Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:1186

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2022
Datum publicatie
22-04-2022
Zaaknummer
200.306.966_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2022:699
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; aannemelijk dat de bodemrechter de vaststellingsovereenkomst waarmee de arbeidsovereenkomst is beëindigd zal vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0458
JAR 2022/124
RAR 2022/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.306.966/01

arrest van 12 april 2022

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. E.V.C. Savelkoul te Heerlen,

tegen

Stamicarbon B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Stamicarbon,

advocaat: mr. J. van Hoeckel te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 februari 2022 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 31 januari 2022, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als eiseres en Stamicarbon als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9591741 \ CV EXPL 21-6389)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    een akte van [appellante] met aanvullende producties;

  • -

    een aanvullende productie van Stamicarbon;

  • -

    de mondelinge behandeling, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd en aan partijen akte is verleend van het in het geding brengen van de aanvullende producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

Samenvatting van het geschil in dit hoger beroep

3.1.

Het gaat in dit kort geding in hoger beroep om het volgende. [appellante] was in dienst van Stamicarbon. Zij heeft een vaststellingsovereenkomst met Stamicarbon gesloten waarmee haar arbeidsovereenkomst met ingang van 16 november 2021 is geëindigd. [appellante] is van mening dat deze overeenkomst onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen, althans dat Stamicarbon haar niet aan die overeenkomst kan of mag houden. Volgens Stamicarbon was [appellante] zich heel goed bewust van de consequenties van de vaststellingsovereenkomst. Zij wil [appellante] aan die overeenkomst houden.

De feiten

3.2.

Het hof gaat in dit kort geding in hoger beroep uit van de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld en waarover partijen het eens zijn. Het gaat om de volgende feiten.

3.2.1.

[appellante] is op 1 augustus 1989 bij (de rechtsvoorganger van) Stamicarbon in dienst getreden. Zij vervulde de functie Inspection planner voor 40 uur per week tegen een salaris van € 5.919,93 bruto per maand exclusief emolumenten.

3.2.2.

Op 7 september 2020 heeft [appellante] zich ziek gemeld. Op 30 april 2021 is een plan van aanpak opgesteld. Volgens de bedrijfsarts waren er op dat moment nog geen re-integratiemogelijkheden.

3.2.3.

Op verzoek van de bedrijfsarts is een expertiserapport uitgebracht door HSK Groep (hierna: HSK). De bedrijfsarts heeft geadviseerd het daarin opgenomen behandeladvies te volgen. Dat betrof een behandeling van 15 wekelijkse afspraken bij een psycholoog in [plaats]. [appellante] gaf aan stressklachten te ervaren door dit advies. Op 25 juli 2021 is [appellante] met een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd in verband met mogelijk hartfalen. In het ziekenhuis is geconstateerd dat [appellante] een ontsteking in de maag had die veroorzaakt was door stress. [appellante] heeft daarom aan Stamicarbon laten weten geen behandeling in [plaats] te willen volgen.

3.2.4.

Op 6 augustus 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [appellante] , [persoon A] (leidinggevende) en [persoon B] (HR Business partner). In dat gesprek is met [appellante] gesproken over de geadviseerde behandeling door HSK. Ook is door Stamicarbon de mogelijkheid om het dienstverband te beëindigen ter sprake gebracht, en de mogelijkheid tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst aan [appellante] voorgelegd.

3.2.5.

Op 9 augustus 2021 heeft [persoon B] per e-mail een vaststellingsovereenkomst aan [appellante] toegestuurd. [appellante] had tot 13 augustus 2021 de gelegenheid om te reageren op de voorgestelde vaststellingsovereenkomst. Op 12 augustus 2021 is [persoon C], secretaresse van [persoon D] (CEO van Stamicarbon), bij [appellante] thuis langs gekomen om de vaststellingsovereenkomst te laten ondertekenen, wat [appellante] heeft gedaan.

3.2.6.

In de vaststellingsovereenkomst is onder meer opgenomen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt met ingang van 16 november 2021 en dat Stamicarbon aan [appellante] de transitievergoeding betaalt. Voorwaarde was dat [appellante] zich beter zou melden, wat zij ook heeft gedaan.

3.2.7.

Op 23 september 2021 heeft de advocaat van [appellante] aan Stamicarbon kenbaar gemaakt dat [appellante] voornemens was om de vaststellingsovereenkomst te vernietigen wegens een wilsgebrek, maar dat eerst kan worden bezien of in onderling overleg tot een passende oplossing kan worden gekomen.

Diezelfde dag heeft [appellante] zich weer ziek gemeld. Op 1 november 2021 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat [appellante] volledig arbeidsgeschikt is.

3.2.8.

Nadat Stamicarbon een reactie had gestuurd aan de advocaat van [appellante] heeft de advocaat van [appellante] op 21 oktober 2021 de vaststellingsovereenkomst vernietigd.

De vorderingen van [appellante]

3.2.1.

[appellante] heeft gevorderd (samengevat) dat Stamicarbon weer uitvoering gaat geven aan haar re-integratieverplichtingen, althans (voor zover [appellante] arbeidsgeschikt wordt geacht) haar weer toe te laten tot het verrichten van haar werk, op straffe van een dwangsom. Daarnaast heeft [appellante] gevorderd dat Stamicarbon het loon weer aan haar betaalt, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente, een en ander met veroordeling van Stamicarbon in de proceskosten.

3.2.2.

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. [appellante] vraagt het hof het vonnis van de kantonrechter te vernietigen en haar vorderingen alsnog toe te wijzen.

Het (samengevat) oordeel van de kantonrechter en de vraag of deze kwestie zich leent voor een beoordeling in kort geding

3.3.1.

De kantonrechter heeft (samengevat) geoordeeld:

- dat uit de voorliggende stukken in ontoereikende mate kan worden vastgesteld of Stamicarbon bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst de zorgvuldigheid die in dat verband van een werkgever mag worden verwacht, voldoende in acht heeft genomen;

- dat met name van belang is of [appellante] ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst arbeidsongeschikt was en dat niet duidelijk is geworden of [appellante] slechts ‘formeel’ beter is gemeld of dat zij nog steeds arbeidsongeschikt was;

- dat de vraag zich voordoet of Stamicarbon [appellante] voldoende heeft geïnformeerd over haar rechtspositie als zieke werknemer, waaronder de gevolgen van een eventuele benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45 lid 7 van de Ziektewet, en het opzegverbod bij ziekte;

- dat verdergaand onderzoek noodzakelijk is waarin dieper op de feiten zal moeten worden ingegaan en dat daarvoor in een kort geding geen plaats is; dat zal in een bodemprocedure moeten gebeuren.

3.3.2.

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat een kort geding niet geschikt is voor een diepgaand, nader, onderzoek naar de feiten. Het hof is echter van oordeel dat dat in deze zaak niet nodig is. Waarom dat zo is, zal hierna nader worden gemotiveerd. Eerst zal het hof nader ingaan op het verweer van Stamicarbon dat de zaak om andere redenen zich niet leent voor een beoordeling in kort geding.

3.3.3.

Volgens Stamicarbon heeft [appellante] geen spoedeisend belang, omdat aan haar een uitkering is toegekend en omdat zij een fors bedrag als beëindigingsvergoeding heeft ontvangen, dat overeenkomt met ongeveer elf bruto maandsalarissen.

Het hof is van oordeel dat [appellante] wel een spoedeisend belang heeft. Zij heeft er belang bij dat haar contact met Stamicarbon en met haar collega’s niet door tijdsverloop verwatert.

3.3.4.

Volgens Stamicarbon mag in kort geding geen constitutieve of declaratoire uitspraak worden gedaan. De gevraagde vernietiging van het bestreden vonnis heeft volgens Stamicarbon tot gevolg dat de gesloten vaststellingsovereenkomst wordt vernietigd.

Het hof verwerpt ook dit verweer. De vorderingen van [appellante] (meewerken aan re-integratie, althans tewerkstelling en loonbetaling) betreffen voorlopige voorzieningen. Daarmee wordt de vaststellingsovereenkomst niet vernietigd. Het is dus niet zo dat de rechtstoestand daardoor wordt vastgesteld.

3.3.5.

Of de gevorderde voorzieningen toewijsbaar zijn, is (in belangrijke mate) afhankelijk van een inschatting van het uiteindelijke resultaat van een te voeren bodemprocedure. Het hof zal een voorlopig oordeel moeten geven over het geschil. Het hof zal beoordelen of het aannemelijk is dat de bodemrechter [appellante] in het (on)gelijk gaat stellen. Het hof zal bij de beoordeling van de gevraagde voorzieningen ook een afweging maken van de belangen van partijen. Bij die belangenafweging gaat het er onder meer om hoe ingrijpend het is voor [appellante] als haar vorderingen niet worden toegewezen en hoe ingrijpend het is voor Stamicarbon als het hof de vorderingen wel toewijst. Het hof zal daarop hierna nog terugkomen.

De beoordeling van de grieven en de vorderingen in hoger beroep

3.4.1.

Het hof is van oordeel dat [appellante] terecht heeft aangevoerd dat de kantonrechter niet alle grondslagen van de vorderingen van [appellante] heeft beoordeeld, althans dat dat niet blijkt. Daartoe overweegt het hof het volgende.

3.4.2.

[appellante] heeft het volgende aan haar vorderingen ten grondslag gelegd:

[appellante] is nog steeds in dienst van Stamicarbon omdat

- er een discrepantie is tussen wil en verklaring en Stamicarbon geen beroep kan doen op artikel 3:35 BW;

- de vaststellingsovereenkomst is vernietigd wegens een wilsgebrek, namelijk misbruik van omstandigheden en/of dwaling;

- het beroep van Stamicarbon op de vaststellingsovereenkomst in strijd is met het beginsel van goed werkgeverschap en/of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

3.4.3.

Het hof begrijpt het bestreden vonnis zo, dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat nader onderzoek nodig is om te beoordelen of er een discrepantie is geweest tussen wil en verklaring toen [appellante] de vaststellingsovereenkomst ondertekende. Het hof vat het oordeel van de kantonrechter zo op, dat de kantonrechter nader onderzoek nodig acht om te beoordelen of [appellante] ten tijde van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst in staat was haar wil te bepalen.

Ook het hof is van oordeel dat die vraag in dit kort geding niet beantwoord kan worden omdat daarvoor nader onderzoek nodig zal zijn naar de geestestoestand van [appellante] . Partijen verschillen daarover immers sterk van mening. Zij verwijzen naar het onderzoeksrapport van HSK en naar verklaringen van diverse personen. Het hof is van oordeel dat deze gegevens geen uitsluitsel geven over deze vraag.

Zoals hiervoor al is vermeld, is het hof echter van oordeel dat nader onderzoek niet nodig is. Het hof acht het namelijk voldoende aannemelijk dat de bodemrechter de vorderingen toewijsbaar zal achten op één of meer van de andere door [appellante] aangevoerde grondslagen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.4.4.

De vaststellingsovereenkomst is onder de volgende omstandigheden tot stand gekomen:

- [appellante] was al 32 jaar in dienst van Stamicarbon; zij was 62 jaar oud, zij was alleenstaand en had een moeilijke periode achter de rug;

- [appellante] was al elf maanden volledig arbeidsongeschikt;

- [appellante] moest een behandeltraject gaan volgen dat zij niet wilde; of zij wel of niet gegronde reden had om dat traject niet te willen volgen is niet helemaal duidelijk, maar feit is dat dit bij haar tot enorme stress leidde (zie 3.2.3);

- Stamicarbon was op de hoogte van deze stressklachten; Stamicarbon wist dat die klachten werden veroorzaakt door het aangekondigde behandeltraject;

- Stamicarbon vond dat [appellante] moest meewerken aan de het behandeltraject; zo niet dan zou zij de loonbetaling staken;

- het voorstel om de arbeidsovereenkomst te beëindigen om daarmee dit probleem op te lossen kwam van Stamicarbon;

- op het moment dat dit voorstel werd gedaan en ook op het moment dat [appellante] de vaststellingsovereenkomst tekende, was zij volledig arbeidsongeschikt;

- [appellante] had psychische klachten; hoewel Stamicarbon niet exact op de hoogte was van de aard en omvang daarvan, wist zij dat het behandeltraject zou moeten plaatsvinden bij een psycholoog;

- Stamicarbon heeft [appellante] niet gewezen op het opzegverbod tijdens ziekte; zij heeft er niet op gewezen dat [appellante] op zoek zou moeten gaan naar ander werk terwijl zij nog arbeidsongeschikt was; zij heeft niet uitgelegd waarom [appellante] zich beter moest melden; zij heeft niet uitgelegd dat [appellante] het risico liep dat de uitkering zou worden geweigerd vanwege een benadelingshandeling;

- Stamicarbon heeft voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst geen overzicht verstrekt aan [appellante] van de financiële consequenties die de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou hebben voor haar (inkomen/uitkering/pensioen).

3.4.5.

Volgens vaste rechtspraak is voor een opzegging van de arbeidsovereenkomst door een werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring nodig die is gericht op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad heeft in dat verband overwogen dat die strenge maatstaf ertoe dient de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband kan hebben. Die gevolgen zijn (onder meer) het verloren gaan van de mogelijkheid zich op ontslagbescherming te beroepen en het risico op het verlies van een uitkering (vgl. HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387).

[appellante] heeft de arbeidsovereenkomst niet opgezegd. Zij heeft met Stamicarbon een overeenkomst gesloten om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen en zij heeft daarbij bedenktijd gehad. De hiervoor genoemde rechtspraak met betrekking tot opzegging, is dus niet direct van toepassing. Toch is het hof van oordeel dat aan die rechtspraak wel betekenis toekomt (reflexwerking). Het hof is van oordeel dat Stamicarbon te weinig informatie en te eenzijdige informatie heeft verstrekt aan [appellante] . Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.4.5.1. [appellante] was arbeidsongeschikt. Voor haar gold het opzegverbod wegens ziekte. Over het opzegverbod wegens ziekte heeft de Hoge Raad overwogen dat dit mede ten doel heeft de werknemer te vrijwaren van de psychische druk welke een ontslagaanzegging tijdens ziekte kan veroorzaken (HR 24 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9536). Weliswaar is dat opzegverbod niet van toepassing wanneer de werknemer, kort gezegd, niet meewerkt aan re-integratie of de genezing belemmert, maar het hof is van oordeel dat het te voorbarig was om te concluderen dat [appellante] onvoldoende meewerkte.

De belangrijkste reden voor [appellante] om de vaststellingsovereenkomst aan te gaan was het niet hoeven ondergaan van het behandeltraject bij HSK dat de bedrijfsarts in gang had gezet. Het hof acht het aannemelijk dat de bodemrechter hierover zal oordelen dat Stamicarbon niet zo stellig had mogen zijn in haar mededeling dat [appellante] ofwel het behandeltraject bij HSK moest volgen ofwel een loonstop zou krijgen. Het hof realiseert zich dat Stamicarbon wellicht bang was dat zij een loonsanctie zou krijgen en dat dit voor haar de reden was om de loonstop aan te kondigen. Dat wil echter niet zeggen dat Stamicarbon meteen al dit zware middel kon of mocht toepassen. Het hof is van oordeel dat van [appellante] in beginsel mocht worden verwacht dat zij adviezen van de bedrijfsarts zou opvolgen, maar niet valt in te zien waarom dat alleen het behandeltraject bij HSK mocht zijn. De enige moeilijkheid die zich tot dat moment had voorgedaan was het bezwaar dat [appellante] had tegen het onderzoek dat zij moest ondergaan bij HSK (maar zij heeft daar wel aan meegewerkt) en daarna het bezwaar tegen een behandeltraject bij HSK. [appellante] had op zich geen bezwaar tegen een behandeltraject, maar wel tegen het door de bedrijfsarts uitgekozen bureau. Het hof is van oordeel dat niet zonder meer van [appellante] verlangd kon worden dat zij zich zou laten behandelen door HSK. Niet is onderzocht of dezelfde behandeling bij een andere therapeut kon worden gevolgd en evenmin is aan de orde gesteld om dat eerst te onderzoeken. Bovendien had de bedrijfsarts Stamicarbon geadviseerd een deskundigenoordeel bij het UWV aan te vragen over de vraag of [appellante] voldeed aan haar re-integratieverplichting. Volgens Stamicarbon heeft zij met haar voorstel om de arbeidsovereenkomst te beëindigen juist geprobeerd om te voorkomen dat partijen hierover lijnrecht tegenover elkaar zouden komen te staan. Het hof is van oordeel dat Stamicarbon daarmee over het hoofd heeft gezien dat juist in een situatie van arbeidsongeschiktheid en re-integratie de nodige zorgvuldigheid in acht moet worden genomen, juist vanwege de vergaande verplichtingen en het vervallen van rechten bij het niet voldoen aan re-integratie. Niet valt in te zien waarom een andere behandelaar niet in aanmerking kon komen. Voordat dit was onderzocht, had een loonstop nog niet aan de orde kunnen zijn. Niet valt in te zien waarom daarover niet eerst opnieuw de bedrijfsarts en / of het UWV geraadpleegd kon worden. Waarschijnlijk valt dat terug te voeren op het onjuiste uitgangspunt van Stamicarbon (dat voor risico dient te komen van Stamicarbon) dat [appellante] elf maanden lang heeft geweigerd om gehoor te geven aan adviezen van de bedrijfsarts. Volgens Stamicarbon was de bedrijfsarts stellig van mening dat [appellante] wel degelijk benutbare mogelijkheden had en kon re-integreren. Uit het overgelegde verzuimdossier blijkt echter dat de bedrijfsarts keer op keer (behalve het advies van 20 januari 2021) heeft aangegeven dat [appellante] juist niet in staat was haar eigen of andere, aangepaste, werkzaamheden uit te voeren. Het standpunt van Stamicarbon blijkt uit geen enkel document uit het verzuimdossier. Volgens Stamicarbon heeft de bedrijfsarts dat telefonisch aan haar medegedeeld. Dat wijkt echter volledig af van de schriftelijke terugkoppeling die de bedrijfsarts telkens opnieuw heeft gegeven. Als Stamicarbon het niet eens was met die schriftelijke terugkoppeling, dan valt niet in te zien waarom Stamicarbon nimmer hierop schriftelijk heeft gereageerd richting de bedrijfsarts en/of een oordeel van het UWV heeft gevraagd over de vraag of [appellante] voldoende meewerkte aan re-integratie. Het was de bedoeling dat het behandeltraject eind augustus 2021 zou beginnen, maar ook vanaf dat moment was een re-integratie nog niet aan de orde. De bedrijfsarts heeft immers 21 juli 2021 schriftelijk aan Stamicarbon laten weten dat het behandeltraject eind augustus 2021 zou beginnen en dat gezien de mate van beperkingen werd geadviseerd nog niet te starten met werkhervatting. Als het zo is geweest dat de bedrijfsarts telefonisch heel andere mededelingen heeft gedaan aan Stamicarbon, dan is dat zeer kwalijk. Stamicarbon heeft echter geen consequenties aan die telefonische informatie kunnen verbinden, omdat dit niet duidelijk is geweest voor [appellante] . Zo blijkt bijvoorbeeld ook uit het door Stamicarbon op 30 april 2021 ondertekende plan van aanpak dat geen re-integratie mogelijk was.

Kortom, de door Stamicarbon uitgeoefende druk (de aangekondigde loonstop) was onterecht. [appellante] kreeg zodanige stress van het vooruitzicht dat zij het behandeltraject moest ondergaan dat zij er een ontsteking in de maag van had gekregen. Stamicarbon was daarvan op de hoogte. [appellante] was arbeidsongeschikt. Zij had gevrijwaard moeten blijven van psychische druk, terwijl zij juist (extra) psychische druk heeft ervaren door de (onjuiste) opstelling van Stamicarbon.

3.4.5.2. [appellante] liep het risico dat haar geen uitkering zou worden verstrekt omdat zij een benadelingshandeling pleegde toen zij instemde met de vaststellingsovereenkomst. Dat dit risico zich niet heeft verwezenlijkt acht het hof van minder belang. Stamicarbon heeft niet aan [appellante] uitgelegd dat dit risico er was.

3.4.5.3. Het hof is verder van oordeel dat Stamicarbon vanuit oogpunt van goed werkgeverschap meer informatie had moeten geven over de financiële consequenties van de vaststellingsovereenkomst. De maximale uitkeringsperiode is voor [appellante] te kort om de tijd tot de pensioengerechtigde leeftijd te overbruggen terwijl ook het te verwachten pensioen aanzienlijk lager zal zijn dan bij een voortduren van de arbeidsovereenkomst. Stamicarbon heeft aangevoerd dat het de verantwoordelijkheid was van [appellante] om zich daarover te laten voorlichten. Volgens Stamicarbon heeft zij tegen [appellante] gezegd dat zij zich moest laten adviseren. Het hof is van oordeel dat dit misschien in de regel een goed uitgangspunt is, maar dat in dit geval (vanwege de specifieke omstandigheden: leeftijd, arbeidsverleden, arbeidsongeschiktheid) Stamicarbon uit oogpunt van goed werkgeverschap meer informatie had moeten geven.

3.4.6.

Het voorlopige oordeel van het hof is dat de vorderingen van [appellante] op één of meer van de door haar aangevoerde grondslagen toewijsbaar zullen zijn. Het hof acht het voorshands aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en/of door misbruik van omstandigheden, of dat het beroep van Stamicarbon op de vaststellingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zal zijn. Het hof licht dat als volgt toe.

3.4.6.1. Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten is (onder andere) vernietigbaar indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten, of indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten (artikel 6:228 lid 1 BW).

Anders dan Stamicarbon heeft aangevoerd is een beroep op vernietiging van vaststellingsovereenkomst wegens dwaling niet uitgesloten. Een beroep op dwaling kan wel toewijsbaar zijn wanneer ten onrechte relevante informatie niet is gegeven. De belangrijkste reden voor [appellante] om de vaststellingsovereenkomst aan te gaan, was het niet hoeven ondergaan van het behandeltraject bij HSK. Het hof acht het voorshands aannemelijk dat de bodemrechter hierover zal oordelen dat Stamicarbon niet zo stellig had mogen zijn in haar mededeling dat [appellante] ofwel het behandeltraject moest volgen ofwel een loonstop zou krijgen (zie hetgeen daarover hiervoor is overwogen in 3.4.5.1). Het hof acht het aannemelijk dat [appellante] heeft gedwaald over de inlichting van Stamicarbon dat de loonbetaling gestaakt moest worden wanneer [appellante] niet zou meewerken aan het behandeltraject.

Het hof kan in deze voorlopige beoordeling niet geheel uitsluiten dat Stamicarbon zelf er ook van overtuigd was dat er geen andere keuze was dan het volgen van het behandeltraject of het staken van de loonbetaling. In dat geval is sprake van wederzijdse dwaling en ook dat maakt de vaststellingsovereenkomst vernietigbaar.

3.4.6.2. Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW). Het hof kan niet er vanuit gaan dat sprake is geweest van een abnormale geestestoestand, maar wel is sprake geweest van een moment waarop [appellante] druk heeft ervaren vanuit het onjuiste idee dat zij het behandeltraject bij HSK moest volgen. De in de wet genoemde bijzondere omstandigheden betreffen een niet limitatieve opsomming en het hof is van oordeel dat de hiervoor besproken omstandigheden kunnen worden gekwalificeerd als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW. Stamicarbon was van die omstandigheden op de hoogte. Het hof acht het voorshands aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat Stamicarbon [appellante] ervan had moeten weerhouden om deze overeenkomst aan te gaan.

3.4.6.3. Een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 lid 2 BW). Het hof acht het voorshands aannemelijk dat de bodemrechter van oordeel zal zijn dat [appellante] terecht de vaststellingsovereenkomst heeft vernietigd. Als de bodemrechter toch niet tot dat oordeel komt, dan acht het hof het aannemelijk dat alle hiervoor besproken omstandigheden zullen leiden tot het oordeel dat het beroep van Stamicarbon op de vaststellingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zal zijn. Daarbij wijst het hof nogmaals op de nadelige gevolgen die de vaststellingsovereenkomst voor [appellante] heeft waarop [appellante] niet is gewezen. Het hof betrekt daarbij dat Stamicarbon heeft aangevoerd dat [appellante] ook zelf de (financiële) gevolgen van de vaststellingsovereenkomst had moeten onderzoeken en dat zij [appellante] had geadviseerd zich te laten informeren. Dat in aanmerking nemende is het hof toch van oordeel dat van Stamicarbon een actievere houding in dit opzicht verwacht had mogen worden, juist omdat [appellante] arbeidsongeschikt was, terwijl de periode tot pensioengerechtigde leeftijd te lang was om met een uitkering te kunnen overbruggen en er een risico bestond op een weigering van de uitkering. Stamicarbon was daarvan op de hoogte, althans had daarvan op de hoogte behoren te zijn. Verder is in dit verband ook nog van belang dat [appellante] al bijna een jaar arbeidsongeschikt was. Wanneer de vaststellingsovereenkomst niet was gesloten dan had zij een behandeling kunnen ondergaan en daarna kunnen gaan re-integreren bij Stamicarbon. Gelet op het zeer lange dienstverband en het feit dat er zich geen problemen hebben voorgedaan met betrekking tot haar functioneren, lag het in de rede dat [appellante] uiteindelijk weer had kunnen hervatten.

3.4.7.

In rechtsoverweging 3.3.5 heeft het hof overwogen dat zal worden beoordeeld of aannemelijk is dat de bodemrechter de vorderingen zal toewijzen en dat het hof de belangen van partijen zal afwegen. Hiervoor is toegelicht dat en waarom het hof het voorshands aannemelijk acht dat de bodemrechter [appellante] in het gelijk zal stellen. Het hof moet ook een belangenafweging maken. Het hof is van oordeel dat het belang van Stamicarbon om de gevraagde voorzieningen af te wijzen niet groter is dan het belang van [appellante] bij toewijzing daarvan. Het hof onderschat niet dat de toewijzing van de vorderingen een behoorlijke impact zal hebben op (de organisatie van) Stamicarbon, maar is toch van oordeel dat de hierna te noemen ordemaatregelen in dit geval gerechtvaardigd zijn. Het hof zal als volgt beslissen op de gevraagde voorzieningen.

3.4.7.1. [appellante] heeft primair gevorderd dat Stamicarbon uitvoering geeft aan haar re-integratieverplichtingen jegens haar. Het hof zal deze vordering afwijzen, omdat [appellante] arbeidsgeschikt is verklaard door de bedrijfsarts (zie 3.2.7) en zij geen deskundigenoordeel of andere stukken heeft overgelegd waaruit moet worden afgeleid dat dit niet juist is. Zij heeft ter zitting medegedeeld dat zij zich (vanuit de WW-situatie) die dag weer ziek had gemeld, maar vanwege het ontbreken van enige onderbouwing van dat standpunt gaat het hof er van uit dat [appellante] arbeidsgeschikt is.

3.4.7.2. [appellante] heeft subsidiair gevorderd haar toe te laten tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden als Inspection planner, binnen 24 uur na de uitspraak, op straffe van een dwangsom. Stamicarbon heeft ter zitting verklaard dat de functie van [appellante] inmiddels door een andere persoon wordt vervuld. Stamicarbon heeft echter niet in haar memorie van antwoord (en ook niet in haar in eerste aanleg gehouden pleidooi) aangevoerd dat het onmogelijk zal zijn om [appellante] weer toe te laten tot de bedongen werkzaamheden. Wel acht het hof het reëel dat Stamicarbon niet van het een op het andere moment haar organisatie en de werkverdeling zo kan aanpassen dat [appellante] weer haar functie kan verrichten. Het hof zal daarom pas na verloop van vier weken na de betekening van deze uitspraak een dwangsom verbinden aan het niet naleven van deze veroordeling. Het hof zal de dwangsommen maximeren.

3.4.7.3. Verder heeft [appellante] gevorderd dat Stamicarbon haar salaris met vakantiebijslag en overige emolumenten betaalt vanaf 16 november 2021 te vermeerderen de wettelijke verhoging en met de wettelijke rente. Het hof acht de loonvordering toewijsbaar maar ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om als voorziening ook de wettelijke verhoging en de wettelijke rente toe te wijzen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat Stamicarbon een beëindigingsvergoeding heeft betaald die [appellante] zal moeten terugbetalen (evenals de uitkering). Dat is ter zitting aan de orde geweest. Partijen doen er verstandig aan om daarover met elkaar overleg te voeren.

3.4.7.4. [appellante] heeft ook gevorderd om Stamicarbon te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen. Het hof zal Stamicarbon als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van beide instanties. Aangezien [appellante] niet de originele inleidende dagvaarding aan het hof heeft overgelegd kan het hof geen dagvaardingskosten begroten en zal het hof in zoverre de vordering afwijzen. Het hof ziet geen aanleiding om nu al nakosten toe te wijzen.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Stamicarbon om [appellante] uiterlijk vier weken na betekening van dit arrest toe te laten tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden van Inspection planner, (tenzij sprake is van arbeidsongeschiktheid van [appellante] ), op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat Stamicarbon in gebreke blijft aan dit arrest te voldoen, met een maximum van € 250.000,-;

veroordeelt Stamicarbon om het salaris van € 5.919,93 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag en overige emolumenten, te betalen vanaf 16 november 2021;

veroordeelt Stamicarbon in de proceskosten van deze procedure en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante]

voor de eerste aanleg op € 240,- aan griffierecht en op € 996,- aan salaris advocaat,

voor het hoger beroep op € 131,18 aan dagvaardingskosten, op € 343,- aan griffierecht en op € 2.228,- aan salaris advocaat;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, M. van Ham en A.J. van de Rakt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 april 2022.

griffier rolraadsheer