Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:984

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
200.278.960_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie Erfrecht 2021/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 1 april 2021

Zaaknummer: 200.278.960/01

Zaaknummer eerste aanleg: 8209407 BM VERZ 19-5368

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: appellant,

advocaat: mr. F. Klabbers, voorheen mr. S. Vos-van Helvert.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene);

  • -

    [zoon] (hierna te noemen: de zoon van betrokkene);

  • -

    [dochter] (hierna te noemen: de dochter van betrokkene), vertegenwoordigd door mr. H.A.H.M. Albrecht;

  • -

    [nicht] (hierna te noemen: de nicht van betrokkene).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 februari 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 mei 2020, heeft appellant verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de goederen die aan betrokkene toebehoren onder bewind te stellen wegens zijn lichamelijk en/of geestelijke toestand, met benoeming van onafhankelijk bewindvoerder [bewindvoerder] , dan wel beperkt bewind in te stellen over het erfdeel van betrokkene in de (het hof neemt aan dat appellant bedoelt: nog onverdeelde) nalatenschap van [erflaatster] , geboren op [geboortedatum] 1922 te [geboorteplaats] , overleden op [datum] 2013 te [plaats] (hierna: erflaatster), met benoeming van onafhankelijk bewindvoerder [bewindvoerder] ; kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 3 maart 2021, heeft de dochter van betrokkene verzocht appellant niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep dan wel zijn grieven te verwerpen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 maart 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    appellant, bijgestaan door mr. Klabbers;

  • -

    namens de dochter van betrokkene, mr. Albrecht (via telefoonverbinding);

  • -

    de nicht van betrokkene.

Tevens was als toehoorder aanwezig:

- [bewindvoerder] .

Betrokkene, de zoon van betrokkene en de dochter van betrokkene zijn niet ter zitting verschenen.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de griffier telefonisch contact opgenomen met de zorginstelling waarin betrokkene verblijft om te informeren of en zo ja, hoe betrokkene aan de mondelinge behandeling deel kon nemen. Telefonisch is door de zorgcoördinator aan de griffier meegedeeld dat beeldbellen mogelijk was. Daarnaast heeft de zorgcoördinator toegelicht dat betrokkene kampt met dementie, nauwelijks reageert op aanspreken en bij reageren niet of nauwelijks te verstaan is. De voorzitter heeft deze informatie tijdens de mondelinge behandeling de belanghebbenden voorgehouden.

2.4.

Na de mondelinge behandeling heeft het hof betrokkene op 11 maart 2021 digitaal (met beeld via Skype) gehoord. De dochter van betrokkene en [EVV] , eerst verantwoordelijk verzorgende (EVV), werkzaam bij de zorginstelling waar betrokkene woont, waren fysiek bij betrokkene aanwezig. De advocaat van appellant was digitaal aanwezig.

Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt en aan deze beschikking aangehecht.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 19 februari 2020;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van appellant d.d. 5 juni 2020;

  • -

    het V-formulier met bijlage van de advocaat van appellant d.d. 15 februari 2021;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van appellant d.d. 4 maart 2021;

  • -

    de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van appellant overgelegde pleitnotitie.

2.6.

Het verweerschrift is ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn. Bij faxbericht van 4 maart 2021 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het in behandeling nemen van dit verweerschrift. Het hof heeft evenwel beslist dat dit stuk wordt toegelaten, omdat de goede procesorde niet is geschonden.

3 De beoordeling

3.1.

Appellant en de nicht van betrokkene hebben in eerste aanleg verzocht de goederen van betrokkene onder bewind te stellen van [bewindvoerder] .

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter dit verzoek afgewezen.

3.3.

Appellant kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij voert in zijn beroepschrift het volgende aan.

De kantonrechter heeft ten onrechte bepaald dat onvoldoende is onderbouwd dat betrokkene als gevolg van voortschrijdende dementie niet meer in staat is tot een behoorlijke waarneming van zijn vermogensrechtelijke belangen. Betrokkene verblijft op een gesloten afdeling van een verpleeghuis waar cliënten wonen die kampen met dementie en waar alle kamers zijn voorzien van beveiliging. Medio 2016 zou, volgens een van de broers van betrokkene, de situatie onhoudbaar zijn geworden (betrokkene vormde een gevaar voor zichzelf) waarna betrokkene in het verpleeghuis is gaan wonen. Voor zover appellant heeft kunnen achterhalen is de gezondheidstoestand van betrokkene momenteel erg slecht. Hij zou mensen niet of nauwelijks herkennen en praat en eet nauwelijks meer. Appellant kan geen medische verklaring overleggen, omdat hij hier vanwege de privacy geen toegang toe heeft. Dit is ook geen vereiste bij een verzoek tot onderbewindstelling. De kantonrechter heeft ten onrechte nagelaten betrokkene, naaste verwanten en personen die zijn belast met de verzorging en verpleging van betrokkene, ter zake te horen, dan wel een deskundige te benoemen die meer inzicht zou kunnen verschaffen. Appellant benadrukt daarbij dat de dochter van betrokkene niet betwist dat betrokkene wilsonbekwaam is. De kantonrechter heeft tot slot ten onrechte overwogen dat er andere wegen open staan om medewerking van betrokkene af te dwingen, teneinde de nalatenschap van erflaatster af te wikkelen. Middels een (beperkte) onderbewindstelling kan de nalatenschap op de eenvoudigste en snelste manier worden afgewikkeld.

Appellant heeft ter mondelinge behandeling aanvullend het volgende naar voren gebracht.

De nicht van betrokkene heeft hem na afloop van de mondelinge behandeling in eerste aanleg bezocht. Dit bezoek bevestigt het beeld dat betrokkene niet meer in staat is tot een behoorlijke waarneming van zijn vermogensrechtelijke belangen. Ook hetgeen het verpleeghuis aangeeft, bevestigt dit beeld. Dat, zoals de dochter van betrokkene erkent, betrokkene dementerend zou zijn, maar hij volgens haar wel in staat zou zijn om de erfenis te aanvaarden, strookt niet met elkaar.

Het instellen van beperkt bewind, de insteek van appellant, is geen verstrekkende maatregel en ook in het belang van betrokkene. Hij is immers ook één van de erfgenamen, zodat het ook in zijn belang is als de erfenis kan worden afgewikkeld. Het beeld ontstaat dat de dochter van betrokkene niet meewerkt, omdat het aan betrokkene uit de erfenis toekomende vermogen op zou gaan aan het verpleeghuis.

Appellant stelt zich primair op het standpunt dat er voldoende ligt voor onderbewindstelling. Gelet op de conflicterende belangen en de gecompliceerde situatie acht appellant het daarbij aangewezen dat een onafhankelijk bewindvoerder wordt aangesteld. Subsidiair verzoekt appellant het hof om betrokkene te horen.

3.4.

De dochter van betrokkene voert in haar verweerschrift het volgende aan.

De kantonrechter heeft terecht bepaald dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat betrokkene als gevolg van voortschrijdende dementie niet meer in staat is tot een behoorlijke waarneming van zijn vermogensrechtelijke belangen. Het ligt op de weg van appellant dit aannemelijk te maken en te bewijzen. Zo dit voor hem onmogelijk of bezwaarlijk zou zijn, ligt het op zijn weg om aan te geven welke inspanningen hij heeft verricht en welk resultaat dit heeft opgeleverd. Appellant kan de op hem rustende verplichting niet afschuiven op de kantonrechter. Deze is niet verplicht ambtshalve een deskundigenbericht in te winnen dan wel bepaalde personen te horen. Appellant had moeten verzoeken hiertoe over te gaan, vanwege de bij hem bestaande onmogelijkheid aan zijn bewijsplicht te voldoen. De dochter van betrokkene betwist dat betrokkene een gevaar voor zichzelf vormde. Dat betrokkene in een verpleeghuis woont, is door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) in overleg met hem besloten; de huisarts heeft dit niet geadviseerd of geïnitieerd.

De kantonrechter heeft verder terecht overwogen dat er voor appellant andere wegen openstaan om de nalatenschap af te wikkelen. Onderbewindstelling van betrokkene is veeleer in het belang van appellant (en de overige erfgenamen) en niet in het belang van betrokkene. Dit is in strijd met de ratio van een onderbewindstelling, namelijk bescherming van de betrokkene. Er zijn alternatieven die voor betrokkene minder ingrijpend zijn. Deze zijn ten onrechte niet beproefd dan wel geïnitieerd. Mocht het hof toch aanleiding zien voor een onderbewindstelling, dan verzoekt de dochter van betrokkene deze maatregel te beperken tot het toekomstig goed en haar beide dochters, de kleindochters van betrokkene, tot bewindvoerder te benoemen.

De dochter van betrokkene heeft ter mondelinge behandeling, bij monde van haar advocaat, nog het volgende naar voren gebracht.

Zij wil de afwikkeling van de erfenis niet tegenhouden. Zelf wil ze dit ook het liefst zo snel mogelijk afgewerkt hebben, omdat de kwestie een zware emotionele wissel op haar trekt. Zij wil echter wel volledig geïnformeerd zijn voordat zij namens haar vader ergens mee instemt. Zij verzoekt om de zaak aan te houden en wil dat appellant stukken betreffende de nalatenschap aan haar doet toekomen, om zo te trachten er onderling uit te komen. Zij kan het met betrokkene bespreken. Betrokkene is weliswaar dementerend, maar hij heeft ook goede dagen en zij weet hoe ze met hem moet communiceren. Ze acht hem in staat om te begrijpen waar het over gaat. Het zou kunnen dat de notaris een medische verklaring verlangt dat betrokkene wilsbekwaam is en deze verklaring niet verstrekt zal worden. Het is echter de moeite waard eerst deze weg te bewandelen, omdat onderbewindstelling een verstrekkend middel is. Als er toch een bewind wordt ingesteld, verzoekt de dochter van betrokkene haar dochter [kleindochter] , de kleindochter van betrokkene, als bewindvoerder te benoemen. Zij is hiertoe goed in staat en kan beter communiceren met betrokkene dan een professioneel bewindvoerder. De dochter van betrokkene acht het niet zinvol om betrokkene te horen, zeker niet als het digitaal gebeurt. Als het hof hem toch zou willen horen, zou ze er bij kunnen zijn.

3.5.

Voor hetgeen op 11 maart 2021 naar voren is gebracht, verwijst het hof naar voormeld proces-verbaal.

3.6.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.

Ingevolge artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren

  1. voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

  2. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.

3.8.

Waar het hof uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling op 8 maart 2021 al de indruk kreeg dat betrokkene niet meer in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, is het hof hierin bevestigd tijdens het verhoor via Skype op 11 maart 2021. Het hof heeft niet met betrokkene kunnen communiceren. Op de vraag van de voorzitter of betrokkene haar hoorde praten, vertoonde hij geen enkele reactie. [EVV] , EVV, werkzaam bij de zorginstelling waar de betrokkene woont, heeft desgevraagd te kennen gegeven dat de toestand waarin betrokkene zich toen bevond, de toestand was waarin hij zich overwegend bevindt. De verzorgenden krijgen geen contact met hem; hij kan zelf niet aangeven of hij iets al dan niet wil. De kans om met hem in contact te komen, achtte zij nihil. De dochter van betrokkene heeft toen opgemerkt dat – als betrokkene wakker is – er alleen sprake is van oogcontact. Tijdens de mondelinge behandeling had zij al erkend dat hij dementerend is. Dat zij toen, bij monde van haar advocaat, aangaf dat betrokkene ook goede dagen heeft, dat zij weet hoe ze met betrokkene moet communiceren en dat ze hem in staat acht te begrijpen dat er een erfenis afgewikkeld moet worden, acht het hof – gezien de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling en op 11 maart– voor zover de dochter van betrokkene al niet zelf op 11 maart 2021 anders heeft verklaard, niet aannemelijk. Reeds hierom acht het hof het ook niet zinvol om, zoals de dochter van betrokkene ter mondelinge behandeling op 8 maart 2021 heeft voorgesteld, te beproeven of de erfenis door haar tussenkomst minnelijk kan worden afgewikkeld.

3.9.

Nu aan de eisen voor onderbewindstelling is voldaan, zal het hof daartoe overgaan. Het hof zal, nu dit de insteek is van appellant en ook niet in geschil is dat het mindere volstaat, een beperkt bewind instellen. Het hof acht het daarbij, gezien de complexe familieverhoudingen, in het belang van betrokkene aangewezen dat er een professioneel bewindvoerder wordt benoemd die buiten de familie staat.

3.10.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek om een bewind in te stellen alsnog toewijzen. Het hof zal dit doen conform hetgeen hiervoor is overwogen, op de wijze zoals hierna in het dictum is opgenomen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de onder bovengenoemd zaaknummer gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 februari 2020;

en opnieuw rechtdoende:

stelt een bewind in over het aandeel van [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1933 te [geboorteplaats] , in de onverdeelde nalatenschap van [erflaatster] geboren op [geboortedatum] 1922 te [geboorteplaats] , overleden op [datum] 2013 te [plaats] ;

benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder] ;

stelt de jaarbeloning van de bewindvoerder vast overeenkomstig artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;

stelt de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van de bewindvoerder vast overeenkomstig artikel 3 lid 5 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, H. van Winkel en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.