Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:926

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
200.174.001_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3848
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:1781
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:138
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:2360
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden, IPR, Braziliaans Huwelijksvermogensrecht, belastingschulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 25 maart 2021

Zaaknummer: 200.174.001/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/182631 FA RK 13-1574

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. W.C.G.J. Sterk,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Moszkowicz Jr.

13 De beschikking d.d. 23 juli 2020

Bij die beschikking heeft het hof (rov. 11.6.2.) partijen in de gelegenheid gesteld om, zoveel mogelijk met bescheiden onderbouwd, aan te geven wat het inkomen in 2010, 2011 en 2012 bedroeg en of dat inkomen is aangewend voor:

  • -

    de kosten van de huishouding en goederen (vermogenswaarden) die zijn aangeschaft tijdens het huwelijk of:

  • -

    uitgaven voor het in stand houden van privévermogen of aan diensten voor louter persoonlijk genot.

Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld op elkaars reactie te reageren.

14 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 24 augustus 2020;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 8 september 2020;

- de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 22 september 2020;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 19 oktober 2020;

- de akte na tussenbeschikking van de advocaat van de vrouw, ingekomen d.d. 20 oktober 2020;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 18 november 2020;

- de antwoordakte van de advocaat van de vrouw, ingekomen d.d. 18 november 2020.

15 De verdere beoordeling

Procedure in hoger beroep tot op heden

15.1.

In hoger beroep heeft de man verzocht:

I. de beschikking waarvan beroep te vernietigen;

II. opnieuw recht te doen overeenkomstig de grieven van de man;

III. te compenseren de proceskosten in eerste aanleg alsmede in hoger beroep.

De grieven van de man betreffen:

- de peildatum (grief 1);

- de inboedels van de gemeenschappelijke woningen (grief 2);

- de bankrekeningen (grief 3);

- de erfenis van de vrouw (grief 4);

- de onderneming van de man (grief 5);

- de schulden (grief 6);

- het pensioen van de vrouw (grief 7).

Voorts heeft de man tijdens de procedure de verdeling van de twee woningen en de hypotheekschulden verzocht. Ook heeft hij verzocht zijn schulden aan de belastingdienst in verband met aanslagen IB over de jaren 2010, 2011 en 2012 die in de partiële gemeenschap vallen in de verdeling te betrekken. Hij verzoekt het hof de belastingschuld 2010, 2011 en 2012 tussen partijen te verdelen en aan hem een vordering toe te kennen nu hij meer dan de helft van deze schuld na 24 juli 2013 heeft voldaan.

De vrouw heeft verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans hetgeen door de man is verzocht af te wijzen, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden. Kosten rechtens.

15.2.

Bij tussenbeschikking van 7 september 2017 heeft het hof:

  • -

    geoordeeld dat grief 1 (de peildatum) faalt, zie rov. 3.8.3;

  • -

    de gemeenschappelijke inboedelzaken (grief 2) verdeeld op de in rov. 3.9.6 genoemde wijze. Het hof zal die verdeling hieronder in het dictum opnemen;

  • -

    over de bankrekeningen (grief 3, behoudens de creditcard-schulden) beslist zoals weergegeven in rov. 3.10.1 tot en met 3.10.5. Het hof zal die beslissing hieronder in het dictum opnemen;

  • -

    geoordeeld dat grief 4 (de erfenis van de vrouw) faalt, zie rov. 3.11.2;

  • -

    de beslissing over grief 5 (de onderneming van de man) aangehouden, zie rov. 3.12.7;

  • -

    de beslissing met betrekking tot de creditcard-schulden (grieven 3 en 6) aangehouden, zie rov. 3.13.6;

  • -

    geoordeeld dat de vrouw onvoldoende bewijs heeft bijgebracht voor de door haar gestelde leenschulden, zodat deze niet in de verdeling kunnen worden betrokken. De zesde grief van de man slaagt in zoverre. Zie rov. 3.13.11. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen;

  • -

    de beslissing over grief 7 (het pensioen van de vrouw) aangehouden, zie rov. 3.14.2; Het hof heeft daarnaast geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat de vrouw ook in het buitenland pensioen heeft opgebouwd en (3.14.4) dat de grief van de man (7) gedeeltelijk slaagt;

  • -

    geoordeeld dat het standpunt van de man de man in zijn laatste akte (d.d. 23 maart 2017) dat hij alsnog verdeling wenst van de twee woningen en de hypotheekschulden neerkomt op een nieuwe grief die in dit stadium van de procedure niet meer toelaatbaar is. Zie rov. 3.15. Dit verzoek zal worden afgewezen.

15.3.

Bij tussenbeschikking van 26 april 2018 heeft het hof:

  • -

    overwogen niet terug te komen op de beslissingen ten aanzien van de gemeenschappelijke inboedelzaken en de leenschulden, zie rov. 7.2.3 en 7.2.4;

  • -

    geoordeeld dat er een deskundigenonderzoek door het IJI dient te volgen ten aanzien van de onderneming van de man, zie rov. 7.4.3 (genummerd 6.4.3);

  • -

    geoordeeld dat grief 6 van de man, wat betreft zijn primaire standpunt dat de schulden geheel voor rekening van de vrouw dienen te komen, faalt; wat betreft zijn subsidiaire standpunt (dat hij regres op de vrouw heeft) slaagt zijn grief gedeeltelijk, zie rov. 7.5.8. Het hof zal die beslissing hieronder in het dictum opnemen.

  • -

    geoordeeld dat het pensioen van de vrouw (grief 7) verevend dient te worden op grond van de WVP ongeacht welk (buitenlands) huwelijksvermogensregime tussen partijen leidend is, zie rov. 7.6.3 – 7.6.4. Het hof zal die beslissing hieronder in het dictum opnemen;

  • -

    geoordeeld (rov. 7.7.2.) dat de nieuwe grief van de man ten aanzien van de belastingschulden voor de aanslagen IB 2010, 2011 en 2012 in behandeling kan worden genomen. Ook op dit punt heeft het hof geoordeeld dat er een deskundigenonderzoek door het IJI dient te volgen, zie rov. 7.7.3;

  • -

    bepaald dat een deskundigenonderzoek zal worden verricht naar:

a) de vraag of - uitgaande van het voorlopig oordeel van het hof dat de aandelen van de man in de Inc niet door de man zijn gekocht maar dat de Inc door hemzelf is opgericht en uitgaande van het feit dat tussen partijen op grond van het Braziliaanse

huwelijksvermogensrecht tussen hen het wettelijk systeem van “comunhão parcial de

bens” van toepassing was - de waarde van de bij de man in eigendom zijnde aandelen in zijn Amerikaanse vennootschap [Amerikaanse vennootschap] Inc, in de partiële gemeenschap van partijen valt;

b) de vraag of – uitgaande van het feit dat tussen partijen op grond van het Braziliaanse huwelijksvermogensrecht tussen hen het wettelijk systeem van “comunhão parcial de bens” van toepassing was – de schulden van de man wegens aanslagen IB over de jaren 2010, 2011 en 2012, in de partiële gemeenschap vallen;

- het IJI is benoemd tot deskundige van dit deskundigenonderzoek.

Na het geven van de tussenbeschikking van 26 april 2018 is bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het voorschot van het IJI van € 7.500,--. Daarnaast is door partijen aangegeven dat de deskundige vraag a niet meer hoeft te beantwoorden. Het geschilpunt ten aanzien van de onderneming van de man ligt dan ook niet meer aan het hof voor. Dit betekent dat alleen nog vraag b ter beantwoording door de deskundige voorligt.

Bij brief van 6 augustus 2018 en 2 april 2019 heeft het IJI aangegeven niet benoemd te willen worden tot deskundige ter beantwoording van vraag b, omdat deze vraag over buitenlands fiscaal recht gaat en dat buiten het expertisegebied van het IJI ligt.

Beslissing die nog voorligt

15.4.

Bij tussenbeschikking van 16 januari 2020 heeft het hof:

  • -

    bepaald dat een deskundigenonderzoek zal worden verricht naar de vraag of – uitgaande van het feit dat tussen partijen op grond van het Braziliaanse huwelijksvermogensrecht tussen hen het wettelijk systeem van “comunhão parcial de bens” van toepassing was – de schulden van de man wegens aanslagen IB over de jaren 2010, 2011 en 2012, in de partiële gemeenschap vallen;

  • -

    het T.M.C Asser Instituut benoemd tot deskundige ter beantwoording van deze vraag.

15.5.

Bij tussenbeschikking van 23 juli 2020 heeft het hof als volgt overwogen:

“11.6.1. Het hof stelt vast dat de man zich kan vinden in de conclusies van de deskundige.

De vrouw heeft weliswaar gesteld dat het deskundigenbericht gebrekkig is, maar zij komt tot een (soortgelijke) conclusie te weten dat “het er om [gaat] of de vrouw voordeel heeft genoten van/uit de in geding zijnde belastingschulden/gelden, middels goederen of voordeel die zij heeft verkregen of die gemeenschappelijk eigendom zijn geworden.” Bovendien heeft zij aan haar bezwaren tegen het deskundigenbericht geen conclusies verbonden.

Het hof neemt gelet op het voorgaande de conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de zijne.

Dat betekent dat het Braziliaanse recht zo moet worden uitgelegd dat inkomen van een echtgenoot naar Braziliaans recht persoonlijk vermogen is maar dat de echtgenoot gehouden is om met zijn inkomen bij te dragen aan de kosten van de huishouding en dat goederen (vermogenswaarden) die worden aangeschaft tijdens het huwelijk gemeenschappelijk eigendom zijn. Een belastingschuld die op het inkomen drukt dat voor dergelijke doeleinden is aangewend drukt op beide echtgenoten. Dat geldt niet voor inkomen dat is aangewend aan het in stand houden van privévermogen of aan diensten voor louter persoonlijk genot.

11.6.2.

Aldus is relevant hoe het inkomen waarop de belastingaanslagen 2010, 2011 en 2012 zien, is aangewend. Hoewel partijen in hun reacties op het deskundigenbericht al (kort) zijn ingegaan op de besteding van het inkomen in de jaren 2010, 2011 en 2012, ziet het hof aanleiding om partijen in de gelegenheid te stellen om, zoveel mogelijk met bescheiden onderbouwd, aan te geven wat het inkomen in 2010, 2011 en 2012 bedroeg en of dat inkomen is aangewend voor:

(1) de kosten van de huishouding en goederen (vermogenswaarden) die zijn aangeschaft tijdens het huwelijk of:

(2) uitgaven voor het in staand houden van privévermogen of aan diensten voor louter persoonlijk genot.

Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld op elkaars reacties te reageren.”

15.6.

De man voert kort gezegd het volgende aan.

De schulden worden ook naar Braziliaans recht als schulden ten behoeve van de gezamenlijke huishouding gekwalificeerd.

Ten aanzien van de hiervoor in rov. 11.6.2 van de tussenbeschikking van 23 juli 2020 geformuleerde vraag voert de man aan dat hij in 2010, 2011 en 2012 een eigen onderneming had in de Verenigde Staten en dat hij afhankelijk was van zijn enige opdrachtgever [opdrachtgever] . Met dit inkomen zijn uitgaven gedaan voor de creditcards die de vrouw in de Verenigde Staten in gebruik had, zakelijke uitgaven, de gezamenlijke rekeningen van partijen in de Verenigde Staten en in Nederland, de zakelijke bankrekening van de man in Nederland, de bankrekening van de dochter van de man, de Nederlandse onderneming van de man, de lease van de Nissan, premies Allstate en de hypotheekschuld in de Verenigde Staten. Ook heeft de man contant geld opgenomen.

Een deel van het inkomen betreft vergoedingen voor gemaakte kosten. Daarnaast werden niet alle kosten door [opdrachtgever] vergoed. Het geld om die kosten te betalen ging niet naar de gezamenlijke huishouding, maar dit betekent niet dat de uitgaven voor persoonlijk voordeel of genot zijn gedaan.

De man heeft geen eigen c.q. privévermogen. Hij heeft tot de dag van indiening van zijn verzoek tot echtscheiding (14 augustus 2012) voor het gezin en het gezinsinkomen gewerkt. Hij heeft nooit in luxe geleefd. De man heeft tot in 2012 maandelijks zijn netto bijdrage van € 3.900,-- gestort op de gezamenlijke bankrekening. Tot 14 augustus 2012 was sprake van een gezamenlijke huishouding. Toen de rechter bepaalde dat de vrouw het exclusieve gebruik kreeg van de woning in [woonplaats] , is hij in de Verenigde Staten (Florida) gaan wonen. Voor die tijd verbleven partijen ook regelmatig samen in Florida. De vrouw gaf tijdens de voorlopige voorzieningenprocedure zelf aan “he pays everything”. Daarmee doelde de vrouw op alle betalingen in de Verenigde Staten van de gezamenlijke huishouding aldaar: hypotheek, verzekeringen, “repairs”, gemeentelijke belastingen, bank creditcardschulden etc.

Partijen hebben samen belastingaangifte gedaan in Nederland (als fiscaal partners). Juist is dat de man in 2010, 2011 en 2012 geen goederen heeft gekocht die hun gezamenlijk eigendom zijn geworden. De man heeft dergelijke aankopen evenmin voor zichzelf gedaan.

15.7.

De vrouw voert verweer. Zij voert kort gezegd het volgende aan.

De vrouw betwist dat de belastingschulden volgens Braziliaans recht als schuld ten behoeven va de huishouding worden gekwalificeerd. Zij komen uitsluitend voor rekening van de man. Als de schulden al voor verdeling in aanmerking komen, dan dient deze alsnog volgens Braziliaans recht achterwege te blijven indien de schuld door misleidend respectievelijk bedrieglijk handelen tot stand is gekomen zonder wetenschap, medewerking, voordeel of instemming van de vrouw. Daarvan is hier sprake. De vrouw betwist voorts het bestaan van de schulden en de betaling daarvan door de man.

Partijen hebben tot medio 2009 in Nederland samengewoond. De man is vervolgens naar Florida vertrokken, terwijl de vrouw in [woonplaats] verbleef. Van een gemeenschappelijke huishouding was geen sprake meer. De man heeft zijn inkomen over 2010, 2011 en 2012 alleen voor en ten behoeve van zichzelf, voor zijn eigen huishouding en voor diensten voor louter persoonlijk genot aangewend. Dit blijkt uit de producties 193 en 194 (akte vrouw d.d. 20 oktober 2020). Van enige bijdrage aan de kosten van een (gezamenlijke) huishouding (die ontbrak) was geen sprake. Er zijn geen goederen (vermogenswaarden) met het inkomen van de man aangeschaft die vervolgens gemeenschappelijk eigendom zijn geworden. Het inkomen van de man stond onder zijn beheer en het inkomen van de vrouw was gezamenlijk.

De belastingschulden voor de aanslagen IB 2010, 2011 en 2012 komen dan ook voor rekening van de man.

15.8.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft in de tussenbeschikking van 7 september 2017 overwogen dat niet in geschil is dat de beoordeling van de geschillen dient plaats te vinden met toepassing van het Braziliaans huwelijksvermogensrecht. Evenmin is in geschil dat op grond van het Braziliaans huwelijksvermogensrecht tussen hen het wettelijk systeem van “comunhão parcial de bens”, een systeem van partiële goederengemeenschap, van toepassing was (zie rov. 3.7 van die beschikking).

Naar aanleiding van het deskundigenbericht dat is gelast, heeft het hof in de tussenbeschikking van 23 juli 2020 (rov. 11.6.1.) overwogen dat het Braziliaanse recht zo moet worden uitgelegd dat inkomen van een echtgenoot naar Braziliaans recht persoonlijk vermogen is maar dat de echtgenoot gehouden is om met zijn inkomen bij te dragen aan de kosten van de huishouding en dat goederen (vermogenswaarden) die worden aangeschaft tijdens het huwelijk gemeenschappelijk eigendom zijn. Een belastingschuld die op het inkomen drukt dat voor dergelijke doeleinden is aangewend drukt op beide echtgenoten. Dat geldt niet voor inkomen dat is aangewend aan het in stand houden van privévermogen of aan diensten voor louter persoonlijk genot.

Het is aan de man om te stellen en, gelet op de betwisting door de vrouw, nader te onderbouwen dat de belastingschulden ten aanzien van de aanslagen IB 2010, 2011 en 2012 ten name van de man onderdeel uitmaken van de partiële goederengemeenschap en in de verdeling moeten worden betrokken. Dat is, volgens het Braziliaans huwelijksvermogensrecht, het geval indien de belastingschulden drukken op het inkomen dat is aangewend voor de kosten van de huishouding en goederen (vermogenswaarden) die tijdens het huwelijk zijn aangeschaft en gemeenschappelijk eigendom zijn.

De man heeft in zijn akte uitlating na tussenbeschikking van 22 oktober 2020 een toelichting gegeven op zijn financiële situatie in de periode 2010-2012. Ter onderbouwing daarvan heeft hij de producties 83 tot en met 99 overgelegd. Daarbij is het navolgende van belang.

De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 1992/814 en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810, NJ 1999/342). De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (vgl. HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1176, NJ 1994/686). HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404.

In genoemde akte heeft de man zijn aangiften en aanslagen IB 2010, 2011 en 2012 overgelegd (producties 92 en 93) waaruit het inkomen van de man in die periode kan worden afgeleid. Ten aanzien van de bestedingen heeft de man onder punt 3 van die akte opgesomd waar het inkomen uit [opdrachtgever] aan is besteed en onder punt 4 dat hij ook cashopnames heeft gedaan. Vervolgens heeft de man een toelichting gegeven op de bankrekeningen die hij in de Verenigde Staten had (punt 5) en “waar het geld zo al naar toe ging” (punt 7). Ten aanzien van de bankrekeningen in Nederland en de bestedingen vanaf die rekeningen heeft de man een toelichting gegeven vanaf punt 17 van die akte.

De man heeft het hof niet, althans niet toereikend geïnformeerd over de vraag of zijn inkomen in 2010, 2011 en 2012 (geheel) is aangewend voor de kosten van de huishouding en goederen (vermogenswaarden) die zijn aangeschaft tijdens het huwelijk. Een berekening van het inkomen en hoe dat inkomen is besteed, is niet overgelegd. De man kan, zoals volgt uit de hiervoor aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad, niet volstaan met het verwijzen naar bijlagen (zoals de door de man overgelegde producties bij akte van 22 oktober 2020) zonder zelf in de processtukken een toelichting en (rekenkundige) onderbouwing te geven. Het is niet aan het hof om de overgelegde (omvangrijke hoeveelheid en niet gemarkeerde) bankafschriften zonder enige nadere toelichting te bestuderen en vervolgens te beoordelen welk bedrag is aangewend voor de kosten van de huishouding of voor goederen (vermogenswaarden). De man heeft nog gewezen op door de vrouw ingediende processtukken in alimentatieprocedures (producties 81 en 82 bij akte van de zijde van de man van 2 juni 2020), waarin de vrouw uitgaat van een grote mate van welstand van partijen tijdens het huwelijk. Deze algemene stellingen van de vrouw kunnen echter niet gelden als voldoende onderbouwing van de stelling van de man – dat zijn inkomen in de jaren 2010, 2011 en 2012, geheel of deels is besteed aan de gezamenlijke huishouding, welke stelling voor wat betreft deze jaren, voldoende gemotiveerd is betwist door de vrouw.

Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat het inkomen van de man is aangewend voor de kosten van de huishouding en goederen (vermogenswaarden) die zijn aangeschaft tijdens het huwelijk. Dat betekent dat de aanslagen IB van de man over de jaren 2010, 2011 en 2012 voor in totaal € 57.668,-- niet in de partiële gemeenschap vallen en niet in de verdeling moeten worden betrokken. Het verzoek van de man wordt op dit punt afgewezen.

Kosten deskundigenbericht

15.9

Het hof zal, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, de kosten van de deskundige voor rekening van partijen brengen, ieder voor de helft.

Proceskosten

15.10.

Het hof zal, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, de proceskosten tussen partijen compenseren.

16 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 17 april 2015 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve voor wat betreft de beslissingen over:

  • -

    de gemeenschappelijke inboedel;

  • -

    de verdeling van de saldi op de bankrekening(en) bij de ABN-AMRO Bank en bij de Bank of America die op naam staan van de man;

  • -

    de leenschulden die de vrouw heeft afgesloten bij haar moeder van BRL 200.000 en bij haar broer van BRL 120.000;

  • -

    het pensioen van de vrouw;

bepaalt dat van de gemeenschappelijke inboedel aan de man de volgende zaken worden toegedeeld:

uit de woning in [woonplaats] :

2 roze plafond lampjes en de grote antieke kast in de Hall op de eerste verdieping;

uit de woning in de VS:

  • -

    keukengerei, servies, glaswerk en een espresso koffiemachine zoals beschreven op pagina 3 van productie 144 bij de akte van de vrouw d.d. 3 maart 2017 met welke beschrijving de man zich akkoord heeft verklaard;

  • -

    2 groene leren banken;

  • -

    de helft van “several decoration items” in de family room;

  • -

    1 dubbel bed met bedlinnen;

van de opgeslagen zaken in [plaats] :

  • -

    schilderij “witte vlaggen”;

  • -

    2 aquarellen onder glas Vazquez;

  • -

    rood zithoekje kantoor;

  • -

    kantoortafel;

  • -

    eettafel plus stoelen;

  • -

    2 kleine tapijtjes, 3 medium tapijtjes en 1 groot tapijt;

  • -

    zilveren en koperen decoratie;

  • -

    een zilveren servies;

  • -

    1 schilderij black/red;

  • -

    2 schilderijen blue/yellow;

  • -

    een roze zithoek;

  • -

    boekenkast kantoor;

  • -

    een roze plafondlamp;

bepaalt dat van de gemeenschappelijke inboedel de overige inboedelzaken in [woonplaats] , de VS en in [plaats] worden toegedeeld aan de vrouw;

deelt de saldi van de hieronder genoemde bankrekeningen toe aan de man onder de verplichting om de helft daarvan aan de vrouw te voldoen:

- ABN AMRO rekeningnr. [rekeningnummer 1] : € 6.407,40;

- Bank of America rekeningnr. eindigend op [rekeningnummer 2] : $ 34,77;

- Bank of America rekeningnr. eindigend op [rekeningnummer 3] : $ 677,93;

- Bank of America rekeningnr. eindigend op [rekeningnummer 4] : $ 218,93

- Bank of America rekeningnr. eindigend op [rekeningnummer 5] : $ 0,-;

bepaalt dat alle betalingen die vanaf 26 april 2018 met betrekking tot de 10 creditcard schulden - zoals weergegeven in rov. 7.5.2 van de tussenbeschikking van 26 april 2018 -worden gedaan, alleen door de vrouw moeten worden gedragen. Voor zover door de man vanaf 26 april 2018 betalingen op deze schulden (ook rentebetalingen) worden gedaan, heeft hij een verhaalsrecht op de vrouw. Voor zover de man vanaf 26 april 2018 nieuwe schulden maakt via (een van) de 10 creditcards, is alleen de man hiervoor (plus eventuele rente) draagplichtig;

bepaalt dat de door de vrouw in Nederland opgebouwde pensioenrechten moeten worden verevend op basis van de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

bepaald dat de kosten van de deskundige voor rekening van partijen komen, ieder voor de helft;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus, dat dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en G.J. Vossestein, en is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.