Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:749

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
200.253.739_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:10054
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Insolventierecht
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst met betrekking tot het verstrekken van medische hulpmiddelen. Vergoedingen door hulpmiddelenleverancier uitbetaald op basis van ingediende en goedgekeurde declaraties. Na het overhevelen onderneming naar andere vennootschap in verband met financiële problemen, heeft leverancier de vergoedingen aan andere vennootschap uitbetaald. Na enige tijd is afgesproken deze gang van zaken te corrigeren. Volgt hieruit verplichting voor leverancier om vergoedingen nogmaals uit te betalen? Uitleg afspraak in het licht van de omstandigheden. Wanordelijke administratie failliete vennootschappen is geen reden om stelplicht en bewijslast van curator te verlichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.253.739/01

arrest van 16 maart 2021

in de zaak van

mr. Marnix Mos,

wonend te [woonplaats] , met kantoor te [kantoorplaats] ,

in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van

  1. Welcom Careshop [vestigingsnaam] B.V. en

  2. Welcom Gezondshop B.V.,

beide gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de curator,

advocaat: mr. M. Mos te Nieuwegein,

tegen

1 [de vennootschap 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [de vennootschap 2],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk in enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerden] en afzonderlijk als [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] ,

advocaat: mr. R.A.G. Smeets te Maastricht,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 3 december 2019 in het hoger beroep van het vonnis van 24 oktober 2018, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen de curator als eiser en [geïntimeerden] als gedaagde, zowel in de hoofdzaak als het incident.

Welcom Careshop Zeist B.V. wordt hierna aangeduid als Careshop, Welcom Gezondshop B.V. als Gezondshop.

5 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    tussenarrest van 3 december 2019

  • -

    de memorie van antwoord met een productie

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De feiten

In dit hoger beroep gaat het hof uit van de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.10. Voor zover relevant vult het hof de opsomming aan met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.

6.1.

[geïntimeerden] is onderdeel van een groep vennootschappen die hulpmiddelen levert en onderhoudt ten behoeve van mensen met een beperking.

6.2.

Careshop is opgericht op 24 december 2010. Haar enig aandeelhouder en bestuurder was Welcom Care Holding B.V. (hierna: Welcom Holding). Enig aandeelhouder en bestuurder van Welcom Holding was [de voormalige bestuurder van Careshop] (hierna: [de voormalige bestuurder van Careshop] ). Careshop verkocht en verhuurde thuiszorgproducten. Zij had een winkel in [vestigingsplaats] .

6.3.

[geïntimeerden] en Careshop zijn met ingang van 1 januari 2013 gaan samenwerken op grond van een ‘overeenkomst hulpmiddelenzorg’ van 10 april 2013. De samenwerking hield kort gezegd in dat Careshop in opdracht van [geïntimeerden] hulpmiddelen leverde en/of verhuurde aan verzekerden van zorgverzekeraars. Careshop diende daarvoor declaraties in bij [geïntimeerden] , die [geïntimeerden] met behulp van het daartoe bestemde softwareprogramma VeCoZa doorgaf aan de zorgverzekeraars. De vergoedingen die de zorgverzekeraars op de declaraties uitbetaalden, betaalde [geïntimeerden] door aan Careshop na aftrek van administratiekosten. Daarnaast maakte [geïntimeerden] gebruik van enkele faciliteiten van Careshop en kocht Careshop producten van [geïntimeerden] .

6.4.

Op 2 april 2015 heeft een schuldeiser van Careshop ten laste van Careshop beslag laten leggen onder [geïntimeerden] . [de voormalige bestuurder van Careshop] en zijn advocaat hebben vervolgens gesproken met een retailmanager van [geïntimeerden] . Deze retailmanager heeft bij e-mail van 14 april 2015 aan de toenmalige directie en de coördinator financiële administratie van [geïntimeerden] het volgende meegedeeld:

‘Vandaag ben ik bij Welcom geweest om het probleem met de beslaglegging te bespreken. Naast directeur [de voormalige bestuurder van Careshop] was ook zijn advocaat aanwezig. Het gaat om een ontslagen oud medewerker die aanspraak maakt op niet ontvangen salaris, er is geen sprake van ander financieel probleem.

[de voormalige bestuurder van Careshop] en zijn advocaat stellen het volgende voor:

Ze willen graag de openstaande facturen naar ons per direct crediteren. Op deze wijze kan de beslaglegger geen aanspraak maken op eventuele tegoeden voor Welcom. De BV waar deze medewerker actief in is geweest zal op non-actief worden gezet zodat er niets meer te verhalen valt via deze BV. Deze week wordt er een nieuwe BV worden opgericht. De huidige activiteiten worden verplaatst naar deze nieuwe BV.

Op een later tijdstip ontvangen wij dan alsnog een nieuwe factuur van Welcom (uit de nieuwe BV) voor uitgevoerde werkzaamheden. Op deze wijze wil men het ontstane probleem oplossen.

Is dit akkoord?

In de onderstaande email van [de voormalige bestuurder van Careshop] vraagt hij naar wie hij de papieren credotnota’s naar toe kan sturen? Naar [naam 1] ? In de bijlage vinden jullie zijn overzicht.’

De coördinator financiële administratie heeft daarop bij e-mail van 15 april 2015 aan de retailmanager meegedeeld:

‘Facturen kunnen tav mij verstuurd worden zodra [naam 2] + [de voormalige bestuurder van Careshop] akkoord zijn.’

De retailmanager heeft de berichten bij e-mail van 15 april 2015 doorgezonden aan [de voormalige bestuurder van Careshop] en daarbij meegedeeld:

‘Ter informatie het onderstaande bericht. Credits kunnen t.a.v. [naam 1] vd Wiel verzonden worden.’

[de voormalige bestuurder van Careshop] heeft de berichten bij e-mail van 16 april 2015 doorgezonden aan zijn bedrijfsadviseur en daarbij meegedeeld:

‘ [naam 3] hierbij de toestemming van [geïntimeerden] om te crediteren. Overleg geweest met directie zie mail wisseling’

De directie van [geïntimeerden] was hiervan niet op de hoogte en heeft (zoals [geïntimeerden] bij antwoord onder 8 onweersproken heeft gesteld) Careshop of [de voormalige bestuurder van Careshop] niet meegedeeld dat zij instemde met de voorgestelde gang van zaken.

6.5.

Op 19 mei 2015 is Gezondshop opgericht. Enig aandeelhouder en bestuurder van Gezondshop was JDH Beheer B.V. (hierna: JDH Beheer). [de voormalige bestuurder van Careshop] was enig aandeelhouder en bestuurder van JDH Beheer.

6.6.

De onderneming van Careshop is (onder het achterlaten van schuldeisers) per 1 juni 2015 voor € 17.500,00 verkocht en overgedragen aan Gezondshop. Alle vorderingen van Careshop waren verpand aan ING Bank.

6.7.

Vanaf juni 2015 heeft niet Careshop, maar Gezondshop declaraties aan [geïntimeerden] gezonden, die door [geïntimeerden] zijn verwerkt. [geïntimeerden] heeft facturen aan Gezondshop gezonden voor geleverde goederen en diensten.

6.8.

Aan het einde van 2015 heeft [geïntimeerden] bezwaar gemaakt tegen de gang van zaken. Partijen hebben daarna met elkaar gesproken. Bij brief van 11 februari 2016 heeft [geïntimeerden] aan Careshop en Gezondshop onder meer het volgende meegedeeld:

‘WelCom Careshop heeft aangegeven een inactieve vennootschap te zijn. Bovendien is een zustervennootschap van Welcom Careshop, genaamd WelCom Care Thuiszorg B.V. met ingang van 17 november 2015 in staat van faillissement verklaard. Uit het openbaar faillissementsverslag d.d. 17 november 2015 blijkt dat WelCom Careshop zich hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor betaling van een vordering van ING Bank. [geïntimeerden] Hulpmiddelenspecialist beraadt zich momenteel hoe met deze situatie om te gaan.

Op verzoek van WelCom Careshop en Welcom Gezondshop is [geïntimeerden] Hulpmiddelenspecialist medio 2015 ten onrechte gaan factureren en betalen aan Welcom Gezondshop. Zoals reeds meermalen aangeven zal [geïntimeerden] Hulpmiddelenspecialist dit terugdraaien en de facturen stellen op naam van WelCom Careshop, in lijn met de Overeenkomst. [geïntimeerden] Hulpmiddelenspecialist bevestigt hierbij nogmaals dat zij geen overeenkomst heeft met Welcom Gezondshop en dat er geen sprake is geweest van contractsoverneming van de Overeenkomst door Welcom Gezondshop.

[geïntimeerden] Hulpmiddelenspecialist zal derhalve de onjuiste financieel/administratieve situatie corrigeren en in lijn brengen met de Overeenkomst die is gesloten met WelCom Careshop. Daartoe treffen wij momenteel voorbereidingen om alle facturen van [geïntimeerden] Hulpmiddelenspecialist aan Welcom Gezondshop te crediteren en alsnog in rekening te brengen bij WelCom Careshop. Dit zal overeenkomstig door Welcom Gezondshop en WelCom Careshop moeten gebeuren voor facturen van Welcom Gezondshop aan [geïntimeerden] Hulpmiddelenspecialist. In de financiële afwikkeling neemt [geïntimeerden] Hulpmiddelenspecialist ook de betaling mee die [geïntimeerden] Hulpmiddelenspecialist heeft gedaan aan Welcom Gezondshop en ten behoeve van WelCom Careshop nog eens heeft gedaan aan [gerechtsdeurwaarder] uit hoofde van een ten laste van WelCom Careshop gelegd derdenbeslag.’

6.9.

Bij brief van 12 februari 2016 heeft [de voormalige bestuurder van Careshop] namens Careshop en Gezondshop aan [geïntimeerden] het volgende meegedeeld:

‘Uw schrijven d.d. 11 februari 2016 hebben wij van u in goede orde ontvangen.

Ten einde tot een afwikkeling te komen en een juridisch steekspel te voorkomen het volgende als reactie onzerzijds:

1. Welcom Gezondshop gaat akkoord met uw voorstel alle facturen en andere afrekeningen, door [geïntimeerden] Hulpmiddelenspecialist aan Welcom Gezondshop, als door Welcom Gezondshop aan [geïntimeerden] Hulpmiddelenspecialist gezonden, te crediteren en opnieuw bij Welcom Careshop [vestigingsnaam] B.V. in rekening te brengen. Hiermede komt ons eerder ingenomen standpunt, dat Welcom Gezondshop B.V. uw contractpartner is, te vervallen;

2. het verlenen van finale kwijting over en weer gaat op dit moment te ver, immers er zijn nog enkele nader te klaren zaken, waaronder eventuele schade door Welcom Careshop [vestigingsnaam] B.V. geleden ten gevolge van de verkoop van de AD-afdeling door uw vennootschap, alsmede de schade geleden door het vanaf 7 januari 2016 niet nakomen van uw contractuele verplichtingen. Er zijn vanaf die datum door u geen opdrachten, voortvloeiende uit de gesloten overeenkomst, meer aan Welcom Careshop [vestigingsnaam] B.V., c.q. Welcom Gezondshop B.V. meer verstrekt.

Met betrekking tot punt 1 hebben wij uit uw schrijven opgemaakt, dat uwerzijds alles al is voorbereid en klaar staat om afgewikkeld te worden, onzerzijds zullen wij maandag alles op de juiste tenaamstelling overzetten. Wellicht is het mogelijk ons uw nieuwe facturen al per mail toe te zenden.

Met betrekking tot punt 2 lijkt het ons zinvol, nadat alle acties uit punt 1 zijn uitgevoerd, nogmaals een bespreking te hebben over de genoemde zaken, zonder dat deze vertroebeld wordt door geschillen over de contractpartners. Tevens kunnen wij dan verder praten over een contractovername door Welcom Gezondshop B.V en zo de samenwerking voortzetten.’

6.10.

Partijen hebben daarna declaraties en facturen gecrediteerd en opnieuw opgemaakt.

6.11.

Op 1 maart 2016 zijn Careshop en Gezondshop op verzoek van [de voormalige bestuurder van Careshop] failliet verklaard, waarbij mr. Mos tot de curator is benoemd.

7 De procedure in eerste aanleg

7.1.

In de onderhavige procedure heeft de curator in de hoofdzaak kort gezegd gevorderd dat [geïntimeerden] wordt veroordeeld om aan hem € 90.820,11 te betalen, met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en nakosten. In het incident heeft de curator het overleggen van stukken gevorderd.

7.2.

[geïntimeerden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De stellingen en verweren van partijen komen hierna aan de orde, voor zover in hoger beroep van belang.

7.3.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen in de hoofdzaak en het incident afgewezen. Het oordeel van de rechtbank komt erop neer dat de curator de vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd.

8. De beoordeling in hoger beroep

8.1.

De curator heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis en tot het toewijzen van de volgende vorderingen:

‘III. Opnieuw rechtdoende, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, des dat de één

betalende, de ander zou zijn bevrijd betreffende vorderingen waartoe zij als

schuldenaar hoofdelijk verbonden zijn en aldus:

IV. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om aan de curator te betalen, een bedrag van

€ 90.820,11, althans een bedrag dat uw hof in goede justitie juist acht, vermeerderd

met de wettelijke handelsrente vanaf 5 dagen nadat [geïntimeerden] deze bedragen van de

zorgverzekeraar heeft ontvangen, dan wel zes weken na indienen van de declaraties

via het declaratiesysteem bij de zorgverzekeraar, dan wel vanaf een datum door uw

hof in goede justitie te bepalen;

V. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om aan de curator te betalen, een bedrag van

€ 1.683,20 zijnde de buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente

vanaf de dag van het uitbrengen van deze dagvaarding;

VI. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om al hetgeen de curator ter uitvoering van

het bestreden vonnis aan hen heeft voldaan aan de curator terug te betalen,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van

terugbetaling;

VII. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van beide instanties alsmede die

van de incidentele vordering, te vermeerderen met de nakosten ten belope van

€ 131,-- zonder betekening, en verhoogd met € 68,-- in geval van betekening, een

en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, en – voor

het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te

vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf

bedoelde termijn voor voldoening.’

8.2.

Daarnaast heeft de curator een incidentele vordering ingesteld. Deze vordering is gelijk aan de incidentele vordering die de curator in eerste aanleg heeft ingesteld. In het tussenarrest heeft het hof deze incidentele vordering afgewezen.

8.3.

Met grief I voert de curator aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vorderingen onvoldoende zijn toegelicht en onderbouwd.

8.4.

Het hof zal eerst vaststellen wat de curator aan de vorderingen ten grondslag legt.

8.4.1.

In eerste aanleg heeft de curator aangevoerd dat Careshop € 90.820,11 van [de vennootschap 2] heeft te vorderen voor werkzaamheden van Careshop waarvoor een vergoeding bij zorgverzekeraars is gedeclareerd (‘zorgverzekeringswerkzaamheden’, dagvaarding nr. 20). De vordering is verpand aan ING Bank en de curator vordert namens deze bank betaling. Voor het geval [geïntimeerden] het verweer voert dat [de vennootschap 1] de wederpartij is, heeft de curator ook [de vennootschap 1] in de procedure betrokken. Voor het geval [geïntimeerden] het verweer voert dat niet Careshop maar Gezondshop de vordering toekomt, heeft de curator de vordering ook ingesteld in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Gezondshop (dagvaarding nrs. 22-23).

8.4.2.

De vordering van € 90.820,11 betreft specifiek declaraties die sinds september 2015 via [geïntimeerden] bij zorgverzekeraars zijn ingediend en waarvan de vergoeding volgens de curator niet aan Careshop is uit- of doorbetaald (dagvaarding nr. 40). De curator heeft voor een overzicht verwezen naar productie 9 bij de dagvaarding. Dat is een overzicht dat [de voormalige bestuurder van Careshop] heeft opgesteld. Verder heeft de curator tegengesproken dat [geïntimeerden] vergoedingen op declaraties van Careshop mocht verrekenen met hetgeen [geïntimeerden] al aan Gezondshop had betaald (dagvaarding nr. 52 e.v.).

8.5.

In hoger beroep heeft de curator nader toegelicht dat de vordering uit twee delen bestaat.

8.5.1.

Het eerste deel betreft een bedrag van € 61.594,71. [geïntimeerden] heeft dit bedrag aan Gezondshop uitbetaald. Volgens de afspraken die partijen in februari 2016 hebben gemaakt, moest Gezondshop volgens de curator deze bedragen aan [geïntimeerden] terugbetalen en moest [geïntimeerden] die weer aan Careshop uitbetalen. De curator wijst in dit verband op de bankafschriften die zijn overgelegd als productie 16 (memorie van grieven nr. 25).

8.5.2.

Het tweede deel betreft een bedrag van kennelijk € 29.225,40 (€ 90.820,11 minus

€ 61.594,71). Het gaat dan volgens de curator om declaraties van Careshop, waarop nog niets is uitbetaald. In dit verband wijst de curator op e-mails die als producties 17.1 tot en met 17.41 zijn overgelegd. Uit die berichten blijkt volgens de curator dat er veel bedragen binnenkwamen die aan Careshop moesten worden doorbetaald, wat niet is gebeurd (memorie van grieven nrs. 26-28).

8.6.

[geïntimeerden] heeft ten aanzien van het eerste deel van de vordering onder meer gewezen op de gang van zaken in 2015 en 2016. Nadat in april 2015 beslag onder [de vennootschap 2] was gelegd ten laste Careshop, heeft [de voormalige bestuurder van Careshop] met zijn advocaat met een medewerker van [geïntimeerden] besproken om in het vervolg de facturen over en weer op naam van Gezondshop te stellen. [geïntimeerden] wijst in dit verband op de e-mails die de curator bij dagvaarding heeft overgelegd (zie hiervoor in 6.4). De directie van [geïntimeerden] kwam hiervan op de hoogte, nadat eind 2015 was gebleken dat voor bijna een ton aan facturen van [geïntimeerden] onbetaald waren gebleven. Toen werd ook duidelijk dat de financiële situatie bij Careshop en Gezondshop slecht was. De directie van [geïntimeerden] wilde de situatie administratief eerst rechtzetten, zodat aan en door de juiste vennootschap zou zijn gefactureerd. Na het crediteren en opnieuw factureren zou worden bekeken wie nog wat van wie te vorderen had, waarna over en weer zou worden verrekend. [geïntimeerden] spreekt in dit verband van ‘kruislings verrekenen’.

Het kruislings verrekenen volgt volgens [geïntimeerden] ook uit het feit dat [de voormalige bestuurder van Careshop] Gezondshop heeft gebruikt om te ontkomen aan verhaal van de schuldeisers van Careshop en de vennootschappen in wezen met elkaar vereenzelvigde, zoals ook de curator later heeft gedaan. [de vennootschap 2] had van Careshop € 90.152,34 te vorderen en € 83.425,25 van Gezondshop. [de vennootschap 1] heeft nog een vordering van € 9.655,75 op Gezondshop. [geïntimeerden] wijst voor de gemaakte afspraken naar de brieven van partijen van 11 en 12 februari 2016 (zie 6.8 en 6.9).

8.7.

Waar het op neerkomt, is dat partijen in februari 2016 hebben vastgesteld dat Careshop na 1 juni 2015 de wederpartij van [geïntimeerden] is gebleven. De declaraties en facturen van Gezondshop en [geïntimeerden] moesten in die zin worden gecorrigeerd. In het verlengde daarvan moesten de bedragen die [geïntimeerden] aan Gezondshop had uitbetaald, ten goede komen van Careshop. Nu dat kennelijk niet is gebeurd, vordert de curator dat [geïntimeerden] de bedragen alsnog aan Careshop uitbetaalt.

8.8.

In wezen komt het erop neer hoe de afspraken van februari 2016 moeten worden uitgelegd, in het licht van de gang van zaken die daaraan voorafging. Wat betreft die gang van zaken stelt het hof vast dat wat [geïntimeerden] daarover en over de rol van [de voormalige bestuurder van Careshop] heeft gesteld, in feite niet is weersproken. De kern is dat aan de gang van zaken een initiatief van [de voormalige bestuurder van Careshop] ten grondslag lag om, kennelijk in financieel zwaar weer, schuldeisers te ontlopen door de onderneming van Careshop over te hevelen naar een nieuwe vennootschap, Gezondshop. Daarbij heeft hij bewerkstelligd dat het wederzijds declareren en factureren in de verhouding met [geïntimeerden] van Careshop overging naar Gezondshop, zonder zich daarvoor te verzekeren van de uitdrukkelijke instemming van [geïntimeerden] . Gezondshop heeft vervolgens wel betaling op bij [geïntimeerden] ingediende declaraties ontvangen, maar facturen van [geïntimeerden] onbetaald gelaten.

8.9.

De afspraken in februari 2016 hebben in wezen tot doel om te corrigeren wat [de voormalige bestuurder van Careshop] heeft bewerkstelligd. Met de afspraken is bevestigd dat niet Gezondshop maar Careshop de wederpartij van [geïntimeerden] is gebleven en is aanvaard dat de tenaamstelling van de declaraties en facturen moest worden gecorrigeerd. De afspraken bevatten niets over betalingen die daaruit zouden voortvloeien. Het ligt in de rede dat het aan [de voormalige bestuurder van Careshop] werd overgelaten om ervoor te zorgen dat wat [geïntimeerden] aan Gezondshop had betaald, na de administratieve correcties bij Careshop terecht zou komen. Het ligt, mede gelet op de voorgeschiedenis en het doel van de afspraken, niet voor de hand dat partijen beoogden een verplichting voor [geïntimeerden] in het leven te roepen om nogmaals uit te betalen, wat al uitbetaald was. De curator heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een dergelijke, niet voor de hand liggende uitleg wél aannemelijk maken. Het hof maakt uit de stellingen van [geïntimeerden] op dat dit de essentie is van wat [geïntimeerden] ‘kruislings verrekenen’ noemt, namelijk dat niet nogmaals zou worden uitbetaald, wat al was uitbetaald. Een betalingsverplichting voor [geïntimeerden] zou weer wel voor de hand liggen als Gezondshop in de afspraken en de correcties aanleiding had gevonden om de aan haar uitbetaalde bedragen aan [geïntimeerden] terug te betalen. Dat heeft Gezondshop echter niet gedaan. Nu Gezondshop dit niet heeft gedaan, staat de strekking van de afspraken die partijen hebben gemaakt, in het licht van de context van wat daaraan voorafging en met name ook de handelwijze van Careshop en [de voormalige bestuurder van Careshop] zelf, eraan in de weg dat Careshop van [geïntimeerden] verlangt dat [geïntimeerden] de bedragen van de declaraties nogmaals uitbetaalt. Als dit al niet voortvloeit uit de afspraken zelf, dan is dit verlangen in elk geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

8.10.

Ten overvloede voegt het hof hieraan toe dat ook bij een andere uitleg van de afspraken de vordering van de curator niet toewijsbaar is. [geïntimeerden] heeft immers bij herhaling erop gewezen dat zij een vordering op Careshop had (en heeft) van € 90.152,34 en dat zij die mag verrekenen met een vordering van Careshop, kennelijk voor het geval uit de afspraken zou volgen dat Careshop nog een vordering op haar heeft. Ook in hoger beroep heeft [geïntimeerden] hierop gewezen (zie bijvoorbeeld conclusie van antwoord in het incident, nr. 1.3 en 2.8).

De curator heeft dit niet tegengesproken. Het hof moet daarom ervan uitgaan dat als Careshop een vordering op [geïntimeerden] heeft, deze vordering door verrekening teniet is gegaan tot een bedrag van € 90.152,34.

8.11.

Uit het voorgaande volgt dat het eerste deel van de vordering van de curator niet toewijsbaar is.

8.12.

Ten aanzien van het tweede deel van de vordering van de curator heeft [geïntimeerden] aangevoerd dat de curator niet duidelijk maakt om welke declaraties van Careshop het gaat. Evenmin is duidelijk of de declaraties zijn ingediend en of deze voldeden aan de eisen van de destijds tussen partijen geldende overeenkomst (art. 7) en of zorgverzekeraars de declaraties hebben aanvaard. Als dit niet het geval is, had Careshop geen recht op uitbetaling. Het overzicht van [de voormalige bestuurder van Careshop] (dagvaarding productie 9) zegt hierover niets.

8.13.

Het ligt op de weg van Careshop en dus van de curator om aan de hand van concrete declaraties te stellen en te onderbouwen dat [geïntimeerden] voor vergoeding in aanmerking komende declaraties onbetaald heeft gelaten. Het is immers de curator die stelt dat dit het geval is en een beroep doet op de rechtsgevolgen daarvan, namelijk een recht op vergoeding. De omstandigheid dat de eigen administratie van Careshop een chaos is en dat daaruit niet valt op te maken of er declaraties zijn ingediend die recht geven op een vergoeding die nog niet is uitbetaald, is geen grond om de stelplicht en bewijslast van de curator te verlichten.

8.14.

Een dergelijke verlichting kan ook niet voortvloeien uit een plicht van [geïntimeerden] om het verwerken van ingediende declaraties aan Careshop te verantwoorden. In de eerste plaats geldt die verantwoordingsplicht alleen de ingediende declaraties. De e-mails die de curator heeft overgelegd en waaruit hij in de memorie van grieven citeert, betreffen mededelingen over het afwikkelen van ingediende declaraties. Ten aanzien van het tweede deel van de vordering van de curator gaat het er nu juist om dat de curator niet duidelijk heeft gemaakt om welke declaraties het gaat en of die zijn ingediend.

8.15.

Het hof merkt hierbij nog op dat [geïntimeerden] uitgebreid heeft uiteengezet dat het deugdelijk opmaken van de declaraties de verantwoordelijkheid was van Careshop en dat haar rol beperkt was tot het indienen van deze declaraties bij de zorgverzekeraars via het daarvoor bestemde declaratieplatform. De zorgverzekeraars keurden de declaraties zonder bericht goed of keurden de declaraties af onder het verstrekken van een afkeurrapport. Het laatste kwam volgens [geïntimeerden] vaak voor. [geïntimeerden] betaalde de uitbetaalde vergoedingen aan Careshop door of zond het afkeurrapport aan Careshop door, waarna Careshop de afgekeurde declaratie kon corrigeren. Dat [geïntimeerden] in enig opzicht tekort is geschoten in het verwerken en verantwoorden van de declaraties, is geenszins aannemelijk gemaakt. Het is echter wel duidelijk, ook de curator geeft dit toe, dat [de voormalige bestuurder van Careshop] ‘een slechte administrateur was’, dat zijn administratie een ‘enorme, onoverzichtelijke papierwinkel’ was, dat [de voormalige bestuurder van Careshop] ‘er eigenlijk van uit (ging) dat elke ingediende declaratie ook daadwerkelijk betaald zou worden en (…) zich niet erg (leek) te bekommeren om afgekeurde declaraties’, en dat de curator niet uitsluit ‘dat er dubbele declaraties in het Excel-bestand van [de voormalige bestuurder van Careshop] staan’ (proces-verbaal van comparitie van 30 augustus 2018). Uit de e-mails van 27 oktober 2015 van [de voormalige bestuurder van Careshop] en de reactie van [geïntimeerden] van 28 oktober 2015 (conclusie van antwoord in incident in eerste aanleg, producties 19 en 20) en de e-mail van 16 december 2015 van de coördinator financiële administratie van [geïntimeerden] , die de curator bij dagvaarding heeft overgelegd (productie 12, V), blijkt bovendien dat [de voormalige bestuurder van Careshop] het overzicht kwijt was en dat [geïntimeerden] er veel tijd aan heeft besteed om [de voormalige bestuurder van Careshop] bij te staan in het verkrijgen van inzicht te krijgen in diens wanordelijke administratie (e-mail van 16 december 2015: ‘Ik heb hier nu meer dan 5 werkdagen werk in gestoken en per saldo is het alleen maar werk wat jij ook had kunnen (en mijns inziens moeten, maar zeker niet mij/ons werk) doen. Deze berekening is op basis van jouw gegevens.’). De curator heeft ook niet tegengesproken dat [de voormalige bestuurder van Careshop] ook declaraties dubbel indiende, zowel bij [geïntimeerden] als een zorgverzekeraar (conclusie van antwoord in incident in eerste aanleg, nr. 3.15, en proces-verbaal van comparitie van 30 augustus 2018, p. 4).

8.16.

De curator heeft niet toegelicht welke declaraties recht gaven op een vergoeding die niet is uitbetaald. In het licht van het voorgaande rechtvaardigt dit inderdaad de conclusie dat de curator zijn stelling dat Careshop nog € 29.225,40 toekomt uit hoofde van onbetaald gebleven declaraties onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd. Bij gebreke van deugdelijke toelichting en onderbouwing komt de curator niet toe aan het leveren van bewijs. Zijn vordering is ook op dit onderdeel niet toewijsbaar.

8.17.

De slotsom is dat grief 1 faalt.

8.18.

Grief 2 betreft de vordering die de curator in eerste aanleg heeft ingesteld in het incident.

8.19.

In eerste aanleg heeft de curator dezelfde incidentele vordering ingesteld als in hoger beroep. Over de incidentele vordering heeft het hof in het tussenarrest beslist. De incidentele vordering is afgewezen. Grief 2 faalt om de redenen die het hof ten grondslag heeft gelegd aan het afwijzen van de incidentele vordering in hoger beroep.

8.20.

De slotsom is dat de grieven niet leiden niet tot het vernietigen van het bestreden vonnis. Het hof zal het bestreden vonnis daarom bekrachtigen.

8.21.

Het hof zal de curator in de proceskosten in hoger beroep veroordelen, omdat hij in het ongelijk is gesteld. Het hof stelt de proceskosten tot heden aan de zijde van [geïntimeerden] als volgt vast:

- griffierecht € 2.020,00

- salaris advocaat € 2.031,00

totaal € 4.051,00

8.22.

De nakosten stelt het hof vast, zoals hierna in de uitspraak wordt vermeld.

9 De uitspraak

Het hof:

9.1.

bekrachtigt het bestreden vonnis;

9.2.

veroordeelt de curator in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op:

- € 4.051,00 tot heden voor het hoger beroep,

- € 163,00 aan nasalaris advocaat zonder betekening van dit arrest of € 248,00 vermeerderd met de explootkosten bij betekening van dit arrest, indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de dag van deze uitspraak tot de dag van betaling;

9.3.

verklaart dit arrest zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, L.S. Frakes en M.W.M. Souren en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 maart 2021.

griffier rolraadsheer