Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:776

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
200.278.197_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 18 maart 2021

Zaaknummer: 200.278.197/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/248742 / FA RK 18-1337

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.W. van Weert,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.A.M.J. de Wit.

Deze zaak gaat over [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 maart 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 mei 2020, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en:

- een contactregeling te bepalen waarbij primair de zorg- en opvoedtaken bij helfte worden verdeeld, subsidiair de kinderen bij de vader verblijven gedurende een weekeind per veertien dagen en meer subsidiair een regeling vast te stellen welke het hof juist acht;

- partijen te verwijzen naar forensische mediation dan wel een ouderschapsonderzoek te bevelen;

- te bepalen dat de contactregeling zal worden opgestart door middel van een begeleide omgangsregeling (BOR);

- indien nodig een bijzondere curator voor ieder van de kinderen individueel te benoemen;

- indien het hiervoor verzochte niet toereikend is, een ondertoezichtstelling te bepalen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 juni 2020, heeft de moeder verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep althans dit beroep af te wijzen, kosten rechtens.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 februari 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Van Weert;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. De Wit;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] .

2.4.

Het hof heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V-formulier met bijlage van de advocaat van de vader, ingekomen op 1 februari 2021;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder, ingekomen op 3 februari 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van partijen zijn, voor zover thans van belang, [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geboren. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit. De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.1.

Bij beschikking van 15 februari 2019 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 29 mei 2019 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank de beslissing ten aanzien van de contactregeling aangehouden in afwachting van het hulpverleningstraject bij de Mutsaersstichting.

3.2.2.

Bij beschikking van 27 juni 2019 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, de raad verzocht aanvullend te adviseren over het vervolgtraject dat nodig is om toe te werken naar contactherstel tussen de vader en de kinderen en welke instantie de geadviseerde hulp kan bieden, onder aanhouding van iedere verdere beslissing.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot het vaststellen van een contactregeling tussen hem en de kinderen afgewezen.

3.4.

De vader kan zich met die beschikking niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.

Het is onjuist dat de moeder en de kinderen aan alle hulpverlening hebben meegewerkt en de vader niet. De vader heeft de kinderen, op aangeven van de Mutsaersstichting, in het verleden een brief gestuurd, maar die werd niet oprecht gevonden. Hij heeft er geen vertrouwen in dat hulpverlening voor hem zelf een positief effect op de kinderen zal hebben indien de kinderen niet door de moeder en/of hulpverlening worden begeleid. Desondanks heeft de vader zich aangemeld bij een psycholoog en een coaching-traject gevolgd. Verder heeft de (gezinscoach van de) gemeente de vader naar een systeemtherapeut verwezen en die gaat bekijken of contactherstel mogelijk is.

Zowel de kinderen als de vader zijn de afgelopen jaren in de steek gelaten. De verstandhouding tussen de vader en de kinderen was aanvankelijk goed, maar de kinderen zijn beïnvloed. Er is sprake van ouderverstoting waaraan volledig voorbij wordt gegaan. Door de dynamiek tussen de vijf kinderen bestaat er voor de kinderen afzonderlijk van elkaar geen mogelijkheid om een andere houding tegenover de vader aan te nemen. De kinderen hebben recht op een evenredige zorg van beide ouders. Omdat niet om schorsing van het contact is verzocht en hier geen gronden voor zijn, moet een contactregeling worden vastgesteld, maar de rechtbank heeft niets bepaald. Nu de moeder zonder voldoende aannemelijk geworden gronden weigert mee te werken aan de totstandkoming of uitvoering van de contactregeling wordt een actieve opstelling van de hulpverlening en de rechter verlangd. Ondanks dat de moeder blijkbaar hulp krijgt, is haar negatieve houding ten opzichte van de vader alleen maar toegenomen. In een vrijwillig kader gaat zij geen ruimte bieden aan contactherstel tussen de vader en de kinderen. Er hadden nog diverse maatregelen genomen kunnen worden. Het is onbegrijpelijk dat er geen begeleid gesprek tussen de vader en de kinderen in een veilige omgeving wordt georganiseerd.

Omdat het niet goed gaat met de kinderen, verzoekt de vader om een ondertoezichtstelling. Nu de raad dit verzoek niet doet, kan op dit verzoek van de vader worden beslist. Er komt dan een gezinsvoogd die kijkt wat de kinderen nodig hebben om te komen tot contactherstel. Kinderen die opgroeien met een negatief vaderbeeld hebben daar de rest van hun leven last van.

3.6.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

Volgens verschillende instanties, zoals Veilig Thuis, de raad, de Mutsaersstichting en de rechtbank, moest de vader hulp zoeken en aan zijn agressie werken, maar de vader heeft dat de afgelopen jaren niet gedaan. De vader heeft bij de rechtbank ingestemd met hulpverlening via de Mutsaersstichting en individuele hulp voor hemzelf, maar vervolgens heeft hij dat geweigerd en vond hij het niet nodig. Het is mooi dat hij nu na drie jaar gesprekken met een therapeut heeft gehad, maar dat is wel te laat.

Van ouderverstoting is geen sprake. Er zijn valide redenen waarom de kinderen geen contact met de vader willen. De kinderen hebben er veel last van dat de vader hun gevoelens en hetgeen gebeurd is miskent. De vader blijft volhouden dat er niets gebeurd is en dat het niet aan hem ligt. Het vaststellen van een contactregeling is thans niet in het belang van de kinderen, ook begeleide omgang niet. Uit de bewoordingen van de rechtbank blijkt wel dat voldaan is aan de ontzeggingsgronden.

De vader heeft eerder niet verzocht andere maatregelen te treffen. Ten aanzien van het verzoek een ondertoezichtstelling uit te spreken is de vader niet-ontvankelijk nu hij de raad niet heeft verzocht een dergelijk verzoek bij de rechtbank in te dienen (1:255 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek). Het verzoek om forensische mediation wordt op geen enkel wijze gemotiveerd en het kan ook behoorlijk belastend zijn, terwijl de behandelaars van de kinderen rust hebben geadviseerd. De belangen van de kinderen botsen niet met die van de ouders zodat het verzoek een bijzondere curator te benoemen dient te worden afgewezen, nog los van het feit dat het niet is onderbouwd.

3.7.

De raad brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.

De raad blijft bij het advies zoals geformuleerd in het raadsrapport van 31 januari 2020. De vader moet erkenning geven aan het gebeurde en de moeder moet stimuleren dat de kinderen naar de vader gaan. Er moeten echter eerst nog zaken uit het verleden opgeruimd worden met behulp van systeemtherapie. Die zou moeten plaatsvinden via de Mutsaersstichting omdat de hulpverlening daar al liep. Het is vreemd dat bij de procedure via de gezinscoach niet met het systeem maar met een persoon begonnen wordt.

Voor de moeder en de kinderen is de Mutsaersstichting nog in beeld maar voor de vader niet. Hij benut zijn kansen niet. Iedereen die iets zegt wat niet in zijn straatje past is volgens de vader niet helpend. De kinderen geven aan dat zij het meeste last hebben van de onvoorspelbaarheid van de vader. Omdat de kinderen door de onvoorspelbaarheid niet weten waar zij aan toe zijn is dat voor hen heel onveilig en veroorzaakt het angst. Het gaat er niet om of die angst terecht is, maar dat die angst er is.

De raad ziet geen aanleiding voor een ondertoezichtstelling en vraagt zich af wat de gezinsvoogd in het kader van de verzochte ondertoezichtstelling kan doen om ervoor te zorgen dat de vader de noodzakelijk geachte therapie gaat volgen.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Wanneer in de echtscheidingsprocedure de ouders redelijkerwijs niet meer kunnen komen tot een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in een ouderschapsplan kan de rechter, gelet op artikel 815 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), zelf een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.8.2.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het hof gebleken dat partijen ieder een totaal andere beleving hebben bij de situatie tijdens en na het huwelijk, alsook bij de inzet en het van de grond komen van de hulpverlening via de Mutsaersstichting. Wat hier ook van zij, naar het oordeel van het hof bestaat er op dit moment bij de kinderen geen enkele ruimte om te komen tot contactherstel met de vader, al dan niet begeleid. Vanwege de grote weerstand van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tegen contact met de vader en hun – al dan niet terechte – angstgevoelens ten opzichte van de vader, acht het hof contact in strijd met hun zwaarwegende belangen. Bovendien is hier sprake van kinderen van ruim 17, 15 en 14 jaar oud, waardoor voor de inzet van hulpverlening hun instemming vereist is en daarvoor bestaat geen ruimte.

3.8.3.

Naar het oordeel van het hof bestaan voor het benoemen van een bijzondere curator geen gronden. Het hof ziet ook geen aanleiding om gelet op alle huidige omstandigheden een ouderschapsonderzoek of forensische mediation te gelasten/starten, mede gelet op de omstandigheid dat er aan de zijde van de moeder geen bereidheid meer is om hieraan mee te werken. Wat er ook zij van de vraag of het verzoek van de vader om de kinderen onder toezicht te stellen voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan, het hof volgt hierin het advies van de raad, te weten dat een ondertoezichtstelling gelet op alle omstandigheden en de houding van de minderjarigen geen toegevoegde waarde heeft en naar verwachting voor meer onrust zorgt bij de minderjarigen. Dit terwijl de hulpverlening loopt en juist pleit voor rust. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat niet is gebleken dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en ook niet dat de moeder in het vrijwillig kader onvoldoende meewerkt aan hulpverlening.

3.9.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

3.10.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 maart 2020;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, C.D.M. Lamers en H. van Winkel en is op 18 maart 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. E.A.M. Scheij in tegenwoordigheid van de griffier.