Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:924

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
200.289.401_01 een 200.289.401_02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. De machtiging tot uithuisplaatsing is niet tijdig ten uitvoer gelegd (artikel 1:265c lid 3 BW). Het hof verklaart voor recht dat de machtiging vervallen is en verklaart de moeder niet ontvankelijk in het hoger beroep.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 265c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 25 maart 2021

Zaaknummers : 200.289.401/01 en 200.289.401/02

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/377009 / JE RK 20-1863

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.R. Klaver,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Deze beschikking betreft de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).

In deze zaak is als informant aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 29 oktober 2020.

2 Het geding in hoger beroep

200.289.401/01

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 januari 2021, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen in die zin dat het verzoek tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt afgewezen als ongegrond en ongemotiveerd.

200.289.401/02

2.1.1.

Bij provisioneel verzoek, ingekomen ter griffie op 1 februari 2021, hebben de ouders verzocht op een zo kort mogelijke termijn een voorziening te treffen en uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat [minderjarige] dient terug te verhuizen naar zijn ouders, althans dient te verblijven bij zijn ouders, dat het leer-/werktraject kan worden gecontinueerd en ook dat de behandeling systeemtherapie bij GGZ kan voortgaan.

In beide zaken

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 februari 2021, heeft de GI verzocht de ouders in hun verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 februari 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Klaver;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] (gezinsvoogd) en [vertegenwoordiger van de GI 2] (gedragswetenschapper).

2.3.1.

De raad is eveneens opgeroepen, maar heeft bij brief van 22 februari 2021 het hof bericht niet ter mondelinge behandeling te zullen verschijnen.

2.3.2.

Hoewel de verzoeken in beide zaken mede namens de vader zijn ingediend, is de vader in dezen niet als partij c.q. belanghebbende, maar als informant aangemerkt. De vader is namelijk niet mede met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast. De vader is tijdens de mondelinge behandeling van het hof verschenen en als informant gehoord.

2.3.3.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het faxbericht met bijlagen van de advocaat van de ouders d.d. 17 februari 2021;

  • -

    het faxbericht met bijlagen van de advocaat van de ouders d.d. 18 februari 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is [minderjarige] geboren.

De moeder is met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] belast.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 19 september 2019 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 19 september 2021.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de GI om [minderjarige] met ingang van 29 oktober 2020 tot uiterlijk 19 september 2021 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift en in het provisioneel verzoek, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende aan.

In het kader van de ondertoezichtstelling zijn er steeds wisselingen van personeel geweest. Er is niets opgestart en er is geen hulp geboden bij het vinden van een dagbesteding. De ouders hebben een grote afstand ervaren tot de GI.

Ten onrechte heeft de rechtbank geen rekening gehouden met positieve ontwikkelingen in de situatie van [minderjarige] . De ouders hebben samen afgesproken dat [minderjarige] vanaf begin oktober 2020 bij de vader verblijft. Ze hebben zelf via de huisarts de hulp van GGZ ingeschakeld (systeemtherapie). Tevens hebben de ouders geregeld dat [minderjarige] drie dagen per week stage kon lopen bij [bedrijf] te [plaats 1] . [minderjarige] is daarnaast aangemeld voor een MBO opleiding - vakopleiding schilderen - via [organisatie] te [plaats 1] (twee dagen per week begeleiding). Er is nu dusdanig veel dagbesteding voor [minderjarige] geregeld dat hij niet meer in de gelegenheid is om zich met ‘verkeerde vrienden’ op te houden. De situatie rondom [minderjarige] is nu al geruime tijd stabiel.

[minderjarige] verblijft binnen een voor de ouders onbekende instelling. Hij is op 31 januari 2021 met groot machtsvertoon door de politie vanuit een supermarkt geboeid afgevoerd.

De termijn van de uithuisplaatsing was afgelopen zonder dat deze was geëffectueerd. De ouders kunnen de huidige plaatsing niet zien als een kans om in samenwerking met de GI het tij te keren voor [minderjarige] ; als gevolg van de ervaringen met de GI in het verleden is er geen vertrouwen meer. Er zijn te veel fouten gemaakt.

Het is niet in het belang van [minderjarige] om in de instelling te verblijven. [minderjarige] kan het beste vanuit de thuissituatie de GGZ behandeling ondergaan en het werk-/leertraject volgen. Hij kan dat direct weer oppakken, in het geval het provisioneel verzoek van de ouders wordt toegewezen. Het verblijf van [minderjarige] in de jeugdhulpvoorziening is niet in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .

3.6.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende aan.

Er is in het verleden al veel intensieve hulpverlening ingezet om de problematiek van [minderjarige] te behandelen, hem op het rechte pad te houden en de draagkracht van de moeder te vergroten. Er zijn onder meer vier MST-trajecten doorlopen. Dit heeft niet het gewenste resultaat gehad. De zorgen over [minderjarige] namen alleen maar toe; hij leek steeds verder af te glijden. Hij kwam steeds meer in beeld bij politie en justitie. De ouders hebben het beste met [minderjarige] voor. De moeder staat echter onder dusdanige psychische druk dat zij niet of onvoldoende beschikbaar is voor [minderjarige] en niet haar opvoedtaken kan overzien. De vader heeft de inzet van hulpverlening en begeleiding stelselmatig gefrustreerd. Zo heeft hij door vele ziekmeldingen en afmeldingen om allerlei redenen meerdere intakes en afspraken niet door laten gaan. De ouders stellen dat zij hulpverlening en dagbesteding voor [minderjarige] zelf hebben geregeld, maar bewijs daarvan heeft de gezinsvoogd niet gezien. Bij [organisatie] is [minderjarige] al enkele weken niet verschenen.

Er is sprake van complexe problematiek in combinatie met delictgedrag, waardoor het moeilijk was een geschikte plek voor [minderjarige] te vinden waar hij geobserveerd en behandeld kon worden. Daarbij speelt ook dat er een gebrek aan motivatie is bij zowel [minderjarige] als ouders. Thans is een geschikte plek gevonden bij [instelling] in [plaats 2] . Het zou in het belang van [minderjarige] zijn geweest als de ouders hadden meegewerkt aan de opname van [minderjarige] bij [instelling] . Zij konden daartoe echter niet worden bewogen. Er is daarop overleg geweest met de gemeente, politie en het veiligheidshuis. Vanwege eerdere uitlatingen van de vader richting de politie (‘als jullie mijn zoon meenemen vertrekken we naar het buitenland’), is er uiteindelijk voor gekozen om op 25 januari 2021 een OAT(hof: OAT staat voor opsporen, aanhouden, terugbrengen) te laten uitgaan.

De uithuisplaatsing is op dit moment de beste optie voor [minderjarige] . Alvorens de ouders echt iets kunnen betekenen voor [minderjarige] dient hij onderzocht en behandeld te worden. Bij [instelling] is er ruimte voor stabilisatie en onderzoek. De op basis daarvan opgestelde adviezen kunnen intern worden opgevolgd. Intern wordt ook school, sport en te zijner tijd werk aangeboden. Als het verzoek van de GI alsnog afgewezen zou worden, zou de GI de veiligheid van [minderjarige] niet meer kunnen garanderen.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.7.2.

Voordat het hof toekomt aan een dergelijke beoordeling zal het hof eerst moeten beoordelen of de op 29 oktober 2020 ingaande machtiging tot uithuisplaatsing tijdig ten uitvoer is gelegd.

Op grond van artikel 1:265c lid 3 BW vervalt immers een machtiging uithuisplaatsing indien deze na verloop van drie maanden niet ten uitvoer is gelegd. Het hof is gehouden om dit ambtshalve te toetsen, nu een vervallenverklaring van rechtswege intreedt.

3.7.3.

De machtiging moest uiterlijk op 29 januari 2021 ten uitvoer zijn gelegd. [minderjarige] is echter pas op 31 januari 2021 geplaatst in de [instelling] . Er is (conform HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK5269) pas sprake van een tenuitvoerlegging van een machtiging tot uithuisplaatsing als ook sprake is van een daadwerkelijke effectuering van die machtiging. Vast is komen te staan dat [minderjarige] niet binnen de termijn van de machtiging daadwerkelijk is geplaatst in een instelling, zodat niet in die zin sprake was van een tenuitvoerlegging.

Ook het uitvaardigen van een verzoek OAT aan de politie door de GI op 25 januari 2021, kan naar het oordeel van het hof niet worden gezien als een daadwerkelijke effectuering van de machtiging. Het uitvaardigen van een OAT is een middel om te komen tot een daadwerkelijke effectuering van de machtiging, maar het is niet een daadwerkelijke effectuering zelf. In deze zaak heeft het uitvaardigen van een OAT op 25 januari 2021 pas geleid tot een daadwerkelijke opname van [minderjarige] in de instelling op 31 januari 2021.

3.7.4.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de machtiging tot uithuisplaatsing door de GI niet ten uitvoer is gelegd binnen de daartoe door de wet gestelde termijn van drie maanden. Daarmee is de machtiging van rechtswege komen te vervallen.

3.7.5.

Dat de ouders al of niet hebben meegewerkt aan de daadwerkelijke effectuering van de machtiging tot uithuisplaatsing is niet relevant. In de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad is immers bepaald dat, ook al is het niet kunnen effectueren van de machtiging het gevolg van obstructie van de ouders, dit niet kan afdoen aan het van rechtswege vervallen van de machtiging.

3.7.6.

Het hof is voorts van oordeel dat in deze situatie, waarin de machtiging van rechtswege is vervallen omdat die niet tijdig ten uitvoer is gelegd, niet gesteld is dat er een rechtens relevant belang bestaat om de rechtmatigheid van de eerder verleende machtiging tot uithuisplaatsing te toetsen. Voor zover moeder heeft gesteld dat het belang van [minderjarige] niet is gediend bij een verblijf in een instelling, is het hof van oordeel dat een rechter die moet gaan oordelen over een eventueel nieuw in te dienen verzoek tot het (opnieuw) verlenen van een machtiging uithuisplaatsing, een beslissing zal hebben te nemen met inachtneming van alle op dat moment relevante factoren en omstandigheden, die zich nu niet laten overzien en dus ook nu geen basis kunnen vormen voor een beoordeling op dit moment.

3.7.7.

Het hof zal voor recht verklaren dat de machtiging vervallen is en de moeder niet ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

3.7.8.

Gezien het oordeel van het hof in de hoofdzaak heeft de moeder geen belang meer bij een beoordeling van het provisionele verzoek. In zoverre zal de moeder niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek in hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof:

in de zaak met nummer 200.289.401/01:

verklaart voor recht dat de machtiging uithuisplaatsing, afgegeven bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 29 oktober 2020 met betrekking tot de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , is vervallen;

verklaart de moeder niet ontvankelijk in haar verzoek tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 29 oktober 2020.

in de zaak met nummer 200.289.401/02:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het provisionele verzoek in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 29 oktober 2020.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.D.M. Lamers en A.M. Bossink en is op 25 maart 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. P.P.M. van Reijsen in tegenwoordigheid van de griffier.