Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2022:1037

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-03-2022
Datum publicatie
12-04-2022
Zaaknummer
20/00488
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:3643, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de reis-en verzekeringskosten, die zij heeft gemaakt ten behoeve van haar studie en stage in Boston, als scholingsuitgaven in aftrek kunnen worden gebracht. Het hof is van oordeel dat de wetgever de scholingsuitgaven heeft willen beperken en daarom een limitatieve opsomming in artikel 6.27, lid 1, Wet IB 2001 heeft opgenomen. Voorts heeft het hof geoordeeld dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De inspecteur heeft terecht een verzuimboete opgelegd, belanghebbende heeft geen recht op vergoeding van kosten in bezwaarfase en het hof ziet geen aanleiding voor terugwijzing naar de rechtbank. Het hoger beroep is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep is eveneens ongegrond, aangezien de inspecteur naar het oordeel van het hof terecht is veroordeeld in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht wegens schending van het hoorrecht. Aangezien het incidentele hoger beroep ongegrond is verklaard, heeft belanghebbende wel recht op proceskostenvergoeding.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-4-2022
V-N Vandaag 2022/940
FutD 2022-1165
NLF 2022/0784
V-N 2022/31.21.37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 20/00488

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] (Verenigde Staten), domicilie gekozen hebbend te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 6 augustus 2020, nummer BRE 19/1309 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2015 opgelegd. Tevens is gelijktijdig bij beschikkingen een verzuimboete (hierna: de boetebeschikking) opgelegd en belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.3.

De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren zijn gedeeltelijk gegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.5.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het hof.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.

1.7.

Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.

1.8.

Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord; belanghebbende heeft uitdrukkelijk verklaard af te zien van dat recht. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende stond van 1 november 2014 tot en met 31 maart 2015 als voltijdstudent ingeschreven aan de Universiteit van Amsterdam voor de ‘Doctoraal opleiding D Geneeskunde’. Zij heeft in het jaar 2015 tevens gestudeerd aan de Harvard Medical School in Boston (Verenigde Staten) en heeft in het kader van haar studie stage gelopen. Belanghebbende is sinds 2014 eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] . Volgens gegevens uit het bevolkingsregister is belanghebbende sinds 31 mei 2017 niet meer woonachtig in Nederland.

2.2.

De inspecteur stelt dat met dagtekening 28 februari 2016 belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2015. De inspecteur stelt verder bij brief van 24 juni 2016 een herinnering aan belanghebbende te hebben verzonden en bij brief van 2 augustus 2016 haar schriftelijk te hebben aangemaand om uiterlijk 16 augustus 2016 de aangifte in te dienen. Deze brieven zijn allemaal geadresseerd aan belanghebbende op het adres [adres] , [postcode] te [plaats] .

2.3.

Belanghebbende heeft op 7 september 2016 aangifte IB/PVV gedaan voor het jaar 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Daarbij heeft zij € 12.687 aan aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning en € 9.750 (inclusief drempel) als persoonsgebonden aftrek aan scholingsuitgaven (hierna: de aftrek scholingsuitgaven) in aanmerking genomen.

2.4.

De inspecteur heeft aan belanghebbende op 22 december 2017 de onderhavige aanslag opgelegd. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning (hierna: hypotheekrenteaftrek) rekening gehouden met een bedrag van € 4.367. De aftrek scholingsuitgaven is geweigerd.

2.5.

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraken op bezwaar is de inspecteur belanghebbende gedeeltelijk tegemoet gekomen en heeft alsnog een bedrag in verband met scholingsuitgaven van € 7.472 in aftrek toegestaan. De inspecteur heeft de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.380. De beschikking belastingrente is evenredig verminderd tot € 25. De inspecteur heeft de verzuimboete gehandhaafd.

2.6.

Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld.

2.7.

In de tussenuitspraak van 21 februari 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het hoorrecht is geschonden. De rechtbank heeft vervolgens de zogenoemde bestuurlijke lus in de zin van artikel 8:51a Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) toegepast. Daarbij is de inspecteur in de gelegenheid gesteld om belanghebbende te horen en de rechtbank uiterlijk 15 april 2020 te berichten, of en zo ja in hoeverre er reden is voor wijziging van de uitspraak op bezwaar en de standpunten in beroep. Daarnaast is iedere verdere beslissing aangehouden.

2.8.

Belanghebbende is op 27 maart 2020 telefonisch gehoord door de inspecteur. De inspecteur heeft vervolgens het hoorverslag aan de rechtbank toegezonden en aangegeven dat hij de uitspraak op bezwaar en zijn standpunten in beroep handhaaft. Daar is vervolgens schriftelijk op gereageerd door belanghebbende. Partijen hebben desgevraagd aangegeven dat een nader onderzoek ter zitting bij de rechtbank achterwege kan blijven.

2.9.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraken op bezwaar vernietigd met instandhouding van de rechtsgevolgen, gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde schending van het hoorrecht. Voorts heeft de rechtbank de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van € 1.050 en een vergoeding van het griffierecht van € 47.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft belanghebbende recht op aftrek van scholingsuitgaven voor de reis- en verzekeringskosten die zij heeft gemaakt ten behoeve van haar studie en stage in Boston? Zo nee, is er sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel en/of het evenredigheidsbeginsel?

II. Heeft de inspecteur terecht een verzuimboete opgelegd?

III. Heeft belanghebbende recht op een kostenvergoeding voor de bezwaarprocedure?

IV. Heeft de rechtbank de inspecteur terecht veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot terugwijzing naar de rechtbank. De inspecteur concludeert primair tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank aangezien het hoorrecht niet zou zijn geschonden waardoor hij ten onrechte is veroordeeld in de proceskosten en de terugbetaling van het griffierecht. Subsidiair concludeert de inspecteur tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Aftrek van scholingsuitgaven

4.1.

Scholingsuitgaven zijn de in artikel 6.27, lid 1, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) limitatief opgesomde uitgaven die wegens het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning zijn gedaan. De volgende scholingsuitgaven komen voor aftrek in aanmerking:

“1. (…)

a. lesgeld, cursusgeld, collegegeld, examengeld als bedoeld in artikel 7.44 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of promotiekosten;

b. door de onderwijsinstelling verplicht gestelde leermiddelen en beschermingsmiddelen.”

4.2.

Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat er een direct verband moet bestaan tussen de uitgaven en het leertraject. Het doel en de strekking van de bepaling volgt uit enkele passages uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de bepalingen over de aftrekbaarheid van scholingsuitgaven:

“ (…)

Scholingsuitgaven

Artikel 6.7.1 Scholingsuitgaven

In artikel 6.7.1 wordt de definitie van scholingsuitgaven opgenomen. Scholingsuitgaven zijn uitgaven van de belastingplichtige voor een door hem zelf gevolgde opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. De uitgaven moeten direct verband houden met het leertraject. Hierbij moet worden gedacht aan reële en rechtstreekse kosten, lasten en afschrijvingen voor een opleiding of studie, zoals bijvoorbeeld lesgelden en leerboeken. Zo zijn uitgaven voor vakliteratuur alleen aftrekbaar indien er een zodanig verband tussen de literatuur en het volgen van het leertraject bestaat dat de literatuur in de gegeven omstandigheden naar het spraakgebruik als leerboek of leermiddel kan worden aangemerkt. Met de term «met het oog op het verwerven van inkomen uit arbeid en woning» wordt beoogd aan te geven dat het doel van de opleiding bepalend is voor de aftrekbaarheid van de scholingsuitgaven. Het geobjectiveerde doel van het volgen van de opleiding of studie moet zijn hetzij het verbeteren van de financieel-economische positie van de belastingplichtige, hetzij het op peil houden of verbeteren van kennis en vaardigheden die de belastingplichtige nodig heeft voor het verwerven of behouden van inkomen uit tegenwoordige arbeid.

Artikel 6.7.2 Beperkingen

In artikel 6.7.2 wordt de definitie van scholingsuitgaven verduidelijkt. Met betrekking tot de drie in het eerste lid genoemde posten kan onduidelijkheid ontstaan in hoeverre deze posten direct verband houden met het volgen van een leertraject en of deze posten als scholingsuitgaven zijn aan te merken. Als gevolg van het eerste lid worden de drie genoemde posten niet als scholingsuitgaven aangemerkt.

Als voortzetting van de situatie onder het regime van artikel 46 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 dat uitgaven voor levensonderhoud, daaronder begrepen huisvesting, voedsel, drank, genotmiddelen en kleding, niet aftrekbaar zijn, wordt de aftrekbaarheid van deze posten onder het regime van de Wet inkomstenbelasting 2001 uitgesloten. Met de beperking opgenomen in onderdeel b is beoogd de aftrekbeperkingen voor werk- en studeerruimten in de artikelen 36, eerste lid, onderdeel b, en 46, achtste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 te handhaven voor scholingsuitgaven.

Met de beperking opgenomen in onderdeel c wordt beoogd uitgaven voor reizen en verblijven die eventueel als scholingsuitgaven zouden kunnen worden aangemerkt, uit te sluiten van de aftrekmogelijkheid. Veelal hebben de reizen en verblijven een gemengd karakter, waarbij geen aftrek past. (…).”1

Vervolgens heeft de wetgever vanaf het jaar 2013 de vereenvoudiging van de persoonsgebonden aftrek voor scholingsuitgaven als volgt toegelicht:

2. Inkomstenbelasting

2.1.

Vereenvoudiging scholingsuitgaven

In het kader van complexiteitsreductie en betere uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de persoonsgebonden aftrekpost scholingsuitgaven wordt een aantal maatregelen voorgesteld. Deze maatregelen waren aanvankelijk opgenomen in het wetsvoorstel Wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000. In de eerste plaats wordt de aftrek van scholingsuitgaven beperkt tot de verplicht gestelde en noodzakelijke kosten van de opleiding of studie. Daarnaast ontstaat een belangrijke vereenvoudiging door de bestaande afwijkende regeling voor belastingplichtigen met recht op studiefinanciering (normbedragensystematiek) te laten vervallen. Deze afwijkende regeling is in de praktijk zeer complex gebleken voor zowel belastingplichtigen als de Belastingdienst. Op grond van de voorgestelde regeling krijgen ook deze belastingplichtigen aftrek van de limitatief opgesomde werkelijk gemaakte kosten. (…) Door de voorgestelde maatregelen wordt de aftrek scholingsuitgaven eenvoudiger en transparanter voor de belastingplichtige en beter uitvoerbaar en controleerbaar voor de Belastingdienst.2

(…)

Artikel I, onderdeel D (artikel 6.27 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

In artikel 6.27 van de Wet IB 2001 is aangegeven wat wordt verstaan onder scholingsuitgaven. Dit zijn uitgaven die wegens het volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning worden gedaan. Met de wijziging van het eerste lid worden de desbetreffende uitgaven limitatief beperkt tot de uitgaven voor lesgeld, cursusgeld, collegegeld, examengeld of promotiekosten en door de onderwijsinstelling verplicht gestelde leermiddelen en beschermingsmiddelen. Uitgaven die verband houden met de opslag op het wettelijke collegegeld voor langstudeerders (per 1 september 2012 € 3063) worden net als onder de thans geldende regeling (artikel 6.28, eerste lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001) niet als scholingsuitgaven aangemerkt.

Indien een student het wettelijke collegegeld volgens het verhoogde tarief betaalt, wordt maximaal het wettelijke collegegeld volgens het basistarief in aanmerking genomen voor de aftrek van scholingsuitgaven.

(…)

Anderzijds wordt hiermee voorkomen dat uitgaven voor zaken waarvoor geen aftrek is beoogd, zoals kosten van levensonderhoud, reiskosten, excursiereizen en dergelijke, onder de scholingsuitgaven worden gebracht. De bestaande beperkingen van artikel 6.28, eerste lid, van de Wet IB 2001 worden hiermee gehandhaafd, maar de vermelding daarvan in die bepaling is als zodanig overbodig geworden door de nieuwe definitie in artikel 6.27 van de Wet IB 2001 van hetgeen tot de scholingsuitgaven wordt gerekend.”3

4.3.

Op belanghebbende rust de last aannemelijk te maken dat de reis- en verzekeringskosten zijn aan te merken als scholingsuitgaven.

4.4.

Het hof is van oordeel dat de reis- en verzekeringskosten niet als scholingsuitgaven in aftrek kunnen worden gebracht. De wetgever heeft de scholingsuitgaven willen beperken en heeft daarom een limitatieve opsomming in artikel 6.27, lid 1, Wet IB 2001 opgenomen, zie 4.1. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever de aftrekbaarheid van scholingsuitgaven heeft willen vereenvoudigen om hiermee te voorkomen dat uitgaven voor zaken waarvoor geen aftrek is beoogd onder de scholingsuitgaven worden gebracht, zie 4.2. Aangezien de reis- en verzekeringskosten niet onder de limitatieve opsomming vallen, heeft de inspecteur deze kosten terecht niet voor aftrek in aanmerking genomen. Het hof mag de innerlijke waarde en billijkheid van de wet niet beoordelen.4

Gelijkheidsbeginsel

4.5.

Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, veroorzaakt door begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging zonder een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Er is eveneens in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, indien de inspecteur een meerderheid van belastingplichtigen door een vergissing voordeliger behandelt dan anderen, de zogenoemde meerderheidsregel. Het ligt op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

4.6.

Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Belanghebbende betoogt dat er schending heeft plaatsgevonden aangezien de inspecteur niet alle noodzakelijke scholingsuitgaven consequent voor aftrek in aanmerking heeft genomen. Deze stelling heeft belanghebbende tegenover de betwisting door de inspecteur niet met feiten onderbouwd. Voor zover belanghebbende betoogt dat voor in het buitenland studerende studenten meer aftrek moet worden toegestaan dan voor in Nederland studerende studenten faalt dit betoog. Dit zijn geen gelijke gevallen en er kan op basis van die ongelijkheid niet meer aftrek worden verleend dan de wet mogelijk maakt (zie 4.4). Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

Evenredigheidsbeginsel

4.7.

Belanghebbende beroept zich op de voor haar onevenredige gevolgen doordat een deel van de noodzakelijke scholingsuitgaven door de inspecteur is afgewezen, waarbij belanghebbende verwijst naar de toeslagenaffaire.

4.8.

Het hof merkt deze beroepsgrond aan als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Hieruit volgt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Er zijn in de onderhavige zaak geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die aanleiding geven tot het oordeel dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden en dat als gevolg daarvan de aanslag IB/PVV 2015 vernietigd zou dienen te worden.

Verzuimboete

4.9.

De rechtbank heeft met betrekking tot de verzuimboete als volgt geoordeeld (met weglating van voetnoten):

“2.14. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de verzuimboete onterecht aan haar is opgelegd, omdat zij de in 2.2. genoemde uitnodiging, herinneringsbrief en aanmaningsbrief (hierna: de brieven) niet heeft ontvangen, overweegt de rechtbank als volgt. Voor het opleggen van de verzuimboete van artikel 67a van de AWR is geen plaats indien de aanmaning tot het doen van aangifte niet op het adres van belanghebbende is ontvangen of aangeboden en deze haar ook anderszins niet heeft bereikt. Het is in beginsel aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat dit is gebeurd. In eerste instantie kan hij volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Het ligt vervolgens op de weg van belanghebbende om het vermoeden van ontvangst te ontzenuwen.

2.15.

De inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat de brieven aan het juiste adres zijn gericht en ter verzending per post zijn aangeboden. Belanghebbende heeft de verzending naar het juiste adres als zodanig niet betwist. Het voorgaande rechtvaardigt het vermoeden van de ontvangst of de aanbieding van de brieven op het juiste adres.

2.16.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, met de enkele – niet nader onderbouwde – stelling dat zij de brieven niet heeft ontvangen, het vermoeden van ontvangst niet ontzenuwd. De rechtbank neemt dan ook aan dat de brieven in goede orde zijn ontvangen.

2.17.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur op grond van artikel 67a van de AWR in combinatie met paragraaf 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, terecht de verzuimboete heeft opgelegd. Belanghebbende is gehouden om aangifte te doen, maar heeft, ondanks daartoe te zijn aangemaand, niet binnen de gestelde termijn aangifte gedaan. Voor het opleggen van een dergelijke verzuimboete is niet vereist dat er sprake is van opzet of grove schuld bij de belastingplichtige. Bij afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een boete achterwege te blijven. De omstandigheid dat belanghebbende stelt dat door het internationale karakter van haar opleiding haar meer tijd gegund had moeten worden voor de aangifte, kan niet slagen. Voor een geslaagd beroep op avas is het nodig dat belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te voorkomen dat te laat aangifte zou worden gedaan. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat daar in dit geval sprake van is. Anders dan belanghebbende meent, is de geconstateerde schending van het hoorrecht in de bezwaarfase ook geen aanleiding voor vernietiging van de boete. De boete is dan ook terecht opgelegd.

2.18.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of de boete passend en geboden is. De rechtbank ziet in belanghebbendes stellingname dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden geen aanleiding om de boete te verminderen, aangezien de rechtbank van oordeel is dat dergelijke schendingen niet aannemelijk zijn gemaakt. Andere gronden voor een matiging van de boete zijn niet gesteld. Een verzuimboete van € 369 acht de rechtbank in dit geval dan ook passend en geboden.”

4.10.

Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt die tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen andere gronden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.

Veroordeling kosten in bezwaarfase

4.11.

Voor de veroordeling van de inspecteur in de kosten van de bezwaarprocedure is vereist dat belanghebbende in de bezwaarfase om een kostenvergoeding moet hebben verzocht. Dit verzoek dient door belanghebbende te worden gedaan voordat de inspecteur op het bezwaar heeft beslist.5

4.12.

Belanghebbende heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank op 13 oktober 2020 een verzoek verzonden aan het hof om de inspecteur te veroordelen in de kosten van de bezwaarprocedure. Aangezien het verzoek pas is ingediend nadat de inspecteur op het bezwaar heeft beslist, is dit verzoek te laat gedaan. Het hof wijst daarom het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de kosten van bezwaar af.

Terugwijzing naar de rechtbank

4.13.

Belanghebbende verzoekt het hof de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.

4.14.

Het hof heeft geen reden gezien om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank zoals belanghebbende heeft verzocht. In dit geval is er geen sprake van dat de rechtbank niet of niet volledig is toegekomen aan de beoordeling van het materiële geschil. Een andere reden voor terugwijzing ziet het hof niet.

Incidenteel hoger beroep omtrent proceskosten en het griffierecht

4.15.

De inspecteur heeft in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank het beroep ten onrechte gegrond heeft verklaard wegens schending van het hoorrecht waardoor hij is veroordeeld in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht. De inspecteur is van mening dat er sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar in de zin van artikel 7:3 Awb, waardoor de de hoorplicht niet is geschonden.

4.16.

Op grond van artikel 7:2, lid 1, Awb wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld te worden gehoord voordat op het bezwaar wordt beslist. In artikel 7:3, letter b, Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Daarvan kan sprake zijn indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.6 De beslissing om met toepassing van deze bepaling van horen af te zien, moet worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd.7 Wanneer op hetgeen wat in het bezwaarschrift is aangevoerd verwacht kan worden dat het horen nog van belang is voor het vaststellen van feiten en omstandigheden die op de beslissing van invloed kunnen zijn, is er geen aanleiding voor het achterwege laten van de hoorzitting. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht een schending van het hoorrecht heeft geconstateerd, omdat belanghebbende reeds in haar brief van 14 juni 2018 heeft verzocht om te worden gehoord. Nu belanghebbende te kennen had gegeven door de inspecteur te willen worden gehoord, mocht de inspecteur uit de omstandigheid dat geen reactie werd ontvangen op een door hem aan belanghebbende schriftelijk gedaan verzoek van 12 november 2018 om binnen zestien dagen te reageren voor het maken van een afspraak, niet afleiden dat belanghebbende (stilzwijgend) afstand deed van haar recht om gehoord te worden, reeds omdat het uitblijven van een reactie binnen de gestelde termijn een andere oorzaak of andere reden kon hebben (zoals in dit geval de door belanghebbende gestelde niet-ontvangst van de brief van 12 november 2018). Bij twijfel over de vraag of belanghebbende al dan niet toestemming heeft gegeven om van het horen af te zien, blijft de inspecteur gehouden belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, hetgeen alsdan kan gebeuren door belanghebbende daartoe uit te nodigen op een door de inspecteur vastgesteld tijdstip en plaats.8 Het bij de rechtbank ingestelde beroep is alleen al door de schending van het hoorrecht gegrond waardoor de rechtbank terecht de inspecteur heeft veroordeeld in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht.

Belastingrente

4.17.

Belanghebbende heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd met betrekking tot de in rekening gebrachte belastingrente. Het is het hof overigens niet gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de belastingrente onjuist zijn toegepast.

Tussenconclusie

4.18.

De slotsom is dat zowel het hoger beroep als het incidenteel hoger beroep ongegrond zijn en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.19.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.20.

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door de inspecteur ingestelde incidentele hoger beroep ongegrond is.

4.21.

Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 (punten)9 x € 759 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 759.

4.22.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    verklaart het incidentele hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof in verband met van € 759.

De uitspraak is gedaan door P. Fortuin, voorzitter, M.J.C. Pieterse en M.B.A. van Hout, in tegenwoordigheid van I.H.M. Fluitsma, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Kamerstukken II 1998/99, 26727, nr. 3, p. 260-261.

2 Noot toegevoegd door het hof: Kamerstukken II 2012/13, 33402, nr. 3, p. 8.

3 Noot toegevoegd door het hof: Kamerstukken II 2012/13, 33402, nr. 3, p. 24-25.

4 Artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28).

5 Artikel 7:15, lid 3, Awb.

6 ABRvS 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:282.

7 ABRvS 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1365.

8 Zie ook Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751.

9 1 punt voor schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.