Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:774

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
200.270.601_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 18 maart 2021

Zaaknummer: 200.270.601/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/362261 FA RK 19-4257

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. A.M.J. van der Weide.

Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 november 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 december 2019, heeft de moeder het hof verzocht voormelde beschikking – naar het hof begrijpt – deels te vernietigen, en opnieuw rechtdoende te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad, dat:

- de moeder om de week uiterlijk om 21:00 uur in [woonplaats vader] dient te zijn samen met het kind óf te bepalen dat de vader om de week op vrijdag het kind van school dient te halen;

- de vakantiedagen tussen partijen worden verdeeld, waarbij het kind in de even jaren de eerste helft van de vakantie bij haar verblijft en de oneven jaren de eerste helft van de vakantie bij de vader verblijft;

- het kind in het weekend naar Arabische les in [woonplaats moeder] dient te worden gebracht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 februari 2020, heeft de vader het hof verzocht om het beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Hashem Jawaheri;

  • -

    mr. Van der Weide, namens de vader.

2.3.1.

De vader is, hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen, niet ter mondelinge behandeling verschenen. Namens de raad is, met bericht van verhindering d.d. 14 augustus 2020, geen vertegenwoordiger ter mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het (gedeeltelijke) procesdossier eerste aanleg, ingekomen ter griffie van het hof d.d. 2 januari 2020;

  • -

    nadere stukken betreffende de behandeling in eerste aanleg, ingekomen ter griffie van het hof d.d. 7 januari 2020;

  • -

    het concept van de vaststellingsovereenkomst d.d. 28 maart 2017, ingekomen ter griffie van het hof op 30 september 2020.

2.5.

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen een brief van de advocaat van de vader van 13 oktober 2020 en de reactie daarop van de advocaat van de moeder van 16 oktober 2020.

2.6.

Tevens zijn op verzoek van het hof van de zijde van de advocaat van de moeder nog ingekomen:

  • -

    het V8- formulier van 14 januari 2021;

  • -

    de door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst van 28 maart 2017

(als bijlage bij het V6-formulier van 19 januari 2021);

- het kort geding vonnis van 20 november 2019 met het kenmerk C/02/363763 / KG ZA 19-593 (als bijlage bij het V6-formulier van 4 november 2020).

2.7.

Het hof heeft na de mondelinge behandeling de minderjarige [minderjarige] uitgenodigd voor een kindgesprek. Op haar verzoek heeft dit via een videobelverbinding plaatsgevonden op

12 januari 2021. Van dit gesprek is een verslag verstuurd aan zowel de vader als de moeder.

2.8.

Het hof heeft nadien kennisgenomen van:

  • -

    het emailbericht van de advocaat van de moeder d.d. 25 januari 2021;

  • -

    het V6-formulier van 2 februari 2021 van de advocaat van de vader;

  • -

    het V6-formulier van 3 februari 2021 van de advocaat van de moeder.

3 De beoordeling

3.1.

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, met de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft.

3.2.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.

Uit dit huwelijk is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.3.

Bij beschikking van 8 oktober 2012 heeft de rechtbank Breda, voor zover thans van belang, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar overeenkomstig de in die beschikking vastgelegde regeling.
Nadien hebben partijen nog diverse procedures over de contactregeling gevoerd.

3.4.

Bij beschikking van 7 juni 2017 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, de beschikking van 8 oktober 2012 gewijzigd en bepaald dat de onderlinge regelingen die door partijen in de vaststellingsovereenkomst zijn neergelegd, waarvan een door de griffier gewaarmerkt exemplaar aan de beschikking is gehecht, als overgenomen en herhaald dienden te worden beschouwd.

3.5.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank

de beschikking van 7 juni 2017 en de daaraan gehechte vaststellingsovereenkomst gewijzigd en bepaald dat de vader en [minderjarige] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

- om de week van vrijdagmiddag uit school tot zondag 17:00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] op vrijdag naar de vader brengt en de vader [minderjarige] op zondag terugbrengt naar de moeder, zulks met inachtneming van hetgeen is opgenomen in rechtsoverweging 4.5. van die beschikking;

- in de zomervakantie gedurende zeven dagen op het moment dat [minderjarige] in Marokko verblijft. Indien geen der partijen naar Marokko gaat dan loopt de weekendregeling tijdens de zomervakantie door en kan [minderjarige] één week aaneengesloten bij de vader in Nederland verblijven.

De rechtbank heeft de verzoeken van de moeder en de overige verzoeken van de vader afgewezen.

3.6.

Bij vonnis van 14 februari 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering dat - in verband met haar veranderde medische situatie - de vader [minderjarige] op vrijdag moet ophalen bij de moeder en op zondag bij de moeder moet terugbrengen.

De voorzieningenrechter wijst er ten overvloede op dat het op de weg van de moeder ligt om die oplossingen te vinden die binnen haar invloedssfeer en verantwoordelijkheid liggen als de moeder in de onmogelijkheid verkeert de contactregeling uit te voeren. Het is de taak van de moeder een oplossing te vinden en de contactregeling tussen de vader en [minderjarige] doorgang te laten vinden.

3.7.

De moeder kan zich met een deel van deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.8.1.

De moeder voert in haar beroepschrift - kort samengevat - het volgende aan.

Het is voor de moeder in verband met haar werkzaamheden en de zorg voor haar andere drie kinderen niet haalbaar om [minderjarige] op vrijdagmiddag direct na school naar de vader in [woonplaats vader] te brengen. Dit is voor haar praktisch niet uitvoerbaar. Op die dag werkt zij. Het is voor haar niet mogelijk om minder uren te gaan werken in verband met haar verplichtingen in het kader van het lopende schuldsaneringstraject (WNSP).

Dat zij alle kinderen mee moet nemen in de auto wanneer zij [minderjarige] naar de vader brengt, zorgt voor veel spanningen binnen het gezin en maakt de autorit nog moeilijker voor de moeder. Bovendien heeft zij op de vrijdagmiddag veel last van verkeersdrukte op weg naar [woonplaats vader] . De autorit is gelet op de medische klachten van de moeder fysiek voor haar een te zware belasting. De moeder kampt met zowel lichamelijke klachten als psychische aandoeningen doordat zij in het verleden agressief is bejegend door de vader.

De moeder benadrukt dat het niet nemen van een beslissing over de verdeling van de vakantiedagen door de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] is. Dit geldt ook voor het afwijzen van het verzoek van de moeder om [minderjarige] , in het weekend dat zij bij de vader is, naar Arabische les in [woonplaats moeder] te brengen.

3.8.2.

Hieraan heeft de moeder ter mondelinge behandeling in hoger beroep het volgende toegevoegd.

De moeder wijzigt haar verzoek in die zin dat zij het hof verzoekt om de regeling betreffende het halen en brengen van [minderjarige] zodanig aan te passen dat de vader [minderjarige] op vrijdag ophaalt van school en de moeder haar op zondag ophaalt bij de vader. De moeder werkt 38 uur in de week en zij kan op de vrijdag niet minder uren gaan werken. Daarbij speelt de zorg voor haar andere drie kinderen en het feit dat zij hoogzwanger is van haar vijfde kind ook een grote rol. De vader is flexibeler in zijn tijd omdat hij niet werkt. De moeder heeft op de zondag bovendien meer mogelijkheden om [minderjarige] op te halen. Ook is zij in staat om op de zondag hulp te vragen aan een familielid om dit namens haar te doen of om opvang te regelen voor haar andere kinderen.

Omdat [minderjarige] al teveel achterstand heeft opgelopen bij het volgen van de Arabische lessen heeft het geen zin meer om deze te volgen. De moeder trekt haar verzoek op dit punt dan ook in. Wat betreft de vakantieregeling handhaaft zij haar verzoek om de vakantiedagen bij helfte te verdelen.

3.9.

De vader voert in zijn verweerschrift, kort samengevat, het volgende aan.

De vader betwist dat de moeder werkt; gezien haar gestelde medische toestand kan zij ook niet op korte termijn werken. Dat de moeder financiële problemen heeft, kan de vader niet verweten worden.

De stelling van de moeder dat zij niet in staat is om auto te rijden, wordt door haarzelf teniet gedaan nu zij een van haar andere kinderen naar de kinderopvang in België brengt. De zorg en de aandacht voor de andere kinderen zijn geen argumenten waarom de vader op vrijdag en zondag heen en terug zou moeten rijden om [minderjarige] te halen en weg te brengen. Dit heeft ook voor hem niet haalbare consequenties.

Door de voorzieningenrechter zijn in het vonnis van 14 februari 2020 de (medische) omstandigheden van de moeder opnieuw beoordeeld en ook in deze procedure vormden deze geen reden om de gemaakte breng - en haalafspraken te wijzigen. De vader handhaaft derhalve zijn standpunten op dat punt.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de huidige vakantieregeling te wijzigen. De vader acht deze beslissing terecht. De moeder heeft ook niet aangegeven hoe zij de bestaande regeling wenste te wijzigen. Hoewel de vader de Arabische lessen ook belangrijk vindt voor [minderjarige] , zijn de eisen van de moeder ten aanzien van deze lessen niet haalbaar.

3.9.1.

Hieraan heeft de advocaat van de vader namens hem ter mondelinge behandeling in hoger beroep nog toegevoegd dat de vader de huidige omgangsregeling goed vindt gaan. Hij wil dat het blijft zoals het nu is.

Op dit moment ontvangt de vader nog een bijstandsuitkering. Hij is op zoek naar werk in de taxibranche. Bij de vader is geen sprake van onwil om te overleggen met de moeder maar hij is moe van alle gevoerde procedures.

De advocaat heeft ter mondelinge behandeling toegezegd dat zij met de vader het voorstel van de moeder wat betreft het wijzigen van het brengen en halen van [minderjarige] zal bespreken en daarbij ook de verdeling van de vakanties zal meenemen.

3.10.

In de brief van 13 oktober 2020 van de advocaat van de vader is aan het hof bericht dat het partijen niet is gelukt om in onderling overleg tot overeenstemming te komen.

Wat betreft de vakantieregeling verzoekt de vader het hof om het verzoek van de moeder om de vakanties bij helfte te verdelen af te wijzen. De vader wenst vast te houden aan de huidige regeling die volgens de vader naar tevredenheid verloopt. De week die [minderjarige] in de zomer bij de vader doorbrengt is volgens hem afdoende en past bij de mogelijkheden van de vader (qua tijd en qua financiën). Het is voor de vader financieel niet mogelijk om [minderjarige] langer dan één week aaneengesloten bij zich te hebben. De vader heeft nog geen werk gevonden en heeft een bijstandsuitkering voor een alleenstaande. Hij is daardoor niet in staat om een halve zomervakantie voor [minderjarige] te zorgen. Daarbij komt dat hij merkt dat [minderjarige] het niet prettig vindt om langere tijd uit haar sociale omgeving weg te zijn.

De vader is bereid om per vakantie te bepalen of er ruimte en middelen zijn aan zijn kant om [minderjarige] langere tijd bij zich te hebben. Hij staat open voor overleg.

Wat betreft de breng- en haalregeling is de door de moeder voorgestelde wijziging voor de vader praktisch niet haalbaar. De vader hoopt in de eerste plaats dat hij snel aan het werk kan. Hij dient dat wel beschikbaar te zijn op de vrijdagen. Daarnaast beschikt de vader zelf niet over een auto en kan hij deze op dit moment niet betalen. Hij leent eens per veertien dagen op zondag de gezinsauto van zijn zus om [minderjarige] terug te brengen naar de moeder. Zijn zus betaalt voor hem ook vaak de benzinekosten omdat hij over onvoldoende inkomsten beschikt. Zijn zus werkt verder op de vrijdag en heeft ook een gezin. Daardoor is het voor de vader onmogelijk om de auto op een andere dag dan de zondag van haar te lenen.

De vader verzoekt derhalve het hof om ook dit verzoek van de moeder af te wijzen.

Tot slot verzoekt de vader het hof om uitspraak te doen en daarbij te bepalen dat de huidige regeling voor tenminste een periode van drie tot vier jaar zal gelden, dit om te voorkomen dat de moeder op korte termijn weer een nieuwe procedure start.

3.11.

Namens de moeder heeft haar advocaat bij brief van 16 oktober 2020 gereageerd.

Zij stelt dat de vader geen rekening houdt met haar omstandigheden die zij reeds in haar beroepschrift en ter mondelinge behandeling bij het hof aan de orde heeft gesteld. De moeder wil ook dat de procedures over de omgang betreffende [minderjarige] stoppen. De vader hoeft op dit moment geen aanpassingen te maken in zijn leven om het contact met [minderjarige] plaats te laten vinden. Hij hoeft enkel een auto te lenen van zijn zus. De moeder verzoekt het hof derhalve, in het belang van [minderjarige] , te bepalen dat de vader [minderjarige] op vrijdag dient op te halen bij school en dat de moeder op zondag (in persoon of een familielid die op zondag vrij is van werk) [minderjarige] ophaalt bij de vader.

3.12.

Op 12 januari 2021 heeft het kindgesprek met [minderjarige] via een videobelverbinding plaatsgevonden. Het verslag hiervan is aan de ouders verzonden

3.12.1.

De moeder heeft bij emailbericht van haar advocaat d.d. 25 januari 2021 laten weten in te stemmen met het verslag van het kindgesprek met [minderjarige] .

3.12.2.

Bij V6-formulier van 2 februari 2021 heeft de advocaat van de vader een reactie gegeven op het verslag. De vader verbaast zich er over dat [minderjarige] voor het omgangsmoment bij de vader door de moeder een half uur eerder van school wordt gehaald op de vrijdagmiddag. Hij meent dat de moeder [minderjarige] gewoon na schooltijd naar [woonplaats vader] moet brengen zoals bepaald in de beschikking van de rechtbank.

De vader erkent dat hij en [minderjarige] tijdens de omgangsmomenten niet veel kunnen ondernemen door onder meer zijn financiële situatie. Hij probeert er echter wel het beste van te maken. [minderjarige] ziet ten onrechte de auto van zijn zus als zijn auto. De vader leent deze auto omdat hij haar daarmee naar huis brengt of als ze een keer naar familie gaan.

Het wijzigen van de haal- en brengmomenten is voor de vader onmogelijk omdat hij het niet kan betalen om met het openbaar vervoer te reizen.

De vader is van mening dat het halen en brengen goed gaat en hierin geen wijziging dient te komen. Ook dienen de vakanties te worden ingevuld zoals dit tot nu toe gaat. Als [minderjarige] langer bij de vader wil blijven dan zou dat, in overleg met de moeder, ook kunnen. Dit hoeft echter niet te worden vastgelegd in een beschikking.

De vader heeft tot slot het hof verzocht alsnog te worden gehoord en verzoekt om een nadere mondelinge behandeling. Hij was ten tijde van de eerdere mondelinge behandeling wegens ziekte niet in staat te verschijnen. Nu de zaak zich anders heeft ontwikkeld en [minderjarige] alsnog is opgeroepen voor een kindgesprek, wenst de vader nog een kans te krijgen om zijn visie naar voren te brengen. Bovendien is er reeds enige tijd verstreken en zijn er aan de zijde van de moeder sprake van nieuwe omstandigheden. De vader heeft vernomen dat zij niet meer werkt en samenwoont met haar partner.

3.12.3.

De advocaat van de moeder heeft op deze reactie bij het V6-formulier van 3 februari 2021 gereageerd. De moeder voert aan dat de vader het verzoek van het hof om te reageren op het verslag van het kindgesprek ten onrechte heeft gebruikt om nogmaals te pleiten voor zijn standpunten en ook nog een verzoek te doen om een mondelinge behandeling.

De moeder wijst erop dat de advocaat van de vader ter mondelinge behandeling van hof heeft aangegeven dat de vader klaar was met het procederen en moe was van het steeds bijwonen van de zittingen. Daaruit blijkt volgens haar dat de vader bewust heeft gekozen om destijds niet aanwezig te zijn. Daarnaast stelt de vader ten onrechte te beschikken over nieuwe informatie. Het blijkt dat deze punten de oude punten zijn die de vader steeds herhaalt in iedere procedure en tijdens elke zitting; namelijk dat de moeder niet werkt en een partner heeft. Hij is echter op de hoogte dat de vrouw recent is bevallen van haar vijfde kind en met moederschapsverlof is. Daarnaast heeft de moeder geen partner. De moeder verzoekt het hof derhalve om het verzoek van de vader om een mondelinge behandeling af te wijzen.

Voor de moeder is het verder duidelijk dat de vader altijd kan beschikken over een auto.

Verder benadrukt de moeder dat zij het financieel ook niet breed heeft en bovendien als alleenstaande moeder voor vijf kinderen zorgt. Desondanks zorgt zij er wel voor dat zij samen met [minderjarige] allerlei activiteiten onderneemt. De stelling van de vader dat hij geen geld voor heeft, gaat derhalve niet op.

De moeder verzoekt het hof (naast haar andere verzoeken in hoger beroep) om rekening te houden met toekomstige ontwikkelingen met betrekking tot [minderjarige] . Zij zal over een jaar naar de middelbare school gaan en als gevolg daarvan kan het voorkomen dat zij pas om 16:00 uur uit is. De vader dient dan ook rekening te houden met de schooltijden van [minderjarige] . Vanuit het perspectief van [minderjarige] is het daarom belangrijk dat de vader [minderjarige] direct van school ophaalt op de vrijdagen waarop omgang plaats dient te vinden, ook wanneer zij naar de middelbare school gaat.

3.13.

Het hof overweegt als volgt.

Verzoek van de vader om een nieuwe mondelinge behandeling

3.14.

Het hof wijst het verzoek van de vader om een nieuwe mondelinge behandeling af omdat daartoe geen noodzaak bestaat nu de vader in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld zijn standpunten naar voren te brengen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vader verklaard dat de vader zich niet goed voelde en daarom niet was verschenen. Zijn advocaat heeft vervolgens namens hem zijn standpunten verwoord en is na de mondelinge behandeling nog in staat gesteld om – na overleg de met de vader - schriftelijk te reageren op de haal-en brengregeling en de invulling van de vakantieregeling.

Dat er, na de mondelinge behandeling, een kindgesprek met [minderjarige] heeft plaatsgevonden maakt dit niet anders. Ook hierop heeft de vader schriftelijk kunnen reageren.

Verder zijn de door hem gestelde nieuwe omstandigheden aan de zijde van de moeder door hem niet onderbouwd en door de moeder gemotiveerd betwist. Het hof ziet dan ook hierin geen aanleiding voor een nieuwe mondelinge behandeling. Gelet op de reeds jarenlange strijd die de ouders ten aanzien van de (uitvoering van de) contactregeling met elkaar voeren, acht het hof het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat er duidelijkheid over de contactregeling komt en zal derhalve beslissen.

Contactregeling

3.15.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande dan wel een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.15.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De moeder kan derhalve ontvangen worden in haar verzoek.

3.15.2.

Ter mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder haar verzoek met betrekking tot het brengen van [minderjarige] naar Arabische les in het weekend dat zij bij de vader is, ingetrokken. Dit verzoek behoeft derhalve geen nadere behandeling meer.

3.15.3.

De moeder en de vader voeren al jaren procedures over de breng- en haalregeling van [minderjarige] naar de vader en weer terug naar de moeder. De ouders volharden in hun standpunten en ook de poging in de onderhavige procedure om tot een onderlinge regeling te komen, heeft niet mogen baten.
Het hof stelt vast dat er in de onderhavige procedure geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die een wijziging van de regeling in het belang van [minderjarige] noodzakelijk maken. Het hof begrijpt dat de huidige contactregeling - ondanks de door de moeder gestelde problemen - goed verloopt, hetgeen ook door [minderjarige] in het kindgesprek is aangegeven. Zij vindt dat het op en neer reizen goed gaat.

Gelet hierop acht het hof het in het belang van [minderjarige] dat de huidige regeling wordt gecontinueerd. Het hof zal het verzoek van de moeder om de breng- en haalregeling te wijzigen, dan ook afwijzen. Op het verzoek van de vader om te bepalen dat de regeling voor een aantal jaren zal gelden, kan het hof – nog daargelaten of dit verzoek tijdig is gedaan – geen beslissing nemen, nu dit een toekomstige situatie betreft qua feiten en omstandigheden van allen die bij deze contactregeling betrokken zijn, waar het hof nu nog geen rekening mee kan houden.

3.15.4.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat [minderjarige] – conform de huidige regeling – gedurende de zomervakantie één week bij de vader verblijft. De moeder wenst een uitbreiding van de vakantieregeling, omdat [minderjarige] het leuk zou vinden meer tijd bij de vader door te brengen. De vader heeft aangegeven dat een structurele uitbreiding van de vakantieregeling voor hem financieel niet haalbaar is. Alles afwegende acht het hof, mede gelet op de gang van zaken in de afgelopen jaren, het in het belang van [minderjarige] om de huidige regeling ten aanzien van de zomervakantie te handhaven. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [minderjarige] , tijdens het kindgesprek, heeft aangegeven dat de huidige regeling goed loopt en zij ook niet langer bij de vader wil blijven tijdens de vakanties. Bij de moeder heeft zij haar vrienden en daar is meer te doen dan bij de vader thuis. Gelet hierop zal het hof ook het verzoek van de moeder op dit punt afwijzen.

3.16.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 november 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, E.L. Schaafsma-Beversluis, M. Ossentjuk en is op 18 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.