Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:916

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
200.286.888_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 25 maart 2021

Zaaknummer: 200.286.888/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/01/359302 JE RK 20-896-2 en C/01/360631 / JE RK 20-1119

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.A. van de Weerd,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over de minderjarige:

[minderjarige],

geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

Het hof merkt als belanghebbenden aan:

- Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI);

- [de vader], hierna te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 8 september 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties van 7 december 2020 heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek tot ondertoezichtstelling af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met productie van 25 januari 2021 heeft de raad verzocht het verzoek in hoger beroep van moeder af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Bij verweerschrift met producties van 25 januari 2021 heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 februari 2021. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Van de Weerd de volledige kamersamenstelling gewraakt, waarna de mondelinge behandeling is geschorst.

2.5.

Het wrakingsverzoek van mr. Van de Weerd is door de wrakingskamer van dit hof behandeld op de zitting van 1 maart 2021. Het wrakingsverzoek is door de wrakingskamer van dit hof toegewezen bij beschikking van 15 maart 2021.

2.6.

De mondelinge behandeling met een nieuwe kamersamenstelling heeft plaatsgevonden op 18 maart 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    mr. Van de Weerd;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad];

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2];

  • -

    de vader.

2.7.

De moeder is niet op de mondelinge behandeling in hoger beroep verschenen.

2.8.

Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 27 augustus 2020;

  • -

    de brief met productie van mr. Van de Weerd van 10 maart 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie tussen de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2010 de minderjarige [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder en de vader oefenen samen het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

De rechtbank heeft op 8 juni 2020 een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] uitgesproken voor de duur van drie maanden, dus tot 8 september 2020.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van zes maanden, dus tot 8 maart 2021. De rechtbank heeft de beslissing op het verzoek van de raad voor het overige aangehouden.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De rechtbank heeft bij beschikking van 5 februari 2021 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met één maand, van 8 maart 2021 tot 8 april 2021, en iedere verdere beslissing aangehouden tot de mondelinge behandeling van 29 maart 2021, in afwachting van de beslissing van het hof.

3.6.

Het hoger beroep in deze zaak heeft alleen betrekking op de beschikking van de rechtbank van 8 september 2020 en dus op de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 8 maart 2021.

3.7.

De moeder betwist dat sprake is van een ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige]. Ook de emigratie van [minderjarige] met haar moeder naar Ibiza levert geen bedreiging op voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige]. Als er wel een ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] wordt aangenomen, dan vindt de moeder dat hulp in het vrijwillig kader nog niet voldoende is benut.

3.8.

De raad voert aan dat [minderjarige] erg wordt beïnvloed door het gedrag van haar moeder. Zij is klem gezet tussen haar ouders en er is sprake van een loyaliteitsconflict. Er was al sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] en door het vertrek van [minderjarige] en haar moeder zijn de zorgen alleen maar toegenomen. Er is geen contact met [minderjarige] en/of haar moeder, er zijn geen gegevens bekend over hun verblijfplaats en niet bekend is hoe het met [minderjarige] gaat. De raad is van mening dat het vrijwillig kader volstrekt ontoereikend was en is. De zorg die nodig is voor het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging wordt door de moeder niet of onvoldoende geaccepteerd en zelfs binnen het gedwongen kader is het erg moeilijk tot onmogelijk om zicht te krijgen op [minderjarige] en haar veiligheid in de meest brede zin te borgen.

3.9.

De GI voert aan dat er al veel zorgen waren over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige]. De moeder handelt onvoorspelbaar wanneer bepaalde angsten het overnemen, bijvoorbeeld over het coronavirus of 5G. De moeder belast [minderjarige] hiermee en daarnaast is er sprake van een loyaliteitsconflict. Uit eerdere berichten van [minderjarige] aan haar vader blijkt dat zij door de moeder wordt belast met volwassen zaken. De GI weet niet waar [minderjarige] en de moeder verblijven en/of [minderjarige] zich in een veilige en stabiele situatie bevindt. Ook is niet duidelijk of [minderjarige] naar school gaat. De GI benadrukt dat de moeder met [minderjarige] is vertrokken terwijl er al sprake was van een voorlopige ondertoezichtstelling. Zij heeft de GI niet om toestemming gevraagd. De al bestaande zorgen zijn toegenomen. Er is sinds 7 januari 2021 geen contact meer geweest tussen de GI en de moeder en [minderjarige]. De moeder zegt hulpverlening te accepteren, maar handelt hier niet naar. De GI heeft een melding bij de Centrale Autoriteit gedaan.

3.10.

De vader heeft sinds 14 november 2020 geen contact meer gehad met [minderjarige]. Daarvoor had hij alleen contact met haar via e-mail. De vader weet niet waar [minderjarige] is en hij heeft geen telefoonnummer om haar te bereiken. Ook heeft hij geen foto’s van haar meer ontvangen. Hij maakt zich grote zorgen en naarmate de tijd verstrijkt twijfelt hij zelfs of zijn dochter nog wel in leven is. De vader heeft een verzoek tot teruggeleiding van [minderjarige] naar Nederland gedaan en op 28 oktober 2020 heeft hij aangifte tegen de moeder gedaan van onttrekking aan het gezag. De vader benadrukt dat hij geen toestemming heeft gegeven aan de moeder om met [minderjarige] naar het buitenland te vertrekken, niet mondeling en niet schriftelijk.

3.11.

Het hof overweegt het volgende.

Rechtsmacht

3.11.1

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, met de rechtbank en op dezelfde gronden van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft.

Wettelijk kader

3.11.2.

In artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de rechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

Inhoudelijke beoordeling

3.11.3.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor vermelde wettelijke vereisten van artikel 1:255, eerste lid, BW. In aanvulling daarop oordeelt het hof als volgt.

3.11.4.

Het hof is van oordeel dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] wordt belast met de angsten van haar moeder en er is sprake van een loyaliteitsconflict. Er zijn zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige]. Door het vertrek van moeder en [minderjarige] zijn deze zorgen alleen maar toegenomen. Het is volstrekt onduidelijk waar de moeder en [minderjarige] verblijven. De moeder is naar eigen zeggen met [minderjarige] naar Ibiza geëmigreerd, maar dit kan niet worden geverifieerd omdat hiervan geen gegevens bekend zijn. In ieder geval staat vast dat de moeder zonder instemming van de GI is vertrokken terwijl er al sprake was van een voorlopige ondertoezichtstelling. De GI beschikt niet over adresgegevens en/of een bereikbaar telefoonnummer en heeft in de afgelopen periode geen zicht kunnen krijgen op de (opvoed)situatie van [minderjarige]. De GI heeft geen contact met [minderjarige] en inmiddels ook geen e-mailcontact meer met haar moeder. De advocaat van de moeder heeft tijdens de zitting gesteld dat de moeder “onder de radar” leeft. Zij heeft besloten aan geen enkele instantie haar persoonlijke gegevens te verstrekken, uit angst voor de gevolgen voor haar en [minderjarige] wanneer autoriteiten hen zullen traceren, gelet op de aangifte en het teruggeleidingsverzoek. Dat is ook de reden waarom zij niet is verschenen tijdens de mondelinge behandeling en ook niet digitaal aan deze mondelinge behandeling wenst deel te nemen. Dit baart het hof zorgen, omdat volstrekt onduidelijk is hoe het met [minderjarige] gaat, waar zij onder welke omstandigheden leeft en in welke mate zij wordt belast met en beïnvloed door angsten van haar moeder. Daarbij heeft het hof uitdrukkelijk aandacht voor de positie van de met gezag beklede vader, die zorgen heeft of zijn dochter zelfs nog in leven is. Volgens de loutere stelling van de moeder heeft de vader toestemming gegeven voor het vertrek naar Ibiza, maar dit blijkt nergens uit. Dit zou betekenen dat de moeder is vertrokken met [minderjarige] zonder toestemming van de vader en [minderjarige] heeft onttrokken aan het gezag van de vader. Er is al geruime tijd geen enkel contact tussen de vader en [minderjarige]. Ook dit baart het hof zorgen, omdat er al sprake was van een loyaliteitsconflict. Het hof heeft mede op grond van deze omstandigheden onvoldoende vertrouwen dat de moeder vrijwillig zal meewerken aan de hulp die voor het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] noodzakelijk is. Daarom wordt een gedwongen kader noodzakelijk geacht.

3.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 8 september 2020;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, C.N.M. Antens en E.M.C. Dumoulin en is op 25 maart 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. E.A.M. Scheij in tegenwoordigheid van de griffier.