Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:784

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
200.288.432_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging uithuisplaatsing. GI dient op korte termijn en met meer voortvarendheid hulpverlening in te schakelen omdat de aanvaardbare termijn in zicht komt. De GI dient meer rekening te houden met de cultuurverschillen die in deze zaak een rol spelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 18 maart 2021

Zaaknummer : 200.288.432/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/376693 / JE RK 20-1781

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

en

[de moeder] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

verzoekers in hoger beroep,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat: mr. W.R.M. Voorvaart,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] (België) en [minderjarige 2] (roepnaam [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI)).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 december 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 januari 2021, hebben de ouders het hof verzocht om (naar het hof begrijpt): bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de in de bestreden beschikking verleende machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsvervangende omgeving in de vorm van een gezinshuishuis wordt opgeheven per direct, dan wel uiterlijk per 23 maart 2021 en de proceskosten te compenseren.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 februari 2021, heeft de GI (naar het hof begrijpt) verzocht de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 maart 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. Voorvaart;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de ouders op 25 januari 2021;

  • -

    het e-mailbericht ingediend door de advocaat van de ouders op 23 februari 2021 met bijlagen, bestaande uit: de rapportage van het gezinshuis deel I en deel II;

  • -

    het e-mailbericht ingediend door de advocaat van de ouders op 23 februari 2021 met bijlage, bestaande uit: de rapportage van het gezinshuis deel III;

  • -

    het e-mailbericht ingediend door de advocaat van de ouders op 23 februari 2021 met bijlage, bestaande uit: een e-mailbericht van mr. Voorvaart aan de raad waarin hij stukken uit het procesdossier van de eerste aanleg opvraagt;

  • -

    het e-mailbericht ingediend door de raad op 23 februari 2021 met bijlagen, bestaande uit: het verslag van de GI met bijlagen d.d. 23 november 2020, het verzoek van de raad tot een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing d.d. 23 juni 2020, het aanvullend verzoek van de raad tot machtiging uithuisplaatsing d.d. 2 juli 2020 en de brief van de raad inzake het resterende deel van het verzoek ondertoezicht-stelling van 26 november 2020;

  • -

    het e-mailbericht ingediend door de advocaat van de ouders op 1 maart 2021 met bijlage, bestaande uit: een e-mailwisseling tussen mr. Voorvaart en mr. [betrokkene] over haar ervaringen met de ouders naar aanleiding van de contacten die zij met de ouders in het kader van vreemdelingrechtelijke problemen heeft gehad.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] (België);

- [minderjarige 2] , op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .

3.1.1.

De moeder heeft de Guinese nationaliteit.

3.2.

Bij beschikking van 23 juni 2020 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken van 23 juni 2020 tot 7 juli 2020 en aan de GI een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg van 23 juni 2020 tot 7 juli 2020.

3.3.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 6 juli 2020, zoals hersteld bij beschikking van die rechtbank van 13 juli 2020, de voorlopige ondertoezichtstelling verlengd voor de periode van 7 juli 2020 tot 23 september 2020. Tevens is bij deze beschikking een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg en/of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en ten aanzien van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, beide voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot uiterlijk 23 september 2020.

3.4.

Bij beschikking van 22 september 2020 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (definitief) onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 23 september 2020 tot 23 september 2021.

Tevens is bij deze beschikking een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsvervangende omgeving in de vorm van een gezinshuis, met ingang van 23 september 2020 tot 23 december 2020.

De rechtbank heeft de behandeling van het resterende verzoek van de raad met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangehouden, in afwachting van bericht van de raad en de GI.

3.5.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, de aan de GI verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsvervangende omgeving in de vorm van een gezinshuis, verlengd met ingang van 23 december 2020 tot uiterlijk 23 maart 2021.

3.6.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.

De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan.

De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is door de rechtbank ten onrechte verleend. Vast staat dat de moeder wel adviezen kan gebruiken bij de opvoeding van de kinderen, met name voor [minderjarige 1] ; hij heeft speciale begeleiding nodig. Deze hulp kan/moet geboden worden in het gezin zelf (met de ondertoezichtstelling als hulpmiddel) en niet via een uithuisplaatsing van de kinderen. De ouders accepteren hulpverlening. De geconstateerde problemen zijn niet van dien aard dat de kinderen niet thuis kunnen blijven wonen. De berichtgeving van de raad in het GOM-rapport van 7 september 2020 is tegenstrijdig, onjuist en vaak overdreven. Met name de berichtgeving over [minderjarige 1] is tendentieus. Uiteindelijk constateert men dat het mogelijk gaat om een gedragsstoornis in het autismespectrum, maar de zorgcoördinator van ORO herkent weinig autistisch gedrag bij [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft ook veel last van zijn keel- en neusamandelen; de KNO-arts stuurt de ouders van het kastje naar de muur. Met de voeding van [minderjarige 1] gaat het ook goed; hij neemt vooral Nutridrink en moet wennen aan vast voedsel. De kinderarts verklaart dat de eetproblematiek van [minderjarige 1] niet medisch, maar gedragsmatig is. De meeste kinderen groeien over dit soort problemen heen. [minderjarige 2] ontwikkelt zich conform haar leeftijdgenootjes.

Verder is de cultuur van de ouders diametraal anders dan de Nederlandse cultuur. Door de raad en de GI wordt daar ten onrechte geen rekening mee gehouden. De cultuurverschillen geven in deze zaak problemen op het vlak van communicatie, begrip en aanpassing en spelen een belangrijke (negatieve) rol rond de uithuisplaatsing. De ouders worden door de raad en de GI vanwege hun niet-westerse achtergrond als “onaangepast” en “dom” neergezet. Zo zouden de ouders een uitgebreid persoonlijkheidsonderzoek moeten ondergaan. De vader vanwege persoonlijkheidsproblematiek en de moeder vanwege haar sociaal-emotioneel functioneren en haar IQ. Omdat de moeder zich aanvankelijk niet goed kon uitdrukken in de Nederlandse taal, leek het alsof zij veel zaken – ten onrechte – niet begreep; zij heeft intussen een inhaalslag gemaakt. Er zou bovendien sprake zijn van een ontwikkelingsachterstand bij de kinderen en de ouders zouden de kinderen onvoldoende stimuleren. De ouders zijn echter op hun eigen manier bezig om de kinderen te helpen; ook hierin speelt het cultuurverschil een rol omdat in Nederland andere (opvoed)maatstaven gelden.

De ouders benadrukken dat er geen sprake is (geweest) van huiselijk geweld. De moeder heeft, op aanraden van een vriendin, een valse melding gedaan bij Veilig Thuis om zo hulp te krijgen voor met name [minderjarige 1] . Mr. [betrokkene] bevestigt in de e-mailwisseling met de advocaat van de ouders de door de moeder gedane valse melding. De moeder wist, als vreemdeling in Nederland, niet goed hoe zij hulp voor de kinderen kon inschakelen. De kinderen zijn overigens geplaatst in het gezinshuis van de medewerker van Veilig Thuis die de valse melding van de moeder heeft aangenomen. De GI en de raad stellen ten onrechte dat de vader agressief is. Hij is eerder gefrustreerd over de gang van zaken. De vader wordt geconfronteerd met veel zaken waarmee hij het niet eens is. Hij praat vaak met stemver-heffing en weidse gebaren; dit wordt door de instanties verkeerd opgevat. Ook mr. [betrokkene] kent de vader niet als zijnde gewelddadig maar juist als iemand die veel voor de moeder over heeft. De raad en de GI gaan er daarom ten onrechte vanuit dat de thuissituatie onveilig is. Het huiselijk geweld wordt door hen in de rest van de procedure ten onrechte naar voren gebracht als een vaststaand feit. Al zou in het verleden de thuissituatie onveilig zijn geweest, dan moet er door de raad en de GI alsnog worden gekeken naar hoe die situatie zich heeft ontwikkeld. Er mag door de raad en de GI niet voetstoots worden aangenomen dat de situatie nog steeds hetzelfde is. De ouders verwachten in april 2021 hun derde kind. De ouders missen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verschrikkelijk en willen graag dat zij weer deel gaan uitmaken van het dagelijkse gezinsleven. De ouders zijn bereid om alle hulpverlening te aanvaarden die nodig is om dat weer mogelijk te maken.

De ouders concluderen dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet noodzakelijk is en met oneigenlijke argumenten is onderbouwd. Eén en ander lijkt in strijd met artikel 8 van het EVRM. De inmenging in het privéleven en familie- en gezinsleven door enig openbaar gezag is slechts toegestaan voor zover dat bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving; hiervan is geen sprake.

3.8.

De raad voert tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan.

Uit de door de GI beschreven recente ontwikkelingen concludeert de raad dat de gronden voor een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds aanwezig zijn. Er speelt een aantal zaken op systeemgebied. De GI heeft de afgelopen periode gekeken naar de dynamiek tussen de ouders onderling en of er al dan niet sprake is (geweest) van huiselijk geweld. De ouders hebben wisselend verklaard over het huiselijk geweld, de vraag is wat er nu van waar is. De kern van de dynamiek tussen de ouders is dat de vader constateert dat de moeder bepaalde dingen niet kan; hij treedt dan sturend op. De moeder is wel van goede wil is, maar dingen lukken haar niet. Het gaat er niet meer om of er al dan niet huiselijk geweld heeft plaatsgevonden.

Verder heeft de GI gedurende de uithuisplaatsing geconstateerd dat sprake is van een ontwikkelingsachterstand bij de kinderen en dat sprake is van onder-stimulatie door de ouders. De raad vindt het raadzaam dat het eerder geadviseerde persoonlijkheidsonderzoek bij beide ouders alsnog wordt uitgevoerd. Verder moet er door de GI worden gekeken naar hoe het verder moet en naar wat nodig is om de ontwikkelingsachterstanden bij de kinderen in te lopen. Ten aanzien van het cultuurverschil merkt de raad op dat de opvoedvaardigheden van de ouders en welke hulp daarvoor noodzakelijk is, wordt beoordeeld binnen de kaders van de Nederlandse wet.

De huidige instelling van de ouders ten opzichte van de hulpverlening, waarbij zij de hulpverleners afwijzen omdat de kinderen niet thuis wonen, is niet helpend. De GI is met Amarant bezig om naar de toekomst te kijken. De inzet van de GI moet zijn om de ouders te laten snappen dat wanneer zij blijven hangen in hun boosheid en de GI blijven tegenwerken, dat je dan niet verder komt. De aanvaardbare termijn van de kinderen komt dan in zicht. Er zal door de GI zwaar moeten worden ingezet. Zodra de ouders meewerken kunnen zij samen met de GI kijken welke interventies nodig zijn en kan worden geprobeerd om de opvoedvaardigheden van de ouders in de thuissituatie te vergroten. Op die manier kan worden onderzocht wat in de thuissituatie wel en niet haalbaar is.

3.9.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan.

Ondanks dat de moeder stelt dat zij een valse melding van huiselijk geweld bij Veilig Thuis heeft gedaan, blijven bij de GI de zorgen over de veiligheid van de thuissituatie bestaan. Naast deze melding zijn er diverse andere zorgelijke signalen waargenomen die mogelijk wijzen op huiselijk geweld. De ouders verklaren wisselend of er al dan niet sprake is (geweest) van huiselijk geweld. Ongeacht uit welke cultuur het gezin afkomstig is, brengt het getuige zijn van huiselijk geweld voor de kinderen een onveilige situatie met zich. Amarant heeft vastgesteld dat de instabiele dynamiek tussen de ouders zorgelijk is en mogelijk verband houdt met huiselijk geweld. Van de moeder wordt in deze dynamiek verwacht dat zij als hoofdopvoeder de zorg draagt voor de opvoeding van de kinderen. Amarant constateert echter dat de moeder enkel voorziet in de basisbehoeften van de kinderen en dat zij bijvoorbeeld geen grenzen stelt aan de kinderen. Amarant constateert verder dat de moeder zich anders opstelt in aanwezigheid van de vader; de moeder is dan een onderdanige vrouw en lijkt dan ook onvoldoende leerbaar. De vader treedt dan richting de moeder sturend op. Indien de vader afwezig is tijdens de bezoekmomenten wordt bij de moeder wel leerbaarheid waargenomen. De instabiele dynamiek is ook schadelijk voor de kinderen, omdat de moeder op deze momenten tekort schiet in haar opvoedvaardigheden.

De GI ziet dat de ouders het beste met de kinderen voor hebben, maar dat zij onvoldoende bekwaam zijn om aan te sluiten bij het ontwikkelingsniveau en de problematiek van de kinderen. Er is sprake van forse kind eigen problematiek bij [minderjarige 1] (een ontwikkelingsach-terstand; vermoedens van autisme), wat specifieke opvoedvaardigheden van de ouders vraagt. Volgens de betrokken hulpverleningsinstanties (de raad, de Hondsberg, Veilig Thuis, Dana-Eos, Amarant, Jeugdbescherming Brabant) schieten de ouders en met de name moeder hierin tekort. De problematiek van [minderjarige 1] vraagt om professionele begeleiding, waarvan de ouders vinden dat die niet noodzakelijk is. Zij zijn van mening zijn dat de zorgen bij [minderjarige 1] vanuit medisch oogpunt (KNO-problemen) zijn ontstaan.

Genoemde zorgen maken dat de kinderen bij de ouders thuis onvoldoende veiligheid ervaren en dat zij onvoldoende worden gestimuleerd in hun ontwikkeling, waardoor een uithuisplaat-sing noodzakelijk is. Tijdens de uithuisplaatsing wordt er door de GI aan gewerkt om zicht te krijgen op de relatie en de dynamiek tussen de ouders en daarmee op het perspectief voor deze kinderen. De door de ouders genoemde persoonlijkheidsonderzoeken zijn in het belang van de ouders en (indirect) in het belang van de kinderen; middels deze onderzoeken kan zicht worden gekregen op het niveau van ouders. Daardoor weet de GI of de hulpverlening die wordt aangeboden passend is bij ouders en waar mogelijk moet worden bijgesteld. Deze hulpverlening is nodig om een thuisplaatsing eventueel te realiseren. Verder komt de hulpverlening (Ouder-Kind van Amarant) onvoldoende van de grond om een thuisplaatsing op dit moment mogelijk te maken. De bezoekregeling vond in eerste instantie plaats in de thuissituatie. In december 2020 heeft er een incident plaatsgevonden waarbij de vader verbaal agressief is geworden richting de hulpverleners. Om de veiligheid van de kinderen en de hulpverlening te waarborgen, is de bezoekregeling naar een neutraal terrein verplaatst. Mede door de coronaperikelen kon de bezoekregeling vaak geen doorgang vinden. De GI heeft recent van Amarant een aantal nieuwe zorgen vernomen. De ouders weigeren bijvoorbeeld om de begeleide bezoeken na te bespreken en zij staan niet meer open voor de adviezen en begeleiding door Amarant. De ouders stellen dat zij open staan voor hulpverlening, maar geven daar geen blijk van. De GI heeft – desgevraagd – verklaard dat er bij de hulpverlening van Amarant geen rekening wordt gehouden met de andere culturele achtergrond van de ouders.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.10.1.

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. De rechtsmacht kan worden gebaseerd op artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 (de Verordening Brussel II-bis). Ingevolge dit artikel komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten tijde van de indiening van het inleidend gedingstuk hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Ingevolge artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (Trb. 1997, 299) is Nederlands intern recht van toepassing.

Inhoudelijke beoordeling

3.10.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.10.3.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.10.4.

Het hof stelt voorop dat vast staat dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd nu er sprake is van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:255 BW. Daarbij komt dat de ouders erkennen dat zij problemen hebben ervaren in de opvoeding van de kinderen en dat zij hiervoor hulpverlening kunnen gebruiken. Anders dan de raad en de GI, zijn de ouders echter van mening dat die hulpverlening vanuit de thuissituatie kan worden geboden en dat de uithuisplaatsing van de kinderen daarvoor niet noodzakelijk is.

3.10.5.

Ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] stelt het hof vast dat de rechtbank bij de bestreden beschikking de aan de GI verleende machtiging heeft verlengd om hen met ingang van 23 december 2020 tot uiterlijk 23 maart 2021 uit huis te plaatsen in een gezinsvervangende omgeving in de vorm van een gezinshuis. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven thans in het gezinshuis van de medewerker van Veilig Thuis die de door de moeder gedane (beweerdelijk valse) melding van huiselijk geweld heeft aangenomen.

Het hof dient in deze zaak te beoordelen of over de periode van 23 december 2020 tot 23 maart 2021 aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b lid 1 BW en artikel 1:265c lid 2 BW is voldaan. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.10.6.

Op het moment dat door de rechtbank de aan de GI verleende machtiging uithuisplaatsing werd verlengd, was er bij [minderjarige 1] sprake van forse kind eigen problematiek, kampten beide kinderen met een ontwikkelingsachterstand en waren er tegenstrijdige verklaringen van de ouders omtrent het huiselijk geweld, waarop door de GI en de raad nog geen zicht was verkregen. Verder is er gedurende de huidige periode van de uithuisplaatsing door Amarant en de GI geconstateerd dat er tussen de ouders sprake is van een zorgelijke instabiele dynamiek. Ter mondelinge behandeling is gebleken dat daarop thans nog steeds onvoldoende zicht bestaat. Daarbij komt dat ter mondelinge behandeling van het hof is gebleken dat de ouders niet langer hun medewerking verleenden aan de hulpverlening van Amarant, doordat zij weigerden om de bezoekmomenten met Amarant na te bespreken en zij niet langer open stonden voor de begeleiding en adviezen van Amarant. Tot slot kan het hof er niet omheen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] inmiddels sinds juni 2020 uithuisgeplaatst zijn. Onder deze omstandigheden kan van een onmiddellijke terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waar het door de korte resterende duur van de machtiging uithuisplaatsing na de datum van de uitspraak feitelijk op zou neerkomen, geen sprake zijn. Het hof is daarom van oordeel dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en levert de uithuisplaatsing, onder deze omstandigheden, geen schending van artikel 8 EVRM op.

3.10.7.

Het hof overweegt ten overvloede dat de maatregel van uithuisplaatsing in beginsel gericht dient te zijn op een terugplaatsing van de minderjarige(n). Een eventuele terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan, vanwege de onder rechtsoverweging 3.10.6. genoemde feiten en omstandigheden, alleen langs de weg van de geleidelijkheid worden gerealiseerd. Ter mondelinge behandeling is gebleken dat er sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op 23 juni 2020, behalve de door Amarant begeleide omgangsmomenten, door de GI geen enkele hulpverlening bij de ouders in de thuissituatie is ingezet. Dit is een punt van zorg, mede omdat de aanvaardbare termijn voor deze jonge kinderen in zicht komt. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking reeds overwogen dat het van belang is dat in de komende tijd het perspectief van de minderjarigen wordt bepaald. In de periode van 23 juni 2020 tot op heden is, naar het oordeel van het hof, door de GI niet met de vereiste voortvarendheid gewerkt om het perspectief voor de kinderen helder te krijgen en is onvoldoende geprobeerd om een terugplaatsing te realiseren. Doordat er door de GI geen hulpverlening in de thuissituatie is ingezet, hebben de ouders niet de kans gekregen om te werken aan hun opvoedvaardigheden. Bovendien is ter mondelinge behandeling gebleken dat de GI tot op heden geen hulpverlening heeft ingezet om de tussen de ouders waargenomen dynamiek in kaart te brengen noch hulpverlening heeft ingezet om de cultuurverschillen tussen de Afrikaanse en de Nederlandse cultuur te overbruggen. De GI dient alsnog op zeer korte termijn en met grote voortvarendheid deze hulpverlening voor de ouders in te schakelen.

3.10.8.

Ten aanzien van de dynamiek tussen de ouders merkt het hof nog op dat verschillen-de omstandigheden hierbij een rol kunnen spelen, waarmee de GI rekening dient te houden bij het in kaart brengen van deze dynamiek. Allereerst is er sprake van een verschil tussen de Nederlandse en Afrikaanse cultuur. Voorts is de moeder, gelet op de leeftijd van de kinderen, nog een relatief onervaren moeder, die in Nederland nog niet over een netwerk beschikt en niet goed weet hoe zij hulp voor de kinderen kan inschakelen. Dit in tegenstelling tot de vader die al veel langer in Nederland verblijft, drie oudere kinderen uit een eerdere relatie heeft en gastouder is geweest. Al deze omstandigheden zouden kunnen maken dat de vader ten opzichte van de moeder een dominantere rol inneemt, die de door Amarant en de GI waargenomen dynamiek zouden kunnen verklaren. Of dit ook daadwerkelijk het geval is zal door de GI en andere hulpverleningsinstanties nader moeten worden onderzocht om zo veiligheidsrisico’s voor de kinderen bij een eventuele terugplaatsing te voorkomen.

3.10.9.

Het hof merkt tot slot op dat de terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een traject is waarin alle betrokkenen intensief met elkaar zullen moeten gaan samenwerken op een manier die vruchtbaar is. Het hof verwacht daarom zowel van de GI als van de ouders dat zij zich hiervoor ten volle zullen inzetten. Vanuit de GI moet daarom niet alleen worden ingezet op de relatie tussen de ouders, maar ook op de relatie tussen de ouders en de GI. De ouders moeten gaan ervaren dat de GI niet tegen hen is, maar zij moeten zich juist door de GI gesteund voelen. De GI en de ouders zouden namelijk hetzelfde doel moeten nastreven, te weten een terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , mits dit gegeven de omstandigheden verantwoord is.

3.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

Proceskosten

3.12.

Het hof zal – gelet op de aard van de procedure – de proceskosten in hoger beroep compenseren.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 december 2020;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en E.L. Schaafsma-Beversluis en is op 18 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.