Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:982

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
200.289.187_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

350 Fw, c-grond; vernietiging tussentijdse beëindiging; verlenging schuldsaneringsregeling gezien gebleken verbeteringen en verwachte opstelling tijdens verlenging.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 1 april 2021

Zaaknummer : 200.289.187/01

Zaaknummer eerste aanleg : [insolventienummer]

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. L.E.I.K. Jaminon te Heerlen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 januari 2021.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 januari 2021, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende, het verzoek van de bewindvoerder de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen af te wijzen, dan wel het schuldsaneringstraject in duur te verlengen.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Jaminon;

- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder;

- de heer [medewerker] van [beschermingsbewindvoerder] , hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 7 januari 2020;

- de stukken van de eerste aanleg, ingestuurd bij het beroepschrift;

- de brief/het formulier met bijlage 20 van de advocaat van [appellante] d.d. 15 maart 2021;

- de brief met bijlagen A t/m L van de bewindvoerder d.d. 18 maart 2021;

- de brief/het formulier met bijlagen 21 en 22 van de advocaat van [appellante] d.d. 19 maart 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren bij beschikking een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is de beschermingsbewindvoerder in de gelegenheid gesteld, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt, om zijn visie over het gedane verzoek tot tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellante] te geven (vgl. HR 25 mei 2012, LJN: BV4021).

3.2.

Bij vonnis van 4 september 2018 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.3.

Bij vonnis van 19 januari 2021, waarvan beroep, heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Faillissementswet (Fw) ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder tussentijds beëindigd, nu zij de informatie-, sollicitatie – en arbeidsplicht niet naar behoren nakomt en door haar doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling belemmert dan wel frustreert.

Bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd. Zij heeft voorheen een Wajong-uitkering toegekend gekregen op basis van psychische problematiek. Ondanks haar psychische problemen heeft zij een baan gevonden bij [werkgever], waar zij op 23 september 2019 is gestart als thuishulp voor 15-20 uren per week. Dit werk verliep goed. De rechter-commissaris heeft [appellante] bij email van 4 december 2019 vrijgesteld voor de uren bóven 15/20 uur per week. Begin 2020 is [appellante] zwanger geraakt van haar vierde kind en de zwangerschap verliep zeer moeizaam. Vanwege de zware zwangerschapsklachten heeft zij zich eind juli/medio augustus 2020 ziek gemeld bij haar werkgever [werkgever] en het (jaar)contract is in september 2020 niet verlengd. Op 11 december 2020 is [appellante] van haar vierde kind bevallen. Op 7 januari 2021 - pas drie weken na de bevalling - heeft de mondelinge behandeling in eerste aanleg plaatsgevonden. [appellante] is daar alleen naar toegegaan en nog volledig onder invloed van hormonen. Daardoor heeft zij op dat moment niet de ‘juiste’ antwoorden op de vragen van de rechter gegeven en ter zitting is een onjuist beeld van de situatie ontstaan. [appellante] stelt dat zij zowel psychisch als lichamelijk veel klachten van haar zwangerschap ondervond, die veel verder gingen dan ‘vergeetachtigheid’. Zij verwijst naar de als onderdeel van productie 16 overgelegde brief van de verloskundige d.d. 9 november 2020. Voorts heeft zij het erg druk (gehad) met de zorg voor haar vier kinderen, die zij (nagenoeg) alleen opvoedt. Door de coronamaatregelen moest zij ook lesgeven aan twee van de vier kinderen. [appellante] wil wel werken, maar om daarmee te starten is enige tijd nodig. Inmiddels is er een nieuw werkplan in het kader van de Wajong-uitkering opgesteld d.d. 1 februari 2021, dat [appellante] als onderdeel van productie 20 heeft overgelegd. De eindconclusie in het rapport luidt: ‘Nu geen start met (re-integratie)activiteiten om een betaalde baan te vinden.’ Volgens de adviseur van het werkplan is het tot in ieder geval 1 april 2021 niet realistisch om van [appellante] te verlangen direct op zoek te gaan naar een betaalde baan, gezien de kinderen die in verband met de lockdown volledig thuis zijn, er nog geen alternatief is gevonden voor de opvang van het jongste kind en [appellante] nog lichamelijk herstellende is van de zwangerschap en de bevalling. [appellante] informeert de bewindvoerder voortaan meteen en volledig, mede met de hulp van de beschermingsbewindvoerder. Ter staving hiervan heeft [appellante] in hoger beroep de producties 20,21 en 22 overgelegd. Ter zitting van dit hof heeft [appellante] aanvullend verklaard dat zij in haar agenda elke 2/3 weken een herinnering heeft staan om de bewindvoerder te informeren. Ze is van plan om bij zorgbedrijven te gaan solliciteren en zich in te schrijven bij uitzendbureaus en alle informatie hierover door te sturen naar de bewindvoerder. Voorts heeft ze binnen haar familie opvang geregeld voor haar jongste kind.

3.5.

De bewindvoerder heeft – onderbouwd met stukken – het volgende aangevoerd.

De huidige schuldenlast van [appellante] bedraagt € 8.855,12. De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris verzocht [appellante] op basis van het laatste werkplan Wajong tot 1 april 2021 vrij te stellen van de arbeidsplicht. In beginsel is de bewindvoerder van mening dat de rechtbank terecht heeft beslist dat de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd dient te worden. De bewindvoerder voert evenwel ook aan dat [appellante] haar uitspraken tijdens de zitting in eerste aanleg kennelijk anders heeft bedoeld, omdat zij nog herstellende was van haar bevalling. Nu [appellante] in samenwerking met haar beschermingsbewindvoerder sinds het vonnis van 19 januari 2021 tot heden aan de spontane informatieplicht heeft voldaan - en blijkbaar nu wel over het vermogen beschikt om aan de informatieplicht te voldoen - kan de bewindvoerder zich een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling voorstellen, onder voorwaarde dat [appellante] ook gaat voldoen aan de voor haar geldende arbeids-/sollicitatieplicht gedurende de verlengde looptijd.
De bewindvoerder verwacht voorts dat de problemen rond de uitkering van [appellante] binnenkort zullen worden opgelost door het UWV – die zelf er tot nu toe niet uit leek te komen – en dat de besproken nieuwe schulden van de aanslag inkomstenbelasting 2019 en de aanslag BGSW eveneens worden opgelost. Hetzij via kwijtschelding hetzij via - voor wat betreft de aanslag IB - betaling uit de boedel.

3.6.

De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting van dit hof verklaard dat er geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Hij steunt [appellante] graag, méér dan in het begin-traject, toen hij iets minder steun aan haar heeft kunnen bieden door het plotselinge overlijden van zijn zakenpartner in mei 2020. Het gezin van [appellante] is nu stabiel en ze werkt goed mee.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw, te beoordelen of er bij [appellante] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door haar doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

3.7.2.

Aan de hand van de inhoud van de processtukken en door hetgeen door en namens [appellante] , de bewindvoerder en de beschermingsbewindvoerder ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep over en weer naar voren is gebracht, is het hof gebleken dat [appellante] zich de eerste twee jaar van de schuldsaneringsregeling niet heeft gehouden aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en dan met name niet aan de informatieplicht. De advocaat van [appellante] heeft ter zitting in hoger beroep ook erkend dat in die periode sprake was van een tekortkoming. De rechtbank heeft in beginsel dan ook terecht de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd, nu de tekortkoming [appellante] kon worden toegerekend, althans dat dit niet het geval zou zijn is onvoldoende gebleken. Er zijn immers geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat [appellante] vanwege beperkingen niet in staat zou zijn de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling correct na te komen.

3.7.3.

Anderzijds is het hof gebleken dat [appellante] de omstandigheden waardoor zij stelde niet in staat te zijn om de bewindvoerder adequaat te informeren en om te solliciteren, inmiddels onder controle heeft waarbij de verwachting is dat dat ook zo zal blijven.

Gezien haar huidige inzet en houding ter zitting in hoger beroep, acht het hof voldoende aannemelijk dat [appellante] thans de ernst van de situatie heeft ingezien. Vanaf 19 januari 2021 voldoet zij - met de hulp van de beschermingsbewindvoerder- volledig aan de informatieplicht. Ze heeft een plan van aanpak voor het vinden van werk vanaf 1 april 2021 en voor de opvang van haar jongste kind. In de gegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat [appellante] een laatste kans moet krijgen om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen door zich voor 100% aan de verplichtingen te houden en zo zicht te behouden op een schuldenvrije toekomst. [appellante] heeft naar het oordeel van het hof er voldoende blijk van gegeven dat zij tijdens een periode van verlenging van de nog lopende termijn met 18 maanden wél aan de algemene en spontane inlichtingenplicht én de sollicitatieplicht zal voldoen.

3.8.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en de reguliere termijn verlengen met 18 maanden.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ;

verlengt de termijn van de schuldsaneringsregeling met 18 maanden tot 4 maart 2023;

wijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in verband met de voortzetting van de schuldsaneringsregeling;

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, S.M.A.M. Venhuizen en T. van der Valk en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2021.