Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:977

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
200.282.257_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.282.257/01

zaaknummer rechtbank : C/01/354569 / FA RK 20-98

beschikking van de meervoudige kamer van 1 april 2021

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , België,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. F. Ergec te Bergen op Zoom,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. R.P.V.W. Willems te ’s-Hertogenbosch.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant (’'s-Hertogenbosch) van 20 mei 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 18 augustus 2020 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 20 mei 2020.

2.2

De vrouw heeft op 15 januari 2021 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:

- een V6-formulier met bijlagen van de zijde van de man d.d. 12 februari 2021;

- een V8-formulier met bijlagen van de zijde van de vrouw d.d. 12 februari 2021.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 23 februari 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Zij hebben niet samengewoond.

3.3

Partijen zijn de ouders van [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) geboren op [geboortedatum] 2016 te
[geboorteplaats] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 19 november 2019 bepaald op € 400,- per maand.

4.2

De grief van de man ziet op de draagkracht van de man, de ingangsdatum en op de zorgkorting. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot vaststelling van de kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] , dan wel dit verzoek af te wijzen, kosten rechtens.

4.3

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt om de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de man in hoger beroep af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum van 19 november 2019 is tussen partijen in geschil.

5.2

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

5.3

Het hof hanteert, en in zoverre dus anders dan de rechtbank, als ingangsdatum de datum van het indienen van het beroepschrift, derhalve 18 augustus 2020, aangezien de man in eerste aanleg op een onjuist adres is opgeroepen en hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij eerst kort voor het verstrijken van de beroepstermijn met het verzoek van de vrouw bekend is geworden.

5.4

Het hof overweegt verder als volgt.

5.5

De man heeft in hoger beroep kortgezegd aangevoerd dat hij geen draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie te voldoen. De onderneming [onderneming] behoort niet aan hem toe, maar aan zijn moeder. Hij is geen vertegenwoordiger van voornoemde onderneming. De man heeft een forse belastingschuld van circa € 54.000,-. Hij is druk doende met solliciteren en staat bij allerlei uitzendbureaus ingeschreven. Vanwege een detentie in het verleden is het voor de man zeer moeilijk een baan te vinden. Sinds april 2020 ontvangt de man een uitkering van circa € 550,- netto per maand.

5.6

De vrouw heeft in haar verweer aangevoerd dat de man heeft nagelaten om zijn stellingen met voldoende, recente, onderliggende stukken te onderbouwen. De man heeft volgens de vrouw in het verleden altijd beweerd dat hij uit de wassalon een inkomen van circa € 4.000,- per maand ontvangt. Er zou tussen de man en zijn ouders een raamovereenkomst zijn, waarin is bepaald dat de man de onderneming mag vertegenwoordigen. Het had daarnaast op de weg van de man gelegen om stukken over te leggen waaruit zijn inkomen blijkt. Hetgeen de man aan stukken heeft overgelegd is ontoereikend om zijn draagkracht te bepalen, hetgeen voor zijn rekening en risico dient te komen.

5.7

Met de vrouw is het hof van oordeel dat de man heeft nagelaten om zijn stellingen in dit beroep met voldoende onderliggende stukken te onderbouwen. Het hof is aan de hand van de door de man in het geding gebrachte stukken niet in staat om de draagkracht van de man en daarmee zijn mogelijkheden om te voorzien in de behoefte van [minderjarige] , die tussen partijen niet in geschil is, te berekenen. De man is er derhalve niet in geslaagd om hetgeen de vrouw in eerste aanleg aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd voldoende te weerleggen.

Zo heeft de man enkel aangetoond dat [onderneming] op 18 juni 2010 door [de moeder van de man] (de moeder van de man) en [betrokkene] is opgericht. Hieruit kan het hof niet afleiden wie de huidige eigenaar is en wie de afgelopen jaren eigenaar van [onderneming] is geweest. Zelfs indien zou vaststaan dat de man niet de eigenaar is, betekent dit niet dat de man geen inkomen (als werknemer of anderzijds) uit voornoemde onderneming heeft ontvangen of ontvangt.

Het had op de weg van de man gelegen om over de afgelopen jaren (2016-2020) voldoende inkomensgegevens over te leggen. Te denken valt aan alle jaaropgaven, alle aangiften inkomstenbelasting, afschriften van arbeidscontracten en loonstrookjes. Hetgeen de man aan stukken in het geding heeft gebracht is naar het oordeel van het hof incompleet dan wel ontoereikend om daarmee de draagkracht van de man over de afgelopen jaren te kunnen bepalen.

5.8

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grieven van de man niet kunnen slagen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen ten aanzien van de ingangsdatum en voor het overige bekrachtigen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de bijdrage aan het uit die relatie geboren kind betreft.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 20 mei 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en voor zover de ingangsdatum is bepaald op 19 november 2019, en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt vast dat de man met ingang van 18 augustus 2020 een bedrag van € 400,- per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, J.C.E. Ackermans-Wijn en
A.M. Bossink en is op 1 april 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. C.D.M. Lamers in tegenwoordigheid van de griffier.