Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:981

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
200.289.176_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating WSNP o.g.v. art. 288 lid 1 sub b (schulden niet te goeder trouw ontstaan en onbetaald gelaten)

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 1 april 2021

Zaaknummer : 200.289.176/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/378864 / FT RK 20/887

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. I.A.C. Cools te Tilburg.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 18 januari 2021.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 januari 2021, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, hem toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021. Bij die gelegenheid is gehoord:

  • -

    [appellant] , bijgestaan door mr. Cools;

  • -

    de heer [medewerker] namens [beschermingsbewindvoerder] , de beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 11 januari 2021;

- de stukken van de eerste aanleg, ingestuurd bij het beroepschrift.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is de beschermingsbewindvoerder in de gelegenheid gesteld, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt, om zijn visie over het gedane verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te geven (vgl. HR 25 mei 2012, LJN: BV4021).

3.2.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de – overigens niet getekende - verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van

€ 381.134,97. Daaronder bevinden zich een preferente schuld aan de Belastingdienst van

€ 211.018,37 en een preferente schuld aan de gemeente [gemeente] van € 2.459,07.

Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat 11 (van de 27) crediteuren niet hebben ingestemd met het aangeboden percentage.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

3.4.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. [appellant] heeft zijn zaak ondanks de penibele financiële situatie, nog vijf jaar laten doorlopen. Tevens heeft hij – al dan niet bewust – verzuimd belastingaangiften te doen, waardoor de belastingschulden aanzienlijk zijn opgelopen. Daarnaast is de schuld aan de Efteling niet te goeder trouw ontstaan, aldus de rechtbank.

3.5.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft het volgende aangevoerd.

Het (te lang) voortzetten van de onderneming had uitsluitend tot doel om een hoger inkomen te genereren, waardoor hij een boekhouder zou kunnen betalen en alsnog belastingaangifte zou kunnen doen. Dat het uiteindelijk anders is gelopen acht [appellant] spijtig maar niet verwijtbaar. De terugvordering van de gemeente [gemeente] is volgens hem ontstaan omdat hij bij een bedrijf werkzaamheden heeft verricht tegen contante betaling, met de belofte dat hij salarisstroken zou ontvangen. Deze salarisstroken heeft hij echter nooit ontvangen. Hij stelt te goeder trouw te zijn geweest. Hetzelfde geldt voor de vordering van de Efteling. Hij heeft in 2018 abonnementen voor zijn kinderen afgesloten om het leven voor hen - na de echtscheiding van hun ouders en het overlijden van hun oma - wat leuker te maken, aldus [appellant] .

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.6.2.

[appellant] heeft een onvolledig dossier met een niet ondertekende WSNP-aanvraag overgelegd. Specificaties van de vorderingen ontbreken. Blijkens het vonnis waarvan beroep had de rechtbank de beschikking over meer stukken en heeft de schuld aan de Belastingdienst betrekking op Inkomstenheffing 2012 tot en met 2015 en Omzetbelasting 2015 en 2016 en terugvordering Huur- en Zorgtoeslag 2016. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting van dit hof verklaard dat er ook na correctie nog steeds een schuld inzake Omzetbelasting resteert van ongeveer € 15.000,--. Voorts heeft [appellant] in 2018 een schuld aan de gemeente [gemeente] laten ontstaan, wegens ten onrechte ontvangen uitkeringen en BBZ. Dat die schuld onder meer is ontstaan omdat hij niet kon aantonen hoeveel uren hij daadwerkelijk heeft gewerkt, maakt deze schuld niet minder verwijtbaar. Verder constateert het hof dat [appellant] in de afgelopen vijf jaren veel schulden onbetaald heeft gelaten, mede omdat hij – zo heeft hij ter zitting van dit hof verklaard – iets meer dan een jaar niet voltijds (slechts 24 uur per week) heeft gewerkt. Het hof acht derhalve voldoende aannemelijk dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend niet te goeder trouw is geweest en aldus niet kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.7.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, R.R.M. de Moor en T. van der Valk en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2021.