Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:975

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
20/00282
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslag legesheffing. Opbrengstlimiet. Hoorgesprek afgezegd door belanghebbende. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-04-2021
V-N Vandaag 2021/831
FutD 2021-1216
NTFR 2021/1300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 20/00282

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] , Canada,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 10 maart 2020, nr. AWB/ROE 19/1960, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Brunssum,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft een aanslag legesheffing aan belanghebbende opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar deels gegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De zitting heeft, door middel van een video-verbinding, plaatsgevonden op 4 maart 2021 in ’s-Hertogenbosch. Voor de zitting heeft de heffingsambtenaar laten weten dat hij niet zal deelnemen. Aan deze zitting heeft deelgenomen gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] .

1.7.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Met dagtekening 16 april 2019 is aan belanghebbende een aanslag legesheffing opgelegd van € 14,85, bestaande uit de leges voor het uittreksel van de overlijdensakte van mevrouw [A] van € 13,40; en een bijdrage in de portokosten van € 1,45.

2.2.

De aanslag is gebaseerd op de Verordening op de heffing en invordering van leges en werken voor derden gemeente Brunssum 2019 (de Verordening) en de bijbehorende Tarieventabel. Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van het uittreksel bedraagt € 13,40.

2.3.

In het bezwaarschrift van 29 oktober 2018 heeft belanghebbende verzocht te worden gehoord, en verzocht dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaande aan de hoorzitting ter inzage werden gelegd. Per brief van 28 mei 2019 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek op 11 juni 2019 om 10.00 uur bij BsGW, Kerkeveldlaan 2, 6042 JX Roermond. Per email van 4 juni 2019 heeft belanghebbende ingestemd met de hoorzitting op deze locatie en op dit tijdstip. Belanghebbende heeft op 10 juni 2019 22.02 uur per email aan de heffingsambtenaar laten weten door onvoorziene omstandigheden te zijn verhinderd het hoorgesprek bij te wonen. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar verzocht om zonder hoorzitting uitspraak op bezwaar te doen.

2.4.

Bij uitspraak op bezwaar van 11 juni 2019 heeft de heffingsambtenaar de aanslag verminderd tot een bedrag van € 13,40 en een kostenvergoeding toegekend. In deze uitspraak staat onder meer het volgende:

‘U voert aan dat de geraamde opbrengsten van de legesheffing de geraamde kosten overtreffen en dat daarmee de legesverordening - wegens strijd met de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet - onverbindend is. Daarmee zou de grondslag onder de legesnota zijn vervallen. Deze bezwaargrond slaagt niet.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de Heffingsambtenaar in het geval een belanghebbende aan de orde stelt of de in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet bedoelde geraamde baten de in dat artikel bedoelde geraamde 'laste ter zaken' hebben overschreden, inzicht dient te verschaffen in de desbetreffende ramingen (HR 24 april 2009, BNB 2009/159 en HR 4 april 2014, BNB 2014/148).

Ik verwijs voor het inzicht van de ramingen die aan de vaststelling van de legesnota ten grondslag hebben gelegen naar de kostenonderbouwingen van de legesverordening 2019.

De kostendekkingspercentages van de legestarieven 2019 bedragen:

Titel I Algemene Dienstverlening

Kostendekkingspercentage 51,41 %

Titel II Omgevingsvergunning

Kostendekkingspercentage 68,28 %

Titel III Bijzondere Wetten en APV

Kostendekkingspercentage 11,84 %

De kostenonderbouwingen ontvangt u per omgaande per mail.’

De mail met de kostenonderbouwingen is op 11 juni 2019 per email verstuurd en ontvangen door belanghebbende.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Meer in het bijzonder betreft het geschil het antwoord op de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden. Voorts is in geschil of de uitspraak op bezwaar op de juiste wijze bekend is gemaakt, en of belanghebbende in de bezwaarfase ten onrechte geen inzage heeft gehad in de stukken van het geding.

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag in behandeling is genomen en zich een belastbaar feit heeft voorgedaan. Tussen partijen is het in rekening gebrachte legesbedrag niet in geschil.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van rechtbank, gegrondverklaring van het bij de rechtbank ingestelde beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de aanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbende verzet zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat de opbrengstlimiet niet is overschreden. Belanghebbende herhaalt hierbij zijn in beroep opgeworpen twijfel of de in de kostenonderbouwingen opgenomen personele lasten (inclusief overhead) volledig als een last ter zake van de leges opgenomen in de Legesverordening zijn. Voorts herhaalt belanghebbende zijn in beroep ingenomen stelling dat de kostenonderbouwingen door de heffingsambtenaar op 11 juni 2019 per email zijn verstrekt, waarmee volgens belanghebbende de motivering van de uitspraak op bezwaar van 11 juni 2019 niet op juiste wijze is bekend gemaakt. Verder herhaalt belanghebbende zijn in beroep ingenomen stelling dat, doordat hij pas bij uitspraak op bezwaar de beschikking kreeg over de kostenoverzichten inzake de opbrengstlimiet, hij genoopt was beroep in te stellen. Volgens belanghebbende is dit een reden voor een kostenveroordeling in beroep. Voorts klaagt belanghebbende in hoger beroep dat bij in bezwaar had gevraagd om inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken, en dat hij daartoe niet is uitgenodigd en geen inzage in de stukken (waaronder de kostenonderbouwingen) heeft gehad. Deze schending van artikel 7:4, lid 3 en/of lid 4, Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) moet volgens belanghebbende leiden tot een kostenveroordeling in beroep en hoger beroep.

4.2.

De rechtbank heeft, naar het oordeel van het hof, terecht en op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom ten aanzien van één of meer posten in de ramingen redelijke twijfel zou bestaan dat sprake is van een ‘last ter zake’. Voorts heeft de rechtbank, naar het oordeel van het hof, terecht en op goede gronden geoordeeld dat de overige in beroep aangevoerde, en in hoger beroep herhaalde, beroepsgronden niet slagen. Het hof maakt de hierna opgenomen overwegingen van de rechtbank, derhalve, tot de zijne:

‘6. Ingevolge artikel 229b van de Gemeentewet worden de tarieven van rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, van die wet zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake (hierna ook wel: de opbrengstlimiet). Onder ‘lasten ter zake’ dienen te worden verstaan op de gemeente drukkende lasten die voortvloeien uit de verlening van belaste diensten of daarmee meer dan zijdelings verband houden. Kostenposten die niet of slechts zijdelings verband houden met belaste diensten, omdat zij nagenoeg geheel andere doeleinden dienen, kunnen dus niet door heffing van rechten (hier: van leges) worden verhaald (vgl. HR 31 maart 1999, nr. 33427, ECLI:NL:HR:1999:AA2720). Kostenposten hangen zijdelings met belaste diensten samen indien zij daarmee voor minder dan 10% samenhangen (vgl. HR 4 juni 2010, nr. 08/00313 en 08/00314, ECLI:NL:HR:2010:BL0990 en ECLI:NL:HR:2010:BL1015).

7. Toetsing van de opbrengstlimiet geschiedt niet per afzonderlijke dienst, maar op het niveau van de verordening. Dat betekent toepassing van de in artikel 229b van de Gemeentewet neergelegde toets op het totaal van de geraamde baten van de rechten die in een verordening zijn geregeld, en het totaal van de geraamde lasten die de werkzaamheden meebrengen waarvoor deze rechten geheven worden (zie HR 4 februari 2005, nr. 38860, ECLI:NL:HR:2005:AP1951, BNB 2005/112).

8. Bij de beoordeling van het geschil zijn de spelregels rond stelplicht en bewijslast van belang zoals deze door de Hoge Raad zijn vastgesteld in (onder andere) zijn arresten van 4 april 2014, nr. 12/02475, ECLI:NL:HR:2014:777, BNB 2014/148 en 18 april 2014, nr. 13/00469, ECLI:NL:HR:2014:938, BNB 2014/150. Die spelregels kunnen als volgt kort worden samengevat. Uitgangspunt is dat de bewijslast ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding op de belanghebbende rust. Indien een belanghebbende overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde stelt, ligt het op de weg van de heffingsambtenaar inzicht te geven in de raming van baten en lasten welke in de begroting zijn opgenomen. Hierbij hoeft niet ten aanzien van alle in de begroting opgenomen posten zekerheid of een volledig inzicht te bestaan. Van de heffingsambtenaar mag niet worden verwacht dat hij van alle in de verordening en de bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe de kosten ter zake daarvan zijn geraamd. Omdat de bewijslast van de feiten die overschrijding van de opbrengstlimiet onderbouwen op de belanghebbende rust, dient hij, nadat de gemeente aldus inzicht heeft verschaft, voldoende gemotiveerd te stellen waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Vervolgens dient de heffingsambtenaar voor die posten nadere inlichtingen te verschaffen. Aan die inlichtingen mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze functionaris naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de stellingen van de belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is.

9. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een “last ter zake”. In het aanvullend beroepschrift van 24 januari 2020 heeft eiser nog aangevoerd dat, ondanks een daartoe aanleiding gevend beroep op overschrijding van de opbrengstlimiet, verweerder heeft verzuimd in de bezwaarfase stukken te verstrekken. Bovendien zijn de stukken per e-mail verstrekt. Verder heeft eiser aangevoerd dat de bij de verdeling van de loonkosten van de werknemers van de gemeente over de verschillende begrotingsposten toegepaste verdeelsleutel niet kan worden getoetst.

9.1.

De rechtbank overweegt dat eiser in feite stelt dat hij bij gebrek aan wetenschap betwist dat de in de begroting opgenomen lasten volledig kunnen worden aangemerkt als lasten ter zake van de verleende diensten. Dat is naar het oordeel van de rechtbank een onvoldoende gemotiveerde stelling om tot redelijke twijfel te kunnen concluderen. Ook eisers beroepsgrond dat verweerder pas bij het bestreden besluit de stukken heeft verstrekt en niet eerder tijdens de bezwaarfase, kan niet slagen. Immers volgens vaste jurisprudentie kan het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van de heffingsambtenaar worden verlangd voor zover de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser in de bezwaarfase niet gemotiveerd heeft waarom er sprake zou zijn van overschrijding van de opbrengstlimiet.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.’

4.3.

Het hof voegt aan dit oordeel toe dat dat wat belanghebbende in hoger beroep heeft herhaald onvoldoende is om te concluderen dat belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom ten aanzien van één of meer posten in de ramingen redelijke twijfel zou bestaan dat sprake is van een ‘last ter zake’. Belanghebbende heeft enkel opgemerkt dat de personele lasten hem hoog voorkomen. De heffingsambtenaar heeft daarop gereageerd dat de personele lasten zijn uitgedrukt in uren die de betreffende afdelingen van de gemeente Brunssum op jaarbasis besteden aan uitvoering van de betreffende titels zoals opgenomen in de bij de legesverordening behorende tarieventabel, en dat de uren jaarlijks opnieuw worden bekeken door de betreffende afdelingen en, waar nodig, bijgewerkt. De door de heffingsambtenaar verstrekte overzichten zijn naar het oordeel van het hof, in het licht van hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, voldoende.

4.4.

Ter zitting bij het hof heeft belanghebbende nog aan zijn in beroep gevoerde betoog dat de uitspraak niet op juiste wijze bekend zou zijn gemaakt toegevoegd dat hij niet kenbaar zou hebben gemaakt dat hij via elektronische weg voldoende bereikbaar zou zijn, terwijl een deel van de uitspraak wel elektronisch naar hem is toegezonden. Het hof overweegt in dat kader dat niet ter discussie staat dat de uitspraak op bezwaar, zowel de per post verzonden brief van 11 juni 2019, als de op 11 juni 2019 per email toegestuurde bijlage met de kostenonderbouwingen door gemachtigde in goede orde zijn ontvangen. Voorts trof het hof in het procesdossier een emailwisseling aan tussen gemachtigde en de heffingsambtenaar met een email van gemachtigde aan de heffingsambtenaar d.d. 4 juni 2019, en in antwoord daarop een email van de heffingsambtenaar aan gemachtigde d.d. 4 juni 2019 en in reactie daarop en email van gemachtigde van 10 juni 2019 aan de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar mocht er naar het oordeel van het hof op 11 juni 2019 daarom vanuit gaan dat gemachtigde via elektronische weg voldoende bereikbaar was, en de kostenonderbouwingen behorend bij zijn uitspraak op bezwaar per email aan hem toezenden. De beroepsgrond van belanghebbende slaagt niet.

4.5.

Het hof overweegt ten aanzien van de grief van belanghebbende dat artikel 7:4, lid 3 en/of lid 4, Awb zou zijn geschonden het volgende. Belanghebbende heeft er in zijn bezwaarschrift om verzocht dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaande aan de hoorzitting ter inzage werden gelegd, en hij heeft in eerste instantie de uitnodiging voor het hoorgesprek geaccepteerd. Vervolgens heeft hij echter de heffingsambtenaar verzocht om zonder hoorgesprek uitspraak op bezwaar te doen. Door zelf af te zien van het hoorgesprek (zie 2.3) heeft belanghebbende zichzelf de mogelijkheid van inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken onthouden1. Deze grief van belanghebbende treft derhalve geen doel.

Tussenconclusie

4.6.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door M. Harthoorn, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van I.H.M. Fluitsma, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2021 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Hoge Raad, 7 juni 2002, nr. 36.801, ECLI:NL:HR:2002:AE3833.