Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:919

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
200.283.343_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:2463
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep schadevergoeding Wvggz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2021-0104
PS-Updates.nl 2021-0281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 25 maart 2021

Zaaknummer: 200.283.343/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/371487 / FA RK 20-2108

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

thans verblijvende in de PI te [plaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [de man] , of de man,

advocaat: mr. E.H.M. Graafmans,

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

de geneesheer-directeur, mevrouw drs. [de geneesheer-directeur],

verbonden aan stichting [stichting] te [vestigingsplaats] (hierna te noemen de instelling),

en

de zorgverantwoordelijke, de heer drs. [psychiater] , psychiater,

verbonden aan de instelling,

en

psychiater in opleiding, de heer drs. [psychiater in opleiding] ,

verbonden aan de instelling,

hierna gezamenlijk te noemen: de behandelaren,

voor wie als advocaat optreedt:

mr. A.J. de Danschutter.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 5 juni 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 7 september 2020, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de man verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. hem in zijn hoger beroep ontvankelijk te verklaren;

II. de bestreden beschikking deels te vernietigen;

III. te bepalen dat de schending van de informatieplicht van artikel 8:13 Wvggz aanleiding is voor toekenning van een schadevergoeding van € 250,- of althans een bedrag in goede justitie te bepalen;

IV. te bepalen dat overschrijding van de tijdelijke verplichte zorg aanleiding is voor toekenning van een schadevergoeding van € 600,- of althans een bedrag in goede justitie te bepalen;

V. te bepalen dat een last tot toevoeging wordt afgegeven, kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen bij het hof op 29 december 2020, hebben de behandelaren

verzocht het hoger beroep van de man zoals opgeworpen bij hoger beroepschrift van 7 december 2020, ongegrond te verklaren en de beschikking van de rechtbank van 5 juni 2020 in stand te laten, een en ander kosten rechtens.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van:

- het V8-formulier van de advocaat van de man, ingekomen bij het hof op 19 januari 2021;

- het V8-formulier van de advocaat van de man, ingekomen bij het hof op 29 januari 2021.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 februari 2021. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- drs. [de geneesheer-directeur] en drs. [psychiater] , bijgestaan door hun advocaat.

2.4.1.

Drs. [psychiater in opleiding] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

3 De beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 21 februari 2020 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, is een machtiging verleend tot voortzetting van de op 19 februari 2020 opgelegde crisismaatregel ten aanzien van de man tot en met 13 maart 2020.

3.2.

Ter uitvoering van de crisismaatregel verbleef de man in het psychiatrisch ziekenhuis [de instelling] te [vestigingsplaats] .

3.3.

De behandelaren hebben op 4 maart 2020 een beslissing genomen tot het verlenen van verplichte zorg, inhoudende het toedienen van medicatie onder dwang. Die beslissing is schriftelijk aan verzoeker medegedeeld. De man is op 4 maart 2020 weggelopen uit het psychiatrisch ziekenhuis.

3.4.

De man is op 6 maart 2020 teruggebracht naar [de instelling] en aldaar ondergebracht op een separeerafdeling. De beslissing tot verblijf in de separeerruimte is gesteld op het formulier “beslissing verlenen verplichte zorg”. De man is tot en met donderdag 12 maart 2020 16.30 uur gesepareerd geweest, waarna hij is ontslagen uit de instelling en naar huis is teruggekeerd.

3.5.

De man heeft op 6 maart 2020 bij de klachtencommissie van [de instelling] geklaagd tegen de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 8:9 Wvggz, inhoudende het tegen de wil van de man toedienen van medicatie, alsmede over de beslissing tot insluiting in de separeerruimte. Ook heeft hij om een schadevergoeding verzocht. De klachtencommissie heeft op 23 maart 2020 beide klachten ongegrond verklaard.

3.6.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de klachten van de man gegrond verklaard ten aanzien van de schending van de informatieverplichting en ten aanzien van de overschrijding van de termijn van 3 dagen tijdelijke verplichte zorg in noodsituaties. De instelling is hiervoor veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 75,- aan de man. De man heeft zijn klacht tegen de medicatietoediening ingetrokken. De overige klachten zijn ongegrond verklaard.

3.7.

De man kan zich met voornoemde beschikking gedeeltelijk niet verenigen is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.1.

De man kan zich niet vinden in de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde schadevergoeding van in totaal € 75,-. De man voert – kort samengevat – het volgende aan. Doordat de behandelaren de wettelijke voorschriften niet in acht hebben genomen en de informatieverplichting hebben geschonden door de advocaat van de man tot twee keer toe niet te informeren over zijn verblijf in de separeer, is de man verstoken geweest van rechtsbijstand.

Daarnaast heeft de man ten onrechte zes dagen in separatie gezeten, waarbij zijn rechten met voeten zijn getreden. Onvoldoende is onderkend dat een dagenlange separatie – met name voor de man gelet op zijn psychiatrische verleden – een zeer grote impact heeft. Voor het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding dient aansluiting te worden gezocht bij de

forfaitaire bedragen die gehanteerd worden in het onderzoeksrapport van de UvA, zoals door de man beschreven.

3.8.

De behandelaren voeren – kort samengevat – het volgende aan. De man is niet verstoken geweest van rechtsbijstand, omdat hij nog voor aanvang van de insluiting met hulp van de patiëntvertrouwenspersoon (verder: PVP) een klacht heeft ingediend. Bovendien kon de man zelf telefonisch contact opnemen met zijn advocaat. Hoewel de behandelaren erkennen een onjuist formulier te hebben gebruikt voor de insluiting, was de beslissing de man in te sluiten uit zorginhoudelijk oogpunt de enige juiste. Indien het goede formulier was gebruikt was het resultaat hetzelfde geweest. De man heeft zijn concrete schade niet inzichtelijk gemaakt en de behandelaren achten een vergoeding van € 25,- per dag billijk (ondanks dat hij niet is benadeeld).

3.9.

Het hof overweegt als volgt.

3.9.1.

Het hof stelt voorop dat de man ontvankelijk is in zijn verzoeken gelet op de uitspraken van de Hoge Raad van 20 november 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1806 en ECLI:NL:HR:2020:1808), nu daaruit volgt dat noch in art. 10:12 Wvggz, noch elders in de Wvggz, hoger beroep tegen een beslissing op de voet van deze bepaling wordt uitgesloten. Nu de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op een procedure ingevolge de Wvggz aanvullend van toepassing zijn, staat op grond van art. 358 lid 1 Rv hoger beroep open tegen de beslissing van de rechtbank op het verzoek tot schadevergoeding.

3.9.2.

Artikel 10:11 Wvggz bepaalt dat bij een verzoek als bedoeld in artikel 10:7 Wvggz verzoeker bij de rechter tevens om schadevergoeding door de zorgaanbieder kan verzoeken. De rechter kan op dit verzoek afzonderlijk beslissen en kan ook ambtshalve tot schadevergoeding door de zorgaanbieder besluiten.

Op grond van artikel 10:11 lid 4 Wvggz wordt de schadevergoeding naar billijkheid vastgesteld.

3.9.3.

De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking de klacht tegen de insluiting ten aanzien van schending van de informatieverplichtingen (artikel 8:13 lid 1 en 3 Wvggz) en ten aanzien van overschrijding van de termijn van drie dagen tijdelijke verplichte zorg in noodsituaties (artikel 8:11 jo. artikel 8:12 lid 1 Wvggz) gegrond verklaard.

Ten aanzien van de verzochte schadevergoeding wegens schending van de informatieverplichtingen van artikel 8:13 Wvggz heeft de rechtbank overwogen:
“Hoewel de hier relevante bepalingen van de Wvggz niet in acht zijn genomen, is de rechtbank onvoldoende gebleken dat verzoeker als gevolg van deze procedurele fouten is benadeeld. Verzoeker was ondanks het ontbreken van een schriftelijk besluit wel van de beslissing op de hoogte en kende – nu hij zich daadwerkelijk daarover bij de klachtencommissie heeft beklaagd – ook zijn rechten. Ondanks schending van de informatieverplichtingen is verzoeker ook niet verstoken gebleven van rechtsbijstand. Bovendien, ook als de juiste formaliteiten waren betracht, was verzoeker gezien de noodsituatie ingesloten geweest. De mogelijk door de insluiting zelf geleden schade kan niet worden gezien als causaal in verband te staan met de gemaakte fouten in de informatieverplichtingen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verzoeker materieel niet in een andere situatie is komen te verkeren dan wanneer de bedoelde bepalingen juist zouden zijn nageleefd. Voor toewijzing van het verzoek tot schadevergoeding in verband met de schending van de hier bedoelde verplichtingen is derhalve geen plaats.”

Vast is komen te staan dat de advocaat van de man pas op 10 maart 2020 via de PVP op de hoogte is gesteld van de insluiting van de man in de separeer, terwijl de man reeds sinds 6 maart 2020 ingesloten was.
Het hof stelt voorop dat de toepassing van tijdelijke interventies in noodsituaties op grond van art. 8:11 en 8:12 Wvggz aan strenge criteria is onderworpen en dat de mogelijkheid van bijstand van een advocaat daarbij een wettelijk en fundamenteel recht is van de patiënt. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat er voldoende causaal verband is tussen de door de insluiting zelf geleden schade en de gemaakte fouten in de informatieverplichtingen, in het bijzonder het niet in kennis stellen van de advocaat van de beslissing tot het verlenen van de tijdelijke verplichte zorg in noodsituatie, zoals art. 8:13 lid 3 Wvggz voorschrijft.

Met enige mate van waarschijnlijkheid kan immers worden aangenomen dat wanneer de advocaat van de man na de insluiting van de man op 6 maart 2020 onverwijld was geïnformeerd, de overschrijding van de termijn van drie dagen tijdelijke verplichte zorg, in dit geval het verblijf in de separeerruimte, met nog eens drie dagen, niet zou hebben plaatsgevonden, met een mogelijk andere uitkomst van verblijf of behandeling van de man.. Immers de advocaat had als gespecialiseerde Wvggz-advocaat de zorgverantwoordelijke er op kunnen wijzen dat deze in strijd handelde met art. 8:12 lid 4 Wvggz, op grond waarvan de zorgverantwoordelijke, indien hij meende dat de betreffende tijdelijke verplichte zorg langer dan drie dagen zou moeten duren, een wijziging had moeten vragen van de zorgmachtiging. Dat de man wel de bijstand had van de PVP kan hier niet aan afdoen, omdat deze bijstand niet op een lijn gesteld kan worden met de rechtsbijstand van een advocaat. De stelling van de behandelaren dat de man zelf telefonisch contact op had kunnen nemen met zijn advocaat acht het hof niet realistisch, aangezien de man wegens zijn psychische toestand in de separeer werd gezet, nog daargelaten dat deze zienswijze bovendien geheel voorbijgaat aan de wettelijke plicht van de zorgverantwoordelijke om de geneesheer-directeur zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen van de toepassing van de tijdelijke interventies, aangezien op de geneesheer-directeur de verplichting rust om de betrokkene, zijn vertegenwoordiger en de advocaat een afschrift te zenden van de beslissing van de zorgverantwoordelijke. Daar waar de behandelaren aangeven dat zij de advocaat niet eerder konden informeren omdat de insluiting van de man plaatsvond op vrijdagavond, na afloop van de werktijd van de betreffende afdeling, volgt het hof hun standpunt niet. Het kan naar het oordeel van het hof niet zo zijn dat een patiënt verstoken blijft van rechtsbijstand omdat hij nu net in het weekend in een separeerruimte wordt geplaatst. Dit klemt temeer daar er bij de toepassing van de artikelen 8:11 tot en met 8:13 Wvggz gaat om interventies met een tijdelijk karakter van maximaal 3 dagen, hetgeen meebrengt dat dat de informatieverplichtingen onverwijld moeten worden uitgevoerd, aangezien anders de bescherming en waarborgen die de wet met deze verplichtingen wil bieden volledig illusoir worden.

Ten slotte volgt het hof de behandelaren niet in hun stelling dat het resultaat hetzelfde zou zijn geweest indien zij wel een nieuw verzoek tot het verkrijgen van een zorgmachtiging bij de rechtbank zouden hebben ingediend. De uitkomst van die procedure kan immers niet met zekerheid worden voorspeld.

Gelet op het voorgaande acht het hof een schadevergoeding wegens schending van de informatieverplichtingen op zijn plaats. |Het hof acht een vergoeding van € 100,-- hiervoor redelijk en billijk.

Ten aanzien van de overschrijding van de maximale termijn van 3 dagen tijdelijke verplichte zorg in noodsituaties heeft de rechtbank een vergoeding ten bedrage van € 75,-- redelijk en billijk geacht, daarbij in aanmerking nemend dat de man blijkens de op 21 februari 2020 verleende machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel gedurende de periode waarin hij onrechtmatig was ingesloten, al wel rechtmatig in een aantal vrijheden was beperkt en verplicht was opgenomen in de instelling en dat hij in plaats van te verblijven op een (gesloten) afdeling van de afdeling langer dan drie dagen in de separeer heeft verbleven.

Het hof ziet geen aanleiding om aan te sluiten bij het door de man aangedragen onderzoeksrapport van de Universiteit van Amsterdam, nu het voorgestelde systeem van schade begroten (nog) niet rekent op een brede acceptatie. Aan de andere kant was het langdurig verblijf in de separeerruimte voor de man een zeer vervelende ervaring. Ook het feit dat de man op dezelfde dag dat hij uit de separeer kwam meteen naar huis mocht, doet de vraag rijzen of dit verblijf gedurende deze periode, ook indien er wel een wettelijke grondslag zou zijn geweest, wel noodzakelijk is geweest. Het hof stelt gelet op alle omstandigheden deze schadevergoeding naar billijkheid vast op € 150,-.

3.10.

Het voorgaande leidt er toe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en de schadevergoeding vast zal stellen van in totaal € 250,-. Het hof zal de proceskosten compenseren, gelet op de aard van de procedure, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. Het hof zal tenslotte het verzoek ten aanzien van de door het hof te verstrekken last tot toevoeging afwijzen, nu de wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 5 juni 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen:

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de instelling tot betaling van een bedrag van € 250,- aan schadevergoeding aan de man;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, J.C.E. Ackermans-Wijn en C.A.R.M. van Leuven en is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2021 door mr. E.A.M. Scheij in tegenwoordigheid van de griffier.