Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:775

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
200.277.633_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.277.633/01

zaaknummer rechtbank : C/03/264467 / FA RK 19-1886

beschikking van de meervoudige kamer van 18 maart 2021

inzake

[de vrouw] (geboren [naam] ),

wonende te [woonplaats] (Duitsland)

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.M.E. van den Heuvel te Landgraaf,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat voorheen mr. A.J.G. Bisscheroux, thans mr. E. Frins te Heerlen.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 11 februari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 29 april 2020 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2

De man heeft op 25 juni 2020 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De vrouw heeft op 24 juli 2020 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 19 november 2019;

- het V-formulier met bijlagen van de zijde van de vrouw, ingekomen op 3 februari 2021;

- het V-formulier met bijlagen van de zijde van de vrouw, ingekomen op 3 februari 2021.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 11 februari 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- mr. Van den Heuvel namens de vrouw;

- de man, bijgestaan door mr. Frins.

De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 30 augustus 2002 te [plaats] (Duitsland). De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Duitse nationaliteit.

3.3

Partijen zijn de ouders van de inmiddels jongmeerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] (Duitsland).

3.4.

Bij beschikking van 30 juni 2020 heeft de rechtbank Limburg (Maastricht) in het kader van voorlopige voorzieningen, onder wijziging van haar beschikking van 24 oktober 2019, de door de man te betalen voorlopige kinderalimentatie met ingang van 1 februari 2020 op nihil bepaald en de partneralimentatie over de periode van 1 maart 2020 tot 1 november 2020 op € 175,-- per maand en vanaf 1 november 2020 op € 285,-- per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 11 februari 2020 heeft de rechtbank onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man als partneralimentatie dient te voldoen een bedrag van € 261,-- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand en als kinderalimentatie een bedrag van € 117,-- per maand met ingang van de datum van de beschikking.

4.2

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, onder vermeerdering/wijziging van haar verzoek, te bepalen dat de man als partneralimentatie zal voldoen een bedrag van € 1.002,33 per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, althans een zodanig bedrag en met een zodanige ingangsdatum als het hof juist acht.

De grieven van de vrouw zien op de draagkracht van de man.

4.3

De man verzoekt in principaal appel het verzoek van de vrouw af te wijzen.

In incidenteel appel verzoekt de man de bestreden beschikking te vernietigen op de door de man bestreden punten (naar het hof begrijpt wat betreft de kinder- en partneralimentatie) en de door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie te bepalen op € 150,-- per maand met ingang van 1 november 2019, althans op een bedrag en met ingang van een datum welke het hof juist acht. De man verzoekt in principaal en incidenteel appel de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van genoemde beslissingen heeft geïncasseerd ter zake kinderalimentatie en teveel betaalde partneralimentatie, zulks vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening, kosten rechtens.

De grieven van de man zien op de verblijfplaats en de contactregeling ten aanzien van [jongmeerderjarige] , de behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man.

4.4

De vrouw verzoekt de verzoeken van de man in incidenteel appel af te wijzen als ongegrond en/of onbewezen.

4.5

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, met de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft.

5.2

Het hof stelt vast dat de vrouw vol appel heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking. Nu de vrouw echter geen grief heeft aangevoerd tegen de daarbij uitgesproken echtscheiding en de vrouw ook ter zitting desgevraagd naar voren heeft gebracht dat de vrouw zich niet wenst te verzetten tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding, zal het hof het verzoek van de vrouw in zoverre afwijzen.

Ingangsdatum

5.3

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum is niet in geschil zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.

Kinderalimentatie

5.4

Gebleken is dat partijen het er over eens zijn, dat de vrouw geen aanspraak heeft op kinderalimentatie van de man, nu er – anders dan door de rechtbank en partijen eerder aangenomen – tussen de vrouw en [jongmeerderjarige] vrijwel geen contact is en de vrouw dus geen zorgkosten voor [jongmeerderjarige] maakt.

Voorts heeft de man tijdens de mondelinge behandeling zijn verzoek in incidenteel appel wat betreft een door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie ingetrokken. Gelet hierop behoeft dit verzoek van de man geen nadere bespreking en zal het hof de man niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.

Partneralimentatie

5.5

Om proceseconomische redenen zal het hof eerst de draagkracht van de man beoordelen alvorens het hof de huwelijksgerelateerde en aanvullende behoefte van de vrouw zal beoordelen.

Draagkracht van de man

5.6.1

De draagkracht van de man tot het betalen van de door vrouw verzochte partneralimentatie is in geschil.

5.6.2

Bij het bepalen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens.

Ten aanzien van de inkomsten van de man is tussen partijen niet in geschil dat uitgegaan moet worden van een belastbaar loon van € 47.837,-- blijkens de jaaropgaaf 2020.

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de draagkracht van de man met het oog op het vaststellen van zijn wettelijke verplichting om bij te dragen in het levensonderhoud van zijn gewezen echtgenote, in beginsel rekening dient te worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de man komen.

Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat gelet op het netto besteedbaar inkomen van de man en het feit dat hij samenwoont in een huurwoning van de vader van zijn partner rekening moet worden met een woonlast van € 400,-- per maand. De man heeft naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de voormalige echtelijke woning had willen overnemen maar dat dit niet mogelijk was omdat de echtscheiding niet is ingeschreven waardoor de bank de vrouw niet wilde ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid en dat de man om die reden de voormalige echtelijke woning heeft moeten verkopen, alsmede dat hij door de hoogte van zijn inkomen niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning. Voorts heeft de man voldoende aangetoond dat hij weliswaar een woning van de vader van zijn partner huurt, maar dat sprake is van een marktconforme, niet onredelijke huurprijs. Hij heeft daartoe onder andere een huurovereenkomst overgelegd waaruit blijkt van een huur van € 1.050,-- per maand. Gelet hierop houdt het hof rekening met woonlasten van € 525,-- per maand.

Naar het oordeel van het hof heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat de thans 18-jarige [jongmeerderjarige] bij hem woont, dat zij naar school gaat en geen bijbaan heeft, alsmede dat de man alle kosten ten behoeve van [jongmeerderjarige] voor zijn rekening neemt. Gelet op de niet in geschil zijnde behoefte van [jongmeerderjarige] , houdt het hof rekening met door de man te betalen kosten ten behoeve van [jongmeerderjarige] van – geïndexeerd naar 2021 – € 534,-- per maand.

Het hof houdt rekening met de premie basis- en aanvullende verzekering ZVW van respectievelijk € 123,12 en € 22,52. Met het eigen risico van € 32,-- per maand houdt het hof geen rekening nu de vrouw hiertegen verweer heeft gevoerd en de man niet heeft aangetoond dat hij het (volledige) eigen risico heeft verbruikt.

Conform de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen is in het kader van voorlopige voorzieningen voor de draagkracht van de man vanaf november 2019 al een jaar lang rekening gehouden met advocaatkosten van € 114,-- per maand. De man heeft voorts – naar eigen zeggen – ongeveer € 11.000,-- ontvangen uit de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning. Niet is gebleken dat de man niet over voldoende liquide middelen beschikt om de advocaatkosten te voldoen. Het voorgaande maakt dat het hof niet afzonderlijk rekening zal houden met advocaatkosten.

5.6.3

Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor partneralimentatie betreft, houdt het hof rekening met de norm voor een alleenstaande. Naar het oordeel van het hof heeft de man – gelet op het gemotiveerde verweer van de vrouw – onvoldoende onderbouwd dat zijn partner niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. In hetgeen de man naar voren brengt ziet het hof geen aanleiding af te wijken van het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60.

5.6.4

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand draagkracht voor een partneralimentatie van € 508,-- per maand.

Hoogte van de behoefte vrouw

5.7

De door de rechtbank vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw is niet in geschil. Rekening houdende met een verhoging analoog aan de wettelijke indexering bedraagt deze behoefte in 2021 € 2.164,-- netto per maand.

Behoeftigheid

5.8.1

De man voert aan dat de vrouw haar werkzaamheden kan uitbreiden en zo meer eigen inkomen kan genereren. Volgens de man zou de vrouw een inkomen van € 1.700,-- netto per maand kunnen verdienen. De vrouw heeft dat gemotiveerd bestreden. Het hof stelt vast dat, ook wanneer de vrouw over een inkomen van € 1.700,-- netto per maand zou beschikken, bij haar toch nog een aanvullende behoefte zou blijven van € 464,-- netto per maand, hetgeen bruto neerkomt op meer dan de bij de man beschikbare draagkracht van € 508,-- per maand.

5.9

Nu de draagkracht van de man niet hoger is dan de bruto aanvullende behoefte van de vrouw, zal het hof de door de man te betalen partneralimentatie vaststellen op € 508,-- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

6 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als hierna onder 7.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de kinderalimentatie en partneralimentatie betreft.

6.3

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek, een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] vast te stellen;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 februari 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve wat betreft de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie en partneralimentatie,

en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot haar levensonderhoud € 508,-- per maand dient te betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.D.M. Lamers en E.P. de Beij en is op 18 maart 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. E.A.M. Scheij in tegenwoordigheid van de griffier.