Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:763

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
200.287.669_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Goederenrecht
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Executiegeschil. Verzet Opheffing executoriaal beslag. Maatstaf en grieven. Executoriaal beslag voor schuld van man op woning die op naam staat van vrouw. Elke gemeenschap van goederen uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden. Verzet vrouw tegen beslag. Geen processuele gevolgen van niet-dagvaarden man ex art. 438 lid 6 Rv. Maatstaf opheffing beslag. Grieven en rechtsstrijd in appel. Vraag of uit verrekenbeding kan volgen dat man de mede-eigendom van de woning heeft verkregen. Uitleg en goederenrechtelijke werking huwelijkse voorwaarden

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 438
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.287.669/01

arrest van 16 maart 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. L.H.A.M. Andriessen te Breda,

tegen

[Financieel Advies] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.C. Osté te Dongen,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 december 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 3 december 2020, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, in kort geding gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/378047 / KG ZA 20-575)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep, met daarin de grieven en met producties 8 tot en met 12

  • -

    de akte van [appellante] , met productie 13

  • -

    de memorie van antwoord

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De feiten

In dit hoger beroep gaat het hof uit van de feiten die de voorzieningenrechter heeft vastgesteld in het bestreden vonnis onder 3.1. Voor zover relevant vult het hof de opsomming aan met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.

3.1.

[appellante] is op 1 juni 1990 in gemeenschap van goederen gehuwd met

[echtgenoot appellante] (hierna: [echtgenoot appellante] ).

3.2.

Bij brief van 18 maart 2005 heeft mr. [notaris] , notaris te [plaats] , aan [appellante] en [echtgenoot appellante] onder meer meegedeeld:

‘Bijgaand doe ik u een ontwerp van uw huwelijksvoorwaarden toekomen.

Als uitgangspunt wordt elke gemeenschap van goederen uitgesloten. Ieder houdt dus zijn

eigen vermogen.

De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, waartoe gerekend worden alle normale

jaarlijkse uitgaven, inclusief bijvoorbeeld de kosten van vakantie’s, worden naar rato van uw beider inkomens voldaan (zie artikel 7).

Hetgeen na betaling van de kosten van de huishouding over is van uw beider inkomsten,

wordt jaarlijks bij helfte verdeeld (verrekening van inkomsten, zie artikel 9).

Voorts spreekt u af, dat u bij beëindiging van het huwelijk onderling doet alsof er een algehele gemeenschap van goederen zou bestaan. Dit geldt dus uitsluitend tussen u beiden en niet jegens derden (zie artikel 14).

Bij beëindiging van het huwelijk door overlijden van een van u beiden vindt een verrekening plaats alsof er sprake zou zijn geweest van een algehele gemeenschap van goederen, alleen echter indien u kinderen heeft.

Ook bij beëindiging van het huwelijk door echtscheiding zal een verrekening plaatsvinden

alsof er sprake was van een algehele gemeenschap van goederen, maar erfenissen,

schenkingen, ondernemingsvermogen en hetgeen ten huwelijk werd aangebracht zullen dan buiten die verrekening blijven.’

3.3.

Bij notariële akte van 11 juli 2005 zijn partijen huwelijkse voorwaarden aangegaan. De akte is verleden door notaris [notaris] . De akte is op 12 juli 2005 ingeschreven in het openbaar huwelijksgoederenregister. De akte luidt onder meer:

‘Uitsluiting

Artikel 1

De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit.

(…)

Kosten van de huishouding

Artikel 7

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door de

echtgenoten gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Zijn de

inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid

van ieders vermogen. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere

omstandigheden zich daartegen verzetten.

2. Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging

en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen, de premies voor de

gebruikelijke verzekeringen, de kosten van ontwikkeling en ontspanning van

de gezinsleden, de kosten van vakanties, de huurprijs van de echtelijke

woning en rente van geldleningen die verband houden met de aanschaf van de

echtelijke woning en de vakantiewoning.

Tevens behoren daartoe de kosten van aanschaf van de inboedel en van de

voor het gezin bestemde auto's.

Indien aan die kosten, waaronder begrepen de kosten van een geldlening die

in verband met de aanschaf zijn aangegaan, door beide echtgenoten is

bijgedragen, komt de eigendom daarvan aan ieder van hen voor de helft toe.

Vorenbedoelde kosten behoren tot de kosten van de huishouding voor zover

maatstaven van redelijkheid en billijkheid zich niet daartegen verzetten en

voor zover deze kosten niet ten laste van derden komen.

3. Indien de echtgenoten in onderling overleg niet samenwonen, worden de

gezamenlijke kosten van de afzonderlijke huishoudens, waaronder begrepen

de kosten die verband houden met de huisvesting van de echtgenoten,

gedragen op de wijze als in lid 1 is bepaald.

4. De echtgenoot die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten

van de huishouding dan hij op grond van het bepaalde in dit artikel zou

moeten dragen, kan dit meerdere van de andere echtgenoot terugvorderen,

mits hij die vordering instelt

binnen een jaar na de ontbinding van het huwelijk of, in geval van scheiding

van tafel en bed, binnen één jaar na de totstandkoming daarvan.

5. Indien de vordering overeenkomstig lid 4 is ingesteld, moet deze direct

worden voldaan, tenzij redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.’

3.4.

Bij notariële akte van 12 oktober 2005 is aan [appellante] een perceel bouwterrein, gelegen aan de [adres] te [plaats] , geleverd ten behoeve van de bouw van een woonhuis. Op het bouwterrein is een woonhuis gebouwd. In het kadaster is ingeschreven dat [appellante] als enige het recht van eigendom heeft op het registergoed aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning).

3.5.

Bij arrest van dit hof van 15 november 2011 zijn [echtgenoot appellante] en [Holding] Holding B.V. (hierna: [Holding] Holding) onder meer veroordeeld om een klantenbestand af te geven aan [geïntimeerde] (destijds [Beheer] Beheer B.V. geheten), op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag.

3.6.

Bij arrest van dit hof van 13 maart 2018 is een vordering van [echtgenoot appellante] en [Holding] Holding tegen [geïntimeerde] om de dwangsom op te heffen, afgewezen.

3.7.

[geïntimeerde] heeft op 19 oktober 2020 ten laste van [echtgenoot appellante] executoriaal beslag gelegd op de woning voor dwangsommen tot een totaal van € 5.119.605,04 die [echtgenoot appellante] volgens [geïntimeerde] is verschuldigd op grond van het onder 3.5 genoemde arrest.

3.8.

Bij arrest van dit hof van 10 november 2020 is opnieuw een vordering van [echtgenoot appellante] en [Holding] Holding om de dwangsom op te heffen of te verminderen, afgewezen.

3.9.

[appellante] heeft de woning verkocht. De woning moet op 1 juli 2021 aan de koper worden geleverd.

4 De procedure in eerste aanleg

4.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellante] dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om het onder 3.7 genoemde beslag op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

4.2.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De stellingen en verweren van partijen komen hierna aan de orde, voor zover in hoger beroep van belang.

4.3.

In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vordering afgewezen.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1.

[appellante] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vordering.

5.2.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis aangenomen dat [appellante] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering (rov. 3.4). Volgens de voorzieningenrechter kan het beslag op grond van een belangenafweging worden opgeheven, indien summierlijk aannemelijk is dat de woning niet aan [echtgenoot appellante] toebehoort (rov. 3.5). De voorzieningenrechter is tot het oordeel gekomen dat niet summierlijk aannemelijk is gemaakt dat de woning niet behoort tot een gemeenschap tussen [appellante] en [echtgenoot appellante] . Voor dat oordeel heeft de voorzieningenrechter kennelijk doorslaggevend geacht dat art. 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden voor tweeërlei uitleg vatbaar is en dat uit deze bepaling kan voortvloeien dat de woning behoort tot de gemeenschap tussen [appellante] en [echtgenoot appellante] (rov. 3.7 tot en met 3.12). Een belangenafweging leidt volgens de voorzieningenrechter evenmin tot het oordeel dat het beslag moet worden opgeheven (rov. 3.14).

5.3.

Met de grieven komt [appellante] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet summierlijk aannemelijk is ‘dat de woning niet tot de gemeenschap behoort’, zoals neergelegd in het bestreden vonnis in 3.7 tot en met 3.12. Het hof bespreekt de grieven hierna gezamenlijk.

Ontvankelijkheid

5.4.

In deze zaak verzet [appellante] zich ertegen dat [geïntimeerde] het arrest van 15 november 2011 ten uitvoer legt door beslag op de woning, omdat zij stelt dat alleen zij de eigendom heeft van de woning en zij geen partij was in de zaak waarin het arrest is gewezen. Het betreft een geval als bedoeld in art. 456 Rv.

5.5.

Uit art. 438 lid 6 Rv volgt dat bij een dergelijk executiegeschil [appellante] zowel [geïntimeerde] als [echtgenoot appellante] en [Holding] Holding moet dagvaarden. Het hof ziet echter aanleiding om geen processuele gevolgen te verbinden aan de omstandigheid dat [appellante] in dit geval [echtgenoot appellante] en [Holding] Holding niet heeft gedagvaard. De strekking van de regel van art. 438 lid 6 Rv is te voorkomen dat tussen de executant en de partijen die mogelijk een recht op het beslagen goed hebben, tegenstrijdige uitspraken worden gedaan door hen allen in het geding te betrekken. In dit geval geldt alleen voor [echtgenoot appellante] , en niet voor [Holding] Holding dat hij mogelijk een recht op de woning heeft. [echtgenoot appellante] is echter in deze procedure betrokken, doordat hij bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg namens [appellante] verklaringen heeft afgelegd, waaruit ook blijkt wat zijn eigen standpunt is. Dit standpunt is verder kenbaar uit zijn schriftelijke verklaring die in hoger beroep is overgelegd. Uit de verklaringen blijkt voldoende dat [echtgenoot appellante] hetzelfde standpunt heeft als [appellante] ten aanzien van de eigendom van de woning, zodat er geen reële kans is op tegenstrijdige beslissingen ten aanzien van [appellante] en van hem over een recht op de woning. Ook [geïntimeerde] heeft niet aangevoerd dat een dergelijke kans bestaat en zij heeft geen beroep gedaan op het bepaalde in art. 438 lid 6 Rv. Om deze reden is er geen in rechte te respecteren belang om [appellante] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering en evenmin behoeft zij in staat te worden gesteld om [echtgenoot appellante] en/of [Holding] Holding op de voet van art. 118 Rv als partij in het geding op te roepen.

Maatstaf

5.6.

De voorzieningenrechter heeft in 3.5 van het bestreden vonnis naar analogie van art. 705 lid 2 Rv tot maatstaf genomen dat het beslag op grond van een belangenafweging kan worden opgeheven als summierlijk aannemelijk is dat de woning niet behoort tot een gemeenschap tussen [appellante] en [echtgenoot appellante] , en dus niet mede aan [echtgenoot appellante] toebehoort.

Het hof constateert dat [appellante] daartegen geen grief heeft gericht. Het hof moet daarom van die maatstaf uitgaan.

5.7.

Ten overvloede overweegt het hof dat art. 705 lid 2 Rv betrekking heeft op het opheffen van een conservatoir beslag. De maatstaf die de voorzieningenrechter aanlegt, leent zich op zichzelf niet voor analogische toepassing in een executiegeschil, zoals hier aan de orde is, waarbij het gaat om het verzet tegen een executoriaal beslag door een derde die zich op een eigen recht beroept. Het rechtsgevolg van een executoriaal beslag en de positie van de derde zijn immers wezenlijk anders dan bij een conservatoir beslag. Het conservatoir beslag strekt slechts tot bewaring van een recht en heeft in beginsel alleen tot gevolg dat een beslag rust op het goed en het goed behouden blijft voor verhaal door de schuldeiser, indien diens recht komt vast te staan. Het volstaat in dat geval dat de deugdelijkheid van dit recht - van de schuldeiser - summierlijk aannemelijk is. Het executoriaal beslag daarentegen is gericht op uitwinning van het goed waarop beslag is gelegd en leidt in beginsel tot verkoop van het goed, waarna de schuldeiser zijn vordering uit de opbrengst kan voldoen. Dat laatste is ook wat [geïntimeerde] in dit geval verlangt.

5.8.

Het hof zal dus in het kader van de grieven beoordelen of voorshands summierlijk aannemelijk is dat de woning aan [appellante] en niet mede aan [echtgenoot appellante] toebehoort.

Huwelijkse voorwaarden en eigendom [appellante]

5.9.

[appellante] en [echtgenoot appellante] hebben in 2005 de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk geregeld in de huwelijkse voorwaarden. Tussen hen geldt de hoofdregel van art. 1 van die voorwaarden, namelijk dat elke gemeenschap van goederen is uitgesloten.

5.10.

Het perceel waarop de woning is gebouwd, is overeenkomstig het bepaalde in art. 3:89 lid 1 BW geleverd aan [appellante] , nadat de huwelijkse voorwaarden waren gemaakt. Daarmee is de eigendom van de grond aan [appellante] overgedragen en is zij eigenaar geworden van het woonhuis dat erop is gebouwd (art. 3:3, art 5:3 en art. 5:20 BW). Het eigendomsrecht van [appellante] is ingeschreven in het kadaster.

5.11.

Uit de hoofdregel van het uitsluiten van elke gemeenschap van goederen volgt dat het recht van [appellante] op de eigendom van de woning niet in een gemeenschap van goederen met [echtgenoot appellante] is gevallen. [appellante] kan deze hoofdregel aan [geïntimeerde] tegenwerpen, doordat de akte van huwelijkse voorwaarden in het huwelijksgoederenregister is ingeschreven (art. 1:116 lid 1 BW). In zoverre hebben de huwelijkse voorwaarden externe werking. De wijze van financieren van de koopprijs van de woning en een mogelijke inbreng door [echtgenoot appellante] daarbij, zijn in dit opzicht niet van betekenis.

5.12.

[appellante] heeft hiermee haar eigendomsrecht voldoende aangetoond en in zoverre voldaan aan de bewijsregel van art. 1:96 lid 6 BW. Van deze bewijsregel kan bij huwelijkse voorwaarden niet worden afgeweken.

5.13.

[geïntimeerde] stelt echter dat [echtgenoot appellante] voor de helft eigenaar van de woning is geworden op grond van art. 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden, doordat [echtgenoot appellante] heeft bijgedragen aan het betalen van de kosten en rente op de geldlening die is gesloten voor de aanschaf van de woning.

5.14.

Art. 7 van de huwelijkse voorwaarden regelt op welke wijze [appellante] en [echtgenoot appellante] onderling bijdragen in de kosten van hun huishouding. Lid 2 van deze bepaling bevat verder een regeling aan wie de eigendom toekomt van bepaalde goederen. De vraag is of uit deze bepaling in art. 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden kan volgen dat [echtgenoot appellante] , in afwijking van de hoofdregel, de woning in mede-eigendom heeft verkregen.

Uitleg

5.15.

Wat betreft de uitleg van art. 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden geldt de Haviltex-norm. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij

te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Van beslissende betekenis

zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Daarbij is ook van belang welke taalkundige betekenis de gebruikte bewoordingen, gelezen in de context van de huwelijkse voorwaarden als geheel, in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben. Verder komt onder meer betekenis toe aan de aard van de rechtshandeling, de wijze van totstandkoming ervan, waaronder mogelijke bijstand door juridisch deskundigen zoals een notaris, en de omvang en overige bepalingen van de akte.

5.16.

Over wat de partijen bij de huwelijkse voorwaarden, dus [appellante] en [echtgenoot appellante] , bij het maken van de huwelijkse voorwaarden voor ogen heeft gestaan, zijn zij het eens. Uit de stellingen van [appellante] en de verklaringen van [appellante] en [echtgenoot appellante] blijkt het volgende. Voordat de huwelijkse voorwaarden waren gemaakt, is voor een zakelijke schuld van [echtgenoot appellante] beslag gelegd op een voormalig woonhuis van [appellante] en [echtgenoot appellante] . Die kwestie is destijds geregeld, maar partijen hebben voor de toekomst willen voorkomen dat het zakelijke handelen van [echtgenoot appellante] tot gevolg kon hebben dat opnieuw beslag op het huis werd gelegd. Deze bedoeling is op zichzelf aannemelijk. Uit de literatuur blijkt ook dat een dergelijke bedoeling de voornaamste reden is dat echtgenoten tijdens het huwelijk alsnog huwelijkse voorwaarden opmaken. Bij een dergelijke bedoeling kiezen echtgenoten vaak voor het uitsluiten van elke gemeenschap van goederen, al dan niet met enig verrekenbeding, zoals ook in dit geval is gebeurd. De brief van 18 maart 2005, waarmee notaris [notaris] het ontwerp van de huwelijkse voorwaarden aan [appellante] en [echtgenoot appellante] heeft aangeboden, biedt eveneens steun voor het aannemen van deze bedoeling. In de brief wordt het uitgangspunt van het uitsluiten van elke gemeenschap van goederen voorop gesteld en wordt art. 7 van de huwelijkse voorwaarden alleen genoemd in het kader van het verrekenen van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Het is niet goed denkbaar dat de notaris daarbij onvermeld zou laten dat het verrekenen het ingrijpende gevolg kon hebben dat een woonhuis gemeenschappelijk eigendom zou worden en dus niet zou vallen onder het uitgangspunt van het uitsluiten van elke gemeenschap van goederen, indien dit gevolg met art. 7 lid 2 was beoogd.

5.17.

Daar komt bij dat een andere uitleg ook taalkundig, in het licht van de bepaling als geheel, niet voor de hand ligt. De eerste zin van art. 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden beschrijft wat in dit geval tot de kosten van de huishouding behoren. Daaronder vallen ook de huurprijs van de echtelijke woning en de rente van geldleningen die verband houden met de aanschaf van de echtelijke woning. Vervolgens is in de tweede zin van lid 2 bepaald dat tevens tot de kosten van de huishouding behoren de kosten van aanschaf van de inboedel en van de voor het gezin bestemde auto’s. Daarna bepaalt de derde zin van lid 2: ‘Indien aan die kosten, waaronder begrepen de kosten van een geldlening die in verband met de aanschaf zijn aangegaan, door beide echtgenoten is bijgedragen, komt de eigendom daarvan aan ieder van hen voor de helft toe.’ Het ligt in de rede dat ‘die kosten’ en ‘de kosten (…) in verband met de aanschaf’ betrekking heeft op de kosten van aanschaf van de inboedel en van de voor het gezin bestemde auto’s, zoals bedoeld in de voorafgaande, tweede zin. Bovendien gaat het in de derde zin om ‘kosten van een geldlening’, terwijl het in de eerste zin bij geldleningen die verband houden met de aanschaf van de echtelijke woning, alleen om de rente gaat.

De aflossing op een geldlening valt niet onder de te verrekenen kosten van de huishouding. Daarin hoeft [echtgenoot appellante] dus niet bij te dragen. Dat valt niet te begrijpen, indien het vermogen dat door het aflossen wordt gevormd, wel voor de helft aan [echtgenoot appellante] zou toekomen door het ontstaan van mede-eigendom.

5.18.

Tegenover dit alles heeft [geïntimeerde] niets ingebracht op enigerlei wijze een andere uitleg van art. 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden kan ondersteunen. In wezen baseert [geïntimeerde] haar standpunt op niet méér dan een eigen lezing van de bewoordingen van het artikel.

Geen mede-eigendom

5.19.

Een andere uitleg zou bovendien er niet toe hebben kunnen leiden dat het eigendomsrecht ten aanzien van de woning in een gemeenschap tussen [appellante] en [echtgenoot appellante] is gevallen. Een dergelijke gemeenschap houdt in dat [appellante] en [echtgenoot appellante] gezamenlijk eigenaar zijn van de goederen die tot de gemeenschap behoren, en dus dat [echtgenoot appellante] mede-eigenaar van de woning is geworden. De huwelijkse voorwaarden zijn te beschouwen als een overeenkomst tussen [appellante] en [echtgenoot appellante] . Zij hebben niet met een beding in de overeenkomst zoals opgenomen art. 7 lid 2, een registergoed tot mede-eigendom van [echtgenoot appellante] kunnen maken. Dergelijke bepalingen in de huwelijkse voorwaarden hebben geen goederenrechtelijke werking, in die zin dat zij de overdracht van eigendom bewerkstelligen. Het verlenen van een dergelijke werking aan deze bepaling is ook niet te verenigen met het eenheidsbeginsel dat ten grondslag ligt aan huwelijkse voorwaarden, doordat dit zou leiden tot onzekerheid voor derden en tussen [appellante] en [echtgenoot appellante] onderling op goederenrechtelijk gebied. Voor het verkrijgen van mede-eigendom was dus de overdracht door [appellante] van een aandeel in de woning aan [echtgenoot appellante] nodig op de wijze die is bepaald in art. 3:89 BW.

Een dergelijke overdracht heeft niet plaatsgevonden.

5.20.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep nog een beroep gedaan op art. 3:80 lid 2 BW.

[geïntimeerde] stelt dat uit art. 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden volgt dat sprake is van boedelvermenging.

5.21.

Art. 3:80 lid 2 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat men goederen verkrijgt onder algemene titel door onder meer boedelmenging. Boedelmenging vindt plaats ten aanzien van goederen die bij het voltrekken van het huwelijk of bij het later verkrijgen van een goed vallen in een gemeenschap van goederen (art. 1:93 en 1:94 BW), en niet door een beding in een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden. Het perceel viel op het moment van levering niet in een gemeenschap van goederen. Het perceel zou volgens de redenering van [geïntimeerde] immers pas tot een gemeenschap behoren, indien [echtgenoot appellante] ging bijdragen in het betalen van kosten en rente op een geldlening waarmee de koopprijs van het perceel was gefinancierd. Van boedelmenging ten aanzien van de woning is dus geen sprake, nog daargelaten dat het hof de redenering van [geïntimeerde] heeft verworpen.

5.22.

[geïntimeerde] heeft niets aangevoerd waaruit kan volgen dat [echtgenoot appellante] op een andere, in art. 3:80 BW of elders in de wet voorziene wijze de mede-eigendom van de woning heeft verkregen.

5.23.

Het beroep dat [geïntimeerde] heeft gedaan op art. 3:27 BW kan haar evenmin baten. Het is immers niet aannemelijk, zo volgt uit het voorgaande, dat [echtgenoot appellante] het recht van mede-eigendom van de woning heeft, welk recht hij kan laten vaststellen op de wijze die is aangegeven in art. 3:27 BW.

Geen ander recht

5.24.

Voor zover [geïntimeerde] nog heeft willen betogen dat [echtgenoot appellante] uit hoofde van art. 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden jegens [appellante] recht heeft verkregen op de helft van de (over)waarde van de woning en hij dit recht te gelde kan maken, faalt dit betoog.

Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, volgt immers dat een dergelijk recht voorshands niet aannemelijk is geworden.

5.25.

Verder geldt dat in dit geding geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht die een beroep op de huwelijkse voorwaarden jegens [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken.

Conclusie

5.26.

De conclusie is dat voorshands - ook summierlijk - aannemelijk is dat de woning toebehoort aan [appellante] en niet mede aan [echtgenoot appellante] . De grieven treffen doel.

5.27.

Uit het voorgaande volgt dat voorshands voldoende aannemelijk is dat het beslag en de uitwinning van de woning door [geïntimeerde] onrechtmatig is jegens [appellante] .

Spoedeisend belang

5.28.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] nog het verweer gevoerd dat de vordering van [appellante] niet spoedeisend is. Het hof bespreekt dit verweer, nu de grieven meebrengen dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven.

5.29.

Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] geen spoedeisend belang bij haar vordering, omdat [geïntimeerde] zich niet verzet tegen het leveren van de woning aan een derde, mits de notaris de helft van de opbrengst stort op de derdenrekening van de advocaat van [geïntimeerde] .

5.30.

Het verweer faalt. Het hof onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellante] het beslag niet hoeft te dulden, als summierlijk aannemelijk is dat de woning alleen haar toebehoort. Dit geldt te meer nu het gaat om een executoriaal beslag, gericht op uitwinning. Bovendien zou het [appellante] belasten dat zij na de levering van de woning niet kan beschikken over (de helft van) de overwaarde daarvan.

Belangenafweging

5.31.

De voorzieningenrechter heeft in 3.5 van het bestreden vonnis voorop gesteld dat het beslag op grond van een belangenafweging kan worden opgeheven als summierlijk aannemelijk is dat de woning niet mede aan [echtgenoot appellante] toebehoort. Nadat de voorzieningenrechter vervolgens tot het oordeel was gekomen dat dit laatste niet summierlijk aannemelijk is, heeft de voorzieningenrechter in 3.14 van het bestreden vonnis nog bezien of een belangenafweging toch moest leiden tot het opheffen van het beslag. Volgens de voorzieningenrechter was dit niet het geval.

5.32.

Het oordeel dat de voorzieningenrechter in 3.14 van het bestreden vonnis heeft gegeven, moet gelet op de context aldus worden begrepen dat een belangenafweging niet meebrengt dat het beslag moet worden opgeheven in het geval niet summierlijk aannemelijk is dat de woning niet mede aan [echtgenoot appellante] toebehoort. Dáártegen is geen grief gericht.

5.33.

De situatie die nu voorligt is een andere. Het hof is immers tot het oordeel gekomen dat wel summierlijk aannemelijk is dat de woning niet mede aan [echtgenoot appellante] toebehoort.

In die situatie weegt het belang van [appellante] om onbezwaard over de woning en de verkoopopbrengst te kunnen beschikken, zwaarder dan een belang van [geïntimeerde] om het beslag te handhaven.

Vordering en vernietiging

5.34.

De slotsom is dat het executoriaal beslag op de woning moet worden opgeheven.

De vordering die [appellante] heeft ingesteld, strekt daartoe en is dus toewijsbaar. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de vordering alsnog toewijzen. Het hof neemt daarbij het volgende in acht.

5.35.

Het hof gaat ervan uit dat [appellante] bij vergissing in haar vordering heeft vermeld dat het beslag is gelegd op 13 oktober 2020, in plaats van op 19 oktober 2020. Tevens zal het hof de onroerende zaak omschrijven, zoals dit is gedaan in het beslagexploot (productie 1 bij de inleidende dagvaarding), om onduidelijkheid bij het ten uitvoer leggen van dit arrest te voorkomen. Verder zal het hof het beslag zelf opheffen, zoals voorzien in art. 438 lid 3 Rv. Dit sluit aan bij wat [appellante] met haar vordering beoogt, maar is doelmatiger. [appellante] is dan niet afhankelijk van de medewerking van [geïntimeerde] .

5.36.

[appellante] heeft ook gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om het beslag opgeheven te houden. Die vordering moet worden begrepen als een vordering om [geïntimeerde] te verbieden opnieuw beslag op de woning te leggen. Het hof is van oordeel dat [appellante] belang heeft om te voorkomen dat [geïntimeerde] opnieuw beslag op de woning zal leggen. De vordering wijst het hof daarom toe.

Proceskosten

5.37.

[geïntimeerde] is in het ongelijk gesteld, zodat zij de proceskosten van beide instanties moet dragen. Het hof stelt de proceskosten tot heden aan de zijde van [appellante] als volgt vast:

eerste aanleg

- explootkosten € 100,89

- griffierecht € 304,00

- salaris advocaat € 980,00

totaal € 1.384,89

hoger beroep

- explootkosten € 100,89

- griffierecht € 332,00

- salaris advocaat € 1.114,00 (tarief II, 1 punt)

totaal € 1.546,89

5.38.

De nakosten stelt het hof vast, zoals hierna in de uitspraak wordt vermeld.

6 De uitspraak

Het hof:

6.1.

vernietigt het bestreden vonnis;

en, opnieuw rechtdoende,

6.2.

heft op het executoriaal beslag dat [geïntimeerde] op 19 oktober 2020 heeft gelegd op de onroerende zaak, omschrijving kadastraal object wonen staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] , aan het adres [adres] , kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer] , grootte 643 m2, welke onroerende zaak in eigendom toebehoort aan [appellante] , geboren [geboortedatum] 1966, wonende te ( [postcode] ) [plaats] , aan het adres [adres] , gehuwd met [echtgenoot appellante] , wonende te ( [postcode] ) [plaats] , aan het adres [adres] ;

6.3.

verbiedt [geïntimeerde] om opnieuw executoriaal beslag te leggen op de onder 6.2 genoemde onroerende zaak, op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van

€ 10.000,00 per dag voor elke dag dat [geïntimeerde] in strijd handelt met dit verbod;

6.4.

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, aan de zijde van [appellante] vastgesteld op:

- € 1.384,89 tot heden voor de eerste aanleg,

- € 1.546,89 tot heden voor het hoger beroep,

- € 163,00 aan nasalaris advocaat zonder betekening van dit arrest of € 248,00 vermeerderd met de explootkosten bij betekening van dit arrest;

6.5.

verklaart dit arrest zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, L.S. Frakes en G.J.S. Bouwens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 maart 2021.

griffier rolraadsheer