Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:79

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
20-000338-19
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:268, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2022:762
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is veroordeeld ter zake van opzettelijk brandstichten (feiten 2 en 3) een poging hiertoe (feit 1) en vernieling (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000338-19

Uitspraak : 20 januari 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 24 januari 2019 in de strafzaak met parketnummer 02-700189-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

thans verblijvende in [PI] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het onder 1, 3, 4 primair en subsidiair en 5 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en is de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde (opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. De vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] ter grootte van € 275,00 is door de rechtbank volledig toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte is veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij, begroot op nihil. De op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen voorwerpen zijn door de rechtbank verbeurd verklaard.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechterbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3, 4 subsidiair en 5 subsidiair ten laste is gelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vordering zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen voorwerpen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze voorwerpen verbeurd zal verklaren.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] heeft de verdediging bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren. Ten aanzien van de op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen voorwerpen heeft de verdediging geen standpunt ingenomen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 23 september 2018 te Terneuzen ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten aan een auto die geparkeerd stond aan de [straatnaam feit 1] , met dat opzet getracht heeft om met behulp van een gasbrander een auto (Mazda) in brand te steken, in elk geval met dat opzet getracht heeft open vuur in aanraking te brengen met een auto, althans met een brandbare stof, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 23 september 2018 te Terneuzen opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een parasol, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die parasol geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor een in de nabijheid van die parasol staande (andere) parasol en/of aldaar staande coniferen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

3.
hij op of omstreeks 23 september 2018 te Terneuzen opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (een) kussen(s) en/of een stoel, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die kussen(s) en/of stoel geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de woning [adres feit 3] , in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de aanwezige personen in voornoemde woning, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige personen in voornoemde woning, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

4.
hij op of omstreeks 23 september 2018 te Terneuzen in de [straatnaam feiten 2 en 4] opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een kliko, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan die kliko geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor het gebouw van [naam gebouw] , in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 23 september 2018 te Terneuzen opzettelijk en wederrechtelijk een kliko, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de gemeente Terneuzen en/of [aangever feit 4] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

5.
hij op of omstreeks 23 september 2018 te Terneuzen opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een voordeur van het pand [adres feit 5] , althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die voordeur geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor het pand [adres feit 5] , in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 23 september 2018 te Terneuzen ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan het pand [adres feit 5] , met dat opzet getracht heeft om met behulp van een gasbrander de voordeur van het pand [adres feit 5] in brand te steken, in elk geval met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met een voordeur van genoemd pand, althans met een brandbare stof, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 4 primair en onder 5 primair en subsidiair tenlastegelegde

Het hof is van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 primair en onder 5 primair en subsidiair tenlastegelegde, op de gronden als vermeld onder het kopje “bewijsvoering”.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 23 september 2018 te Terneuzen ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten aan een auto die geparkeerd stond aan de [straatnaam feit 1] , met dat opzet getracht heeft om met behulp van een gasbrander een auto (Mazda) in brand te steken, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op 23 september 2018 te Terneuzen opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een parasol, ten gevolge waarvan die parasol gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor aldaar staande coniferen te duchten was;

3.
hij op 23 september 2018 te Terneuzen opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met kussens en een stoel, ten gevolge waarvan die kussens en stoel geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor de woning [adres feit 3] en levensgevaar voor de aanwezige personen in voornoemde woning en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige personen in voornoemde woning, te duchten was;

4.
hij op 23 september 2018 te Terneuzen opzettelijk en wederrechtelijk een kliko, die aan een ander, te weten aan de gemeente Terneuzen en/of [aangever feit 4] toebehoorde, heeft beschadigd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hieronder weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging, op gronden zoals verwoord in de pleitnota, integrale vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft de verdediging – kort weergegeven, voor zover van belang – aangevoerd:

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde is op basis van het dossier niet vast te stellen dat er sprake is van het voor een strafbare poging vereiste begin van uitvoering dat op basis van de uiterlijke verschijningsvorm gericht was op de voltooiing van het misdrijf. Er is geen vuur waargenomen of enige andere handeling waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte bezig was met het in brand steken van de auto en ook is er geen enkele beschadiging of brandspoor waargenomen. De gaslucht rondom de auto maakt dit niet anders.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde is niet vast komen te staan hoe de parasol in brand is gestoken, nu op de beelden bij cliënt niet enig voorwerp te zien is dat gelijkenissen vertoont met de brander die onder de auto (tenlastegelegde onder 1) is aangetroffen. Dat de parasol in brand is gestoken met de onder de verdachte in beslag genomen aansteker is maar zeer de vraag, nu het aannemelijk is dat de parasol waarschijnlijk geïmpregneerd was. Tevens kan niet worden vastgesteld wat de snelheid van de brand is geweest en derhalve is het mogelijk dat de brand al gaande was op het moment dat de verdachte op de camerabeelden is verschenen. Ten slotte bestaat de mogelijkheid dat een ander persoon ter plaatse is geweest die de brand heeft gesticht, nu de parasol niet op de camerabeelden waar te nemen is en deze parasol pas op de T-splitsing in de [straatnaam] is te zien.

Op basis van het dossier is er geen enkel direct bewijsmiddel dat de verdachte linkt aan het onder 3 en 4 primair en subsidiair tenlastegelegde. De enkele omstandigheid dat de verdachte op het desbetreffende tijdstip in de buurt is geweest, levert onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op om tot een bewezenverklaring te komen. De in het dossier geschetste modus operandi komt in het dossier niet naar voren en derhalve kan er geen gebruik worden gemaakt van schakelbewijs.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof allereerst de navolgende feiten en omstandigheden vast.1 Bij de beoordeling van de verweren zal het hof van die feiten en omstandigheden uit gaan. Het hof zal hiertoe, ten behoeve van de overzichtelijkheid en de leesbaarheid, de gebeurtenissen in chronologische volgorde bespreken.

Tenlastegelegde onder 2

Op 23 september 2018 deed [aangeefster feit 2] aangifte van brandstichting. Hierbij verklaarde zij dat zij de eigenaresse is van [benadeelde partij] , met bijbehorend terras, gevestigd aan de [adres feit 2] te Terneuzen. Op het terras stonden die nacht twee grote ingevouwen parasols van het merk Heineken, welke parasols haar eigendom zijn en

€ 275,00 per stuk kosten. Door de politie is aan haar verteld dat er die nacht is getracht één van de twee parasols in brand te steken.2

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij deze desbetreffende nacht door de [straatnaam feiten 2 en 4] liep langs [benadeelde partij] ’ en zag dat er een parasol in brand stond. Op het moment dat de getuige hier snel naartoe liep, zag hij een man wegrennen. Deze man was donker gekleed, droeg een trainingsbroek die een beetje glom en hij droeg een pet met een capuchon eroverheen. Hierop is de getuige de brand gaan blussen met zijn handen, omdat hij dacht dat anders de dennenboom ook in brand zou gaan.3

Uit de beschikbare camerabeelden van een Grieks restaurant, gevestigd aan de [adres restaurant] te Terneuzen, blijkt dat de verdachte, gekleed in een zwarte broek met aan de zijkant lichte strepen, een zwarte sweater met opdruk en een zwarte pet, omstreeks 03.49.27 uur uit de richting van [naam café 1] liep over de [straatnaam feiten 2 en 4] langs het Grieks restaurant. Omstreeks 03.49.50 uur liep hij vanaf de [straatnaam feiten 2 en 4] in de richting van de [straatnaam] , waarbij hij een donkerkleurig voorwerp in zijn rechterhand had dat hij stak in de zak aan de voorzijde van zijn lichaam. De verdachte keek in de richting van de parasol en liep linksaf naar de [straatnaam] , in de richting van de parasol en uit zicht van de camera’s. Ongeveer 25 seconden later, omstreeks 03.50.14 uur, komt een manspersoon, naar later blijkt de getuige [getuige 1] , in beeld gelopen. Enkele meters achter [getuige 1] loopt een manspersoon. Beiden personen liepen in dezelfde richting als de verdachte en op dat moment waren er geen andere personen die over de [straatnaam feiten 2 en 4] in de richting van de [straatnaam] liepen. Op het moment dat [getuige 1] ter hoogte van de [straatnaam] kwam, is te zien dat hij in de richting van de parasol keek en opeens met verhoogde snelheid in deze richting sprintte en uit het zicht van de camera’s verdween.4 De verdachte heeft zichzelf ook herkend op de camerabeelden.5

Uit het verrichte brandonderzoek bleek dat de parasol waar een brandhaard had gewoed zich bevond bij een glazen terrasscherm en onder coniferen, met aan de onderzijde verschillende dorre takken. Aan de voorzijde van de parasol was lichte brandschade aan de onderzijde van het parasoldoek te zien. Een gedeelte was zichtbaar weggebrand en gesmolten kunststof was naar beneden op de stenen parasolvoet gedrupt. Naar aanleiding van dit brandonderzoek is geconcludeerd dat een atmosferische- of een technische oorzaak uitgesloten kan worden en dat deze brand werd veroorzaakt door het al dan niet opzettelijk bijbrengen van open vuur aan de onderzijde van het doek van de ingeklapte parasol. Hierbij is geen indicatie verkregen dat er een ontbrandbare vloeistof is gebruikt. Een gemeen gevaar voor goederen is door de brand te duchten geweest, nu mogelijk de terrasmeubels ernaast, het glazen terrasscherm erachter en waarschijnlijk de coniferen erboven door hitte en/of vuur zouden zijn aangetast als de brand niet zou zijn gedoofd.6

Tenlastegelegde onder 4

Op 23 september 2018 heeft [aangever feit 4] , wonende aan de [adres feit 4] te Terneuzen, aangifte gedaan van brandstichting. Op het moment dat hij die nacht zijn deur openmaakte, zag hij dat zijn groene kliko in brand stond, welke tegen de gevel van [naam gebouw] stond.7 [aangever feit 4] verklaarde later dat zijn vrienden die nacht omstreeks 04.09 uur appten dat zij bij zijn huis waren. Toen zij aankwamen zagen zij dat er een kliko op het schoolplein van [naam gebouw] in brand stond. [aangever feit 4] en zijn vrienden hebben de brand met een teil en een pan met water geblust.

Uit het verrichte brandonderzoek blijkt dat de kunststofdeksel van de afvalcontainer gedeeltelijk naar boven was verbogen. Midden op de deksel was een door hitte en/of vuur veroorzaakte beschadiging, in de vorm van een langwerpig gat van enkele centimeters doorsnede. Het kunststof rondom deze beschadiging was als gevolg van hitte naar beneden toe ingezakt. De binnenzijde van de afvalcontainer was beroet en zwart aangeslagen. Het kunststof rondom de beschadiging was naar binnen toe versmolten. Naar aanleiding van dit brandonderzoek is geconcludeerd dat een atmosferische- of een technische oorzaak uitgesloten kan worden en dat deze brand werd veroorzaakt door het al dan niet opzettelijk bijbrengen van open vuur op de bovenzijde van de kunststof deksel van de afvalcontainer. Hierbij is geen indicatie verkregen dat er een ontbrandbare vloeistof is gebruikt. Behalve een vernieling met behulp van vuur kan niet geconcludeerd worden of er door de brand daadwerkelijk een gemeen gevaar voor goederen te duchten was geweest.8

Tenlastegelegde onder 3

Op 23 september 2018 deed [aangeefster feit 3] aangifte van brandstichting bij haar woning aan de [adres feit 3] te Terneuzen, waar zij samen met haar echtgenoot en zoon woonachtig is. Zij verklaarde dat zij die nacht ineens wakker werd gemaakt door haar echtgenoot, die beneden sliep, die riep dat er brand was.9 Uit de verklaring van de getuige [getuige 2] , de echtgenoot van aangeefster [aangeefster feit 3] , blijkt dat hij op 23 september 2018 omstreeks 04.30 uur lag te slapen op de bank in de woonkamer en dat hij wakker werd van geknetter. Dit geknetter kwam vanaf de voordeur en door de voordeur heen zag hij vlammen. Hierbij zag hij dat de ruit van de voordeur was gebarsten en dat de stoel die recht tegen de voordeur aanstond in brand stond. De muur waar de stoel tegenaan stond, was zwart van het roet. Ik denk dat als ik niet wakker was geworden de ruit van de voordeur was gesprongen en de vlammen naar binnen waren geslagen. Dit denk ik omdat de ruit al gebarsten was.10

Het hof merkt op dat gelet op het feit dat de brand omstreeks 04.30 uur is ontdekt en toen al enige omvang had, het niet anders kan zijn dan dat deze brand vóór 4.30 uur is aangestoken. De [adres feit 3] ligt blijkens de plattegrond op dossierpagina 128 op korte afstand van de [straatnaam feit 1] ter hoogte van nummer [nummer] waar verdachte omstreeks 04.30 uur op heterdaad van een poging brandstichting werd aangetroffen (zie hierna).

Uit het verrichte brandonderzoek blijkt op de zijmuur door het roet een duidelijk V-vormig brandbeeld op de stenen. Bovenop de tegels van de vloer waren geelkleurige gesmolten kunststof resten zichtbaar. De houten deurpost aan de scharnierzijde van de voordeur was door hitte en/of vuur aangetast. Het glas in de twee ramen van de voordeur is waarschijnlijk als gevolg van de hitte aangetast. De stoel is door de brand aangetast en bestaat alleen nog uit een metalen frame. Volgens informatie van de aanwezige bewoners zou op de stoel een zit- en een rugkussen hebben gelegen. De stoelpoot heeft op een afstand van ongeveer 30 centimeter van de voordeur gestaan. Naar aanleiding van dit brandonderzoek is geconcludeerd dat een atmosferische- of een technische oorzaak uitgesloten kan worden en dat deze brand werd veroorzaakt door het al dan niet opzettelijk bijbrengen of achterlaten van open vuur bij/op de kussens van de stoel. Hierbij is geen indicatie verkregen dat er een ontbrandbare vloeistof is gebruikt. Door de brand zou er een mogelijk gemeen gevaar voor goederen en/of personen te duchten zijn geweest.11

Tenlastegelegde onder 1

Op 23 september 2018 omstreeks 04.28 uur reden de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in de [straatnaam feit 1] te Terneuzen. Ter hoogte van de woning [locatie aantreffen verdachte] zag verbalisant [verbalisant 1] een personenauto staan, merk Mazda, voorzien van het kenteken [kenteken] , waarbij direct naast en aan de rechterzijkant van dit voertuig een persoon, naar later blijkt de verdachte, op een donkere plek gehurkt op zijn knieën, op de grond zat. De verdachte droeg donkere kleding en droeg een capuchon over zijn hoofd. Op het moment dat verbalisant [verbalisant 1] naar de verdachte toe rende, zag en hoorde hij dat de verdachte iets onder de personenauto gooide. Hierbij hoorde hij een geluid van metaal dat op de grond viel. Op dat moment stapte verbalisant [verbalisant 2] uit het dienstvoertuig en ook hij hoorde een geluid van metaal dat op grond viel. Hierop hebben de verbalisanten de verdachte vastgepakt en zagen zij dat hij aan allebei zijn handen witte latex handschoenen droeg. De toevallig ter plaatse gekomen verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben onder de personenauto gekeken en zagen dat hier een gasbrander lag.12

Uit de aangifte van [aangever feit 1] d.d. 23 september 2018 blijkt dat op het moment dat hij de desbetreffende auto parkeerde “gistermiddag” tegenover zijn woning aan de [adres feit 1] te Terneuzen op 22 september 2018 er geen voorwerpen op straat lagen en dat de gasbrander niet op de plaats lag toen hij de auto daar parkeerde.13 De afstand tussen deze personenauto en de gevel van perceel [locatie aantreffen verdachte] bedroeg 90 centimeter.14

Op het moment dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de verdachte staande hielden, roken zij beiden een sterke penetrante gaslucht rondom de personenauto en rond de verdachte. De gasbrander bleek een onkruidbrander met daaraan een gasfles te zijn. De onkruidbrander is in beslag genomen en in een papieren zak in de achterbak van het het dienstvoertuig gelegd. Hierop werd de verdachte overgebracht naar het politiebureau in Terneuzen. Tijdens deze rit roken de verbalisanten dezelfde penetrante gaslucht in het dienstvoertuig, waarbij de ramen van het dienstvoertuig geopend moesten worden omdat de penetrante gaslucht zo sterk was.15 Uit de verklaring van [vriendin verdachte] blijkt dat zij een soortgelijke gasbrander heeft uitgeleend aan de verdachte en deze niet terug heeft gekregen.16

Uit de verklaring van de verdachte volgt dat hij in de nacht van zaterdag 22 op zondag 23 september 2018 bij [naam café 2] is geweest en daarna in [naam café 1] . Vervolgens is hij (blijkens voormelde beelden van het Grieks restaurant aan de [straatnaam feiten 2 en 4] ) – met pet – vertrokken en is hij die nacht enige tijd thuis geweest op het adres [adres verdachte] en heeft hij daarna – zonder pet – zijn woning weer verlaten.17 Na de aanhouding van de verdachte diezelfde nacht omstreeks 04.30 uur is zijn kleding onderzocht en is in de zak aan de voorzijde van de jas van de verdachte een aansteker aangetroffen.18

Bovengenoemde branden vonden plaats binnen een straal van 190 meter van de woning van de verdachte op het adres [adres verdachte] .19

Beoordeling

Uit het voorgaande blijkt met betrekking tot het tenlastegelegde onder 2, het eerste feit in de tijdslijn, dat de verdachte na zijn bezoek aan [naam café 1] omstreeks 03.49.50 uur vanaf de [straatnaam feiten 2 en 4] in de richting van de [straatnaam] liep, waarbij hij een donkerkleurig voorwerp in zijn hand had, en dat hij in de richting van de parasol keek en linksaf richting de [straatnaam] liep. Vervolgens komt ongeveer 25 seconden later de getuige [getuige 1] in beeld. Tussen de verdachte en deze getuige is niemand waargenomen op de beelden die over de [straatnaam feiten 2 en 4] in de richting van de [straatnaam] liepen. Op het moment dat [getuige 1] ter hoogte van de [straatnaam] aan kwam, is te zien dat hij in de richting van de parasol keek en opeens met verhoogde snelheid in deze richting sprintte, omdat hij zag dat er een parasol in brand stond. Hierbij heeft hij waargenomen dat er een man wegrende. De kleding die deze man droeg correspondeert met de kleding die de verdachte droeg toen hij kort voor deze getuige door de camera werd vastgelegd. Bovendien was de verdachte op dat moment in het bezit van een aansteker, terwijl de parasol is gaan branden door het bijbrengen van open vuur.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte degene is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan de brandstichting van de parasol.

De door de verdediging geschetste mogelijkheid dat een ander persoon ter plaatse is geweest die de brand heeft gesticht, nu de parasol niet waar te nemen is op de camerabeelden en dat mogelijk de brand al gaande was op het moment dat de verdachte op de camerabeelden verschijnt, vindt zijn weerlegging in de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen. Uit de camerabeelden is gebleken dat de verdachte richting de parasol heeft gekeken en richting deze parasol is gelopen. Indien de brandstichting van de parasol al had plaatsgevonden, is het volstrekt onaannemelijk dat de verdachte in de richting van de parasol kijkt, hier rustig naartoe loopt en vervolgens wegrent.

Met betrekking tot hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent de snelheid van de brand, inhoudende dat niet vast is komen te staan hoe de parasol in brand is gestoken en dat de parasol waarschijnlijk geïmpregneerd was, overweegt het hof dat de laatste stelling op geen enkele wijze is onderbouwd en er geen begin van aannemelijkheid is dat de parasol niet in korte tijd zou kunnen branden.

Met betrekking tot het tenlastegelegde onder 1 volgt uit de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de verdachte hebben aangetroffen op een donkere plek direct naast een personenauto, terwijl hij gehurkt op zijn knieën op de grond zat, donkere kleding en latex handschoenen droeg en een capuchon over zijn hoofd had. De verbalisanten hebben gezien en gehoord dat de verdachte toen verbalisant [verbalisant 1] naar de verdachte toe rende, iets onder de personenauto gooide, naar later blijkt een onkruidbrander met daaraan een gasfles. Bij de staande houding van de verdachte roken de verbalisanten een sterke penetrante gaslucht rondom de personenauto en rondom de verdachte. Ook tijdens de overbrenging van de verdachte werd dezelfde penetrante gaslucht in het dienstvoertuig geroken. De verklaring van de verdachte dat hij mogelijk gestruikeld is over de onkruidbrander, dat hij hierdoor gehurkt op de grond zat en dat daardoor de penetrante gaslucht aanwezig was acht het hof – alleen al door het feit dat de verdachte latex handschoenen droeg – volstrekt ongeloofwaardig en het hof schuift deze verklaring dan ook terzijde.

Gelet op deze uiterlijke verschijningsvormen is het hof van oordeel dat op grond van het gedrag en de handelingen van de verdachte er wel degelijk sprake is van het voor een strafbare poging vereiste begin van uitvoering dat gericht was op de voltooiing van de brandstichting van de auto. Derhalve acht het hof bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot brandstichting van de personenauto. De omstandigheid dat er – nog – geen vuur, beschadiging of brandspoor is waargenomen, doet aan het voorgaande niet af.

Zoals hiervoor overwogen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder 1 en 2. Zoals hiervoor weergegeven, heeft hetgeen dat onder 3 en 4 subsidiair ten laste is gelegd plaatsgevonden ná het tenlastegelegde onder 2 en vóór het tenlastegelegde onder 1, terwijl al deze incidenten hebben plaatsgevonden binnen een tijdsbestek van nog geen uur en binnen een straal van 190 meter van de woning van de verdachte, waarbij de looproute van de verdachte vanaf [naam café 1] naar de locatie waar de verdachte uiteindelijk is aangetroffen hem langs alle locaties waar de incidenten hebben plaatsgevonden kan hebben gevoerd (zie ook de aan dit arrest gehechte plattegrond), met inbegrip van zijn, naar eigen zeggen, stop bij zijn woning. Ook de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het onder 2 tenlastegelegde een pet droeg en ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde geen pet droeg, wordt verklaard door de omstandigheid dat de verdachte tussendoor in zijn woning heeft verbleven, en vervolgens, naar eigen zeggen daar zonder pet weer is vertrokken. Ook blijkt uit de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen dat bij de incidenten onder hetgeen ten laste is gelegd onder 2, 3 en 4 telkens brand werd veroorzaakt door het al dan niet opzettelijk bijbrengen van open vuur, waarbij geen indicatie is verkregen dat er een ontbrandbare vloeistof is gebruikt. Ook bij hetgeen onder 1 ten laste is gelegd is door de verbalisanten geen ontbrandbare vloeistof aangetroffen.

Het hof is van oordeel dat bij deze twee onder 3 en 4 tenlastegelegde incidenten op essentiële punten sprake is van belangrijke overeenkomsten met de bewezenverklaarde (poging tot) brandstichting onder 1 en 2 in die zin dat het hier ook gaat om het bijbrengen van open vuur, terwijl deze incidenten zich binnen een zeer kort tijdsbestek (03.50 - 04.30 uur) tussen de twee andere (poging tot) brandstichtingen waarbij verdachte betrokken was (feiten 1 en 2) en – blijkens de aangehechte plattegrond – in een zeer kleine straal rondom de woning van de verdachte hebben plaatsgevonden.

Voorts overweegt het hof in dit verband dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van gelijksoortige brandstichtingen. Het betreft de arresten van dit gerechtshof van 22 november 2016 met de ECLI-nummers 2016:5167 en 2016:5165. Hierbij zijn ook goederen in brand gestoken die tegen een gevel aan stonden, overeenkomstig het tenlastegelegde onder 3 (feit 4 van 2016:5167 (fiets(tassen) tegen de gevel) en feit 2 en 6 van 2016:5165 (rolcontainer resp. fiets tegen schuur), is een container in brand gestoken, overeenkomstig het tenlastegelegde onder 4 (feit 2 van 2016:5167 en feiten 2, 10 en 12 van 2016:5165), en een auto, overeenkomstig het tenlastegelegde onder 1 (feit 3 van 2016:5167). Ook werd bij de brandstichtingen in die twee arresten telkens gebruik gemaakt van open vuur, waarbij geen ontbrandbare vloeistoffen zijn gebruikt.

Derhalve acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tevens schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder 3 en 4 subsidiair.

Met betrekking tot het tenlastegelegde onder 4 merkt het hof op dat nu er niet geconcludeerd kon worden of er door de brand daadwerkelijk een gemeen gevaar voor goederen te duchten was geweest het onder 4 primair tenlastegelegde niet bewezen kan worden verklaard, maar volstaan dient te worden met bewezenverklaring van het onder 4 subsidiair tenlastegelegde. Met betrekking tot feit 3 geldt dat een stoel met twee kussens in brand is gestoken die tegen een voordeur van een woning stond waarin aangeefster en haar echtgenoot lagen te slapen. Om die reden acht het hof bewezen dat er gemeen gevaar voor goederen te duchten was, evenals levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

Vrijspraak van het onder 5 primair en subsidiair tenlastegelegde

Met betrekking tot het onder 5 tenlastegelegde overweegt het hof als volgt. Uit de aangifte van [aangever feit 5] , namens gemeente Terneuzen, blijkt dat het pand aan de [adres feit 5] te Terneuzen op 23 september 2018 omstreeks 04.00 uur werd afgesloten. Op 23 september 2018 omstreeks 14.45 uur is ontdekt dat de voordeur en het kozijn zwart geblakerd waren en dat er gepoogd was deze voordeur in brand te steken. Gelet op de omstandigheid dat op basis van het dossier niet precies vastgesteld kan worden wanneer de (poging tot) brandstichting heeft plaatsgevonden en aldus niet vastgesteld kan worden dat dit in de nachtelijke uren van 23 september 2018 heeft plaatsgevonden, kan anders dan bij de feiten 3 en 4 niet gekomen worden tot een bewezenverklaring van deze feiten. Nu er ook geen andere bewijsmiddelen zijn die verdachte in verband brengen met dit feit kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 5 primair en subsidiair tenlastegelegde. Derhalve zal het hof de verdachte vrijspreken van het aan hem onder 5 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk brand stichten,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en,

terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan twee brandstichtingen, een poging daartoe en een vernieling met behulp van vuur. Hiertoe heeft de verdachte in de nachtelijke uren van 23 september 2018 in een tijdsbestek van minder dan één uur in een straal van 190 meter van zijn woning een parasol en een stoel met kussens voor een voordeur van een woning in brand gestoken, waarbij bij de parasol gemeen voor goederen te duchten was en bij de stoel voor de voordeur gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Tevens heeft de verdachte met vuur een kliko beschadigd en ten slotte getracht een auto in brand te steken.

Brandstichting is een bijzonder destructief en gevaarzettend feit. Een brand kan snel een grote vorm aannemen en een onbeheersbaar karakter krijgen. Verdachte heeft bij een van de brandstichtingen ook daadwerkelijk mensenlevens in gevaar gebracht. Daarnaast kan brandstichting gevoelens van angst en onveiligheid oproepen bij de omwonenden, leiden tot maatschappelijke onrust en aanzienlijke materiële schade tot gevolg hebben. Ook vernieling zorgt voor de gedupeerde voor schade, wat ook voor overlast en ergernis zorgt. Het hof rekent dit alles de verdachte zwaar aan.

Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 16 oktober 2020, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij, onder andere, eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van brandstichting en vernieling. Beide veroordelingen hieromtrent dateren van 22 november 2016 van dit hof. In de zaak met ECLI-nummer 2016:5165, parketnummer 20-000620-14, is de verdachte ter zake van in de eerste helft van 2013 in Oosterland gepleegde opzettelijke brandstichting, meermalen gepleegd, en vernieling, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Bij de tweede veroordeling hieromtrent in de zaak met ECLI-nummer 2016:5167, parketnummer 20-003532-14, is de verdachte ter zake van op 2 juni 2014 in Vlissingen gepleegde opzettelijke brandstichting, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden.

Bij de straftoemeting heeft het hof voorts gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, welke tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg zijn gebleken en op de inhoud van de met betrekking tot de persoon van de verdachte opgemaakte rapportages en het reclasseringsrapport van 15 oktober 2020.

In de onderhavige zaak is op 18 december 2018 door psychiater [naam psychiater] een rapportage Pro Justitia opgemaakt omtrent de persoon van de verdachte. De verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek. Omtrent de vraag of de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens heeft de deskundige geconcludeerd dat de verdachte lijdende is aan een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en theatrale kenmerken, welke stoornis gedurende het volwassen leven van de verdachte, en daarmee ook in de periode waarin de tenlastegelegde feiten plaatsvonden, aanwezig was. Omtrent de mate waarin deze stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde heeft beïnvloed, heeft [naam psychiater] zich, vanwege de omstandigheid dat de verdachte heeft aangegeven geen herinnering te hebben aan de periode waarin het tenlastegelegde heeft plaatsgevonden, waarvoor vanuit medisch psychiatrisch oogpunt geen verklaring voor is gevonden, onthouden van advies.

Tevens heeft gezondheidszorgpsycholoog [naam gezondheidszorgpsycholoog] onderzoek verricht naar de persoon van de verdachte, welke bevindingen zijn neergelegd in de Pro Justitia rapportage d.d. 3 januari 2019. Omtrent de vraag of de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens heeft de deskundige geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en afhankelijke trekken, welke stoornis aanwezig was tijdens het tenlastegelegde. Ook [naam gezondheidszorgpsycholoog] heeft zich onthouden van advies omtrent de mate waarin deze stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde heeft beïnvloed, gelet op de omstandigheid dat de onderzoeker vanwege de geclaimde amnesie de eventuele onderliggende drijfveren en motieven van het tenlastegelegde niet met de verdachte heeft kunnen exploreren.

Gelet op het voorgaande is het hof niet gebleken dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar of verminderd toerekeningsvatbaar zou zijn. Ook overigens zijn er geen feiten en omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. Derhalve kan het feit hem om die reden volledig worden toegerekend.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, met het oog op een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, niet worden volstaan met een andersoortige of lichtere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt. Het hof van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en het feit dat de verdachte al eerder voor soortgelijke feiten tot flinke onvoorwaardelijke gevangenisstraffen is veroordeeld en op geen enkele manier verantwoordelijkheid neemt voor deze ernstige misdrijven, de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor de duur van 5 jaren voor de vijf tenlastegelegde feiten, passend en geboden is, ondanks het gegeven dat het hof een feit minder bewezen acht.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder 1 en 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De [benadeelde partij] ’ heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 275,00 aan materiële schade. De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering toegewezen tot een totaalbedrag van € 275,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de [benadeelde partij] ’ als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder 2 rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 275,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2018, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder 2 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij] is toegebracht tot een bedrag van € 275,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 primair, 5 primair en 5 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

twee handschoenen (G1933031), een aansteker (G1939212) en een gasfles (G1933029) .

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] ’ ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 275,00 (tweehonderdvijfenzeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 275,00 (tweehonderdvijfenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 september 2018.

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. A.C. van der Schans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,

en op 20 januari 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. A.C. van der Schans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde einddossier van de politie, districtsrecherche Zeeland, onderzoek ZB1R018070 [naam onderzoek] , opgemaakt door [verbalisant 5] , sluitingsdatum d.d. 20 november 2018, pagina 1 tot en met 296. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster feit 2] , d.d. 23 september 2018, p. 60-61.

3 De processen-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , d.d. 23 september 2018 en 27 september 2018, p. 69-70 en 71-72.

4 Het proces-verbaal bevindingen camera Grieks Restaurant, d.d. 27 september 2018, p. 156 t/m 159.

5 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 27 september 2018, p. 39-40 jo. de afbeelding 7 op p. 49 (screenshot d.d. 23-9-2018 03.49.27 uur).

6 Het proces-verbaal sporenonderzoek branden, d.d. 3 oktober 2018, p. 194 t/m 197.

7 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever feit 4] , d.d. 23 september 2018, p. 84-85.

8 Het proces-verbaal sporenonderzoek branden, d.d. 3 oktober 2018, p. 194 t/m 197.

9 Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster feit 3] , d.d. 23 september 2018, p. 73-74.

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige van [getuige 2] , d.d. 23 september 2018, p. 82-83.

11 Het proces-verbaal sporenonderzoek branden, d.d. 3 oktober 2018, p. 194 t/m 197.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 23 september 2018, p. 113-114.

13 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever feit 1] , d.d. 23 september 2018, p. 103-104.

14 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 23 september 2018, p. 108.

15 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 27 september 2018, p. 125.

16 De processen-verbaal van verhoor getuige [vriendin verdachte] , d.d. 24 september 2018 en 27 september 2018, p. 171 t/m 176 (met name p. 174-175) en 178-179.

17 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 25 september 2018, p. 27 t/m 35 en de verklaring van de verdachte ter zitting in eerste aanleg (proces-verbaal van die zitting, p. 4).

18 Het proces-verbaal van aanhouding, p. 13 en proces-verbaal van bevindingen, d.d. 25 september 2018, p. 129.

19 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 27 september 2018, p. 126-127.