Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:78

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-01-2021
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
200.272.055_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 14 januari 2021

Zaaknummer: 200.272.055/01

Zaaknummer eerste aanleg: 7862408 OV VERZ 19-5788

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: appellant,

advocaat: mr. A.J. Engelsma.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    mevrouw [de moeder] (hierna te noemen: de moeder);

  • -

    de heer [de broer] (hierna te noemen: de broer),
    advocaat: mr. R. Wouters;

  • -

    [de bewindvoerder] Bewindvoeringen B.V. (hierna te noemen: de bewindvoerder).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 10 oktober 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 januari 2020, heeft appellant verzocht voormelde beschikking te vernietigen.

2.2.

Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 26 maart 2020, heeft de broer verzocht appellant niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep dan wel dit verzoek af te wijzen. Kosten rechtens.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 november 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    appellant, bijgestaan door mr. Engelsma;

  • -

    de broer, bijgestaan door mr. Wouters;

  • -

    de bewindvoerder, in de persoon van de heer [de bewindvoerder] .

De moeder is niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg op 19 september 2019 en 3 oktober 2019;

  • -

    het V-formulier met bijlage van de advocaat van de broer d.d. 5 november 2020;

  • -

    de brief van de bewindvoerder met bijlagen d.d. 6 november 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Bij de bestreden beschikking, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, een bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de moeder en tot bewindvoerder benoemd: [de bewindvoerder] Bewindvoeringen B.V..

3.2.

Bij beschikking van 27 augustus 2020 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, een mentorschap ingesteld over de moeder en tot mentor benoemd: [de mentor] .

3.3.

Appellant kan zich met de bestreden beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij pleit voor opheffing van het bewind. Hij voert in zijn beroepschrift aan dat de moeder in staat moet worden geacht zelf haar financiële en zakelijke beslissingen te nemen. Zij verkeert nog in een voldoende geestelijke conditie, zo bevestigt ook de huisarts. Dat zij voor de dood van haar echtgenoot grotendeels buiten de financiële beslissingen werd gehouden, betekent niet dat zij niet in staat is hier thans zelf over te beslissen. De samenwerking met de bewindvoerder verloopt bovendien heel slecht en, hoewel de moeder de beschikking heeft over een zeer behoorlijk vermogen, komt zij nu regelmatig geld tekort. Appellant wijst er verder op dat hij in eerste aanleg te laat is opgeroepen voor de mondelinge behandeling en de rechtbank, toen dit bekend is geworden, heeft besloten de zitting door te laten gaan, hoewel appellant uitdrukkelijk te kennen had gegeven ter zitting aanwezig te willen zijn.

Appellant heeft ter zitting van het hof aanvullend naar voren gebracht dat er is gekozen voor een mentorschap, omdat na de operatie van de moeder alles werd tegengewerkt, onder andere door de bewindvoerder. De hoop was dat de moeder met een mentorschap zelfstandig kon blijven beslissen. Het ziekenhuis heeft de moeder als handelingsbekwaam gediagnosticeerd. Dat de moeder in staat is zelf zaken te regelen, blijkt bijvoorbeeld ook uit het feit dat ze kerkradio heeft geregeld voor zichzelf. De reden voor de eerdere volmacht van de moeder aan hem om haar financiële zaken te regelen was de naar appellant uitgesproken wens van zijn vader om de moeder tegen de broer te beschermen. De volmacht was niet bedoeld om de financiële zaken van de moeder volledig over te nemen, maar om de moeder hierbij te ondersteunen. Veel hoeft er ook niet geregeld te worden. Het huis is afbetaald en de meeste betalingen gaan via een automatische incasso. Als de toestand van de moeder reden vormt voor een onderbewindstelling dan zouden bijna alle oudere mensen onder bewind moeten worden gesteld. Uitgangspunt is om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven beslissen. De moeder heeft nu niet eens een leefgeldrekening met een betaalpas en als de moeder iets wil dan wordt dit niet gerealiseerd. Zo is er nog steeds geen grafsteen voor het graf van de echtgenoot van de moeder, omdat de bewindvoerder weigert te betalen. Als de moeder niet langer onder bewind zou staan dan zou dit rust geven. De relatie tussen appellant en de broer is ook alleen maar verslechterd in de periode dat de moeder onder bewind staat. Zij staan lijnrecht tegenover elkaar en de moeder zit ertussen.

3.4.

De broer voert in zijn verweerschrift aan dat het wel degelijk zo is dat de moeder, gezien haar lichamelijke en geestelijke toestand, niet in staat is zelf haar financiële zaken te regelen. De broer wijst onder meer op een verklaring van de moeder die nota bene onder regie van appellant tot stand is gekomen. Hierin wordt appellant gevolmachtigd om de financiële zaken van de moeder te regelen, omdat zij zichzelf daartoe onvoldoende in staat acht. Ook uit het levenstestament van de moeder blijkt dat zij niet in staat is zelf haar financiën te regelen. Ter zitting in eerste aanleg bleek dit nogmaals. De moeder heeft daar aangegeven het fijn te vinden als er een professioneel bewindvoerder kwam. Op die manier is voor iedereen ook duidelijk dat de financiën op een eerlijke en doorzichtige wijze worden geregeld. Appellant en de broer zijn niet in staat gezamenlijk de financiën van de moeder te beheren. Zij kunnen het nergens over eens worden en de moeder zit er tussenin. De broer voelt zich zeer gekrenkt door de onterechte beschuldigingen van appellant. Hij betwist dat het contact met de bewindvoerder slecht is en dat de moeder geld tekort komt.

De broer heeft ter zitting van het hof aanvullend naar voren gebracht dat na het overlijden van de echtgenoot van de moeder is gebleken dat de moeder haar financiële zaken niet zelf kan regelen. Dat, zo is niet in geschil, de moeder haar niet-vermogensrechtelijke zaken niet zelf kan regelen, maakt het volstrekt helder dat de moeder ook haar vermogensrechtelijke zaken niet zelf kan regelen. Ook vanwege de ruzie tussen appellant en de broer, die van grote invloed is op de gemoedstoestand van de moeder, is het heel goed dat er een derde betrokken is bij de financiën van de moeder. Een oordeel van een arts over de geestestoestand van de moeder blijft een momentopname. Uit alles blijkt dat de moeder niet in staat is haar financiën zelf te regelen. De broer en zijn gezin gaan wekelijks naar haar toe. Ze maken steeds mee dat de moeder spullen kwijt is, dat ze niet weet hoe apparaten werken of dat ze dingen doet die niet kloppen, zoals thee zetten met de waterkoker op het fornuis. De moeder is niet in staat om te gaan met een leefgeldrekening met betaalpas.

3.5.

De bewindvoerder merkt in zijn brief op dat de onderlinge verstandhouding tussen appellant en de broer mede aanleiding is geweest om een onafhankelijke bewindvoerder te benoemen. De bewindvoerder kiest er bewust voor om niet overal op in te gaan, omdat hij gezien de huidige goede verstandhouding met de moeder niet de schijn van partijdigheid wil wekken. De bewindvoerder wijst op bovengenoemde beschikking van de rechtbank van 27 augustus 2020. Reden voor het verzoek om een mentorschap in te stellen was gelegen in de huidige psychische/medische situatie van de moeder. Zowel appellant als de broer zijn akkoord gegaan met het instellen van een mentorschap, zodat ervan kan worden uitgegaan dat men de mening deelt dat de moeder niet in staat moet worden geacht haar financiële en niet-vermogensrechtelijke belangen naar behoren te behartigen.

De bewindvoerder heeft ter zitting van het hof naar voren gebracht dat hij de indruk heeft dat de moeder niet zelf haar financiële belangen kan behartigen. Zo is de moeder vergeetachtig. Ze was bijvoorbeeld haar potje met geld kwijt en heeft ook geen idee wat erin zit. Digitaal kan ze haar zaken in elk geval niet regelen. Desgevraagd heeft de bewindvoerder te kennen gegeven ook niet te verwachten dat ze zelf de verkoop van haar huis in gang zou kunnen zetten, mocht dit in de toekomst nodig blijken. De bewindvoerder is een aantal keer bij de moeder thuis geweest. De laatste maanden is er telefonisch contact. De moeder belt hem af en toe met een concrete vraag, bijvoorbeeld over een schenking die ze wil doen aan appellant en de broer. Het is niet mogelijk dan dieper op de zaak in te gaan. De bewindvoerder probeert naar de moeder toe om geen partij te kiezen voor ofwel appellant ofwel de broer, conform ook de wens in haar levenstestament, waarin ze hen beiden had gevolmachtigd om haar belangen te behartigen. De ruzie tussen appellant en de broer doet de moeder veel verdriet. Wat de grafsteen betreft vormen de financiën geen enkel probleem. Appellant en zijn broer kunnen het echter niet eens worden over de tekst die op de steen moet komen te staan en voor de moeder is het moeilijk te benoemen wat ze wil. Als definitief duidelijk is wat er op de steen moet komen te staan, dan wordt de rekening gewoon betaald. De bewindvoerder acht het een goede zaak dat er nu ook een mentor is benoemd. Hij hoopt dat deze voor de moeder, die een kwetsbare indruk maakt, wat meer structuur kan aanbrengen in de dagelijkse zaken.

3.6.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.

Voor zover appellant aanvoert dat er beginselen van behoorlijke procesorde zijn geschonden, nu hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld de zitting in eerste aanleg bij te wonen, overweegt het hof dat, wat er ook van dit betoog zij, appellant geen belang heeft bij bespreking hiervan. Het hoger beroep dient er immers mede toe om omissies in eerste aanleg begaan, te herstellen en appellant is in hoger beroep voldoende in de gelegenheid gesteld zijn standpunt zowel schriftelijk als mondeling naar voren te brengen.

3.8.

Ingevolge artikel 1:431, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek kan de kantonrechter, indien een meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,

een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

3.9.

Het is het hof op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de moeder niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van haar geestelijke toestand. Het hof wijst in dit verband met name op:

  • -

    de aanvankelijke volmacht van de moeder aan appellant om de financiële en administratieve zaken te regelen, omdat de moeder zichzelf daartoe onvoldoende in staat achtte;

  • -

    het levenstestament van de moeder, waarin zij zowel appellant als de broer een algemene volmacht heeft verleend om haar in al haar hoedanigheden, waaronder begrepen haar hoedanigheid van bestuurder en/of aandeelhouder van een rechtspersoon en van certificaathouder, in alle zaken te vertegenwoordigen en namens haar alle rechtshandelingen te verrichten op het gebied van het burgerlijk recht, het belastingrecht, het procesrecht en elk ander rechtsgebied, voor zover de wet dat toestaat. Hierbij vermeldt het levenstestament nadrukkelijk dat de gevolmachtigden hun taken uit hoofde van de algemene volmacht slechts tezamen kunnen uitoefenen, maar zij elkaar wel schriftelijk (algemene of bijzondere) onder-volmacht kunnen verlenen;

  • -

    het feit dat er – met akkoordverklaring van zowel appellant als de broer – een mentorschap is ingesteld over de moeder, omdat zij als gevolg van de lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is zelf ten volle haar belangen van niet-vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen;

  • -

    het betoog van de bewindvoerder en de broer ter zitting van het hof.

Appellant heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de moeder desondanks in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Daar komt bij dat de volmachtverlening krachtens het levenstestament van de moeder, dat de eerder verleende volmacht aan appellant krachteloos maakt, feitelijk niet uitvoerbaar is. Immers, voor handelen krachtens volmacht op basis van het levenstestament is het gezamenlijk optreden van de beide broers noodzakelijk (dan wel een onder-volmacht), hetgeen niet mogelijk is gebleken. Het hof ziet derhalve ook niet voor zich hoe de zaken van de moeder – zonder bewindvoerder – afgewikkeld zouden kunnen worden.

3.10.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. Nu partijen in een familieverhouding tot elkaar staan, zal het hof de proceskosten compenseren.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 10 oktober 2019;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.D.M. Lamers en M.I. Peereboom-van Drunick en is in het openbaar uitgesproken door mr. E.A.M. Scheij op 14 januari 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.