Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:83

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
200.253.936_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:3791
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:6043
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermindering belasting, art. 27 Wbm. Gevolgen voor de overeenkomst tussen partijen?

Wetsverwijzingen
Wet belastingen op milieugrondslag 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.253.936/01

arrest van 19 januari 2021

in de zaak van

Waste Connection B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

verder: Waste Connection ,

advocaat: mr. D.D. Dielissen-Breukers te Eindhoven,

tegen:

Attero B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

verder: Attero,

advocaat: mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk te Amsterdam.

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 25 februari 2020 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, onder zaaknummer/rolnummer C/01/333130 / HA ZA 18-264 tussen partijen gewezen vonnis van
5 december 2018.

5 Het verdere procesverloop

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de mondelinge behandeling van 16 december 2020, waarbij de voornoemde advocaten en mr. E.J. Teijgeler (voor Attero) en mr. R. Niessen-Cobben (voor Waste Connection ) spreekaantekeningen hebben overgelegd en mr. Dielissen-Breukers zonder bezwaar een productie heeft overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De nadere beoordeling

In het principaal appel en in het incidenteel appel

6.1

Het hof heeft in het tussenarrest overwogen dat een eventuele aanspraak van Waste Connection op doorbetaling van restituties zijn grondslag zal moeten vinden in de tussen partijen gemaakte afspraken. Het hof heeft daarom grief 3 in principaal hoger beroep verworpen en met betrekking tot de overige grieven in principaal hoger beroep, en de grieven in incidenteel hoger beroep, overwogen dat de uitleg van de Overeenkomst (en in het bijzonder artikel 9.1) centraal staat in de beoordeling (ro. 3.11-3.12).

6.2

Het hof herhaalt de maatstaf die daarbij geldt. De betekenis van een omstreden bepaling in een schriftelijke overeenkomst moet door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De letterlijke tekst van de bepaling is bij toepassing van deze maatstaf van belang, maar niet doorslaggevend.

6.3

Partijen hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hun standpunten herhaald en uitgewerkt. Zij hebben geen wezenlijke nieuwe gezichtspunten aangereikt. Een minnelijke regeling is niet tot stand gekomen. Partijen hebben arrest gevraagd.

Het hof behandelt hieronder:

- de uitleg van de Overeenkomst op het punt van de bodemassen;

- de kwantificering van de vorderingen van Waste Connection op dit punt;

- de kwestie van de export;

- enkele thema’s in de slotoverwegingen.

Bodemassen – uitleg van de Overeenkomst

6.4

Het eerste en belangrijkste geschilpunt betreft de uitleg van de Overeenkomst op het punt van de bodemassen die als herbruikbare reststoffen de inrichting van Attero verlaten: moet Attero de door Waste Connection betaalde heffing over die bodemassen terugbetalen, omdat de Belastingdienst vermindering verleent van die heffing?

6.5

Het hof slaat bij de beoordeling in de eerste plaats acht op de tekst van de Overeenkomst. Het gaat hier om artikel 9.1 (tussenarrest, 2.2). In dat artikel is bepaald dat de prijs “excl. de dan geldende Wbm-heffing” is. Partijen hebben niets gesteld over contacten of gesprekken over de betekenis van de term “excl. de dan geldende Wbm-heffing” bij de totstandkoming van de Overeenkomst. Dat dergelijke contacten en gesprekken kennelijk geheel ontbreken, ligt uitsluitend voor de hand in de situatie dat de term, zoals partijen deze bij de totstandkoming van de Overeenkomst hebben opgevat, voor partijen geen belangrijke betekenis heeft gehad bij het bepalen van hun rechtsverhouding. Met andere woorden: de belangrijke componenten zijn verdisconteerd in het vaste bedrag per ton, waar partijen uiteraard wel over hebben gesproken, en de heffing is een administratieve kwestie, waarover overleg kennelijk niet nodig was. Het hof leidt uit deze omstandigheden af dat de bepaling in artikel 9.1 eenvoudig is: het gaat bij de prijs om een vast bedrag per ton en de verschuldigde, “geldende” heffing is voor rekening van Waste Connection (hoe hoog of laag deze heffing ook is). Bij deze stand van zaken levert de tekst van de Overeenkomst naar het oordeel van het hof een belangrijke aanwijzing op in het voordeel van Waste Connection . Immers, als de Belastingdienst vermindering verleent van de heffing, dan is de heffing daarmee in zoverre – achteraf gezien – niet verschuldigd, zodat er geen reden is de heffing voor rekening van Waste Connection te brengen.

6.6

Het hof overweegt verder dat de tekst van de Overeenkomst moet worden bezien in de context. Het stelsel en de ratio van de Overeenkomst zijn van belang. Partijen hebben echter, wat betreft de term “de dan geldende Wbm-heffing”, geen concrete feiten aangereikt over deze context of over het stelsel en de ratio van de Overeenkomst (anders dan de algemene gedachte dat “de heffing” voor rekening van Waste Connection is).

Partijen hebben ook gedebatteerd over de vraag of en in hoeverre zij (in de periode 2014-2017) op de hoogte waren van artikel 27 Wbm en de mogelijkheid van vermindering van belasting. Partijen hebben echter in dit verband geen concrete feiten naar voren gebracht, waaruit kan volgen dat zij deze punten (op voor de wederpartij kenbare wijze) bij de totstandkoming van de Overeenkomst (of de daaraan voorafgaande afspraken) hebben betrokken. Hun standpunten zijn dan ook in zoverre onvoldoende onderbouwd en daarom voor de uitleg van artikel 9.1. niet ter zake dienend. De (mogelijke) wetenschap is, zonder bijkomende feiten en omstandigheden, die ontbreken, onvoldoende om gerechtvaardigde verwachtingen bij de totstandkoming van de Overeenkomst aan te nemen.

6.7.

Het hof neemt ook de zogenaamde “restitutiebrief” van 10 december 2015 in aanmerking (tussenarrest, 2.8). Attero heeft in die brief laten weten bepaalde bedragen te zullen crediteren over 2015 en 2016 omdat bedragen kunnen worden teruggevraagd bij de Belastingdienst: het gaat om regels om recycling te bevorderen en de inspanningen van Attero in dat kader, zo heeft Attero geschreven.

Waste Connection stelt dat Attero zich in deze brief – ook voor jaren na 2016 – ondubbelzinnig heeft gecommitteerd en zonder voorbehoud haar handelwijze heeft aangekondigd, waarop Waste Connection gerechtvaardigd heeft vertrouwd: Attero betaalt de bedragen terug die zij terug ontvangt van de Belastingdienst, aldus Waste Connection .

Het hof verwerpt deze stelling. Uit de tekst van de brief heeft Waste Connection naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet mogen afleiden dat Attero een dergelijk commitment voor de jaren vanaf 2017 heeft gegeven. Dat er bepaalde passages in de brief zijn die daarop wijzen, heeft Waste Connection niet gesteld. Andere relevante omstandigheden, die op de juistheid van haar standpunt wijzen, zijn evenmin gesteld.

Het voorgaande laat echter naar het oordeel van het hof onverlet dat de handelwijze van Attero en de gegeven toelichting daarvoor, zoals beschreven in de brief van 10 december 2015, een belangrijke omstandigheid is bij de uitleg van de Overeenkomst. Attero heeft in het licht van de nieuwe “ontwikkelingen op het gebied van de afvalstoffenbelasting” (volgens de brief) besloten dat de bedragen die zij van de Belastingdienst terug zou ontvangen, aan Waste Connection toekwamen. Dat zegt veel over de visie die Attero destijds zelf had over de, gelet op het door haar in de brief uitgelegde systeem van de afvalstoffenbelasting, juiste betekenis van artikel 9.1 van de Overeenkomst en dus ook, naar het hof aanneemt bij gebreke van een nadere toelichting, over de betekenis die partijen bij het aangaan van de Overeenkomst redelijkerwijs daaraan hebben mogen geven: de prijs is een vast bedrag per ton en de geldende heffingen zijn voor rekening van Waste Connection . Deze visie van Attero wijst bij de uitleg van de Overeenkomst in de door Waste Connection verdedigde richting. Hierbij is van belang dat de verlenging van de Overeenkomst begin 2017 tot stand is gekomen (tussenarrest, 2.3) – derhalve vlak na de periode 2015-2016, waarover Attero de restitutiebrief heeft geschreven. Bij de verlenging heeft geen wijziging van de oorspronkelijke overeenkomst plaatsgevonden, zodat Waste Connection erop mocht vertrouwen dat de door Attero in de restitutiebrief gegeven uitleg ook voor de vanaf 2017 geldende periode van toepassing zou zijn.

Attero heeft een schriftelijke verklaring overgelegd van haar toenmalige accountmanager [accountmanager] (productie 1 bij antwoord in eerste aanleg). In deze verklaring staat dat enkele leveranciers in 2015 hebben verzocht om teruggave, dat Attero dat in eerste instantie heeft geweigerd (omdat Attero daartoe niet verplicht was op grond van de Overeenkomst), dat Attero na aandringen van leveranciers op commerciële gronden een gebaar heeft willen maken (teruggave over 2015 en 2016), dat niet is gesproken over 2017 en daarna en dat Attero een nader verzoek van onder andere Waste Connection in 2017 heeft geweigerd onder verwijzing naar de Overeenkomst.

Het hof is van oordeel dat deze schriftelijke verklaring, in het licht van de hiervoor aangehaalde restitutiebrief, onvoldoende concreet en specifiek is en daarom onvoldoende gewicht in de schaal legt en geen toereikende onderbouwing oplevert van het standpunt van Attero. Immers, de tekst van de brief duidt geenszins op een handreiking uit louter commerciële motieven, maar geeft in neutrale bewoordingen het systeem van de Wbm weer gevolgd door de woorden: “Wat betekent dit voor u?”

6.8

Het hof slaat ook acht op de gewoonte in de markt. Waste Connection stelt dat alle afvalverwerkers, behalve Attero, het standpunt van Waste Connection volgen en de heffingen, die zij terugkrijgen van de Belastingdienst, terugbetalen aan de aanbieders. Attero betwist deze stelling, maar zij is niet concreet ingegaan op de vraag welke afvalverwerkers haar visie delen en haar handelwijze volgen. Attero voert niet aan dat zij niet zou beschikken over de voor een dergelijke toelichting vereiste gegevens. Het hof acht het standpunt van Attero daarom niet voldoende onderbouwd. Het hof gaat er daarom als onvoldoende weersproken van uit dat de (meeste) marktpartijen de visie van Waste Connection volgen. Dit biedt steun voor de door Waste Connection verdedigde uitleg van de Overeenkomst.

6.9

Het hof heeft verder tijdens de mondelinge behandeling met partijen gesproken over de wet (Wbm), de parlementaire geschiedenis en het Handboek van de Belastingdienst. Het ging hierbij om inzicht in de ratio en het stelsel van de wet en de bedoeling van de Wbm-wetgever. Heeft de wetgever in wezen subsidie willen verstrekken aan afvalverwerkers (voor recycling, zoals Attero betoogt)? Of heeft de wetgever willen vastleggen dat alleen het storten of verbranden van afval wordt belast, voor zover daarna geen nuttige reststoffen resteren en dat betaalde heffingen daarom na vermindering moeten worden terugbetaald, zoals Waste Connection bepleit?

Partijen zijn het erover eens dat de parlementaire geschiedenis en de andere bronnen geen eenduidige richting geven op deze of andere relevante punten. Partijen hebben geen specifieke passages aangewezen waarin een voldoende kenbare en duidelijke bedoeling is beschreven. Partijen hebben wel uitvoerig aandacht besteed aan de administratie en aan het mechanisme van betalen en verrekenen (vergelijkbaar met de btw). Het hof is echter van oordeel dat er in dit geval geen goede redenen zijn om aan te nemen dat deze administratie en dit mechanisme bepalend zouden zijn voor de bedoeling van de wetgever op het punt van wie profijt zou moeten hebben van de vermindering van artikel 27 Wbm. Niets wijst erop dat de wetgever bij het structureren van de administratie beoogde het profijt van de vermindering toe te delen aan een bepaalde partij.

6.10

Het hof is, alles in aanmerking genomen, en bezien in onderling verband en samenhang, van oordeel dat Waste Connection wat betreft de uitleg van de Overeenkomst op het punt van de bodemassen het gelijk aan haar zijde heeft. De tekst van de Overeenkomst, de handelwijze van Attero in 2015 en 2016 en de gewoonte in de markt wijzen in deze richting. Over de context en het stelsel van de Overeenkomst, en over het stelsel en de bedoeling van de wet, zijn geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die dit anders maken. De juiste uitleg van de Overeenkomst is dan ook dat Waste Connection aanspraak heeft op terugbetaling van heffingen indien de Belastingdienst vermindering verleent. Zo heeft Waste Connection de Overeenkomst redelijkerwijs mogen opvatten bij het aangaan daarvan.

6.11

Attero voert in de kern nog zes standpunten aan voor de andersluidende uitleg van de Overeenkomst, die zij verdedigt. Het hof verwerpt deze standpunten om de na te melden redenen, in aanvulling op het voorgaande.

(a) Standpunt 1: het afval is vanaf het tijdstip van de aflevering (door Waste Connection bij Attero) eigendom van Attero en voor rekening en risico van Attero.

Het hof verwerpt dit standpunt omdat de prijsafspraak (art. 9.1 Overeenkomst), naar bij gebreke van een nadere toelichting moet worden aangenomen, niets te maken heeft met de eigendom en het risico van het afval.

(b) Standpunt 2: op het tijdstip van aflevering is niet duidelijk of een vermindering van de belasting zal plaatsvinden omdat op dat tijdstip niet duidelijk is hoe het afval zal worden verwerkt en wat voor bodemassen zullen worden gerecycled.

Deze omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof niet van belang bij de uitleg van (de prijsafspraak in) de Overeenkomst. Waste Connection moet volgens die prijsafspraak “de dan geldende Wbm-heffing” betalen. Uit de woorden “de dan geldende Wbm-heffing” volgt, naar Waste Connection bij gebreke van een nadere toelichting redelijkerwijs heeft mogen aannemen bij de totstandkoming van de Overeenkomst, dat partijen aansluiting hebben gezocht bij het stelsel van de Wbm. Bij de uitleg van deze woorden mag het stelsel van de Wbm dus niet buiten beschouwing worden gelaten. Artikel 27 Wbm is een integraal onderdeel van dat stelsel: dat blijkt al uit de woorden “vermindering” van de “belasting” in artikel 27 lid 1 Wbm. De woorden “de dan geldende heffing” hebben betrekking op dat gehele stelsel. De betaling door Waste Connection bij de aflevering moet bij deze stand van zaken worden aangemerkt als onderworpen aan de gehele wettelijke regeling die op dat tijdstip geldt, inclusief de mogelijkheid van vermindering. Daarom moet een afwikkeling volgen in geval van vermindering van de belasting. In dat geval is immers gebleken dat de heffing lager is dan partijen dachten bij de aflevering van het afval en bij de betaling van de heffing.

(c) Standpunt 3: Attero maakt door verbranding in haar inrichting een nieuw product (bodemas, recycling, grondstoffen voor bijvoorbeeld wegenbouw en waterbouw) dat niet in verband kan worden gebracht met het afval dat Waste Connection heeft aangeleverd.

Het hof is van oordeel dat de bodemassen in voldoende mate rechtstreeks te herleiden zijn tot het aangeleverde afval. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het bij de bodemassen voornamelijk gaat om grind, puin en soortgelijke stoffen, die al aanwezig zijn in het aangeleverde afval en niet branden, waardoor zij als bodemassen de inrichting verlaten. Het gaat dus niet (in een relevant opzicht) om een nieuw of ander product. Het gaat om stoffen die er al waren in de vuilniswagens van Waste Connection en bij Attero nog resteren als het overige afval is verbrand.

(d) Standpunt 4: het is voor Attero onmogelijk om vast te stellen welke bodemassen afkomstig zijn uit het door Waste Connection aangeleverde afval.

Partijen zijn het erover eens dat Attero via bemonstering ter controle of het aangeboden afval aan de daaraan door Attero gestelde eisen voldoet, inzicht heeft in de samenstelling van het afval. Attero heeft niet voldoende weersproken dat zij de bodemassen op voldoende nauwkeurige wijze (naar evenredigheid) kan toerekenen aan de afzonderlijke aanbieders van afval. Dit is naar het oordeel van het hof voldoende. Het klopt wel dat een exacte relatie niet vast te stellen is (welke moleculen puin zaten in de vuilniswagens van Waste Connection , en niet in andere vuilniswagens?), maar dit is voor de uitleg van de Overeenkomst niet van belang. Waste Connection heeft bij de totstandkoming van de Overeenkomst redelijkerwijs mogen aannemen dat een berekening naar evenredigheid wordt gehanteerd.

(e) Standpunt 5: Attero is de belastingplichtige. Zij rekent af met de Belastingdienst. Waste Connection heeft niets te maken met deze in de wet vastgelegde administratie.

De structuur van deze administratie legt naar het oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal bij de uitleg van de prijsafspraak in de Overeenkomst. De wetgever heeft niet voor ogen gehad dat de structuur van de administratie bepalend zou zijn voor de vraag wie recht heeft op het bedrag van de vermindering, althans hierover is niets gesteld of gebleken.

(f) Standpunt 6: Attero maakt (steeds meer) kosten voor recycling en de naleving van wettelijke en overige regels. Die kosten/inspanningen leiden volgens Attero tot de vermindering van de belasting (artikel 27 Wbm), die (onder meer) voorziet in de dekking van deze kosten. Indien Attero het bedrag van die vermindering aan Waste Connection moet betalen, zal Attero de kosten verdisconteren in de vaste prijs en zou Attero dat ook in de Overeenkomst hebben gedaan (indien dit onderwerp bij de totstandkoming daarvan zou zijn besproken), aldus Attero.

Het hof overweegt dat Attero deze punten vanzelfsprekend kan betrekken bij onderhandelingen over de prijs voor de periode na de looptijd van de Overeenkomst. Zij heeft echter onvoldoende concrete feiten aangevoerd (over de totstandkoming van de Overeenkomst) om een ander oordeel te rechtvaardigen over de uitleg van de Overeenkomst. Zij heeft immers niet aan de hand van concrete feiten uitgelegd dat en waarom zij bij het aangaan van de Overeenkomst redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat Waste Connection haar visie over de vermindering en de vaste prijs deelde, in die zin dat bepaalde kosten niet in de vaste prijs waren verdisconteerd en (dus) ook langs andere wegen (de vermindering) moesten en zouden worden gedekt. Bovendien heeft Attero ter zitting desgevraagd meegedeeld dat zij bij het bepalen van de door Waste Connection te betalen prijs per ton rekening heeft gehouden met al haar kosten, afschrijvingen en winstopslag.

6.12

De conclusie wat betreft de uitleg van de Overeenkomst op het punt van de bodemassen is dan ook dat Waste Connection recht heeft op terugbetaling van de door haar behaalde heffingen voor zover deze betrekking hebben op bodemassen die de inrichting verlaten, waardoor vermindering wordt verleend op de belasting (artikel 27 Wbm).

De grieven in principaal hoger beroep slagen (met uitzondering van grief 3, die het hof eerder heeft verworpen, en grief 12, die hierna aan de orde komt).

Bodemassen – berekening van de vorderingen

6.13

De kwantificering van de vorderingen van Waste Connection houdt partijen verder ook verdeeld. Waste Connection vordert betaling van bedragen die zij berekent aan de hand van cijfers over volumes die de inrichting verlaten, zoals gepubliceerd op Afvalonline.nl (grief 12, principaal hoger beroep). Attero vindt (subsidiair) dat de verschuldigde bedragen moeten worden berekend in overeenstemming met de werkwijze die Attero zelf heeft gehanteerd voor haar berekeningen over 2015 en 2016 (toen zij naar zij aanvoert op commerciële gronden bereid was dergelijke bedragen aan Waste Connection te vergoeden). Attero heeft haar werkwijze als volgt toegelicht (conclusie van antwoord, 4.3):
“Wastes berekening van de restitutie is onjuist. De berekening is ook veel ingewikkelder dan Waste doet voorkomen. Zij gaat onder meer voorbij aan het feit dat per verbrandingsinstallatie verschillende percentages aan bodemas overblijven. Daarnaast miskent Waste bij deze berekening dat van de overgebleven bodemassen een gedeelte afkomstig is van geïmporteerd afval, waarover geen afvalstoffenbelasting is geheven en dus ook niet wordt gerestitueerd. Bovendien moet rekening worden gehouden met de waterbalans van het afval. Hoe dan ook is het voor Attero onmogelijk om vast te stellen welk percentage van de overgebleven bodemassen afkomstig is van Waste. Vandaar dat in 2015 en 2016 teruggave geschiedde op basis van een commercieel overeengekomen percentage.”

6.14

Waste Connection is niet (gemotiveerd) ingegaan op deze toelichting van Attero. Waste Connection heeft geen adequate reactie gegeven op de door Attero genoemde punten in de berekening. Waste Connection merkt op dat de gegevens afkomstig zijn van Attero zelf (bedoeld is, naar het hof begrijpt, dat Attero de gegevens aan Afvalonline.nl aanlevert) en dat zij (met voornoemde [accountmanager] ) de term “waterbalans” niet kent. Het hof acht dit onvoldoende ter onderbouwing van de stellingen van Waste Connection . Het hof is daarom van oordeel dat de vorderingen van Waste Connection onvoldoende onderbouwd zijn voor zover Waste Connection bij deze vorderingen afwijkt van de werkwijze die Attero voor 2015 en 2016 heeft gehanteerd. Grief 12 in principaal hoger beroep faalt. De gewijzigde eis van Waste Connection in hoger beroep moet worden afgewezen.

6.15

Het hof zal daarom de door Waste Connection gevorderde verklaringen voor recht (kort gezegd: zij heeft recht op terugbetaling na vermindering van de heffing, te berekenen conform de Wbm-administratie) toewijzen, met uitzondering van het gedeelte dat betrekking heeft op de cijfers van Afvalonline.nl (“waarbij de hoeveelheid verbrand afval en de hoeveelheid achtergebleven ruwe bodemas herleid worden uit de informatie die via Afvalonline.nl beschikbaar komt”).

Het hof zal de vorderingen tot aanvullende betalingen over 2015-2016 afwijzen. Deze vorderingen hebben, naar het hof begrijpt, geheel betrekking op de cijfers van Afvalonline.nl. Zoals hiervoor is overwogen zijn die cijfers niet bepalend en dient afgerekend te worden conform de berekening van Attero over de jaren 2015-2016. In rechte staat vast dat Attero deze bedragen reeds heeft voldaan.

Het hof zal de vordering tot betaling over 2017 en de jaren daarna afwijzen omdat Waste Connection niet inzichtelijk heeft gemaakt welk deel daarvan wordt gerechtvaardigd door de berekeningen die Attero over 2015 en 2016 heeft gehanteerd. Attero is voor de resterende jaren van de Overeenkomst vanaf 2017 op grond van de na te melden verklaringen voor recht tot betaling gehouden op de voet van haar berekeningen (werkwijze 2015-2016). Partijen kunnen die berekeningen zelf maken (zij zullen dat toch voor de jaren na 2017 moeten doen, na dit geding, omdat die cijfers nog niet beschikbaar zijn) en een veroordeling tot betaling van een exact bedrag hoeft daarom niet in dit arrest te worden vastgelegd.

Export

6.16

Uit al het voorgaande volgt dat het hof de standpunten van Waste Connection juist acht wat betreft het geëxporteerde afval. Partijen zijn het erover eens dat de Wbm-heffing niet is verschuldigd met betrekking tot dit afval. Het hof is van oordeel dat Waste Connection in de situatie van export aanspraak mag maken op terugbetaling van door haar betaalde heffingen, omdat in die situatie – na export – is gebleken dat de heffing niet verschuldigd is.

6.17

Het hof verwerpt de standpunten van Attero hierover.

Deze standpunten komen erop neer dat het afval vanaf het moment van aflevering bij Attero volledig voor haar rekening en risico komt en dat de aanbieder ( Waste Connection ) vanaf dat tijdstip niets meer te maken heeft met dat afval, en ook geen zorgen meer heeft wat betreft dit afval. Attero noemt dit het “ontzorgingsmodel”. Attero wijst er ook op dat op het tijdstip van aflevering bij haar geheel onduidelijk is of het afval zal worden geëxporteerd; dat hangt af van talrijke omstandigheden en keuzes in haar bedrijfsvoering, aldus Attero. Bij export worden volgens haar extra kosten gemaakt, waartegenover de vermindering van de heffing staat.

Het hof is van oordeel dat al deze standpunten afstuiten op de beslissing hiervoor dat Waste Connection op grond van de Overeenkomst, zoals partijen deze redelijkerwijs bij het aangaan daarvan hebben mogen opvatten, de volgens de wet verschuldigde heffingen moet betalen, en ook niet meer dan dat. Het hof verwerpt de standpunten van Attero:

(
a) In de Overeenkomst (en in de wet) zijn naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunten te vinden voor een risicoverdeling, een ratio of een “ontzorging” die een andere conclusie rechtvaardigt wat betreft de uitleg van de prijsafspraak in de Overeenkomst.

( b) Het klopt wel dat de export doorgaans nog niet bekend is of vast staat op het tijdstip van de aflevering (door Waste Connection bij Attero), maar dat is naar het oordeel van het hof niet van belang. Zoals hiervoor is overwogen (ro. 6.11 (b)), hebben partijen aansluiting gezocht bij het stelsel van de wet, moet de wet als één geheel worden gezien en is artikel 27 Wbm een integraal onderdeel van dat stelsel. Dat geldt ook voor de export.

( c) Attero heeft niet aan de hand van concrete feiten onderbouwd dat partijen in de Overeenkomst hebben voorzien in een (afzonderlijke, niet in de algemene prijs verdisconteerde) vergoeding voor dergelijke kosten. Daarom doet haar stelling, dat zij extra kosten maakt, niet ter zake.

( d) Attero heeft ook wat betreft de export niet voldoende weersproken dat zij haar geëxporteerde volumes op voldoende nauwkeurige wijze (naar evenredigheid) kan toerekenen aan de afzonderlijke aanbieders van afval (ro. 6.11 (d) hiervoor). Dit is naar het oordeel van het hof voldoende: de gezamenlijke aanbieders van afval ontvangen gezamenlijk de totale vermindering van belasting terug. Het klopt wel dat een exacte relatie niet vast te stellen is (welke volumes geëxporteerd afval zaten in de vuilniswagen van Waste Connection , en niet in andere vuilniswagens?), maar dit is voor de uitleg van de Overeenkomst niet van belang.

6.18

Uit deze overwegingen volgt dat de vorderingen van Waste Connection met betrekking tot het geëxporteerde afval terecht door de rechtbank zijn toegewezen en dat de grieven in het incidenteel hoger beroep falen.

Slotoverwegingen

6.19

Het hof overweegt wat betreft de gevorderde wettelijke handelsrente (over de aanvullende restitutie over 2015 tot en met 2017) dat artikel 6:119a BW niet van toepassing is omdat het hier gaat om terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen. Er is met andere woorden geen sprake van een handelsovereenkomst zoals vereist in dat wetsartikel. De gewone wettelijke rente is verschuldigd vanaf het tijdstip van de sommatie, maar het hof zal de vorderingen op het punt van de rente afwijzen omdat de kwantificering van de verschuldigde hoofdsommen niet vast staat, zoals hiervoor is overwogen (ro. 6.15). Partijen zullen de correcte bedragen aan de hand van de na te melden verklaringen voor recht kunnen berekenen en afwikkelen, inclusief de verschuldigde wettelijke rente.

6.20

De vordering van Waste Connection tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet naar het oordeel van het hof worden afgewezen. Waste Connection heeft ter onderbouwing van deze vordering niets anders naar voren gebracht dan de stelling dat haar advocaat een sommatie heeft verzonden en heeft geprobeerd voldoening buiten rechte te verkrijgen. Die stelling is onvoldoende ter onderbouwing van deze vordering.

6.21

De conclusie van het voorgaande is dat de grieven in principaal hoger beroep (met uitzondering van de grieven 3 en 12) slagen, dat die grieven 3 en 12 falen, dat de grieven in incidenteel hoger beroep falen en dat het bestreden vonnis op de na te melden punten moet worden vernietigd en voor het overige moet worden bekrachtigd.

6.22

Attero zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld in beide instanties, met inbegrip van de nakosten en de wettelijke rente, zoals gevorderd.

7 De uitspraak

Het hof:

in het principaal appel en in het incidenteel appel

vernietigt het bestreden vonnis, doch uitsluitend voor zover de proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd (5.4.) en voor zover hetgeen meer of anderszins gevorderd is afgewezen (5.5.);

en in zoverre opnieuw rechtdoende

verklaart voor recht dat Attero over de jaren 2017 en volgende gedurende de resterende looptijd van de Overeenkomst, derhalve tot en met 2026, jaarlijks gehouden is tot gedeeltelijke creditering en terugbetaling aan Waste Connection over te gaan in verband met de vermindering die Attero ontvangt op grond van artikel 27 Wbm onder afgifte van een creditnota;

verklaart voor recht dat dit bedrag op de volgende wijze berekend dient te worden: over de door Waste Connection bij Attero aangeleverde tonnen per jaar moet per aangeleverde ton gecrediteerd worden, te bepalen op grond van een pro rato berekening, het percentage van het voor dat jaar geldende Wbm-tarief dat Attero aan vermindering ontvangt in verband met achtergebleven bodemassen, te vermeerderen met btw;

veroordeelt Attero in de proceskosten van beide instanties, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Waste Connection op € 85,54 aan dagvaardingskosten, op € 3.946,00 aan griffierecht en op € 11.568,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg, en in hoger beroep op € 85,54 aan dagvaardingskosten, op € 5.382,00 aan griffierecht en op € 16.503,00 aan salaris advocaat in principaal hoger beroep, op € 8.251,50 aan salaris advocaat in incidenteel hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden; en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, P.W.A. van Geloven en J.K.B. van Daalen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 januari 2021.

griffier rolraadsheer