Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:909

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
20-001915-19; 02-700030-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:6144
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Steekincident te Terneuzen. Uitgaansgeweld. Vrijspraak van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag, nu ondanks de vaststelling dat de verdachte meermalen het slachtoffer heeft gestoken, in het dossier onvoldoende aanwijzingen aanwezig zijn dat in deze specifieke zaak een aanmerkelijke kans op de dood is ontstaan. Bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Beroep op noodweer is verworpen. De bedoeling van de verdachte en de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen kunnen naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als verdedigend maar als het aangaan van de confrontatie en het deelnemen aan een gevecht. De verdachte wist dat er gevochten ging worden en heeft de aanstaande confrontatie afgewacht, terwijl hij die ook had kunnen voorkomen door voordien weg te gaan. Bij het gevecht heeft hij zijn mes gepakt, uitgeklapt en het slachtoffer meerdere malen gestoken/gesneden. Derhalve geen sprake van een noodweersituatie, zodat ook het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001915-19

Uitspraak : 29 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 19 juni 2019 in de strafzaak met parketnummer 02-700030-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. [De benadeelde partij] is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van gronden en met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 1.855,48, bestaande uit € 230,48 aan materiële schade en € 1.625,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren.

De verdediging heeft:

  • -

    primair vrijspraak bepleit van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft de bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling;

  • -

    subsidiair een beroep gedaan op noodweer en bepleit de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging;

  • -

    meer subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces en bepleit de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Daarnaast heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Ten aanzien van [de benadeelde partij] heeft de verdediging de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 03 februari 2018 te Terneuzen ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [het slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, [het slachtoffer] meermalen met een mes, in elk geval scherp voorwerp heeft gestoken/gesneden in de borstkas en/of hals en/of buik, in elk geval het lichaam van [het slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op of omstreeks 03 februari 2018 te Terneuzen ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, [het slachtoffer] meermalen met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp heeft gestoken/gesneden in de borstkas en/of hals en/of buik, in elk geval het lichaam van [het slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair
hij op of omstreeks 03 februari 2018 te Terneuzen [het slachtoffer] heeft mishandeld door [het slachtoffer] meermalen met een mes, in elk geval een scherp voorwerp te steken/snijden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Daartoe is - op de gronden zoals genoemd in de pleitnota - kort gezegd aangevoerd dat de verdachte geen boos opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer en dat evenmin sprake is van voorwaardelijk opzet, nu er geen aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer om het leven zou komen en dat de verdachte, zo die kans al bestond, die kans niet bewust heeft aanvaard. De verdachte is aangevallen door het slachtoffer en heeft in paniek op enig moment zijn mes tevoorschijn gehaald. Hij heeft niet bewust op vitale onderdelen in willen steken, hetgeen ook blijkt uit de geconstateerde snijwonden en oppervlakkige wonden, die niet duiden op met serieuze kracht met een mes insteken op het slachtoffer, aldus de verdediging.

Het hof overweegt het navolgende.

Het hof is niet gebleken van boos opzet en heeft in dat kader onderzocht of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet, gericht op de dood van het slachtoffer.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien er een aanmerkelijke kans is dat dat gevolg zal intreden en verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Ondanks de vaststelling dat de verdachte meermalen het slachtoffer heeft gestoken, is het hof van oordeel dat in het dossier onvoldoende aanwijzingen aanwezig zijn dat in deze specifieke zaak een aanmerkelijke kans op de dood is ontstaan.

Gelet op het voorgaande heeft het hof niet uit wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer in het leven heeft geroepen. Dientengevolge kan het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer niet bewezen worden.

De verdachte zal van de aan hem primair tenlastegelegde poging tot doodslag worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 februari 2018 te Terneuzen ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, [het slachtoffer] meermalen met een mes heeft gestoken/gesneden in de borstkas en/of hals en/of buik, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

I.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vraag of sprake is van een poging tot zware mishandeling gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ofschoon een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer niet bewezen kan worden, staat het naar het oordeel van het hof vast dat het meermaals met een mes steken/snijden in de borstkas en/of hals en/of buik van het slachtoffer de aanmerkelijke kans in het leven roept dat aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Voor wat betreft de vraag of de verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard, overweegt het hof dat het tijdens een gevecht meermalen steken met een mes in de richting van een ander persoon naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer is gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat de verdachte reeds daarmee de aanmerkelijke kans op het intreden van dit gevolg heeft aanvaard.

Aldus is het hof van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [het slachtoffer] , terwijl de uitvoering daarvan niet is voltooid.

II.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Beroep op noodweer dan wel noodweerexces

Ter terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, waartegen hij zich mocht verdedigen. De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte zodanig is aangevallen dat hij op de grond terecht is gekomen en in een houdgreep is gehouden door [het slachtoffer] . Ook [getuige 1] zou hem nog op de grond hebben gedrukt. Dat er geweld tegen de verdachte is gebruikt staat derhalve vast. Daarmee is sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, aldus de verdediging. De verdachte heeft er voorts geen rekening mee hoeven houden dat er een uitbarsting van geweld in zijn richting en die van [getuige 2] zou komen, nu hij slechts de eerder ontstane situatie in de kroeg heeft willen uitpraten.

Het hof leidt uit het dossier de volgende feiten en omstandigheden af.

In de nacht van 2 op 3 februari 2018 is tijdens het uitgaan in [het café] een woordenwisseling tussen de verdachte en het latere slachtoffer ontstaan. Wat precies is gezegd, is onduidelijk gebleven. Wel is duidelijk geworden dat een vriend van de verdachte, [getuige 2] , met [het slachtoffer] in het café heeft geworsteld. [getuige 3] , de barman van [het café] ’, heeft verklaard dat sprake was van duwen en trekken en dat hij [getuige 2] en [het slachtoffer] uit elkaar heeft gehaald, waarna [het slachtoffer] het café heeft verlaten. Daarnaast heeft hij verklaard dat de verdachte en [getuige 2] nog even in het café hebben gewacht, waarna ook zij zijn vertrokken. De verdachte en [getuige 2] zijn vervolgens in de richting van [het slachtoffer] gelopen, zo blijkt uit hun verklaringen. Daar, buiten bij de fietsen, is wederom een woordenwisseling ontstaan tussen de verdachte en [getuige 2] enerzijds en [het slachtoffer] anderzijds. [het slachtoffer] heeft vervolgens een vriend genaamd [getuige 1] gebeld. De verdachte heeft verklaard dat [het slachtoffer] tegen die vriend zei dat hij, [het slachtoffer] , ruzie had en hulp nodig had om te vechten. De verdachte en [getuige 2] hebben, op aanwijzen van [het slachtoffer] , gewacht tot [getuige 1] ter plaatse was, waarna de vechtpartij is ontstaan. Hoewel door de uiteenlopende verklaringen niet duidelijk is geworden hoe de vechtpartij precies is verlopen, staat vast dat de verdachte gedurende deze vechtpartij een mes heeft gepakt en heeft uitgeklapt en [het slachtoffer] meermalen met het mes heeft gestoken/gesneden, zoals hiervoor reeds is overwogen.

Voor een geslaagd beroep op noodweer dient allereerst sprake te zijn van een noodweersituatie, te weten een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed waartegen verdediging noodzakelijk en geboden is.

De bedoeling van de verdachte en de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen kunnen naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als verdedigend maar als het aangaan van de confrontatie en het deelnemen aan een gevecht. De verdachte wist immers door de eerdere woordenwisseling, het telefoontje van [het slachtoffer] naar [getuige 1] dat hij hulp nodig had om te vechten en de mededeling van [het slachtoffer] dat [getuige 2] en de verdachte moesten wachten, dat er gevochten ging worden. Hij heeft de aanstaande confrontatie afgewacht en is vervolgens het gevecht aangegaan, terwijl hij de confrontatie ook had kunnen voorkomen door voordien weg te gaan. Bij het gevecht heeft hij zijn mes gepakt, uitgeklapt en het slachtoffer meerdere malen gestoken/gesneden.

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat van de verdachte niet kon worden gevergd dat hij zijn vriend [getuige 2] zou achterlaten en dat hij [getuige 2] wilde beschermen, overweegt het hof dat [getuige 2] heeft verklaard dat hij “gewoon naar huis wilde”. Uit deze verklaring volgt dat [getuige 2] niet op een confrontatie uit was en dat de verdachte derhalve niet bij [getuige 2] heeft hoeven blijven om hem te beschermen, maar samen met hem had kunnen vertrekken.

Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat de verdachte heeft verkeerd in een situatie waarin zijn handelen geboden was ter noodzakelijke verdediging. Aan de verdachte komt reeds daarom geen beroep op noodweer toe ter zake van het door hem jegens aangever gepleegde geweld.

Voorts heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte, door met een mes te steken/snijden, weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van de door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt.

Het verweer wordt derhalve in alle onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is derhalve strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

De verdediging heeft bepleit aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijke deel niet meer bedraagt dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft verbleven. Voor een eventueel op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf en/of taakstraf heeft de verdediging zich voor wat betreft de strafmodaliteit en de duur daarvan gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, door [het slachtoffer] , meerdere keren te steken/snijden in zijn borstkas, hals en/of buik, waardoor het slachtoffer met meerdere verwondingen naar het ziekenhuis is gebracht. Het slachtoffer heeft onder meer een klaplong opgelopen. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke feiten leiden vaak tot langdurige gevoelens van angst bij het slachtoffer. Het hof heeft er eveneens rekening mee gehouden dat het feit is gepleegd op de openbare weg, gedurende een uitgaansnacht, waardoor ook omstanders kennis hebben genomen van het bewezenverklaarde.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 januari 2021, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij zijn opleiding voor officier bij de zeevaart op niveau 3 reeds heeft afgerond en is doorgestroomd naar niveau 4. Naast zijn studie werkt hij gedurende meerdere uren per week, verspreid over zes dagen. De verdachte heeft verklaard dat hij soms nog een biertje drinkt, maar onder meer door onderhavig feit zijn alcoholgebruik heeft geminderd.

Tot slot heeft het hof bij de bepaling van de op te leggen straf acht geslagen op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen, een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden. Vanwege het feit dat het hier gaat om een poging tot zware mishandeling zal het hof dit uitgangspunt met één derde verlagen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsincident, op het leed dat zijn handelen bij het slachtoffer teweeg heeft gebracht en op de maatschappelijke onrust die van dergelijke geweldsincidenten in het uitgaansleven vaak het gevolg is.

Alle omstandigheden afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van [de benadeelde partij]

[De benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 7.599,90, bestaande uit:

€ 189,10 Reiskosten

€ 425,00 Kledingschade

€ 210,00 Daggeldvergoeding ziekenhuis

€ 62,86 Medische kosten

€ 212,94 + Verlies aan verdienvermogen

€ 1.099,90 Materiële schade

€ 6.500,00 + Immateriële schade

€ 7.599,90 Totaal,

te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 921,90. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor wat betreft het horloge (€ 178,00) is het hof onvoldoende gebleken dat de gestelde schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. Nader onderzoek daarnaar levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof eveneens gebleken dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. Het hof stelt de omvang daarvan naar billijkheid vast op € 5.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof zal het overige deel van de gevorderde immateriële schade (€ 1.500,00) afwijzen.

Het toegewezen bedrag ter vergoeding van de materiële en immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2019 (materiële schade) en 3 februari 2018 (immateriële schade) tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor zover de verdediging heeft gesproken over eigen schuld c.q. medeschuld van de benadeelde partij overweegt het hof dat de benadeelde partij geen rekening heeft hoeven houden met het trekken van een mes door de verdachte waardoor het letsel is ontstaan. Het hof zal derhalve geen aftrek (in de vorm van een percentage) toepassen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan [het slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 5.921,90. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2019 (materiële schade) en 3 februari 2018 (immateriële schade) tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Vordering van [de benadeelde partij]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [de benadeelde partij] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.921,90 (vijfduizend negenhonderdeenentwintig euro en negentig cent) bestaande uit € 921,90 (negenhonderdeenentwintig euro en negentig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade af;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [het slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.921,90 (vijfduizend negenhonderdeenentwintig euro en negentig cent) bestaande uit € 921,90 (negenhonderdeenentwintig euro en negentig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 64 (vierenzestig) dagen, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 juni 2019 en van de immateriële schade op 3 februari 2018.

Aldus gewezen door:

mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. N.J.L.M. Tuijn, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. V.A. Batelaan, griffier,

en op 29 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. N.J.L.M. Tuijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.