Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:892

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
31-03-2021
Zaaknummer
200.259.446_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg van boetebeding (artikel 25.3) uit de ‘ALGEMENE BEPALINGEN HUUROVEREENKOMST WINKELRUIMTE en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW’. Het in dat artikel genoemde minimumbedrag van € 300,-- per maand moet enkelvoudig worden berekend over het totaal aantal huurtermijnen dat in een kalendermaand open staat. Er is dus geen bedrag van € 300,-- per maand verschuldigd voor elke achterstallige huurtermijn (geen cumulatie). Zie in dezelfde zin onder meer hof Arnhem-Leeuwarden 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:714, rov. 4.16 en 4.17, en Hof Amsterdam 17 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4499, rov 3.7 t/m 3.9. Het hof volgt dus niet de andersluidende oudere rechtspraak zoals onder meer hof Amsterdam 8 september 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3716 en hof Amsterdam 7 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2165.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 290
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.259.446/01

arrest van 16 maart 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A.J.P. Lemmen te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. S.T.L.A. Mulders te Echt,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 mei 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 27 maart 2019, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-\rolnummer 7012620 \ CV EXPL 18-4010)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 17 oktober 2018 en 12 december 2018.

2 Het geding in hoger beroep

Nadat de zaak bij dit hof was aangebracht, heeft [appellant] een memorie van grieven met vijf producties genomen.

[geïntimeerde] heeft, na een verleend uitstel, niet tijdig een memorie van antwoord genomen. Aan haar is vervolgens akte van niet dienen verleend.

[geïntimeerde] heeft daarna pleidooi gevraagd. Het pleidooi heeft plaatsgevonden op 1 maart 2021.

[geïntimeerde] heeft bij het pleidooi pleitnotities overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

In de door [geïntimeerde] ten behoeve van het pleidooi in viervoud overgelegde kopiedossiers ontbreken de producties die genoemd zijn in de (door [geïntimeerde] genomen) conclusie van repliek. Het hof heeft deze producties daarom op 23 februari 2021 opgevraagd bij de advocaat van [geïntimeerde] . De producties zijn niet alsnog ingezonden. Dit is bij gelegenheid van het pleidooi met partijen besproken. Afgesproken is toen dat de advocaat van [geïntimeerde] de ontbrekende producties alsnog zou nazenden aan het hof. Bij H15-formulier van 3 maart 2021 heeft de advocaat van [geïntimeerde] vervolgens meegedeeld “Bij de conclusie van repliek zijn geen producties gestuurd.” Het hof heeft daarom geen acht kunnen slaan op de in de conclusie van repliek genoemde producties.

In de door [geïntimeerde] overgelegde kopiedossiers bevinden zich ook gedingstukken die dateren van ná het na te melden tussenvonnis van 12 december 2018 en die uitsluitend betrekking hebben op de hierna te melden procedure met zaak-/rolnummer C/03/259455 / HA ZA 19-36. Op die gedingstukken heeft het hof geen acht geslagen, want zij behoren niet tot het procesdossier van de in dit hoger beroep te beoordelen zaak.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  • -

    [geïntimeerde] en [appellant] hebben een affectieve relatie met elkaar gehad vanaf eind 2013 tot begin/medio 2018. Volgens [geïntimeerde] betrof dit een LAT-relatie. Volgens [appellant] hebben partijen in een deel van de genoemde periode ook samengewoond.

  • -

    Op of omstreeks 12 januari 2015 heeft [geïntimeerde] de eigendom verkregen van de bedrijfs- en woonruimte aan de [adres] te [vestigingsplaats] . De daarvoor verschuldigde koopsom is ten dele door [geïntimeerde] en ten dele door [appellant] onder de notaris gestort.

  • -

    Op 28 januari 2015 hebben [geïntimeerde] en [appellant] een schriftelijke huurovereenkomst gesloten. Bij die huurovereenkomst heeft [geïntimeerde] aan [appellant] de bovengenoemde bedrijfs- en woonruimte verhuurd.

  • -

    In artikel 2.1 van de huurovereenkomst staat onder meer het volgende:

“Van deze huurovereenkomst maken deel uit de ‘ALGEMENE BEPALINGEN HUUROVEREENKOMST WINKELRUIMTE en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW’, (…). Huurder en verhuurder hebben een exemplaar van de algemene bepalingen ontvangen.”

- Artikel 25.3 van die algemene bepalingen luidt voor zover thans van belang als volgt:

“Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300 per maand. (…)”

  • -

    [appellant] heeft in de bedrijfsruimte, met gebruikmaking van door [geïntimeerde] aan hem ter leen verstrekte bedragen, een autoverkoopbedrijf geëxploiteerd. Dit autoverkoopbedrijf stond als eenmanszaak van [appellant] ingeschreven in het handelsregister.

  • -

    Op 3 juni 2016, nadat [geïntimeerde] al meerdere bedragen ter leen had verstrekt aan [appellant] , hebben [geïntimeerde] en [appellant] een schriftelijke overeenkomst van geldlening gesloten. Die overeenkomst had betrekking op de reeds ter leen verstrekte bedragen en op de vanaf 3 juni 2016 nog ter leen te verstrekken bedragen.

  • -

    Met ingang van september 2017 heeft [appellant] geen huur meer betaald aan [geïntimeerde] .

  • -

    Bij schriftelijke bemiddelingsovereenkomst van 21 september 2017 heeft [geïntimeerde] aan [naam] opdracht gegeven tot bemiddeling bij de totstandkoming van een overeenkomst ter zake verkoop / verhuur van het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] .

  • -

    [appellant] is begin februari 2018 vertrokken uit het gehuurde. Omstreeks dat moment is [geïntimeerde] alleen gaan wonen in het gehuurde.

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] bij inleidende dagvaarding van 15 juni 2018 meerdere vorderingen ingesteld tegen [appellant] . Een deel van de vorderingen is gebaseerd op de overeenkomst van geldlening. Het andere deel van de vorderingen is gebaseerd op de huurovereenkomst.

3.2.2.

[appellant] heeft verweer gevoerd en een eis in reconventie ingesteld. In reconventie vorderde [appellant] , samengevat, vaststelling van de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen die volgens hem tussen hem en [geïntimeerde] bestaat.

3.2.3.

In het tussenvonnis van 17 oktober 2018 heeft de kantonrechter het voornemen geuit om de vorderingen in conventie uit hoofde van de overeenkomst van geldlening en de vorderingen in reconventie te verwijzen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de afdeling burgerlijk recht van de rechtbank. De kantonrechter heeft de partijen in de gelegenheid gesteld om zich over dat voornemen uit te laten.

3.2.4.

Nadat partijen zich bij akte hadden uitgelaten, heeft de kantonrechter bij het tussenvonnis van 12 december 2018, samengevat:

  • -

    A. de zaak over de op de huurovereenkomst gebaseerde vorderingen verwezen naar de rol voor conclusie van repliek;

  • -

    B. zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen in conventie uit hoofde van geldlening en van de vorderingen in reconventie, en de zaak voor wat betreft die vorderingen verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de afdeling burgerlijk recht van de rechtbank.

De onder B genoemde vorderingen zijn in dit hoger beroep niet aan de orde.

3.2.5.

[geïntimeerde] heeft bij de door haar in het geding bij de kantonrechter genomen conclusie van repliek haar eis ter zake de huurovereenkomst gewijzigd. Na deze eiswijziging vorderde zij, samengevat:

  • -

    I. ontbinding van de op 28 januari 2015 tussen [geïntimeerde] en [appellant] gesloten huurovereenkomst;

  • -

    II. veroordeling van [appellant] tot ontruiming van de onroerende zaak aan de [adres] te [vestigingsplaats] ;

  • -

    III. veroordeling van [appellant] tot betaling van € 25.500,-- aan achterstallige huur over de periode tot en met januari 2019, vermeerderd met wettelijke rente;

  • -

    IV. veroordeling van [appellant] tot betaling van € 45.900,-- aan contractuele boetes over de periode vanaf september 2017 tot en met januari 2019, vermeerderd met wettelijke rente;

  • -

    V. veroordeling van [appellant] tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat;

  • -

    VI. veroordeling van [appellant] tot betaling van € 1.500,-- per maand over de periode vanaf februari 2019 tot en met de dag dat [geïntimeerde] het gehuurde heeft verkocht/verhuurd/of anderszins geëxploiteerd, doch uiterlijk 31 januari 2023, vermeerderd met contractuele boete;

  • -

    VII. veroordeling van [appellant] tot betaling van € 3.825,00 aan incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente;

met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de beslagkosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2.6.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.7.

In het beroepen vonnis van 27 maart 2019 heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld.

  • -

    De stelling van [appellant] dat hij in juli/augustus 2017 met [geïntimeerde] heeft afgesproken dat hij geen huur meer hoefde te betalen, is niet komen vast te staan. [appellant] is de huurbetalingen dus ten onrechte met ingang van september 2017 gestaakt (rov. 3.3).

  • -

    De huurovereenkomst is begin februari 2018 met wederzijds goedvinden beëindigd, doordat [appellant] op dat moment uit het gehuurde is vertrokken en [geïntimeerde] tegelijkertijd haar intrek heeft genomen in het gehuurde. De vordering ter zake achterstallige huur is dus toewijsbaar over de periode tot en met januari 2018 (rov. 3.4).

  • -

    De huurprijs bedraagt sinds januari 2017 € 1.500,-- per maand (rov. 3.5).

  • -

    Ter zake de maanden september 2017 tot en met januari 2018 is dus € 7.500,-- (5 keer € 1.500,--) aan achterstallige huur toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW (niet de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW) (rov. 3.6).

  • -

    De vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde zijn niet toewijsbaar, omdat de huurovereenkomst al is geëindigd en [appellant] al met zijn eigendommen uit het gehuurde is vertrokken (rov. 3.7).

  • -

    De vordering ter zake contractuele boete moet worden toegewezen zoals in dictum van het vonnis te vermelden. Over deze boete is de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijsbaar (rov. 3.8).

  • -

    De vordering tot veroordeling van [appellant] tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat, wordt afgewezen (rov. 3.10).

  • -

    Ter zake incassokosten is € 1.125,-- (15% van de achterstallige huur van € 7.500,--) toewijsbaar, vermeerderd met wettelijke rente (rov. 3.11).

  • -

    Omdat de partijen een affectieve relatie met elkaar gehad hebben, zal de kantonrechter de proceskosten compenseren (rov. 3.12).

Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter:

  • -

    [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 7.500,-- te betalen aan huur over de maanden september 2017 tot en met januari 2018, vermeerderd met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf de respectievelijke data van verzuim;

  • -

    [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] de contractuele boete volgens artikel 25.3 van de algemene bepalingen over voormelde huurpenningen te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 14 november 2018;

  • -

    [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 1.125,-- ter zake incassokosten te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van het vonnis.

De kantonrechter heeft het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten moet dragen en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.3.1.

[geïntimeerde] heeft geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De vorderingen van [geïntimeerde] liggen dus niet ter beoordeling voor aan het hof, voor zover zij door de kantonrechter zijn afgewezen.

3.3.2.

[appellant] heeft twee grieven aangevoerd tegen het beroepen vonnis. Grief I is gericht tegen de veroordeling tot betaling van € 7.500,-- aan achterstallige huur. Grief II is gericht tegen de veroordeling tot betaling van de contractuele boete. [appellant] heeft op basis van deze grieven geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover het de ten laste van hem uitgesproken veroordelingen betreft en tot het alsnog afwijzen van de betreffende vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

3.3.3.

[geïntimeerde] heeft geen memorie van antwoord genomen. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft zij, aansluitend op het door haar in eerste aanleg gevoerde verweer, de grieven bestreden.

Bestaat er aanleiding voor voeging van de onderhavige zaak in hoger beroep met het hoger beroep tegen het eindvonnis in de zaak in conventie over de geldlening en in reconventie over de door [appellant] gestelde beperkte gemeenschap?

3.4.1.

Met betrekking tot de vorderingen die de kantonrechter naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken heeft verwezen (zie hiervoor, rov. 3.2.4), heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, op 30 september 2020 een eindvonnis gewezen (zaak-/rolnummer C/03/259455 / HA ZA 19-36). [appellant] heeft ook tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. De betreffende zaak is bij dit hof ingeschreven onder zaaknummer 200.289.534/01, en staat op de rol van 23 maart 2021 voor memorie van grieven.

3.4.2.

[appellant] heeft bij gelegenheid van het pleidooi aan het hof verzocht om beide zaken in hoger beroep gevoegd te behandelen en de behandeling van de onderhavige zaak daartoe aan te houden. [geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen de verzochte voeging, omdat een dergelijke voeging zou meebrengen dat de onderhavige zaak gedurende langere tijd zou moeten worden aangehouden.

3.4.3.

Indien voor dezelfde rechter tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp tegelijk zaken aanhangig zijn, of voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, kan de rechter die zaken voegen (art. 222 lid 1 Rv). Dat geldt ook in hoger beroep (artikel 353 lid 1 Rv).

3.4.4.

Het hof ziet echter geen aanleiding om in dit geval van de mogelijkheid tot voeging van de zaken gebruik te maken. Uit hetgeen hiervoor in rov. 3.2.3 en 3.2.4 is overwogen, en uit hetgeen de partijen bij gelegenheid van het pleidooi van 1 maart 2021 hebben gesteld over het vonnis van 30 september 2020, volgt namelijk dat het hoger beroep in de onderhavige zaak (over de huurkwestie) niet hetzelfde onderwerp betreft als het hoger beroep in de zaak over de geldlening en de door [appellant] gestelde beperkte gemeenschap. De partijen hebben het vonnis van 30 september 2020 overigens ook niet in de onderhavige zaak in het geding gebracht. Dat de zaken verschillende onderwerpen betreffen, zal hierna nader blijken bij de behandeling van grief I.

3.4.5.

Wel kan worden gezegd dat de zaken in beperkte mate verknocht zijn. In de zaken spelen ten dele dezelfde feiten en omstandigheden. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt die beperkte mate van verknochtheid in dit geval echter geen voeging of gevoegde behandeling. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het onderhavige hoger beroep, over de huurkwestie, in staat van wijzen verkeert terwijl in het andere hoger beroep nog geen memorie van grieven is genomen. Daar komt bij dat [geïntimeerde] bij gelegenheid van het pleidooi heeft gesteld dat ook zij bezwaren heeft tegen onderdelen van het vonnis van 30 september 2020, zodat geenszins valt uit te sluiten dat zij nog incidenteel hoger beroep zal instellen tegen dat vonnis. Zeker indien in het hoger beroep tegen het vonnis van 30 september 2020 nog een mondelinge behandeling en mogelijk ook nog bewijslevering moet plaatsvinden, kan een afdoening van dat hoger beroep nog veel tijd vergen. Het belang van [geïntimeerde] bij een voortvarende afdoening van de huurkwestie weegt in dit geval zwaarder dan het door [appellant] gestelde belang bij een gelijktijdige afdoening van slechts in beperkte mate verknochte zaken.

3.4.6.

Overigens heeft ook [appellant] zelf naar het oordeel van het hof een belang bij een voortvarende afdoening van dit hoger beroep over de huurkwestie. Zoals hierna bij de behandeling van grief II zal blijken, heeft [appellant] immers recht op terugbetaling van een deel van het door hem op grond van het beroepen vonnis van 27 maart 2019 betaalde bedrag.

3.4.7.

Om bovenstaande redenen zal het hof de genoemde zaken niet voegen, en de onderhavige zaak daartoe niet aanhouden.

Met betrekking tot grief I: de veroordeling tot betaling van achterstallige huur over de maanden september 2017 tot en met januari 2018

3.5.1.

Grief I is gericht tegen de veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerde] € 7.500,-- te betalen ter zake huur over de maanden september 2017 tot en met januari 2018.

3.5.2.

In de toelichting op de grief voert [appellant] allereerst aan dat “de huurafspraken tussen partijen deel uitmaakten van de beperkte gemeenschap van goederen die partijen waren overeengekomen.” Bij gelegenheid van het pleidooi heeft [appellant] dit nader toegelicht door te stellen dat de bedrijfs- en woonruimte aan de [adres] te [vestigingsplaats] inmiddels is verkocht en geleverd aan een derde, maar tot het moment van die levering gemeenschappelijke eigendom was van beide partijen.

3.5.3.

Het hof verwerpt dit onderdeel van de grief. Tussen partijen staat immers vast dat de genoemde onroerende zaak in 2015 aan [geïntimeerde] is geleverd en dat [geïntimeerde] dienovereenkomstig als eigenaresse van het pand in de openbare registers is genoemd. Dat brengt mee dat alleen [geïntimeerde] , en niet mede [appellant] , de juridische eigendom van de woning heeft gehad. Indien [appellant] , zoals hij heeft gesteld, geld heeft gefourneerd ten behoeve van de aankoop van de woning door [geïntimeerde] , dan heeft [appellant] mogelijk een vergoedingsrecht jegens [geïntimeerde] . Dat partijen ter zake geen schriftelijke overeenkomst hebben gesloten doet daaraan niet af. Bij gelegenheid van het pleidooi hebben partijen gesteld dat in het vonnis van 30 september 2020 (waarover het hof in dit hoger beroep niet beschikt) een dergelijk vergoedingsrecht is vastgesteld ten bedrage van omstreeks € 36.500,--. Dit alles laat echter onverlet dat de onroerende zaak zelf uitsluitend eigendom van [geïntimeerde] was, en dat in zoverre geen sprake is geweest van een beperkte gemeenschap.

3.6.1.

[appellant] heeft in de toelichting op de grief ook aangevoerd, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat partijen hun samenwerking in het kader van het bedrijf “ [bedrijf] ” begin september 2017 hebben beëindigd;

  • -

    dat partijen toen weer in loondienst zijn gaan werken;

  • -

    dat partijen toen hebben afgesproken om het pand te verkopen waartoe op 21 september 2017 een verkoopopdracht aan een makelaar is gegeven;

  • -

    dat de afspraken ook inhielden dat [appellant] met ingang van september 2017 geen huur meer hoefde te betalen.

3.6.2.

[geïntimeerde] heeft uitdrukkelijk betwist dat afgesproken is dat [appellant] met ingang van september 2017 geen huur meer hoefde te betalen. Volgens haar is [appellant] ook vanaf september 2017 in het pand blijven wonen en heeft hij de onroerende zaak ook vanaf september 2017 nog gebruikt voor de opslag van de aan zijn autobedrijf toebehorende auto’s.

3.6.3.

Het hof neemt bij de beoordeling van dit geschilpunt tot uitgangspunt dat het autobedrijf door [appellant] is gedreven in de vorm van een eenmanszaak. Als zodanig is de onderneming ingeschreven in het handelsregister. Volgens de gesloten huurovereenkomst heeft [appellant] het pand in die hoedanigheid – als exploitant van de eenmanszaak – van [geïntimeerde] gehuurd. Het inschrijvingsnummer van de eenmanszaak bij het handelsregister is genoemd in de huurovereenkomst. [appellant] heeft over de periode tot september 2017 ook daadwerkelijk huur aan [geïntimeerde] (de eigenaresse en verhuurster van het pand) betaald. Tot uitgangspunt strekt daarom dat op [appellant] de verbintenis rustte om de maandelijkse huur aan [geïntimeerde] te betalen. Omdat [appellant] zich op het standpunt stelt dat die verplichting tot huurbetaling met ingang van 1 september 2017 is vervallen en [geïntimeerde] die stelling uitdrukkelijk betwist, rust op [appellant] de verplichting om die stelling voldoende te onderbouwen.

3.6.4.

Het enkele gestelde feit dat de bedrijfsvoering van het autobedrijf begin september 2017 is gestaakt, doet de huurbetalingsplicht niet vervallen. Dit is immers een omstandigheid die in beginsel voor rekening en risico van [appellant] als exploitant van het autobedrijf en als huurder van het pand komt.

3.6.5.

Ook het feit dat [geïntimeerde] in september 2017 een opdracht heeft gegeven aan een makelaar om het pand te verkopen, doet de huurbetalingsplicht niet vervallen. Indien het daadwerkelijk tot een verkoop en overdracht van het pand aan een derde zou komen, zou dat wellicht gevolgen kunnen hebben voor de huurverhouding, maar het enkele te koop zetten van het pand laat de huurverhouding in beginsel onaangetast.

3.6.6.

Het is wel voorstelbaar dat een lopende huurbetalingsverplichting eindigt doordat huurder en verhuurder overeenkomen dat met ingang van een bepaalde datum, bijvoorbeeld vooruitlopend op een verkoop van het pand, geen huur meer hoeft te worden betaald. [geïntimeerde] heeft echter gemotiveerd betwist dat zij een dergelijke afspraak met [appellant] heeft gemaakt. De kantonrechter heeft vervolgens geoordeeld dat [appellant] de door hem gestelde afspraak niet heeft geconcretiseerd en evenmin heeft onderbouwd. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat [appellant] niet heeft gesteld wanneer, hoe en waar deze afspraak tot stand zou zijn gekomen.

3.6.7.

Het had bij deze stand van zaken op de weg van [appellant] gelegen om in hoger beroep in de toelichting op zijn grief nadere bijzonderheden te verstrekken over het maken van de betreffende afspraak, zoals waar de afspraak zou zijn gemaakt, wie daarbij aanwezig waren, wat er precies besproken is en uit welke uitlatingen van [geïntimeerde] [appellant] meende af te leiden dat hij met ingang van september 2017 geen huur meer hoefde te betalen. [appellant] heeft iedere concretisering van zijn stellingen echter ook in hoger beroep achterwege gelaten.

3.6.8.

[appellant] heeft op dit punt in hoger beroep ook geen bewijsaanbod gedaan. Zijn bewijsaanbod aan het slot van de memorie van grieven ziet alleen op de gang van zaken rond de totstandkoming van de huurovereenkomst (begin 2015), en niet op de gang van zaken rondom het staken van zijn bedrijfsactiviteiten omstreeks augustus 2017. Het hof concludeert dat niet is komen vast te staan dat de huurbetalingsverplichting van [appellant] met ingang van september 2017 is vervallen.

3.6.9.

Dat partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst een affectieve relatie met elkaar hadden (volgens [geïntimeerde] een LAT-relatie en volgens [appellant] een relatie waarbij partijen samenwoonden) voert niet tot een ander oordeel. Partijen hadden beiden eerdere verbroken relaties achter de rug en zij hebben er nu eenmaal voor gekozen hun financiële verhoudingen op zakelijke wijze te regelen. Aan de in dat kader gesloten huuovereenkomst zijn zij beiden gebonden.

3.6.10.

Ook de omstandigheid dat [geïntimeerde] niet onmiddellijk na het onbetaald blijven van de huurtermijnen vanaf begin september 2017 sommaties heeft verzonden tot het alsnog betalen van de huur, is onvoldoende voor een ander oordeel. Dat brengt niet mee dat zij haar aanspraak op huurbetaling heeft prijsgegeven.

3.6.11.

Om bovenstaande redenen verwerpt het hof grief I.

Met betrekking tot grief II: de veroordeling tot betaling van de contractuele boete

3.7.1.

Grief II is gericht tegen de veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerde] de contractuele boete volgens artikel 25.3 van de algemene bepalingen te voldoen over de te laat betaalde huurpenningen over de maanden september 2017 tot en met januari 2018, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van het vonnis.

3.7.2.

In de toelichting op de grief betoogt [appellant] allereerst dat artikel 25.3 van de algemene bepalingen niet tussen hem en [geïntimeerde] geldt omdat de huurovereenkomst tussen hen is gesloten vanwege de fiscale voordelen die dat meebracht. Volgens [appellant] is de toepasselijkheid van artikel 25.3 van de algemene bepalingen daarbij niet ter sprake geweest en ook niet op andere wijze stilzwijgend overeengekomen.

3.7.3.

Het hof verwerpt dit betoog. Dat aan de wijze waarop de partijen hun financiële verhouding vorm hebben gegeven mede fiscale motieven ten grondslag lagen, neemt niet weg dat partijen aan de door hen in dat kader gesloten huurovereenkomst gebonden zijn.

Dat toepasselijkheid van artikel 25.3 van de algemene bepalingen niet expliciet ter sprake is geweest, doet niet af aan de gelding van die bepaling. De toepasselijkheid van de algemene bepalingen is in artikel 2.1 van de huurovereenkomst uitdrukkelijk overeengekomen. [appellant] heeft bij gelegenheid van het pleidooi uiteengezet dat hij de huurovereenkomst zelf aan de hand van een model heeft opgesteld. Dat hij mogelijk geen kennis heeft genomen van de betreffende algemene voorwaarden, doet niet af aan de toepasselijkheid van de in de huurovereenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden (vergelijk ook artikel 6:232 BW) en moet in beginsel voor zijn rekening blijven.

3.7.4.

Onder bepaalde specifieke omstandigheden kunnen bedingen in algemene voorwaarden worden vernietigd. Dat daarvoor in dit geval aanleiding bestaat, is niet gesteld of gebleken. [appellant] heeft de huurovereenkomst gesloten handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf en hij heeft ten aanzien van de algemene voorwaarden geen beroep gedaan op enige vernietigingsgrond.

3.7.5.

Dat partijen een affectieve relatie hadden ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst, doet evenmin af aan de toepasselijkheid van de algemene bepalingen. Ook in het kader van een affectieve relatie kunnen partijen met elkaar zakelijke afspraken maken die bindend zijn.

3.8.1.

[appellant] heeft in de toelichting op de grief voorts betoogd dat uit het vonnis niet duidelijk blijkt hoe de minimumboete moet worden berekend. Volgens [appellant] moet de minimumboete berekend worden op de wijze zoals neergelegd in het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, van 17 november 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6233. Dat houdt in dat het minimumbedrag van € 300,-- elke maand enkelvoudig moet worden berekend over het totaal aantal huurtermijnen dat in die kalendermaand open staat.

3.8.2.

[geïntimeerde] heeft in het geding in eerste aanleg bij repliek gesteld dat het boetebeding anders moet worden uitgelegd, namelijk aldus dat voor elke huurtermijn die niet tijdig betaald wordt, iedere maand opnieuw een boete verschuldigd is van minimaal € 300,--. [geïntimeerde] heeft zich in dit kader onder meer beroepen op een arrest van het hof Amsterdam van 8 september 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3716 en op een arrest van het hof Amsterdam van 7 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2165. Deze “cumulatieve” uitleg van het boetebeding heeft [geïntimeerde] ertoe gebracht om bij de betekening van het beroepen vonnis aan [appellant] aanspraak te maken op een boetebedrag van € 27.000,-- over de te laat betaalde huur van € 7.500,-- (productie 5 bij de memorie van grieven).

3.8.3.

De partijen verschillen dus over de uitleg die aan artikel 25.3 van de algemene bepalingen moet worden gegeven. Zij beroepen zich beiden op bepaalde rechtspraak, en zij hebben verder de door elk van hen bepleite uitleg niet gemotiveerd toegelicht, anders dan met een beroep op de tekst van artikel 25.3 van de algemene bepalingen. Het hof constateert dat de bewoordingen van het artikel, zoals hiervoor in rov. 3.1 geciteerd, en met name de woorden “van het verschuldigde”, ruimte laten voor zowel de ene als de andere uitleg.

3.8.4.

Het hof ziet aanleiding om de uitleg van [appellant] te volgen, waarbij het minimumbedrag van € 300,-- elke maand enkelvoudig moet worden berekend over het totaal aantal huurtermijnen dat in die kalendermaand open staat. Daartoe overweegt het hof dat het boetebeding in die uitleg een voldoende prikkel tot tijdige nakoming vormt (zie hierna rov. 3.8.5). In de uitleg van [geïntimeerde] , waarbij cumulatie van boetes per maand plaatsvindt, leidt het boetebeding vaak tot een onredelijk hoog boetebedrag dat de huurachterstand snel ver overstijgt. Dat is ook in dit geval aan de orde. [geïntimeerde] maakt ter zake de te late betaling van € 7.500,-- aan huur, immers aanspraak op een boete van € 27.000,-- (zie rov. 3.8.2). Dat wijst erop dat de door [geïntimeerde] gebezigde “cumulatieve” uitleg van het boetebeding niet juist is. Het hof acht hierbij verder van belang dat het doorgaans de verhuurder is die deze algemene voorwaarden gebruikt, zodat er reden is om de voor de huurder als wederpartij gunstige uitleg te laten prevaleren. Het hof tekent hier tot slot bij aan dat andere hoven in betrekkelijk recente rechtspraak ook voor deze uitleg hebben gekozen (zie hof Arnhem-Leeuwarden 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:714, rov. 4.16 en 4.17, en hof Amsterdam 17 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4499, rov 3.7 t/m 3.9), waarbij zij stilzwijgend (hof Arnhem-Leeuwarden) dan wel uitdrukkelijk (hof Amsterdam) afstand hebben genomen van de eerdere andersluidende rechtspraak.

3.8.5.

Het hof zal het toewijsbare boetebedrag dus begroten aan de hand van de door [appellant] bepleite uitleg van het boetebeding. Bij de begroting van het toewijsbare boetebedrag is verder van belang dat [geïntimeerde] de boete heeft gevorderd over de periode van september 2017 tot en met januari 2019 (punt 4.8 conclusie van repliek). Dit betreft een periode van 17 maanden. [appellant] heeft niet betwist dat de boete over deze periode toewijsbaar is. Dit brengt mee dat ter zake contractuele boete een bedrag toewijsbaar is van 17 maal € 300,-- is € 5.100,--. Een beroep op matiging van de boete is niet gedaan.

3.8.6.

Tegen de beslissing van de kantonrechter dat [appellant] over de contractuele boete de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 14 november 2018, heeft [appellant] geen grief gericht. Een beroep op artikel 6:92 lid 2 BW is niet gedaan. Voor het hof strekt daarom tot uitgangspunt dat over het boetebedrag van € 5.100,-- de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 14 november 2018.

3.8.7.

Het bovenstaande brengt mee dat het vonnis moet worden vernietigd voor zover het betreft de veroordeling ter zake de contractuele boete. Die veroordeling maakt ten onrechte niet duidelijk hoe het boetebedrag moet worden berekend. Het hof zal op dat punt opnieuw recht doen zoals hierna onder “4. De uitspraak” te vermelden.

3.8.8.

Bij gelegenheid van het pleidooi hebben partijen gesteld dat [geïntimeerde] door executiemaatregelen nakoming van het beroepen vonnis heeft afgedwongen, uitgaande van de door haar bepleite “cumulatieve” uitleg van het boetebeding. Omdat die uitleg niet juist kan worden geacht, heeft [appellant] recht op terugbetaling van het door hem te veel betaalde. Dat het hof dit bij gebreke van een daartoe strekkende vordering niet zal beslissen in het dictum van dit arrest, laat immers onverlet dat [appellant] in zoverre recht heeft op terugbetaling van het onverschuldigd betaalde.

3.8.9.

Grief II heeft dus ten dele doel getroffen.

Conclusie en afwikkeling

3.9.1.

Omdat grief I geen doel heeft getroffen zal het hof het vonnis bekrachtigen voor zover het de veroordeling tot betaling van de achterstallige huur betreft.

3.9.2.

Dit brengt mee dat het vonnis ook bekrachtigd moet worden voor het de veroordeling ter zake de buitengerechtelijke kosten betreft. Dat die kosten op 15% van het verschuldigde huurbedrag kunnen worden gesteld, heeft [appellant] in hoger beroep niet bestreden.

3.9.3.

Omdat grief II ten dele doel heeft getroffen zal het hof het vonnis vernietigen voor zover het de veroordeling ter zake de contractuele boete betreft. Het hof zal op dat punt opnieuw recht doen zoals hierna te vermelden.

3.9.4.

Het hof zal de proceskosten van het hoger beroep tussen de partijen compenseren omdat het geschil een uitvloeisel is van de affectieve relatie die zij met elkaar hebben gehad en omdat het hoger beroep slechts ten dele doel heeft getroffen.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het beroepen vonnis van 27 maart 2019 voor zover het betreft:

  • -

    de veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerde] € 7.500,-- te betalen aan huur over de maanden september 2017 tot en met januari 2018, vermeerderd met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf de respectievelijke data van verzuim;

  • -

    de veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerde] € 1.125,-- te betalen ter zake incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) over dat bedrag vanaf de datum van het vonnis;

vernietigt het beroepen vonnis voor zover het betreft de veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerde] de contractuele boete volgens artikel 25.3 van de algemene bepalingen over voormelde huurpenningen te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 14 november 2018;

in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] ter zake contractuele boete € 5.100,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 14 november 2018 (zie rov. 3.8.6);

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en P.S. Kamminga en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 maart 2021.

griffier rolraadsheer