Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:903

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-03-2021
Datum publicatie
24-03-2021
Zaaknummer
20-002039-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof spreekt de verdachte vrij van het onder feit 1, 2, 3 tenlastegelegde. Verdachte heeft met een luchtbuks op een kauw geschoten waarna de kogel in de been van aangever terecht is gekomen. Hoewel verdachte zeer onvoorzichtig heeft gehandeld is dit niet voldoende om te komen tot een bewezenverklaring van opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002039-18

Uitspraak : 24 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zitting houdende te ’s-Hertogenbosch, van 14 juni 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-845536-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde onder 1, 2 en 3 en het voorhanden hebben van een luchtdrukwapen onder feit 4, vrijgesproken en ter zake van – kort gezegd – feit 4 ‘het voorhanden hebben van een valmes’ en feit 5 ‘het voorhanden hebben van knalpatronen’, veroordeeld tot een geldboete van € 310,- subsidiair 6 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest, waarbij een in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte dag wordt gewaardeerd op € 50,-. De benadeelde partij [aangever 1] is gelet op de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Voorts is de voorlopige hechtenis, die reeds geschorst was, bij vonnis waarvan beroep opgeheven.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren feit1 primair, feit 2 subsidiair, feit 3 primair, feit 4, met uitzondering van het luchtdrukwapen, en feit 5 en verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van

€ 592,95, vermeerderd met de wettelijke rente, toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

Namens de verdachte is vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 2 en 3. Gelet hierop is verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve wat betreft de vrijspraakmotivering en met aanvulling van de strafmotivering in verband met de schending van de redelijke termijn.

Vrijspraak feiten 1, 2 en 3

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat buiten discussie staat dat met het wapen van verdachte geschoten is en dat verdachte de schutter is geweest. Voor bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is – op de gronden zoals nader in het requisitoir verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.

Volgens de advocaat-generaal blijkt uit het dossier genoegzaam dat ten tijde van het schieten met het wapen meerdere personen aanwezig waren op het voetbalveldje. De verklaring van verdachte dat hij niemand heeft gezien en gehoord kan aldus niet kloppen. Door met het wapen te schieten in de richting van het voetbalveld waar zich een groot aantal personen bevond heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij tenminste zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen aan die personen. Dat verdachte dit op de koop toe heeft genomen kan worden afgeleid uit zijn verklaring dat hij wel vaker met zijn wapen heeft geschoten en dat hij dat vroeg in de ochtend deed omdat er dan geen personen op straat lopen.

Standpunt verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.

Volgens de verdediging heeft de rechtbank terecht aangenomen dat verdachte eerlijk heeft verklaard over het schieten op een kauw en dat hij zich niet bewust is geweest van (de mogelijkheid van) de aanwezigheid van personen op/bij het voetbalveld. Hij heeft geen jongens gezien of gehoord. Verdachte heeft steeds consistent verklaard, dit zegt veel over de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Bovendien is niet vastgesteld dat op het moment van schieten een groep jongens aan het voetballen was. Er is geen sprake van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat het schieten met het luchtdrukwapen (zwaar) lichamelijk letsel of zelfs de dood tot gevolg zou kunnen hebben. Volgens de verdediging is er dan ook geen sprake van voorwaardelijk opzet op de dood dan wel op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel. De rechtbank heeft verdachte op juiste gronden vrijgesproken.

De beoordeling

Voor een bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde is het noodzakelijk dat de verdachte met opzet heeft gehandeld. Het moet dan gaan om opzet op de dood (feit 2 primair), op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (feit 1 primair, feit 2 subsidiair en feit 3 primair) dan wel op het toebrengen van letsel of pijn (feit 1 subsidiair). Ook voor de onder 2 meer subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde bedreiging is opzet vereist.

Het hof is, met de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat uit het onderzoek geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat de verdachte doelgericht op aangevers zou hebben geschoten.

Opzet op een bepaald gevolg kan echter ook worden aangenomen als sprake is van voorwaardelijk opzet. Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, of anders gezegd om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Het hof overweegt als volgt.

Op zondagmiddag 28 augustus 2016 omstreeks 14.00 uur heeft de verdachte vanuit zijn woning, staande in de opening van de woonkamerdeur die toegang geeft tot het balkon, tweemaal geschoten met een luchtdrukwapen en daarbij iets naar beneden gericht. Verdachte heeft naar eigen zeggen geschoten op kauwen, die op de onderste tak in een boom zaten op ongeveer dertig meter afstand van zijn balkon.1 Hierbij is [aangever 1] in zijn been geraakt en hebben kogeltjes aangevers [aangever 2] en [aangever 3] op korte afstand gepasseerd. 2 Uit de getuigenverklaringen van onder meer [aangever 2] , [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat er een voetbaltoernooi plaatsvond en ongeveer 20 personen ten tijde van het schieten op het voetbalveldje aanwezig waren.3 De aangevers bevonden zich bij de ingang van dit op 70 tot 75 meter van de woning gelegen voetbalveldje. Zoals het hof heeft waargenomen op foto 7 (bijlage 1) van het dossier bevindt de ingang van het voetbalveldje zich in het verlengde van de boom waar volgens de verdachte de kauwen zaten. De ingang van het veldje gaat vrijwel geheel schuil achter het bladerdak van de betreffende boom. Het voetbalveldje is verder vrijwel geheel zichtbaar vanuit de woning van verdachte.

Het hof is, met de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat uit het onderzoek geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat verdachte doelgericht op aangevers heeft geschoten. Het hof zal dan ook uitgaan van zijn verklaring dat hij heeft geschoten op kauwen die in de boom voor zijn woning zaten.

Aanmerkelijke kans op het gevolg

Dat het schieten met het door verdachte gebruikte luchtdrukwapen kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel blijkt genoegzaam uit het rapport van de [NFI-deskundige] .4 Het betreffende luchtdrukwapen was een zogeheten persluchtgeweer (pre-charged pneumatic) waarbij de kogel wordt aangedreven door een hoge luchtdruk uit een van tevoren gevulde drukcilinder. Uit de schietproeven is gebleken dat op een afstand van 60, 70 en 80 meter alle kogels de huid/weefselsimulant doorboorden om vervolgens aan de achterzijde uit te treden. Op een afstand van 90 meter doorboorden twee van de drie kogels de huid/weefselsimulant geheel. Volgens de deskundige is de kogelenergie van het geweer vergelijkbaar met die van omgebouwde gas-/alarmpistolen van bijvoorbeeld kaliber 6.35 Browning en duiden de met het wapen gehouden schietproeven op een potentie tot zeer ernstig, mogelijk dodelijk letsel.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat door op deze manier en onder deze omstandigheden vanuit de woning met een dergelijk luchtdrukwapen op kauwen te schieten, er een aanmerkelijke kans is op het veroorzaken van (minst genomen) (zwaar) lichamelijk letsel bij iemand op/bij het voetbalveldje.

Bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans

Voor een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet is voorts vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Verdachte heeft steeds verklaard dat hij op het voetbalveld niemand heeft gezien op het moment dat hij op de kauwen schoot. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij daarnaast verklaard dat hij ook niemand heeft gehoord.

Gelet op de omstandigheid dat uit de getuigenverklaringen van onder meer [aangever 2] , [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat er een voetbaltoernooitje plaatsvond en ongeveer 20 personen ten tijde van het schieten op het voetbalveld aanwezig waren, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van de aanwezigheid van meerdere personen op het voetbalveld. Het hof schuift de verklaring van verdachte op dit punt dan ook als ongeloofwaardig ter zijde. Dit temeer nu uit de eigen waarneming van het hof blijkt dat een zeer groot deel van het voetbalveld vanuit de woning van verdachte en de plaats vanwaar de verdachte heeft geschoten te zien is.

Verdachte heeft, door met het geweer te schieten, een onaanvaardbaar risico genomen dat hij daarbij iemand zou kunnen raken. Het hof acht dit echter niet voldoende om tot een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet te komen. Voor een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet is immers vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging ook bewust heeft aanvaard.

Verdachte heeft vanaf het begin verklaard dat hij die betreffende dag op kauwen in de boom, die op ongeveer 30 meter afstand van de woning staat, heeft geschoten. Hoewel verdachte op de hoogte moet zijn geweest van de aanwezigheid van meerdere personen op het veld, was de plek waar [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] zich bij de ingang bevonden voor de verdachte niet zichtbaar. De afstand waarop [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] zich bevonden was bovendien aanzienlijk (te weten 70 tot 75 meter). Verdachte blijkt ook zeer geschrokken te zijn van het gegeven dat hij iemand heeft geraakt en heeft meteen verklaard nooit meer een “luchtbuks” te willen hebben.

Het hof is, gelet hierop en alles afwegend, niet tot de overtuiging gekomen dat bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Niet alleen is het de vraag of de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans op het toebrengen van (dodelijk of zwaar lichamelijk) letsel, maar bovendien zijn er onvoldoende aanwijzingen dat hij die kans bewust heeft aanvaard, op de koop toe heeft genomen. Het hof merkt in dit verband op dat de omstandigheid dat verdachte heeft geschoten zonder zich er voldoende van te vergewissen waar de aanwezigen zich op dat moment bevonden, niet voldoende is om te komen tot een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet.

Het hof merkt tot slot op dat zonder meer vaststaat dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gehandeld, doch dit is niet voldoende om te komen tot een bewezenverklaring van opzet.

Het voorgaande brengt mee dat ook de tenlastegelegde bedreiging niet kan worden bewezen.

Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van hetgeen hem onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd.

Aanvulling van de strafoverweging

De officier van justitie heeft tegen het bestreden vonnis op 19 juni 2018 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 24 maart 2021 – einduitspraak. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 2 jaren. Aldus is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM in de fase van het hoger beroep met ruim negen maanden overschreden. Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Echter, gelet op de omstandigheid dat de rechtbank aan de verdachte een geldboete heeft opgelegd van € 310,- subsidiair 6 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest waarbij een in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte dag wordt gewaardeerd op € 50,-, en het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, zal het hof volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

BESLISSING

Het hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,

en op 24 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van der Bijl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen

1 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 augustus 2016 (proces-verbaalnummer PL2100-2016192696-4), het verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris op 31 augustus 2016 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg op 31 mei 2018.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] d.d. 28 augustus 2016 (proces-verbaalnummer PL2100-2016192696-2), het aanvraagformulier medische informatie d.d. 31 augustus 2016 ingevuld door [naam] , het proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 2] d.d. 29 augustus 2016 (proces-verbaalnummer PL2100-2016192696-19) en proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 3] d.d. 29 augustus 2016 (PL2100-2016192696-25).

3 Het proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 2] d.d. 29 augustus 2016 (proces-verbaalnummer PL2100-2016192696-19), het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 29 augustus 2016 (proces-verbaalnummer PL2100-2016192696-17), het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 29 augustus 2016 (proces-verbaalnummer PL2100-2016192696-18) en het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 29 augustus 2016 (proces-verbaalnummer PL2100-2016192696-21).

4 Het wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Uden op 28 augustus 2017 van het NFI d.d. 27 maart 2017, inhoudende het onderzoek van rapporteur ing. [NFI-deskundige] .