Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:1073

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-04-2022
Datum publicatie
19-04-2022
Zaaknummer
200.199.941_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:6872
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:5377
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2020:9949
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2021:4364
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2021:6179
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

eindafrekening na ontbinding vof

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.199.941/01

arrest van 5 april 2022

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.F.J.M. Mulders te Echt-Susteren,

tegen

1 ABC Adviseurs V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [geintimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [geintimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. F.G.H.J. Niemarkt te Heerlen,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 5 december 2017, 17 juli 2018, 9 oktober 2018, 19 november 2019 en 14 april 2020 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/203616/HA ZA 15-149 gewezen vonnis van 22 juni 2016.

18 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 14 april 2020;

  • -

    het aanvullend deskundigenbericht van 9 maart 2021 met bijlagen;

  • -

    de memorie na aanvullend deskundigenbericht van [appellant] met producties;

  • -

    de antwoordmemorie na aanvullend deskundigenbericht van ABC c.s.;

- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd en beide partijen bij akte een of meer producties in het geding hebben gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de hierboven genoemde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

19 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

19.1.1.

Het hof brengt in herinnering dat in de eerdere tussenarresten de vorderingen van beide partijen grotendeels zijn afgewezen (vgl. rov 13.1.3 eerste zin in arrest 19 november 2019), althans zijn ingetrokken (vgl. rov. 6.8 in arrest 17 juli 2018), althans buiten behandeling zijn gesteld.

19.1.2.

Het hof dient nog te beslissen over de vorderingen die zagen op de afrekening over de periode 1 januari 2013- 10 januari 2014. Het hof heeft hierover advies gevraagd aan de deskundige.

Daarnaast liggen nog ter beslissing voor de vorderingen van beide partijen ex artikel 843a Rv (vgl. rov 13.1.4) en de vorderingen van beide partijen die zien op de (proces)kosten.

19.1.3.

In zijn rapportage wijst de deskundige nog op een aantal kwesties waarover hij niet rechtstreeks bevraagd is door het hof, maar die zijns inziens wel beantwoording door het hof behoeven in het kader van de voorliggende kwesties. De deskundige doelt hier op de ten laste van de ABC vof gebrachte huur van het pand te [plaats] die slechts € 1650,00 zou bedragen (desk. blz. 12/13) en de kapitaalvordering van [appellant] en de eventuele verrekening daarvan met overgenomen activa (desk. blz. 16/17).

de afrekening 2013/10-1-2014

19.2.1.

Nadat het hof de grief van [appellant] tegen het oordeel van de rechtbank over de gebondenheid aan de beëindigingsovereenkomst had verworpen, constateerde het hof dat [appellant] geen grief had aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] recht had op een-derde deel van het resultaat in ABC over de looptijd van de beëindigingsovereenkomst, van 1 januari 2013 tot en met 10 januari 2014, maar dat hij wel aanspraak heeft gemaakt op winstdeling vanaf 2013 en dat – als sprake is van een pot/poolovereenkomst - ook [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] gehouden zijn hun activiteiten gelijkelijk te verdelen. (rov. 6.15). Vervolgens oordeelde het hof, naar aanleiding van grieven van partijen, dat de afrekening zal moeten worden berekend doordat de resultaten van ABC en van de eenmanszaak van [appellant] over die periode samen zullen worden genomen en gelijkelijk verdeeld zullen worden (rov. 6.19). In de stukken wordt hierover gesproken als een pot/pool berekening. Het hof heeft (onder meer) als onvoldoende onderbouwd gepasseerd de stelling van [appellant] dat [geintimeerde 3] en [geintimeerde 2] naast inkomsten uit ABC nog andere inkomsten zouden hebben genoten, die ingebracht zouden moeten worden in de verrekening (rov 6.18).

19.2.2.

Vervolgens heeft het hof (nadat partijen ter zake de vraagstellig suggesties hadden gedaan) aan de deskundige opdracht gegeven de volgende vragen te onderzoeken en beantwoorden:

Hoe moet er, uitgaande van het in de beëindigingsovereenkomst bepaalde en met inachtneming van wat het hof daarover in dit arrest heeft overwogen, tussen [geintimeerde 2] , [geintimeerde 3] en [appellant] concreet worden afgerekend wil er sprake zijn van een gelijke verdeling van resultaten gerealiseerd in ABC en in de eenmanszaak van [appellant] in de periode 1 januari 2013 tot en met 10 januari 2014?

en

Heeft u voor het overige nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak relevant (kunnen) zijn?”.

Bij zijn instructies aan de deskundige heeft het hof vermeld dat de deskundige de stukken die hij nodig heeft en die geen deel uitmaken van de processtukken, bij de advocaten van partijen moet opvragen.

19.2.3.

De deskundige heeft dat gedaan en een rapportage opgesteld. Daarin heeft hij op inzichtelijke wijze, en nadat hij partijen in de gelegenheid heef gesteld op het concept-rapport te reageren, duidelijk gemaakt van welke resultaten van partijen hij over 2013 en 2014 is uitgegaan, welke correcties hij daarop heeft toegepast en waarom, en wat uiteindelijk zijn conclusie is geworden: namelijk dat [appellant] over 2013 van ABC VOF nog te ontvangen heeft € 23.307,00 en over 2014 (10 dagen) € 579,00. Daarbij heeft de deskundige opgemerkt dat hij het ontbreken van de aan [geintimeerde 2] gevraagde, maar niet van deze ontvangen privé aangifte inkomsten belasting 2013 heeft moeten compenseren door aannames of zienswijzes.

Het hof heeft daarop zijn voornemen kenbaar gemaakt om ABC c.s. op te dragen genoemde aangifte alsnog te verstrekken, onder meer vanwege de door [appellant] opgeworpen vraag of [geintimeerde 2] in 2013 mogelijk andere inkomsten had genoten, die verband hielden met ABC.

19.3.1.

Door ABC c.s. werd vervolgens slechts een deel van genoemde aangifte verstrekt. Het hof heeft daarop aan ABC c.s. een bevel gegeven om een door de Belastingdienst gewaarmerkte kopie van de volledige door [geintimeerde 2] ingediende aangifte IB 2013 te verstrekken (rov 16.6.).

19.3.2.

Na die verstrekking heeft de deskundige een aanvullend rapport uitgebracht. Hij heeft meegedeeld dat – en waarom – het alsnog overgelegde stuk hem geen reden geeft om (de aannames in) zijn eerdere rapportage aan te passen.

19.4.1.

[appellant] heeft vervolgens in een reactie aan de deskundige aangevoerd dat deze nader onderzoek zou moeten verrichten naar de niet uit die aangifte IB 2013 van [geintimeerde 2] blijkende inkomsten uit in het buitenland verrichte activiteiten. Daarop heeft de deskundige aangegeven “De aard en de reikwijdte van het door het Hof ingestelde deskundigenonderzoek zien niet op een forensisch onderzoek naar de door [appellant] opgeworpen kritiek dat [geintimeerde 2] zou frauderen met zijn aangifte (..)”,waaraan de deskundige toevoegde dat de administratieve verwerkingswijze van de buitenland-uren 2013 van [geintimeerde 2] bekend was of bekend had kunnen zijn bij partijen ten tijde van het opmaken van de jaarrekeningen van ABC VOF (blz. 14/15 aanv. desk.).

19.4.2.

Het hof begrijpt uit de stellingen van [appellant] in zijn memorie na aanvullend deskundigenbericht, dat hij het hof verzoekt terug te komen op zijn eerdere beslissing over de gestelde extra inkomsten van [geintimeerde 2] (zie hierboven rov 19.2.1.). Het hof ziet daartoe geen reden op grond van het volgende.

19.4.3.

Het gaat hier om beslissingen die het hof uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft gegeven. In beginsel is het hof hieraan in het verdere verloop van het geding gebonden. Deze gebondenheid geldt echter niet onverkort. De eisen van de goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Dat die situatie zich in dit geval voordoet is door [appellant] niet gesteld, zodat zijn verzoek niet voldoet aan de eisen die aan een dergelijk verzoek gesteld kunnen worden. Maar ook in wat [appellant] wel gesteld heeft ziet het hof geen reden om terug te komen op dit oordeel, waarbij het hof de uitlatingen van de deskundige over de gestelde extra buitenland-inkomsten van [geintimeerde 2] deelt. Er is evenmin aanleiding om aan een der partijen hierover een nadere bewijsopdracht te verstrekken. Voor zover [appellant] een aanbod daartoe heeft gedaan wordt dit verworpen, nu [appellant] onvoldoende concrete feiten heeft gesteld die of onderbouwd wat hij wenst te bewijzen.

19.4.4.

Daar komt bij dat uit de eigen stellingen en bewijsstukken van [appellant] blijkt dat [geintimeerde 2] al sinds 1997 bepaalde nevenwerkzaamheden naast zijn reguliere werkzaamheden verricht. Zo daar al extra inkomsten uit voort zijn gevloeid (iets wat niet vast staat) zouden die buiten de samenwerking in ABC VOF gehouden worden. Het hof verwijst naar artikel 6 van de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst, dat luidt:

“ARTIKEL 6 VERBODEN HANDELINGEN

1. Andere bedrijfsvoering dan die welke geschiedt voor het in de vennootschap onder firma uitgeoefende bedrijf (…) zal slechts met goedvinden van de andere vennoten mogen plaatsvinden, indien dit meebrengt dat dit in de normale werktijd geschiedt. (…)

2. Vorenstaande is niet van toepassing voor bedrijfsuitoefening en/of nevenfuncties, die bij het aangaan dezer overeenkomst reeds aanwezig waren, terwijl daarvoor verstrekte vergoedingen enkel toekomen aan de betreffende vennoot.”

De voor het eerst bij dit laatste pleidooi aangevoerde stelling dat het tweede lid van artikel 6 door de instemming van [appellant] met het maken van een afrekening op basis van een pot/poolovereenkomst is losgelaten, passeert het hof als tardief en in strijd met de tweeconclusieregel van artikel 347 Rv.

In rov 6.15 heeft het hof geconstateerd dat [appellant] geen grief heeft geformuleerd tegen zijn gebondenheid aan de beeindigingsovereenkomst en de interpretatie door de rechtbank van die overeenkomst als een pot- of poolovereenkomst. Vervolgens heeft het hof vordering XII van [appellant] beoordeeld, waarin [appellant] verzocht om (als er sprake blijkt te zijn geweest van een pot-of poolovereenkomst) voor recht te verklaren dat ook [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] gehouden zijn de resultaten van hun overige activiteiten gelijkelijk te verdelen. Die vordering heeft het hof afgewezen.

De stelling die [appellant] nu aanvoert is een eiswijziging c.q. nieuwe onderbouwing van de grondslag van die vordering, die door de wederpartij niet uitdrukkelijk is aanvaard.

19.5.

De slotsom is dat het hof de deskundige volgt. Niet alleen naar de wijze van tot stand komen, maar ook naar de inhoud voldoet het deskundigenbericht aan de eisen die daaraan gesteld kunnen en moeten worden.

Dit betekent dat aan [appellant] uit ABC VOF ter zake de afrekening over 2013 en de eerste tien dagen van 2014 nog toekomt over 2013 € 23.307,00 (desk. nr 5.6 blz. 13) en over 2014

€ 579,00 (5.7 blz. 14)

overige kwesties

19.6.1.

De deskundige heeft onder paragraaf 5.5 onderdeel 5 van zijn oorspronkelijke rapport gewezen op de opmerking van [appellant] dat het resultaat van ABC VOF over 2013 met een bedrag van € 4.950,00 meerwinst gecorrigeerd zou moeten worden, omdat de huur van het pand te [plaats] , die ten laste van ABC VOF is gebracht, geen € 6.600,00 maar slechts € 1.650,00 zou hebben bedragen. Dit zou volgens [appellant] voortvloeien uit een arrest van dit hof in een geschil tussen mevrouw [persoon A] en ABC VOF, dat echter niet door [appellant] was ingebracht. De deskundige heeft deze kwestie niet meegenomen in zijn pot/pool berekening omdat feiten en omstandigheden (als de onderhavige) die achteraf een ander licht werpen op jaarcijfers, niet leiden tot aanpassing van die jaarcijfers. Zou de stelling van [appellant] juist zijn, dan is sprake van een nagekomen bate. Deze valt buiten de aan de deskundige verzochte berekening, maar zou wel door het hof tussen partijen verrekend kunnen worden, aldus de deskundige.

19.6.2.

[appellant] merkt hierover op dat hij genoemd arrest wel aan de deskundige had gezonden, en verder, voor zover thans van belang, dat deze post, ter zake achteraf te veel door de ABC VOF opgenomen huurkosten, wel door de deskundige in de pot/pool berekening betrokken had kunnen c.q. moeten worden.

ABC c.s. hebben over deze kwestie geen opmerkingen meer gemaakt.

19.6.3.

Het hof constateert dat in genoemd arrest van 22 januari 2019 is overwogen dat ABC VOF voor het door haar van mevrouw [persoon A] gehuurde pand in 2013 terecht

€ 1.650,00 heeft betaald (de huur over januari, februari en maart 2013), en dat daarna niet meer betaald is. Daarmee is gegeven dat ABC VOF over 2013 voor dit pand geen € 6.600,00 heeft betaald en dat het teveel in de stukken opgenomen als nagekomen bate moet worden verrekend tussen de vennoten, zoals de deskundige heeft gesuggereerd. Het hof zal deze suggestie ter harte nemen en - nu deze kwestie nauw samenhangt met de vordering van [appellant] ter zake winstafdracht over 2013 - oordelen dat aan [appellant] ook alsnog toekomt, ten laste van ABC VOF, het bedrag van € 1.650,00.

19.7.1.

De deskundige heeft in paragraaf 5.9.2. van zijn rapport opgenomen dat de kapitaalinleg van [appellant] in ABC VOF € 9.919,00 was, waardoor een rekening-courantschuld van ABC VOF tot dit bedrag is ontstaan.

ABC c.s. hebben dit betwist. Zij voeren aan dat deze vordering van [appellant] verjaard is, subsidiair dat zij deze kunnen verrekenen met andere posten. De vordering ter zake zou zijn afgenomen met € 4.259,00. ABC VOF wenst op dit bedrag nog in mindering te brengen

€ 3.969,67 ter zake kantoormeubilair in [plaats] , een printer en een computer, die door [appellant] zijn overgenomen (kennelijk tegen de historische aanschafwaarde). Door [appellant] is een en ander gemotiveerd betwist. De deskundige heeft deze kwestie evenwel niet meegenomen in zijn pot/pool berekening ter zake de winstafdracht, omdat de kwestie rond de verdeling van het eigen vermogen niet tot zijn opdracht behoort.

Het hof constateert dat de thans nog te behandelen hoofdvordering van [appellant] , vordering III, slechts ziet op betaling van het aan [appellant] toekomende winstaandeel uit ABC over 2013 tot de datum der beëindiging, door het hof bepaald op een winstafdracht over de periode 2013 en de eerste 10 dagen van 2014. Door [appellant] is derhalve geen vordering terzake een rekening-courantschuld van ABC VOF ingesteld, zodat het hof hier verder aan voorbij gaat.

19.7.2.

[appellant] heeft in zijn akte na deskundigenbericht gewezen op een door hem opgestelde goodwill-berekening, die zou sluiten op € 134.347,00 ten gunste van [appellant] . Nu door [appellant] geen vordering terzake goodwill is ingesteld, gaat het hof hier niet verder op in.

19.7.3.

[appellant] heeft in zijn akte na deskundigenbericht aangevoerd dat hem over de periode na 10 januari 2014 nog redelijk loon voor verrichte werkzaamheden toekomt, tot een geschat bedrag van € 105.880,00 excl. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 17 juli 2018 geoordeeld dat alle vorderingen van partijen zullen worden afgewezen, met uitzondering van de vordering over de afrekening 1 januari 2013/10 januari 2014. Daarmee heeft het hof over de loonvordering ook definitief en zonder voorbehoud beslist. Daar blijft het hof bij nu gesteld noch gebleken is dat sprake zou zijn van een van de uitzonderingen op de regel rond de bindende eindbeslissing.

19.7.4.

Beide partijen hadden gevorderd dat het hof de wederpartij zou veroordelen op de voet van artikel 843a Rv tot het overleggen van bepaalde, met name genoemde, stukken. Zoals reeds gememoreerd, heeft de deskundige bij beide partijen de stukken opgevraagd - en uiteindelijk gekregen - die hij nodig achtte voor het opstellen van zijn advies. Naar het oordeel van het hof komt, nu het advies gereed is en het hof dit zal volgen, én gezien het feit dat het hof over alle (andere) vorderingen van partijen inmiddels heeft beslist, geen belang meer toe aan de vorderingen XIII (van [appellant] ) en A (van ABC c.s.). Het hof zal deze vorderingen afwijzen.

19.7.5.

Het hof merkt op dat als [appellant] met zijn stellingen rond de rekening-courantschuld en de goodwill in zijn akte na deskundigenbericht zijn eis heeft willen wijzigen/ vermeerderen, een dergelijke eiswijziging in dit stadium van de procedure te laat is, gezien het bepaalde in artikel 347 Rv. Gesteld noch gebleken is van een uitzondering op het aldaar bepaalde. Hetzelfde geldt voor het geval de stellingen van [appellant] over redelijk loon moesten worden gelezen als een eiswijziging.

19.8.1.

Het oordeel van het hof betekent dat het bestreden vonnis in conventie in de hoofdzaak zal worden vernietigd voor zover ABC, [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] daarin onder 5.1. van het dictum hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling aan [appellant] van de daar berekende winst vermeerderd met rente. Opnieuw rechtdoende zullen ABC c.s. alsnog worden veroordeeld om aan [appellant] te betalen € 23.307,00 + € 579,00 + 1.650,00 met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der inleidende dagvaarding tot aan die der betaling. Voor het overige zal het vonnis worden bekrachtigd.

19.8.2.

Het hof ziet aanleiding om de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt en de kosten van het deskundigenrapport - die door [appellant] zijn voorgeschoten – gelijkelijk tussen partijen zullen worden verdeeld, aldus dat ABC c.s. de helft hiervan aan [appellant] zullen moeten betalen.

De kosten van het aanvullend deskundigenbericht, die door ABC c.s. zijn voorgeschoten, zullen ten laste van ABC c.s. blijven, nu deze kosten nodeloos gemaakt zijn door toedoen van ABC c.s.

19.8.3.

Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

20 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het bestreden vonnis in conventie in de hoofdzaak voor zover daarin:
- onder 5.1. van het dictum ABC, [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] hoofdelijk tot betaling zijn veroordeeld;
- onder 5.4. van het dictum het meer of anders gevorderde is afgewezen;
- onder 5.12 de veroordeling onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt ABC c.s. hoofdelijk om ter zake de winstafdracht over 2013 en de eerste 10 dagen van 2014 aan [appellant] te betalen het bedrag van € 25.536,00 met de wettelijke rente hierover vanaf datum dagvaarding eerste aanleg;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in principaal en incidenteel hoger beroep, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt ABC c.s. hoofdelijk om aan [appellant] ter zake de (helft van de) kosten van het deskundigenbericht te betalen het bedrag van € 4.840,00;

verstaat dat de kosten van het aanvullend deskundigenbericht ten laste van ABC c.s. zullen blijven;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders (in hoger beroep) gevorderde;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, L.S. Frakes en J.C.J. van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 april 2022.

griffier rolraadsheer