Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:891

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
20-001523-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling van ambtenaar in functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001523-20

Uitspraak: 23 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg

van 13 juli 2020 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met de parketnummers

03-009514-20, 03-022960-20 en 03-127155-19, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

thans verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard,

en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling met de parketnummers 96-150769-17 en 96-045970-17.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft op 22 juli 2020 hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis van de rechtbank.

Bij dat vonnis heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van hetgeen bij inleidende dagvaarding met het parketnummer 03-009514-20 onder 1 primair ten laste is gelegd (kort gezegd: poging tot doodslag op twee politieambtenaren) en van hetgeen bij inleidende dagvaarding met het parketnummer 03-127155-19 onder 4 primair ten laste is gelegd (kort gezegd: diefstal van een personenauto, merk Mazda type CX-3).

De rechtbank heeft wel bewezenverklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan, kort gezegd, de navolgende misdrijven:

a. in de zaak met het parketnummer 03-009514-20:

- poging tot zware mishandeling van twee politieambtenaren (feit 1 subsidiair);

- opzetheling van een camper, merk Weinsberg (feit 2);

in de zaak met het parketnummer 03-022960-20:

- het bezit van 247 gram amfetamine (feit 1);

- het bezit van een ploertendoder (feit 2);

in de zaak met het parketnummer 03-127155-19:

- opzetheling van een bedrijfsbus, merk Mercedes-Benz, type Sprinter (feit 1 primair);

- opzetheling van diverse auto-onderdelen (feit 2 primair);

- het bezit van 9,2 gram amfetamine (feit 3);

- opzetheling van een personenauto, merk Mazda, type CX-3 (feit 4 subsidiair).

De rechtbank heeft de verdachte voor de bewezenverklaarde misdrijven veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden.

Daarnaast heeft de rechtbank ter zake van het in de zaak met het parketnummer 03-009514-20 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde aan de verdachte de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 3 jaren.

Voorts heeft de rechtbank bewezenverklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de in de zaak met het parketnummer 03-127155-19 onder 5 tenlastegelegde overtredingen, inhoudende, kort gezegd, het besturen van een motorvoertuig zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs, gepleegd op 7 mei 2019 en op 24 mei 2019. Voor ieder van deze overtredingen heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot hechtenis voor de duur van 10 dagen.

Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank voorts beslist op de door de benadeelde partijen [benadeelde 1] , de Nationale Politie, eenheid Limburg, en [benadeelde 2] ingediende vorderingen tot schadevergoeding. De vordering van [benadeelde 1] is afgewezen en de beide andere benadeelde partijen zijn in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

Ten slotte heeft de rechtbank beslist op de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling met de parketnummers 96-150769-17 en 96-045970-17, in die zin dat de tenuitvoerlegging is gelast van de eerder onder voormelde parketnummers voorwaardelijk opgelegde straffen, te weten telkens hechtenis voor de duur van 1 week.

Omvang van het hoger beroep

A.

Het hoger beroep van de officier van justitie is onbeperkt ingesteld.

Bij akte van 30 november 2020 heeft de officier van justitie het hoger beroep partieel ingetrokken en is het hoger beroep uitdrukkelijk gehandhaafd met betrekking tot hetgeen aan de verdachte in de zaak met het parketnummer 03-009514-20 onder 1 ten laste is gelegd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis van de rechtbank dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Wel dient het hof op de voet van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering te bepalen welk gedeelte van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van de misdrijven die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. Het hof verwijst hiervoor naar hetgeen daaromtrent onder ‘de beslissing’ is vermeld.

B.

De Nationale Politie, eenheid Limburg, heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van de in eerste aanleg niet toegewezen vordering tot schadevergoeding.

De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben zich in hoger beroep, binnen de grenzen van hun oorspronkelijke vorderingen, wel opnieuw gevoegd. De vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] liggen in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor.

C.

Het hoger beroep heeft mede betrekking op de beslissingen van de rechtbank op de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling met de parketnummers 96-150769-17 en

96-045970-17.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal vernietigen en in zoverre opnieuw recht zal doen. De advocaat-generaal heeft in de zaak met het parketnummer 03-009514-20 onder 1 - na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep – de bewezenverklaring gevorderd van de thans aan de verdachte verweten cumulatieve/alternatieve (in plaats van de voorheen primaire/subsidiaire) gedragingen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan, kort gezegd, poging tot zware mishandeling van twee politieambtenaren ( situatie 1) én poging tot doodslag op die politieambtenaren (situatie 2). Ten aanzien van het plotseling hard remmen door verdachte waardoor de verbalisanten met hun auto achterop de camper zijn gereden (situatie 3) heeft de advocaat-generaal aangegeven dat dit voor het openbaar ministerie niet meer aan de orde is. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof de verdachte voor de genoemde situaties 1 en 2 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, en daarnaast aan de verdachte voor deze feiten telkens voor de duur van 2 jaren de bevoegdheid zal ontzeggen motorrijtuigen te besturen.

De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het gerechtshof de straffen voor de niet aan zijn oordeel onderworpen feiten zal bepalen als volgt:

- gevangenisstraf met een duur van 1 jaar voor de door de rechtbank bewezenverklaarde misdrijven en

- hechtenis met een duur van telkens 10 dagen voor de door de rechtbank bewezenverklaarde overtredingen.

Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het gerechtshof de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in hun vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk zal verklaren en de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling met de parketnummers

96-150769-17 en 96-045970-17 zal toewijzen.

Met de advocaat-generaal deelt de raadsvrouw het standpunt dat situatie 3 geen rol meer speelt. De raadsvrouw van de verdachte heeft voorts vrijspraak bepleit van hetgeen na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep in de zaak met het parketnummer

03-009514-20 onder 1, eerste onderdeel, ten laste is gelegd (poging tot doodslag op twee politieambtenaren in de situaties 1 en 2). De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof wat betreft de bewezenverklaring van het tweede onderdeel van het in de zaak met het parketnummer 03-009514-20 onder 1 tenlastegelegde, de poging tot zware mishandeling van twee politieambtenaren in zowel situatie 1 als in 2. De raadsvrouw van de verdachte heeft het hof verzocht voor deze feiten te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 jaar, overeenkomstig de beslissing in eerste aanleg.

Ten slotte heeft de raadsvrouw van de verdachte de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] betwist.

Ten aanzien van de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging in de zaak met het parketnummer 03-009514-20 onder 1 - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is aan de verdachte in de zaak met het parketnummer 03-009514-20 onder 1 tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 8 januari 2020 in de gemeente Maastricht, binnen het arrondissement Limburg, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] , (beiden) in de uitoefening van zijn/hun beroep van brigadier en/of (hoofd)agent van politie, opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet

- meermalen, althans eenmaal, de door hem, verdachte, (met een snelheid van +/- 70 tot 100 kilometer per uur, althans met hoge snelheid) bestuurde camper (merk: Weinsberg) tegen de naast hem, verdachte, rijdende politieauto, met daarin [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] , heeft ‘geramd’ en/of gestuurd en/of (met die hoge snelheid) met die camper op die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] is ingereden en/of die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] heeft aangereden en/of (vervolgens)

- plotseling de door hem, verdachte, (met hoge snelheid) bestuurde camper tot stilstand heeft gebracht, althans plotseling hard heeft geremd, waardoor die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] met hun politieauto tegen de camper is/zijn gebotst en/of aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

en/of

hij op of omstreeks 8 januari 2020 in de gemeente Maastricht, binnen het arrondissement Limburg, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] , (beiden) in de uitoefening van zijn/hun beroep van brigadier en/of (hoofd)agent van politie, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet

- meermalen, althans eenmaal, de door hem, verdachte, (met een snelheid van +/- 70 tot 100 kilometer per uur, althans met hoge snelheid) bestuurde camper (merk: Weinsberg) tegen de naast hem, verdachte, rijdende politieauto met daarin [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] heeft ‘geramd’ en/of gestuurd en/of (met die hoge snelheid) met die camper op die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] is ingereden en/of die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] heeft aangereden en/of (vervolgens)

- plotseling de door hem, verdachte, (met hoge snelheid) bestuurde camper tot stilstand heeft gebracht, althans plotseling hard heeft geremd, waardoor die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] met zijn/hun politieauto tegen de camper is/zijn gebotst en/of aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Beoordeling

De advocaat-generaal geeft aan dat onder feit 1 onderscheid kan worden gemaakt in twee situaties waarbij met hoge snelheid wordt ingereden op de auto van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Beide situaties vinden plaats op de Brusselseweg in Maastricht, een dubbele rijbaan als verbindingsweg tussen Maastricht en de nabij gelegen gemeente Lanaken in België. Verdachte reed aldaar in een gestolen camper richting België en werd achtervolgd door de Nederlandse politie. Als eerste de situatie waarbij de camper, met een snelheid van circa 90 kilometer per uur, rijdt op een locatie waar - bezien vanuit de rijrichting van de verdachte en de zich links naast hem bevindende politieauto met daarin verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waar hij op instuurt en die hij raakt - links naast de weg een heg staat en er naast die heg een ventweg is. In deze situatie is de advocaat-generaal met de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel. De raadsvrouw heeft zich wat deze eerste situatie betreft gerefereerd aan het standpunt van het hof.

Vervolgens de tweede situatie, na de tweede rotonde, waarbij de camper, met een snelheid van circa 70 kilometer per uur, inrijdt op de dienstauto van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] die zich dan wederom links naast verdachte bevindt. Naast de weg is op die locatie aan de linkerzijde - eveneens bezien vanuit ieders rijrichting - een betonnen verhoging, een band met een hoogte van circa 12 cm die het naastgelegen fietspad scheidt van de rijbaan, en naast dat fietspad staan bomen in de berm.. In deze laatste situatie is volgens de advocaat-generaal wel sprake van een poging doodslag.

De raadsvrouw heeft betoogd dat er te weinig informatie in het dossier aanwezig is om te concluderen dat er in de tweede situatie sprake is van een poging doodslag. Uit de informatie die zich in het dossier bevindt kan worden geconcludeerd dat er in situatie twee wordt gereden met een snelheid van circa 70 kilometer per uur en dat niet blijkt op welke locatie het incident exact heeft plaatsgevonden en hoe de situatie ter plaatse precies is. Subsidiair refereert zij zich aan de bewezenverklaring door de rechtbank.

De rechtbank heeft in het vonnis overwogen dat sprake is van twee botsingen en dat in geen van beide situaties sprake is van een poging doodslag maar dat een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wel in beide situaties bewezen kan worden (opmerking hof: op basis van oorspronkelijke tenlastelegging).

Het hof wordt voor de vraag gesteld welke handelingen de verdachte heeft verricht

in verband met de botsingen tussen de door hem bestuurde camper en het politievoertuig en of dit handelen kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag en/of als een poging tot zware mishandeling (in de twee opeenvolgende situaties) van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] .

Het hof stelt voorop dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte daadwerkelijk het opzet had om de verbalisanten in een van de twee situaties van het leven te beroven of zwaar te verwonden. Het handelen door de verdachte had kennelijk tot doel te ontkomen aan een aanhouding door de politie om zo spoedig mogelijk met de gestolen camper de nabij gelegen grens met België te passeren. Dit neemt echter niet weg dat de verdachte om dit doel te kunnen bereiken zich zo kan hebben gedragen, dat daaruit opzet in voorwaardelijke zin blijkt op de dood van, of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de inzittenden van het voertuig waar hij op inrijdt. Er kan dan van 'voorwaardelijk opzet' worden gesproken wanneer willens en wetens de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat door een bepaald handelen een bepaald gevolg intreedt.

Om te kunnen spreken van voorwaardelijk opzet moet allereerst vastgesteld worden dat er een aanmerkelijke kans was dat de politieagenten (inzittenden van het politievoertuig) zouden komen te overlijden of dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen door het handelen van de verdachte. Vervolgens moet vastgesteld worden dat de verdachte deze kans dan op de koop toe heeft genomen, dat wil zeggen: dat deze aanmerkelijke kans hem bekend is en hij deze mogelijke gevolgen desalniettemin heeft aanvaard.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald

gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het moet gaan om een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat het gevolg intreedt. Het hof volgt in deze de overwegingen van de rechtbank en concludeert dat er sprake is van het willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaarden dat door een bepaald handelen een bepaald gevolg intreedt, en aldus oplevert, 'voorwaardelijk opzet'. Zo deelt het hof het oordeel van de rechtbank dat verdachte met zijn gedragingen in ieder geval feitelijk de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door (een van) de twee botsingen met het politievoertuig de bestuurder de macht over het stuur zou verliezen dan wel de rijrichting van het politievoertuig zou worden beïnvloed waardoor dat van de weg zou raken, kantelen of ergens tegenaan zou botsen.

Het hof is met de advocaat-generaal, de raadsvrouw en de rechtbank evenwel van oordeel dat in de eerste door de advocaat-generaal beschreven situatie geen sprake is van een poging doodslag op de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Hoewel in de eerste situatie de botsing tussen de door verdachte bestuurde camper plaatsvond met een tamelijk hoge snelheid van 90 kilometer per uur is het hof van oordeel dat de omstandigheden ter plaatse bij de eerste botsing niet zodanig zijn dat ook een aanmerkelijke kans op de dood van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] bestond.

Wel is het hof van oordeel dat de genoemde gedragingen onder de gegeven omstandigheden dienen te worden gekwalificeerd als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Ook hierin volgt het hof het standpunt van de advocaat-generaal en het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van dit feit gerefereerd.

In de, door de advocaat-generaal beschreven, situatie twee is het hof van oordeel dat er, anders dan door de advocaat-generaal gesteld, eveneens geen sprake is van een poging doodslag op de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Hoewel ook in deze situatie sprake is van rijden met verhoogde snelheid van circa 70 kilometer per uur en het door verdachte bestuurde voertuig een camper is met een gewicht van meer dan 2500 kilogram, is aan de hand van het dossier en de zich ook daarin bevindende foto’s geen duidelijkheid verkregen over de exacte locatie van situatie twee. Het proces-verbaal Beeldmateriaal (Nummer 2020005761-3) van 5 januari 2021 met de daarbij behorende fotomap, in hoger beroep toegevoegd aan het dossier, maakt dit niet anders.

Integendeel, uitgaande van dit laatste proces-verbaal lijkt veeleer sprake te zijn van een andere locatie waar situatie twee plaatsvond dan aanvankelijk door de politie geduid. Bovendien zijn er geen foto’s beschikbaar die de inrichting van het betreffende wegvak ten tijde van het incident (8 januari 2020) weergeven. Nu niet duidelijk is of zich alstoen op die locatie (die zoals gezegd niet is komen vast te staan) een (of meer) bomen in de berm bevond(en) en op welke afstand van elkaar, kan het hof niet vaststellen of de kans aanmerkelijk is dat de inzittenden van de politieauto het leven zouden laten als gevolg van het rammen van die politieauto door de camper. De kans dat louter het contact van de politieauto met de circa 12 cm hoge scheidingsband bij de gegeven snelheid reeds tot dat gevolg zou moeten leiden, zoals door de advocaat-generaal geschetst vanuit het beeld dat dat contact onmiskenbaar tot over de kop slaan van de politieauto zou hebben geleid met de dood van de inzittenden tot gevolg, acht het hof op basis van de beperkt beschikbare informatie evenmin aanmerkelijk. Nu de omstandigheden waaronder het incident heeft plaatsgevonden ten aanzien van al deze aspecten niet met zekerheid kunnen worden vastgesteld, ligt een veroordeling voor poging doodslag niet in de rede. Ook hier is het hof van oordeel dat deze gedragingen onder de gegeven omstandigheden wel kunnen en dienen te worden gekwalificeerd als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

Voor wat betreft situatie drie, het plotseling tot stilstand brengen van de camper/remmen waardoor de politieauto tegen de camper botste, deelt het hof het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsvrouw dat dit onderdeel van de tenlastelegging niet tot een bewezenverklaring kan leiden.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde in de zaak met het parketnummer 03-009514-20 onder 1, eerste onderdeel (de poging doodslag op twee politieagenten), heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde in de zaak met het parketnummer 03-009514-20 onder 1, tweede onderdeel, heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 8 januari 2020 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden in de uitoefening van hun beroep van brigadier en (hoofd)agent van politie, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet tweemaal de door hem, verdachte, met een snelheid van 90 respectievelijk 70 kilometer per uur bestuurde camper (merk: Weinsberg) tegen de naast hem rijdende politieauto, met daarin [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , heeft gestuurd en aldus met die snelheid met die camper op die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met het parketnummer 03-009514-20 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De advocaat-generaal heeft op grond van hetgeen hij in de zaak met het parketnummer

03-009514-20 onder 1 bewezen acht, te weten – kort gezegd – poging tot zware mishandeling van de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bij situatie 1 en poging tot doodslag van die politieambtenaren bij situatie 2, gevorderd dat het gerechtshof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Daarnaast per situatie een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren.

Anders dan de advocaat-generaal, maar evenals de rechtbank en de raadsvrouw van de verdachte, acht het hof niet poging tot doodslag, maar poging tot zware mishandeling van de beide politieambtenaren bewezen.

Met betrekking tot de hiervoor op te leggen straf overweegt het hof als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof in de eerste plaats gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is acht geslagen op de conclusie van gezondheidszorgpsycholoog C. Moerland die over de verdachte heeft gerapporteerd op 3 maart 2020 en die concludeerde dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid met daarnaast een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Hiervan was volgens de deskundige sprake ten tijde van het bewezenverklaarde en ook is het volgens de deskundige aannemelijk dat alstoen zijn gedragskeuzes en -gedragingen hierdoor werden beïnvloed. Het advies om verdachte het bewezenverklaarde derhalve in verminderde mate toe te rekenen neemt het hof, evenals de rechtbank, over. Voorts heeft het hof bij zijn beoordeling betrokken verdachtes uitgebreide strafblad dat inmiddels de dato 22 december 2020 maar liefst 26 pagina’s omvat. Op een enkel geweldsdelict na, is dit met name doorspekt met vermogensdelicten. Daarnaast is gelet op de verhouding van het bewezenverklaarde tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de op die feiten gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte is tijdens een achtervolging door de politie, waarbij snelheden werden bereikt van 70 tot 90 kilometer per uur, tweemaal met de door hem bestuurde zware camper tegen de zijkant van het politievoertuig met daarin de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gereden, telkens op het moment dat zij trachtten de camper in te halen om deze tot stoppen te brengen. De verdachte heeft daarbij, om te ontkomen aan zijn aanhouding in verband met de gestolen camper waarin hij reed, het risico dat de bestuurder van het politievoertuig door zijn, verdachtes, toedoen de controle over het politievoertuig had kunnen verliezen met als gevolg dat de inzittenden van dat politievoertuig zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen, voor lief genomen.

Met de rechtbank en met overneming van de redenen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd en die het hof tot de zijne maakt, acht het hof, evenals de raadsvrouw van de verdachte, een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voor dit feit passend en geboden.

Het hof komt niet tot oplegging van een gevangenisstraf voor een duur zoals door de advocaat-generaal gevorderd, omdat het hof komt tot een in ernst geringere bewezenverklaring dan waarvan de advocaat-generaal is uitgegaan en voorts omdat de ernst van het bewezenverklaarde naar het oordeel van het hof in de op te leggen straf voldoende tot uitdrukking komt.

Eveneens in navolging van de beslissing van de rechtbank zal het hof ter zake van hetgeen in de zaak met het parketnummer 03-009514-20 onder 1 bewezen is verklaard, aan de verdachte, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzeggen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Schadevergoeding

Benadeelde partij [benadeelde 1]

Aangever [benadeelde 1] heeft zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en een vordering ingediend, strekkende tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 725,00, te vermeerderen met de wettelijk rente daarover.

De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] afgewezen.

Op grond van een door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep overgelegd

e-mailbericht d.d. 14 september 2020 gaat het hof ervan uit dat de benadeelde partij [benadeelde 1] de oorspronkelijke vordering in hoger beroep heeft gehandhaafd.

Het hof overweegt als volgt.

Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek [hierna: BW] bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Het hof stelt, met de rechtbank en de advocaat-generaal, vast dat de benadeelde partij geen concrete gegevens heeft aangeleverd waaruit kan volgen dat de benadeelde psychische schade heeft opgelopen als gevolg van het handelen van de verdachte in deze zaak.

Evenmin is het hof gebleken dat bij de benadeelde partij sprake is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’. Voor zover uit de namens de benadeelde partij verstrekte toelichting op de vordering kan worden afgeleid dat de benadeelde na het incident een week onrustig heeft geslapen en hoofdpijn en nekklachten heeft gehad, overweegt het hof dat niet zonder meer een causaal verband met de onderhavige gedragingen van de verdachte kan worden aangenomen. Uit de toelichting volgt immers dat de benadeelde in de periode vlak voor het onderhavige incident meerdere soortgelijke incidenten heeft meegemaakt. Dat het onderhavige gebeuren in samenhang met die eerdere ervaringen impact heeft gehad op de benadeelde en zijn gezin en dat hij zich aangedaan heeft gevoeld, neemt het hof zonder meer aan. Maar zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan het hof niet vaststellen dat de benadeelde, zoals namens hem is gesteld, aantoonbaar schade heeft ondervonden van het door de verdachte tegen hem gebruikte geweld. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de enkele omstandigheid dat het verzoek tot schadevergoeding van de benadeelde partij in hoger beroep niet is weersproken, niet volstaat ter motivering van het oordeel dat zich een van de gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade.

Het hof concludeert dat de benadeelde partij aldus onvoldoende dan wel geen concrete gegevens heeft aangevoerd die naar de wettelijke maatstaven van het toepasselijk burgerlijk recht een vergoeding voor immateriële schadevergoeding zou kunnen rechtvaardigen. Voor een nader onderzoek hiernaar acht het hof in deze procedure geen plaats, nu dat een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

De vordering van de benadeelde partij is daarom thans niet-ontvankelijk en de benadeelde partij kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De beslissing omtrent de kosten zal luiden als hierna te vermelden.

Benadeelde partij [benadeelde 2]

Aangever [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en een vordering ingediend, strekkende tot vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 2.856,00.

De rechtbank heeft de benadeelde partij [benadeelde 2] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft via het daarvoor bestemde formulier in hoger beroep opnieuw gevoegd onder mededeling dat hij zijn oorspronkelijke vordering handhaaft.

Het hof is, met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsvrouw van de verdachte, van oordeel dat niet is gebleken dat de gestelde schade rechtstreeks door verdachtes bewezenverklaarde handelen is veroorzaakt. De benadeelde partij [benadeelde 2] kan daarom in de vordering tot schadevergoeding niet worden ontvangen. Met betrekking tot de kosten zal worden beslist als in het dictum vermeld.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

Parketnummer 96-150769-17

De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 5 januari 2018 in de strafzaak met het parketnummer 96-150769-17 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten hechtenis voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren.

Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde hechtenis voor de duur van 1 week dient te worden gelast.

Parketnummer 96-045970-17

De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 6 oktober 2017 in de strafzaak met het parketnummer 96-045970-17 voorwaardelijke opgelegde straf, te weten hechtenis voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren.

Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde hechtenis voor de duur van 1 week dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 57, 63, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor de in zaak met het parketnummer

03-009514-20 onder 2, de in zaak met het parketnummer 03-022960-20 onder 1 en 2 en de in de zaak met het parketnummer 03-127155-19 onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 subsidiair bewezenverklaarde, niet aan het oordeel van het hof onderworpen misdrijven op:

een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verstaat dat de rechtbank de verdachte ter zake van de in de zaak met het parketnummer 03-127155-19 onder 5 bewezenverklaarde, niet aan het oordeel van het hof onderworpen, overtredingen heeft veroordeeld tot:

hechtenis voor de duur van 10 (tien) dagen

en

hechtenis voor de duur van 10 (tien) dagen;

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met het parketnummer 03-009514-20 onder 1, eerste onderdeel, tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het in de zaak met het parketnummer 03-009514-20 onder 1, tweede onderdeel, tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het in de zaak met het parketnummer 03-009514-20 onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

ontzegt ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-009514-20 onder 1 bewezenverklaarde aan de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kantonrechter Maastricht van 5 januari 2018, parketnummer 96-150769-17, te weten:

hechtenis voor de duur van 1 (één) week;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kantonrechter Maastricht van 6 oktober 2017, parketnummer 96-045970-17, te weten:

hechtenis voor de duur van 1 (één) week.

Aldus gewezen door:

mr. W.T.H. Peute, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 23 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. W.E.C.A. Valkenburg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.