Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:782

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
200.286.883_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 18 maart 2021

Zaaknummer : 200.286.883/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/360383 / FA RK 20-3170

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.M.A. Leijser,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- [de grootmoeder] , hierna te noemen: de grootmoeder.

- Stichting Bureau Jeugdzorg Brabant, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 11 september 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 december 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad om de moeder met het gezag over [minderjarige] te beëindigen, alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 januari 2021, heeft de GI gemotiveerd verweer gevoerd.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 februari 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, via een video verbinding bijgestaan door mr. Leijser,

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de grootmoeder.

2.4.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die door de grootmoeder voorafgaande aan de mondelinge behandeling aan het hof is overhandigd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

3 De beoordeling

3.1.

[minderjarige] is op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] geboren uit de relatie van de moeder en [de vader] , hierna te noemen de vader. De relatie tussen de moeder en de vader is al voor de geboorte van [minderjarige] verbroken. De vader heeft [minderjarige] op 7 juli 2008 erkend. De moeder had tot aan de bestreden beschikking van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .

3.2.

[minderjarige] heeft van 2009 tot 2013 onder toezicht gestaan. Zij verbleef vanaf haar geboorte wisselend bij de moeder, de grootmoeder en sinds 2010 eerst twee keer per maand gedurende een weekend en later een periode (2011-2012) volledig in een pleeggezin. Op 5 oktober 2017 is in overleg aan de beschermtafel de bindende afspraak gemaakt dat [minderjarige] vanaf die datum volledig bij de grootmoeder zal verblijven.

3.3.

Bij beschikking van 14 maart 2018 is [minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootmoeder verleend. In het door de moeder ingestelde hoger beroep heeft het hof bij beschikking van 1 november 2018 de beslissing met betrekking tot de ondertoezichtstelling bekrachtigd en met betrekking tot de uithuisplaatsing vernietigd en het verzoek van de raad daartoe alsnog afgewezen. [minderjarige] is toen weer bij de moeder gaan wonen en verbleef 1 nacht (en 2 dagen) bij de grootmoeder.

3.4.

Bij beschikking van 13 maart 2019 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 13 september 2019.

3.5.

In maart 2019 is de moeder aangemeld voor een crisisopname bij GGzE. [minderjarige] verbleef toen bij de grootmoeder. Bij beschikking van 22 mei 2019 is het verblijf van [minderjarige] bij de grootmoeder geformaliseerd met een machtiging tot uithuisplaatsing tot 14 september 2019. [minderjarige] verbleef in die periode 3 dagen per week overdag bij de moeder.

3.6.

Bij beschikking van 12 september 2019 is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 14 september 2020.

3.7.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder beëindigd. Op dit moment verblijft [minderjarige] elke eerste zaterdag van de maand bij haar vader en blijft daar ook slapen. Sinds 22 januari 2021 is de contactregeling met de moeder verder uitgebreid en verblijft zij twee hele weekenden in de maand bij de moeder.

3.8.

De moeder kan zich met de beslissing over het gezag niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.9.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat – het volgende aan. De moeder heeft gekampt met persoonlijke problematiek, maar sinds mei 2020 is eindelijk een duidelijke diagnose voor haar problematiek gesteld en heeft zij de juiste hulp gevonden. De moeder is daardoor stabieler geworden. De moeder heeft sinds zij de juiste hulpverlening heeft geen terugval meer gehad. De problemen van [minderjarige] waren niet alleen maar te herleiden naar de thuissituatie. [minderjarige] is naar een andere school gegaan en is helemaal opgebloeid. Het perspectief van [minderjarige] ligt bij de grootmoeder, maar de moeder wil ook betrokken zijn bij de zorg- en opvoedingstaken. Een organisatie als Impegno kan regie en zicht houden op de situatie. De samenwerking tussen de grootmoeder en de moeder verloopt goed. Er is niet voldaan aan de gronden voor het beëindigen van het ouderlijk gezag.

3.10.

De raad voert – kort samen gevat – het volgende aan. Het is positief dat het beter gaat met [minderjarige] en met de moeder. De raad is van mening dat de stabiliteit het gevolg is van de constructie zoals die nu bestaat. De moeder heeft regelmatig periodes gehad waarin het slecht met haar ging. De raad ziet geen mogelijkheid om in het vrijwillig kader door te gaan. De gezaghebbende positie van de GI is noodzakelijk om de huidige situatie in stand te houden. Mocht zich een geschil voor doen tussen de moeder en de oma, dan kan de GI als neutrale derde kijken wat het beste is voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft duidelijkheid en stabiliteit nodig.

3.11.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat – het volgende aan.

Het gaat inderdaad beter met de moeder en met [minderjarige] . De moeder is stabieler; de weekendregeling tussen de moeder en [minderjarige] is ook uitgebreid. [minderjarige] heeft een goede band met haar vader, haar moeder en haar grootmoeder. Er is nu een balans, maar die is er omdat de GI nog betrokken is en de moeder hulpverlening heeft. Die hulpverlening moet blijven maar de moeder heeft in het verleden laten zien dat zij veel van hulpverlening is gewisseld. Dat is dus een punt van zorg. De moeder zegt nu dat zij er achter staat dat [minderjarige] bij de grootmoeder blijft wonen, maar de GI heeft zorg dat de moeder hier in de toekomst op terug komt. Het vrijwillig kader is niet voldoende, er is te veel zorg dat de huidige stabiele situatie dan komt te vervallen. Voor [minderjarige] is het heel belangrijk dat er duidelijkheid is over haar situatie.

3.12.

De grootmoeder heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij ook vindt dat het de laatste tijd goed gaat met de moeder. Zij heeft een goede band met de moeder en ze hebben weinig meningsverschillen over de opvoeding van [minderjarige] . Een vrijwillig kader zou wat de grootmoeder betreft nu mogelijk zijn.

3.13.

Het hof overweegt het volgende.

3.13.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.13.2.

Het hof is van oordeel dat aan het criterium als genoemd onder a. om tot een beëindiging van het gezag van de moeder te komen, is voldaan en komt daartoe op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

[minderjarige] heeft veel meegemaakt in haar leven. Haar woon- en opvoedsituatie was een tijdlang instabiel en er is sprake geweest van seksueel misbruik. Het gaat op dit moment beter met haar, maar zij is nog steeds erg kwetsbaar. Dat zij een kwetsbaar meisje is, blijkt onder andere uit het onderzoek van [praktijk] .

De moeder is eveneens kwetsbaar; zij heeft in het verleden veel periodes gehad waarin het niet goed met haar ging. Er is sprake van persoonlijke problematiek, haar psychische instabiliteit heeft grote gevolgen voor de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] . Het gaat nu beter met de moeder, maar zij blijft afhankelijk van hulpverlening.

[minderjarige] woont nu bij de grootmoeder en verblijft twee weekenden in de maand bij de moeder en (een deel van) één weekend in de maand bij haar vader. Het is duidelijk gebleken dat het in het belang van [minderjarige] is dat haar leefsituatie blijft zoals deze nu is. De huidige situatie geeft [minderjarige] een stabiele thuisbasis bij de grootmoeder en een regelmatig contact met zowel haar moeder als haar vader. Om de huidige situatie in stand te houden en bestendigheid te geven, is het naar het oordeel van het hof onvoldoende om in het vrijwillig kader een hulporganisatie te betrekken, maar is het van belang dat het gezag over [minderjarige] wordt gedragen door een professionele derde, de GI. Immers, in die situatie is de hulpverlening voor de moeder het meest gewaarborgd, is het voor [minderjarige] duidelijk waar haar perspectief ligt en staan de moeder en de grootmoeder wat betreft de juridische gezagspositie niet (potentieel) tegenover, maar naast elkaar.

Het hiervoor overwogene geldt naar het oordeel van het hof ook nu de moeder zich op het standpunt heeft gesteld dat zij achter de plaatsing van [minderjarige] bij de grootmoeder staat.

Gelet op het verleden waarin de moeder meerdere terugvallen heeft gehad, de moeder wisselend is geweest in de acceptatie van het feit dat [minderjarige] bij de grootmoeder verblijft en [minderjarige] ook al veel heeft meegemaakt, acht het hof het in het belang van [minderjarige] , los van de houding van de moeder, dat de GI een gezagspositie behoudt.

3.14.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 september 2020;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.N.M. Antens en M.J.C. van Leeuwen en is door mr. C.N.M. Antens op 18 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.