgegaan van een premieplicht gedurende de periode 21 maart 2016 tot en met 31 december 2016. In verband hiermee is het premie-inkomen naar tijdsgelang herrekend tot € 26.222.

De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de inspecteur terecht belasting geheven over de AOW-uitkering?

2. Heeft de inspecteur terecht premies voor de Anw en Wlz geheven?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot een aanslag waarbij (i) geen belasting wordt geheven over de AOW-uitkering en (ii) de premieheffing voor de Anw en Wlz achterwege blijft.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

1. De AOW-uitkering

1.1.

Standpunten van partijen

4.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen belasting kan worden geheven over de AOW-uitkering. Belanghebbende heeft aangifte gedaan als buitenlandse belastingplichtige. In die aangifte heeft belanghebbende – voor zover van belang – het volgende ingevuld:

Vraag

Antwoord

Inkomsten

Welke inkomsten had u in 2016?

Inkomsten uit loondienst, zoals

- loon

- (…)

Ja

Inkomsten

Welke inkomsten had u in 2016?

Pensioen en andere uitkeringen, zoals

- (…)

- uitkeringen, zoals AOW, (…)

Ja

Pensioen en andere uitkeringen

Had u in 2016 recht op een AOW-uitkering voor alleenstaanden?

Ja

Had u een pensioen of andere uitkering?

Nee

Belanghebbende stelt dat na de beantwoording van bovenstaande vragen geen veld is verschenen waar hij de ontvangen AOW-uitkering kon invullen. Volgens belanghebbende volgt daarmee uit het aangifteprogramma dat over de AOW-uitkering geen belasting verschuldigd is.

4.2.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat wel degelijk belasting is verschuldigd over de AOW-uitkering. De inspecteur verwijst ter onderbouwing daarvan naar de nationale wetgeving en het belastingverdrag tussen Nederland en Bulgarije. Over het aangifteprogramma en de door belanghebbende ingediende aangifte merkt de inspecteur op dat belanghebbende de vraag ‘Had u een pensioen of andere uitkering?’ ten onrechte met ‘nee’ heeft beantwoord. In de toelichting op die vraag staat vermeld wanneer die vraag met ‘ja’ beantwoord moet worden en dat is onder andere het geval bij een AOW-uitkering. De inspecteur verwijst naar door hem overgelegde schermprinten van het aangifteprogramma. Volgens de inspecteur heeft de ontkennende beantwoording van de vraag ‘Had u een pensioen of andere uitkering?’ ertoe geleid dat geen invulveld voor de AOW-uitkering is verschenen.

1.2.

Het oordeel van het hof

4.3.

Of Nederland bevoegd is om belasting te heffen over de AOW-uitkering dient te worden vastgesteld aan de hand van de nationale wetgeving, in dit geval de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) en het belastingverdrag tussen Nederland en Bulgarije1 (hierna: het Belastingverdrag). Het aangifteprogramma, wat daar ook van zij, speelt daarbij geen rol.

4.4.

Belanghebbende heeft als inwoner van Bulgarije inkomen uit Nederland genoten. Belanghebbende wordt daarom voor de Wet IB 2001 aangemerkt als buitenlandse belastingplichtige.2 Op grond van de nationale wetgeving3 is Nederland bevoegd om te heffen over de AOW-uitkering.

4.5.

Aangezien belanghebbende in Bulgarije woont en hij inkomen uit Nederland heeft genoten, is het Belastingverdrag van toepassing. Het Belastingverdrag heeft als doel te voorkomen dat belastingplichtigen over inkomen zowel in Nederland als in Bulgarije belasting moeten betalen. Het hof heeft in onderdeel 4.4 vastgesteld dat Nederland op grond van de nationale wetgeving belasting mag heffen over de AOW-uitkering. Of Nederland die heffingsbevoegdheid ook daadwerkelijk mag uitoefenen, wordt bepaald door het Belastingverdrag. Daarin is geregeld welk land de AOW-uitkering aan belastingheffing mag onderwerpen.

4.6.

Op grond van het Belastingverdrag4 mag Nederland heffen over de AOW-uitkering. Een AOW-uitkering is namelijk een betaling op grond van het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel.

4.7.

Gelet op de nationale wetgeving en het Belastingverdrag is het hof hiervoor tot het oordeel gekomen dat de inspecteur terecht belasting heeft geheven over de AOW-uitkering. Hoewel het aangifteprogramma zoals eerder gezegd niet van belang is voor de vraag of belasting kan worden geheven over de AOW-uitkering, wil het hof over het aangifteprogramma nog het volgende opmerken. De inspecteur heeft schermprinten overgelegd van het aangifteprogramma IB/PVV 2016 voor buitenlandse belastingplichtigen. Uit die schermprinten volgt dat de toelichting op de vraag ‘Had u een pensioen of andere uitkering?’ vermeldt dat deze vraag onder meer met ‘ja’ beantwoord moet worden indien sprake is van een AOW-uitkering. Doordat belanghebbende die vraag met ‘nee’ heeft beantwoord is geen veld verschenen waar de AOW-uitkering door belanghebbende kon worden ingevuld. Het aangifteprogramma bevat dus geen fout zoals belanghebbende stelt. Het hof kan zich echter voorstellen dat de vraagstelling voor verwarring heeft gezorgd bij belanghebbende, die meent dat onder ‘andere uitkeringen’ wordt verstaan ‘andere uitkeringen dan een AOW-uitkering’. Het hof twijfelt er ook niet aan dat belanghebbende zijn aangifte naar eer en geweten heeft ingediend. Dat neemt niet weg dat de inspecteur terecht belasting heeft geheven over de AOW-uitkering, aangezien de mogelijke verwarring niet tot de conclusie kan leiden dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat zijn AOW-uitkering in Nederland onbelast zou zijn.

2. Verzekeringspremies Anw en Wlz

2.1.

Standpunten van partijen

4.8.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat Nederland geen premie mag heffen voor de Anw en Wlz. Die volksverzekeringen worden niet genoemd in artikel 3 van de Europese Verordening 883/20045 (hierna: de Verordening). Ook artikel 11, lid 2, Verordening staat volgens belanghebbende aan premieheffing voor de Anw en Wlz in de weg.

4.9.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat terecht en naar het juiste bedrag premies voor de Anw en Wlz zijn geheven. De Verordening bepaalt van welk land de sociale zekerheidswetgeving van toepassing is. Gelet op artikel 11, lid 3, letter a, Verordening is dat de sociale zekerheidswetgeving van Nederland. Op grond van de nationale wetgeving, de Algemene nabestaandenwet respectievelijk de Wet langdurige zorg, is belanghebbende premieplichtig voor voormelde volksverzekeringen.

2.2.

Het oordeel van het hof

4.10.

De Verordening ziet op de sociale zekerheid en is van toepassing op grensoverschrijdende situaties zoals hier waar iemand in het ene land woont (Bulgarije) en in een ander land werkt en daar inkomen heeft genoten (Nederland). De Verordening bepaalt van welk land de sociale zekerheidswetgeving van toepassing is. In artikel 3 van de Verordening is bepaald dat het sociale zekerheidsstelsel, en daarmee ook de Verordening, onder andere ziet op uitkeringen aan nabestaanden en uitkeringen in geval van ziekte of invaliditeit. In Nederland zijn dat de Anw en de Wlz. Door de Anw hebben mensen een inkomen nadat de partner is overleden en de Wlz zorgt ervoor dat bijzondere ziektekosten betaald worden. Anders dan belanghebbende meent, regelt de Verordening dus wel degelijk of Nederland voor de Anw en Wlz premie mag heffen.

4.11.

Toetsing aan de Verordening leidt tot de conclusie dat de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing is sinds hij in Nederland is gaan werken.6 Gedurende de periode dat belanghebbende in België is gedetacheerd, blijft de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op hem van toepassing.7 Het aanknopingspunt is dat belanghebbende in loondienst werkzaamheden heeft verricht in Nederland. De Verordening wijst dus Nederland, en niet Bulgarije of een andere lidstaat, aan als (enige) bevoegde lidstaat om van belanghebbende premies voor sociale zekerheidswetten, zoals de volksverzekeringen, te heffen

Van loon uit dienstbetrekking is sprake indien de werknemer verplicht is om arbeid te verrichten, de werkgever daartegenover verplicht is om loon te betalen en een gezagsverhouding tussen de werkgever en de werknemer aanwezig is.8 Gesteld noch gebleken is dat niet aan deze voorwaarden is voldaan. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2016 ingevuld dat hij in loondienst heeft gewerkt en dit stemt overeen met de gegevens die de inspecteur van de werkgever heeft ontvangen. Anders dan belanghebbende meent, is de inspecteur niet ervan uitgegaan dat belanghebbende als ondernemer heeft gewerkt en ook de rechter gaat daar niet van uit. Bij de toepassing van de Verordening zijn alleen de werkzaamheden van belanghebbende als werknemer van [A BV] van belang.

Artikel 11, lid 2, Verordening is niet van toepassing op belanghebbende. In die bepaling worden personen die bepaalde uitkeringen ontvangen gelijkgesteld aan personen die een werkzaamheid hebben verricht. Belanghebbende doet ten onrechte voorkomen alsof de in artikel 11, lid 2, Verordening bedoelde uitkeringen ook ‘loon’ omvatten, maar de juiste vertaling van ‘Geldleistung’ is ‘uitkering’ en niet ‘loon’. Art. 11 lid 2 regelt dat wanneer een werknemer ziek of werkloos wordt, op hem nog steeds dezelfde regels voor de verzekerings- en premieplicht gelden als toen hij nog aan het werk was. Nu belanghebbende geen uitkeringen heeft genoten wegens ziekte of werkloosheid, is artikel 11, lid 2, Verordening niet van toepassing.

4.12.

Artikel 13 Anw bepaalt voor zover relevant:

“1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die

(…)

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.”

4.13.

Artikel 13a Anw bepaalt vervolgens:

“Zo nodig in afwijking van artikel 13 en de daarop berustende bepalingen:

a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;

b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.”

4.14.

Voor zover relevant bepaalt artikel 2.1.1 Wlz:

“1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die:

(…)

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.”

4.15.

Artikel 2.1.2 Wlz bepaalt:

“Zo nodig in afwijking van artikel 2.1.1 en de daarop berustende bepalingen:

a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;

b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.”

4.16.

Belanghebbende is op grond van artikel 13, lid 1, letter b, Anw en artikel 2.1.1, lid 1, letter b, Wlz verzekerd voor de Anw en Wlz. Belanghebbende woont niet in Nederland, maar in lidstaat Bulgarije en niet in geschil is dat belanghebbende in Nederland en vervolgens België werkzaamheden voor de in Nederland gevestigde werkgever heeft verricht die aan de loonbelasting zijn onderworpen. Aangezien niet op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie – denk aan onderdelen van de Verenigde Naties, Europese Unie of NAVO – de wetgeving van een andere lidstaat dan Nederland op belanghebbende van toepassing is, doet zich de situatie genoemd in de artikelen 13a, letter b, Anw en 2.1.2, letter b, Wlz niet voor.

4.17.

Belanghebbende heeft nog gewezen op de omstandigheid dat de vraag in de aangifte ‘Was u heel 2016, of een deel daarvan, in Nederland verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen (AOW, Anw en Wlz)?’ deel uitmaakt van de rubriek ‘Persoonlijke gegevens’ en dat hij die vraag met ‘Nee’ heeft beantwoord. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, staat dit niet aan de heffing van de premies volksverzekeringen in de weg. Het is namelijk niet mogelijk om te kiezen of sprake is van verplichte verzekering in Nederland of niet en de plaatsing van de vraag in het aangiftebiljet staat er niet aan in de weg een onjuist antwoord – want het juiste antwoord was ‘Ja’ – te corrigeren.

4.18.

Tot slot heeft belanghebbende aangevoerd dat hij in Bulgarije altijd een ziektekostenverzekering heeft gehad. Naar het oordeel van het hof is dat niet relevant. Een buitenlandse ziektekostenverzekering zet de heffingsbevoegdheid op grond van de Verordening en nationale wetten niet opzij. Daarnaast merkt het hof op dat een ziektekostenverzekering een andere verzekering is dan de Anw en de Wlz.

4.19.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Tussenconclusie

4.20.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.21.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.22.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door W.A.P. van Roij, voorzitter, J.M. van der Vegt en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek Bulgarije tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen van 6 juli 1990.

2 Artikel 2.1, letter b, Wet IB 2001.

3 Artikel 7.2, lid 2, letter e, Wet IB 2001.

4 Artikel 18, lid 3, Belastingverdrag.

5 Verordening (EG) Nr. 883/2004 van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.

6 Artikel 11, lid 3, letter a, Verordening.

7 Artikel 12, lid 1, Verordening.

8 Artikel 2 Wet op de loonbelasting 1964.