Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:85

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
200.279.033_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2020:2533
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding, erfrecht, bekrachtiging machtiging ex art. 3: 174 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 174
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.279.033/01

arrest van 19 januari 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A.P. van Knippenbergh te Best,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] (Duitsland),

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. J.J. Geuze te Best,

op het bij exploot van dagvaarding van 29 mei 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 4 mei 2020, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerden] als eisers.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/356281 / KG ZA 20-140)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep (spoedappel) met grieven en producties;

  • -

    de rolbeslissing tot afwijzing verzoek spoedappel;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellant] ;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerden] met een productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Deze zaak gaat in hoger beroep in het kort over het volgende. Partijen zijn broers

en zus van elkaar. Na het overlijden van hun moeder heeft [appellant] toestemming gekregen om in

de woning van moeder te wonen. [geïntimeerden] vragen in kort geding machtiging om de woning te verkopen.

3.2.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. De moeder van partijen, [moeder] (hierna te noemen: moeder), is op [datum] 2019 in Boxtel overleden.

b. Tot haar overlijden woonde moeder in [woonplaats] . [appellant] woonde op kamers in [woonplaats] .

c. Moeder heeft laatstelijk op 23 maart 2015 een testament laten opmaken.

d. In het testament zijn partijen tot erfgenamen benoemd, onder bezwaar van een aan de kleinkinderen verstrekt legaat. Partijen zijn in het testament ook benoemd tot executeurs van de nalatenschap met gezamenlijke bevoegdheid.

e. Partijen hebben de nalatenschap allen zuiver aanvaard.

f. [geïntimeerde 2] heeft [geïntimeerde 1] gevolmachtigd om haar te vertegenwoordigen ter zake van de nalatenschap.

g. Tot de nalatenschap van moeder behoort onder meer de woning waarin zij tot haar overlijden woonde aan de [adres] te [woonplaats] (in deze uitspraak aangeduid met: de woning). Daarnaast is er nog wat spaargeld.

h. [appellant] is op enig moment in de woning gaan wonen.

i. Tussen en [appellant] en [geïntimeerde 1] is onenigheid ontstaan over de afwikkeling van de nalatenschap van moeder.

j. [appellant] heeft [geïntimeerde 1] in november 2019 in e-mailcorrespondentie over de afwikkeling meermaals uitgescholden.

k. In december 2019 is [appellant] op uitnodiging van de advocaat van [geïntimeerden] op diens kantoor verschenen voor overleg. Dat overleg heeft niets opgeleverd.

3.3.1.

In de onderhavige procedure vorderen [geïntimeerden] voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. hen te machtigen om namens de erfgenamen de nalatenschap te beheren en alle rechtshandelingen en feitelijke handelingen te verrichten die daartoe noodzakelijk zijn, waaronder het beheer over de financiën en bankrekeningen van moeder;

II. [appellant] te bevelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen;

III. hen te machtigen om mede namens [appellant] de woning te verkopen door bemiddeling van Makelaarskantoor [makelaarskantoor] te [vestigingsplaats] tegen een door die makelaar in redelijkheid te bepalen prijs;

IV. althans [appellant] te bevelen binnen tien dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan verkoop van de woning door opdracht te geven aan Makelaarskantoor [makelaarskantoor] dan wel een voor die tijd door partijen nader overeen te komen andere makelaar om de woning voor een door die makelaar in redelijkheid te bepalen prijs te verkopen, vervolgens aan die verkoop zijn volledige medewerking te verlenen door aan alle gegadigden toegang te geven tot de woning, de koopovereenkomst te ondertekenen en mee te werken aan de notariële levering van de woning door ondertekening van de notariële leveringsakte met machtiging aan [geïntimeerden] om, indien [appellant] niet binnen 24 uur na een door de deurwaarder uitgereikt daartoe strekkend bevel, mede namens [appellant] alle volgende voor de verkoop en levering noodzakelijke handelingen te verrichten en overeenkomsten te sluiten om tot verkoop en levering van de woning te komen;

V. althans zodanig bevelen en zodanige machtiging te geven als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.3.2.

Aan deze vorderingen hebben [geïntimeerden] , kort samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Iedere deelgenoot is bevoegd tot gebruik van een gemeenschappelijk goed, als dit gebruik maar te verenigen is met het recht van de andere deelgenoten. Op grond van art. 3:174 BW kunnen [geïntimeerden] verkoop van het gemeenschappelijk goed vorderen. Zij hebben spoedeisend belang bij hun vorderingen ter voorkoming van het oplopen van schulden en het nakomen van de wens van moeder om binnen zes maanden legaten uit te keren aan de kleinkinderen.

3.3.3.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.4.

In het eindvonnis van 4 mei 2020 heeft de voorzieningenrechter onder meer het volgende overwogen:

- Omdat [geïntimeerde 2] in Duitsland woont, rijst de vraag naar de rechtsmacht van de voorzieningenrechter en het op het geschil van partijen toepasselijke recht. Op grond van art. 4 van de Verordening (EU) Nr. 650/2012 heeft de voorzieningenrechter rechtsmacht omdat moeder ten tijde van haar overlijden haar gewone verblijfplaats in Nederland had. Op grond van art. 21 van de Verordening (EU) Nr. 650/2012 is op het geschil van partijen Nederlands recht van toepassing omdat moeder ten tijde van haar overlijden haar gewone verblijfplaats in Nederland had;

- [geïntimeerden] hebben voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde. Zij stellen dat de nalatenschap niet kan worden afgewikkeld, omdat [appellant] weigert mee te werken aan verkoop van de woning.

- De eerste vordering strekt ertoe dat [geïntimeerden] gemachtigd worden om de nalatenschap te beheren. Een dergelijke machtiging zou betekenen dat [appellant] als mede-executeur van de nalatenschap buitenspel wordt gezet. Voor het treffen van een dergelijk ingrijpende voorziening bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende grond;

- De tweede vordering strekt tot ontruiming van de woning door [appellant] . Ook die vordering zal worden afgewezen. [geïntimeerden] hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [appellant] zonder recht of titel in de woning verblijft zoals zij stellen.

- De derde vordering strekt tot het verkrijgen van een machtiging om de woning te gelde te maken. Op grond van artikel 3:174 BW kan aan een deelgenoot een dergelijke machtiging worden verstrekt indien sprake is van een gewichtige reden. Het beschamen van een deelgenoot van het vertrouwen dat hij mee zal werken aan verkoop levert een dringende reden op. [geïntimeerden] hebben met de overgelegde e-mails van [appellant] voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellant] dat vertrouwen heeft geschaad. Hij heeft [geïntimeerde 1] in correspondentie over de afwikkeling van de nalatenschap meermaals in niet mis te verstane bewoordingen uitgescholden. Het is ook voldoende aannemelijk dat de woning verkocht zal moeten worden. [appellant] geeft weliswaar aan dat hij de woning wil overnemen, maar hij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de daarvoor benodigde financiering kan verkrijgen. Het inkomen van [appellant] zelf is daarvoor in elk geval ontoereikend. Hij heeft geen baan en ontvangt een uitkering. [appellant] stelt weliswaar dat hij een vriendin heeft die wel een baan heeft en dat zij samen bezig zijn om een financiering te verkrijgen, maar hij heeft die stelling verder niet onderbouwd. [appellant] heeft niets gesteld over de hoogte van het (gezamenlijke) inkomen van hem en zijn vriendin en/of welk bedrag aan financiering zij op basis daarvan zouden kunnen verkrijgen. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat de woning aan een derde zal moeten worden verkocht. Slotsom is dat voldoende grond bestaat om [geïntimeerden] te machtigen om de woning te gelde te maken. Deze vordering zal daarom worden toegewezen. Nu [appellant] geen bezwaren heeft geuit tegen bemiddeling door Makelaarskantoor [makelaarskantoor] te [vestigingsplaats] bij de verkoop, zal ook dat onderdeel worden toegewezen.

- De vierde vordering wordt afgewezen omdat die is ingesteld als subsidiaire vordering;

- De vijfde vordering is te algemeen geformuleerd en zal daarom worden afgewezen.

De voorzieningenrechter heeft de derde vordering dus toegewezen en de rest van de vorderingen afgewezen met compensatie van de proceskosten, omdat partijen familie van elkaar zijn.

de grief

3.4.1

[appellant] heeft in hoger beroep als grief het volgende aangevoerd: ten onrechte heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerden] toegewezen ten aanzien van de gevorderde machtiging voor het te gelde maken van de woning. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis op dit punt, zodat alle vorderingen van [geïntimeerden] worden afgewezen.

3.4.2.

Met zijn grief betoogt [appellant] dat de twee elementen die door de rechtbank zijn benoemd voor het aannemen van dringende (het hof begrijpt: gewichtige) redenen onjuist zijn. [appellant] motiveert dat, samengevat, als volgt:

beschamen vertrouwen

- Zijn broer en zus kennen hem en kennen ook zijn lage spanningsdrempel waardoor hij zich verbaal overmatig sterk kan uitdrukken. Uit de e-mailreactie van [geïntimeerden] blijkt ook dat zij niet geschokt waren. Daarbij is ook van belang dat [geïntimeerde 1] geregeld zonder aankondiging de woning binnenkomt en dan post meeneemt. [appellant] heeft daardoor geen zicht op de post waardoor schulden zich onterecht opbouwen. Aan de zijde van [appellant] is er geen verwijt of beschadiging van vertrouwen. Het is eerder andersom.

verkoop woning

- [appellant] heeft het moeilijk met het overlijden van moeder en vindt het verblijf in de woning daardoor prettig. De nalatenschap heeft een batig saldo van € 3.000,--, terwijl de hypotheeklasten maar € 64,29 per maand zijn, zodat continuering van de huidige situatie totdat ofwel [appellant] een woning kan kopen ofwel na de corona-crisis veilig elders kan gaan, ook financieel geen probleem is. [appellant] is bereid het bedrag van € 64,29 per maand te betalen.

- Verder betoogt [appellant] dat de tweede grond dat de woning op een gegeven moment zal moeten worden verkocht wel zo mag zijn, maar dat er nog niet zo veel tijd is verstreken sinds het openvallen van de nalatenschap op 19 juli 2019. [appellant] wil zelf de woning verwerven en heeft geen andere woonplek, waarbij de coronamaatregelen voor hem een gevaar opleveren, mocht hij de woning verliezen. [appellant] is voornemens de te taxeren waarde van de woning te (laten) financieren en wil de mogelijkheden daartoe met derden onderzoeken. Ook zou een langdurige aflossingsconstructie tussen de erfgenamen tot de mogelijkheden behoren. [appellant] meent dat er eerst een taxatie moet plaatsvinden door een gezamenlijk overeen te komen taxateur. Dit wordt nu onterecht doorkruist door de aangekondigde verkoop middels een door [geïntimeerden] aangewezen makelaar. [appellant] voert hierbij ook nog aan dat hij de verkoop van de woning als geschilpunt aan de kantonrechter wil voorleggen op basis van de geschillenregeling uit het testament van moeder.

- [appellant] wijst verder op de coronacrisis. Hij heeft geen sociaal vangnet en kan niet elders verblijven. Het verkopen van de woning zal voor hem onhoudbare en onbillijke gevolgen hebben, omdat hij op korte termijn zijn woonruimte verliest. Hierbij verwees [appellant] in eerste aanleg ook nog naar de beleidslijn van gerechtsdeurwaarders dat zij geen ontruimingsvonnissen ten uitvoer leggen tot in elk geval 1 juli 2020.

- Ook wenst [appellant] de afwikkeling van de nalatenschap niet uit handen te geven en wil betrokken blijven als beheerexecuteur, mede gelet op het handelen van [geïntimeerden] .

- Ten slotte stelt [appellant] dat hij een woonrecht met instemming van [geïntimeerden] heeft verkregen waar hij geruime tijd gebruik van mocht maken. Dit woonrecht en het gebruik mogen maken hiervan staat al in de weg aan een snelle verkoop.

3.4.3.

Het hof overweegt allereerst dat in hoger beroep (terecht) niet is opgekomen tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat Nederlands recht toepasselijk is, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Daarnaast overweegt het hof dat het spoedeisend belang voortvloeit uit de aard van de zaak en in hoger beroep door het tijdverloop eerder dringender is geworden dan in eerste aanleg al is aangenomen door de voorzieningenrechter.

3.4.4.

Het hof overweegt verder dat niemand in een onverdeelde boedel hoeft te blijven (3: 178 BW). De wens van [geïntimeerden] tot verkoop van de woning zal dus gerespecteerd moeten worden en ook in hoger beroep is dus terecht niet betwist door [appellant] dat de woning op enig moment verkocht zal moeten worden.

3.4.5.

Het hof moet in hoger beroep ex nunc, dus met de kennis van heden, beoordelen of er gewichtige redenen voor de gevorderde machtiging tot verkoop zijn (3: 174 BW).

3.4.6.

Het hof oordeelt dat hierbij ten eerste van belang is dat hoewel [appellant] stelt dat zijn broer en zus niet geschokt waren over zijn manier van communiceren, [appellant] zelf stelt dat er eerder andersom een vertrouwensbreuk is. Dit blijkt ook uit de uitlating van [appellant] (zie een nalaatste punt rov. 3.4.2.) dat hij de afwikkeling van de nalatenschap niet uit handen wil geven en betrokken wil blijven als beheerexecuteur, mede gelet op het handelen van [geïntimeerden] . Dit alles overziende oordeelt het hof dat het misschien niet juist is geweest om alleen een verwijt aan [appellant] te maken over zijn manier van communiceren. Tegelijkertijd blijkt uit het voorgaande dat er onvoldoende basis is om ervan uit te kunnen gaan dat [appellant] , [geïntimeerden] in onderling overleg erin zullen slagen de verkoop van de woning te regelen. De communicatie tussen hen is daarvoor te veel verstoord geraakt en zij hebben onvoldoende vertrouwen in elkaar.

3.4.7.

Ten tweede is van belang of [appellant] zelf de woning zou kunnen kopen. [appellant] heeft in hoger beroep weliswaar gesteld dat dat zijn primaire voorkeur heeft, maar heeft niet gesteld dat hij dat daadwerkelijk zal doen. [appellant] heeft ook geen gegevens overgelegd dat hij daar mee bezig is en op welk wijze. [appellant] heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij de financiële middelen en mogelijkheden heeft om het huis te kunnen kopen. Dit betekent dat zijn argument vervalt dat hij tijd nodig heeft om de woning te kunnen kopen en de machtiging om die reden niet zou kunnen worden gegeven. Het hof passeert daarom het verweer van [appellant] dat hij vanwege de wens om zelf te kopen de zaak aan de kantonrechter zou willen voorleggen in een aparte procedure. De belangen die [appellant] verder heeft aangevoerd over de corona crisis zijn te algemeen en onvoldoende nader onderbouwd. Nu [appellant] in het verleden ook op kamers heeft gewoond, gaat het hof er van uit dat [appellant] in staat is om woonruimte elders te vinden.

3.4.8.

[appellant] heeft zich ook nog beroepen op een ‘woonrecht’ dat aan een snelle verkoop van de woning in de weg zou staan. Dit woonrecht heeft [appellant] niet nader geduid. Het hof overweegt hierover als volgt. Partijen zijn deelgenoten van de woning. Iedere deelgenoot is bevoegd is tot het gebruik van het gemeenschappelijke goed. Aangezien het hier om een woning gaat, heeft iedere deelgenoot dus het recht om in de woning te wonen. Dit recht wordt echter begrensd door de overige regels over de gemeenschap zoals art. 3: 174 en 178 BW waar [geïntimeerden] in deze procedure een beroep op hebben gedaan. [appellant] woont inmiddels al geruime tijd in de woning en heeft niet aangetoond dat partijen zijn overeengekomen dat hij er langer zou mogen wonen dan hij tot nu toe heeft gedaan. Het is echter wel zo dat dit ‘woonrecht’ naar het oordeel van het hof invloed heeft op de termijn van levering van de woning. Het hof is van oordeel dat op grond van tussen deelgenoten geldende eisen van redelijkheid en billijkheid de levering van de woning niet eerder dient plaats te vinden dan (uiterlijk) per 1 mei 2021 (art. 3: 166 lid 3 BW). Aldus wordt voldoende rekening gehouden met het woonrecht van [appellant] aangezien het mogelijk moet zijn om binnen deze termijn nieuwe woonruimte te vinden.

Conclusie en afwikkeling

3.5.1.

De grief van [appellant] faalt en het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en aanvullen met hetgeen in 3.4.8 is overwogen met betrekking tot de termijn van levering van de woning.

3.5.2.

Het hof zal de proceskosten van het hoger beroep compenseren tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen kosten moet dragen vanwege de familierelatie tussen partijen (artikel 237 lid 1 Rv).

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis in kort geding van 4 mei 2020 en vult rov. 5.1 als volgt aan: en bepaalt dat de levering van de woning niet eerder dient plaats te vinden dan (uiterlijk) op 1 mei 2021;

bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, H.K.N. Vos en T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 januari 2021.

griffier rolraadsheer