Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:747

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
200.237.230_02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:8668
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervoer onder CMR van Nederland naar Turkije;

Expediteursverklaring als bedoeld in art. 8:62 lid 3 niet constitutief; opdrachtgever bevoegd vanaf moment kennisgeving uitoefening rechten aan expediteur; als dit ná het verstrijken van de verjaringstermijn geschiedt zijn door de opdrachtgever geen, althans slechts verjaarde afzendersrechten verkregen

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 8 62
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.237.230/02

arrest van 16 maart 2021

in de zaak van

[appellante] ,

gevestigd te [woonplaats] , Turkije,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. W.E. Boonk te Rotterdam,

tegen

1 [de vennootschap 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerden] en ieder voor zich als [de vennootschap 1] resp. NN,

advocaat: mr. V.R. Pool te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 19 januari 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 15 november 2017, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [geïntimeerden] als eiseressen, gewezen onder zaak-/rolnummer C/02/326107 / HA ZA 17-57.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit

  • -

    het vonnis in eerste aanleg;

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

2 Samenvatting

Dit geschil gaat in hoger beroep over de vraag op welk moment de opdrachtgever de “afzenders”-rechten van de expediteur verkrijgt, in het geval de expediteur de verklaring als bedoeld in artikel 8:63 lid 2 BW uitbrengt. Het hof zal hierna oordelen dat die schriftelijke verklaring niet als constitutief vereiste voor de verkrijging van de vorderingsrechten geldt, maar dat deze reeds door de opdrachtgever worden verkregen wanneer de opdrachtgever aan de expediteur te kennen geeft dat hij genoemde rechten wenst uit te oefenen. Indien de expediteur echter vóór die verkrijging geen tijdige schorsings-of stuitingshandeling van de lopende verjaring heeft verricht heeft hij geen rechten meer, die de opdrachtgever via de werking van artikel 8:63 lid 2 BW van de expediteur kan verkrijgen.

3 Het geschil en de achtergrond daarvan

3.1.

De achtergrond van deze zaak in hoger beroep is de volgende.

i. i) [appellante] heeft eind juni 2013 een vervoerovereenkomst gesloten met [de vennootschap 2] (hierna: [de vennootschap 2] ) voor het vervoer van een vliegtuigmotor per vrachtwagen van [plaats ] naar [plaats ] , Turkije. [de vennootschap 2] handelde hierbij in haar hoedanigheid van expediteur.

ii) [de vennootschap 2] had ter zake dit vervoer een contractuele relatie met [de vennootschap 1] .

iii) [geïntimeerden] stellen dat [de vennootschap 1] op haar beurt voor het vervoer van de motor een vervoerovereenkomst met [vervoersbedrijf] (hierna: [vervoersbedrijf] ) had gesloten voor het totale vervoer van [plaats ] naar [plaats ] en dat zij het vervoertraject van [plaats ] naar [plaats ] heeft verricht.

iv) [appellante] heeft het transport van [plaats ] naar [plaats ] niet zelf uitgevoerd, maar een vervoerovereenkomst gesloten met [vervoersbedrijf 2] (hierna: [vervoersbedrijf 2] ).

v) Op 2 of 3 juli 2013 is de vliegtuigmotor op de vrachtwagen van [vervoersbedrijf 2] geladen. De motor was verpakt in een speciaal draagstel met schokdempers. Op het draagstel was met diverse stickers vermeld: “NO TIE DOWN”.

De chauffeur van [vervoersbedrijf 2] heeft over de belading aan een medewerker van [appellante] onder meer het volgende verklaard:

“De chauffeur is tijdens het laden bij het voertuig geweest en heeft het laden begeleid. (..) Het vastzetten van de motor met spanbanden is door de chauffeur verwezenlijkt op de plaats van laden. [vervoersbedrijf 2] heeft de chauffeur speciale aanwijzingen gegeven met betrekking tot het vastzetten en het vervoeren van de motor (..)”.

[Tijdens het pleidooi verklaarden beide partijen akkoord te zijn met bovenstaande (niet beëdigde) vertaling uit het Turks].

vi) De vliegtuigmotor is op 12 juli 2013 afgeleverd bij Turkish Airlines in [plaats ] .

De bovengenoemde chauffeur heeft hierover tegen [appellante] gezegd:

“ Nadat de motor was uitgeladen hebben onze chauffeur, de heftruckchauffeur en andere bevoegde personen de motor gecontroleerd en hebben geen schade of iets anders negatiefs vastgesteld. Hierop werd de levering-CMR ondertekend door de TK functionaris (..) voor het feit dat hij volledig en onbeschadigd geleverd was.”

[Tijdens het pleidooi verklaarden beide partijen akkoord te zijn met bovenstaande (niet beëdigde) vertaling uit het Turks].

vii) Op 15 juli 2013 heeft ontvanger Turkish Airlines bij [vervoersbedrijf] gemeld dat de motor niet goed was geladen:

“ We noticed that the aft position of the engine was improperly tied down from the cradle (..). As you know improper tiedown has a high risk of damaging the bearings etc. (..)”

viii) De motor is vervolgens (door een derde) vervoerd naar de fabriek van [vervoersbedrijf] in [plaats ] , Verenigd Koninkrijk, om alsnog gecontroleerd te worden, omdat de motor tijdens het vervoer van [plaats ] naar [plaats ] met spanbanden gezekerd was geweest.

ix) De fax van [appellante] aan [de vennootschap 2] met de hierboven onder v en vi deels geciteerde verklaring van de chauffeur is op 19 juli 2013 aan [de vennootschap 2] gestuurd.

x) Op 22 juli 2013 heeft [de vennootschap 1] [appellante] schriftelijk aansprakelijk gesteld voor tijdens het vervoer van de motor van [plaats ] naar [plaats ] aan de motor ontstane schade. Zij schreef onder meer:

“On July 3th [ [vervoersbedrijf 2] ] was instructed by you to load for the transport of a [engine] from [plaats ] (NL) to [plaats ] (TR). On July 12th the truck arrived at the final destination and was the engine unloaded.

By our customer we were informed that during the transport the engine got badly damaged.

Furthermore pictures are made (..) showing incorrect strapping of the engine (..) Due to this the engine was not able to move in its suspension, causing also further damage to the engine.

With this letter we hold you on behalf of [ [de vennootschap 1] ] fully liable for all the damage. (..)”

xi) [bedrijf] te [plaats ] heeft op verzoek van de assurantiemakelaar van [appellante] of [vervoersbedrijf 2] op 1 augustus 2013 een voorlopig verslag uitgebracht en door [de vennootschap 3] te [plaats ] is op verzoek van NN op 4 september 2013 een expertiserapport uitgebracht. De conclusies van beide rapporten stemmen niet overeen.

3.2.1.

[geïntimeerden] hebben op 1 augustus 2016 [appellante] in rechte betrokken en betaling gevorderd van € 80.424,00 met buitengerechtelijke kosten, (CMR)rente en proceskosten vanwege schade aan de motor. Zij stelden daarbij dat de gevorderde schade het gevolg is van gebrekkige stuwage (door [vervoersbedrijf 2] ) van de vliegtuigmotor, waarvoor [appellante] als opdrachtgever van [vervoersbedrijf 2] aansprakelijk is. De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op de in artikel 23 lid 3 CMR opgenomen beperking van de aansprakelijkheid van de vervoerder gerelateerd aan het gewicht van de vervoerde zaken. [geïntimeerden] hebben daarbij aangevoerd dat zij genoemde hoofdsom op basis van een onder meer met [vervoersbedrijf] gesloten vaststellingsovereenkomst aan [vervoersbedrijf] hebben vergoed.

3.2.2.

[appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelde onder meer - voor zover in hoger beroep van belang - dat geen (vervoer)overeenkomst is gesloten tussen [appellante] en [de vennootschap 1] maar alleen tussen [appellante] en [de vennootschap 2] ; dat de gestelde vordering van [de vennootschap 2] of [de vennootschap 1] tegen [appellante] inmiddels is verjaard op grond van artikel 32 lid 1 CMR; dat geen schade c.q. geen schade in de zin van de CMR is opgetreden gedurende het vervoer; en dat bij aflevering geen bemerking is gemaakt op de CMR-vrachtbrief.

3.2.3.

Ter gelegenheid van de door de rechtbank bepaalde comparitie van partijen op 12 september 2017 hebben [geïntimeerden] een zgn. expediteursverklaring, als bedoeld in artikel 8:63 lid 2 BW, afkomstig van [de vennootschap 2] en gedateerd 28 augustus 2017, overgelegd. Deze verklaring houdt het volgende in:

“Expediteursverklaring ex art. 8:63 lid 2 BW
Voor wie het betreft.

Hierbij verklaren wij, [de vennootschap 2] (hierna [de vennootschap 2] ) (..) dat

1.
[de vennootschap 2] als expediteur met [de vennootschap 1] ten aanzien van [hof: de vliegtuigmotor] op of omstreeks 28 juni 2013 een overeenkomst tot het doen vervoeren (expeditie-overeenkomst) daarvan van [plaats ] naar [plaats ] (Turkije) heeft gesloten;

2.
[de vennootschap 2] als expediteur daartoe ten behoeve van afzender [de vennootschap 1] een overeenkomst heeft gesloten met [hof: [appellante] ] die op haar beurt een vervoersovereenkomst heeft gesloten met [hof: [vervoersbedrijf 2] ]. (..)

3.
[de vennootschap 2] , voor zover dit rechtens nodig zou zijn, de rechten en bevoegdheden overdraagt die [de vennootschap 1] zouden zijn toegekomen, wanneer [de vennootschap 1] zelf als afzender de vervoerovereenkomst met [appellante] zou hebben gesloten.”

3.2.4.

In hun spreekaantekeningen ter gelegenheid van de comparitie vermelden [geïntimeerden] over hun vorderingsrecht(en):

“3.3. De vervoerovereenkomst met [appellante] is gesloten via tussenkomst van [ [de vennootschap 2] ]. [de vennootschap 2] heeft een expediteursverklaring afgelegd. (..) Hieruit volgt dat [de vennootschap 1] gelegitimeerd is om de rechten uit de vervoerovereenkomst met [appellante] uit te oefenen.

(..)

3.5.

Daarbij heeft [de vennootschap 1] ook een vordering uit onrechtmatige daad op [appellante] . [vervoersbedrijf 2] heeft onrechtmatig gehandeld jegens [de vennootschap 1] door de motor verkeerd te stuwen met schade (voor [de vennootschap 1] ) tot gevolg. [appellante] is op grond van art. 6:171 BW hiervoor aansprakelijk. (..)”

3.2.5.

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van [geïntimeerden] toegewezen. Zij overwoog daarbij onder meer - voor zover nu van belang - dat gelet op de overgelegde expediteursverklaring blijkt dat [de vennootschap 1] met [de vennootschap 2] een vervoerovereenkomst heeft gesloten en dat [de vennootschap 1] hiermee een directe actie heeft verkregen jegens [appellante] , zodat het verweer dat een vordering van [de vennootschap 2] op [appellante] is verjaard, geen doel treft (rov 4.6 en 4.7.). De vordering van [de vennootschap 1] is evenmin verjaard op grond van artikel 32 lid 1 CMR, nu deze tijdig is gestuit (rov 4.8.).

3.2.5.

[appellante] is tijdig in hoger beroep gekomen en heeft daarbij negen als zodanig genummerde grieven aangevoerd, alsmede een drietal als grieven te beschouwen opmerkingen in de memorie van grieven (nrs. 6,7 en 9) over de aanwezigheid van [de vennootschap 2] bij het laden, de beschadiging die bij de lossing is ontstaan en het tijdstip waarop de vordering bij haar bekend werd. Het hof zal als eerste de grieven 1 en 3 gezamenlijk bespreken. Deze zijn blijkens de toelichting daarop (mede) gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [de vennootschap 1] een vorderingsrecht heeft jegens [appellante] en dat deze vordering nog niet verjaard is.

3.2.6.

[geïntimeerden] heeft het door [appellante] gestelde weersproken bij memorie van antwoord, op de wijze als hierna nader te bespreken voor zover voor de beoordeling thans relevant.

4 De beoordeling van het geschil door het hof

toepasselijk recht en bevoegde rechter

4.1.

Gedaagde in eerste aanleg, thans appellante, [appellante] , was ten tijde van de inleidende dagvaarding gevestigd in [plaats ] , Turkije. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen.

De zaak betreft grensoverschrijdend wegvervoer van Nederland naar het Turkije als bedoeld in artikel 1 CMR. Op grond van artikel 1 lid 1 is de CMR dwingendrechtelijk op de vervoerovereenkomst van toepassing en dient aan de hand van de CMR te worden vastgesteld of aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt (vergelijk ook artikel 1 Rv). De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 31 lid 1 aanhef en onder sub b CMR rechtsmacht met betrekking tot de vorderingen uit hoofde van de vervoersovereenkomst, nu de plaats van inontvangstneming van de goederen in Nederland ( [plaats ] ) was gelegen. Voor wat betreft de subsidiaire vordering hebben partijen noch de rechter in eerste aanleg zich uitgelaten over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter of het toepasselijke recht; uit hun stellingen begrijpt het hof dat zij voor beoordeling door de Nederlandse rechter en de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen. Bovendien is voorts door [appellante] op geen enkel moment de rechtsmacht van de aangezochte Nederlandse rechter met betrekking tot alle geformuleerde vorderingen betwist (zie artikel 6 lid 1 Brussel I-Bis verordening jo. artikel 9 sub a en 11 Rv).

Het hof zal blijkens het hierna geoordeelde niet meer toekomen aan de vraag welk recht van toepassing is op de stuwage, noch aan de vraag of, voor zover artikel 8:63 lid 2 BW zou hebben geleid tot vorderingsrechten bij [de vennootschap 1] , deze nationale regeling zich onverkort (vergelijk HR 18 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1443) zou hebben doorgezet onder de CMR en/of onder het op de vervoerovereenkomst toepasselijke Turkse recht, indien naar dat recht de stuwage onderdeel uitmaakt van de vervoerdersverplichtingen.

centrale vraag

4.2.1.

De centrale te beantwoorden vraag is of [geïntimeerden] bevoegd waren de onderhavige vordering(en) jegens [appellante] in te stellen.

[appellante] heeft aangevoerd dat zijzelf geen overeenkomst met [de vennootschap 1] had gesloten, maar dat zij eind juni 2013 een (naar in hoger beroep vaststaat) vervoerovereenkomst heeft gesloten met expediteur [de vennootschap 2] . [de vennootschap 2] heeft zelf echter [appellante] nooit aangesproken ter zake eventuele schade ontstaan tijdens het vervoer van de vliegtuigmotor. Deze beide stellingen zijn door [geïntimeerden] niet betwist.

4.2.2.

Vast staat hiermee dat een “eigen” vordering van [de vennootschap 2] , die door [de vennootschap 2] alsnog tegen [appellante] zou worden ingesteld op of omstreeks hetzelfde moment als [de vennootschap 1] zou hebben gedaan, inmiddels zou zijn verjaard gezien het bepaalde in artikel 32 CMR. Dit nu eveneens vast staat dat [de vennootschap 2] geen stuitings- of schorsingshandelingen van de lopende verjaring jegens [appellante] heeft verricht.

[de vennootschap 1] heeft echter gesteld dat zij zelf als opdrachtgever van [de vennootschap 2] de bevoegdheid om een vordering jegens [appellante] in te stellen heeft verkregen door de door [de vennootschap 2] uitgebrachte expediteursverklaring. [appellante] heeft niet betwist dat [de vennootschap 1] de opdrachtgever van [de vennootschap 2] is, maar heeft betwist dat [de vennootschap 1] (dan wel [geïntimeerden] ) de vordering nog kan (kunnen) instellen.

werking expediteursverklaring

4.3.1.

Artikel 8:63 lid 2 BW bepaalt het volgende:

“De opdrachtgever verkrijgt jegens degeen, met wie de expediteur heeft gehandeld, van het ogenblik af, waarop hij de expediteur duidelijk kenbaar maakt, dat hij

hen wil uitoefenen, de rechten en bevoegdheden, die hem zouden zijn toegekomen,

wanneer hijzelf als afzender de overeenkomst zou hebben gesloten. Hij kan ter zake

in rechte optreden, wanneer hij overlegt een door de expediteur (..) af te geven verklaring, dat tussen hem en de expediteur ten aanzien van de zaken een overeenkomst tot het doen vervoeren daarvan werd gesloten. (..)”.

In de parlementaire geschiedenis is hierover het volgende opgemerkt:

“Bij het tweede lid vergelijke men artikel 5 van het ontwerp van Unidroit luidende:

Les droits et recours du commissionnaire contre ses co-contractants sont transférés de plein droit au commettant à partir du moment ou celui-ci a manifesté 1'intention de s'en prévaloir. (..)

Slechts de rechten, die de expediteur als afzender jegens de vervoerder had, kunnen door de opdrachtgever worden uitgeoefend. Eventuele rechten op kortingen, retourcommissies enz. komen hem niet toe. Het ontwerp brengt dit tot uitdrukking door te bepalen dat de opdrachtgever de rechten kan inroepen, die hij zelf als afzender zou hebben gehad: dus niet de rechten die de expediteur als zodanig had.

4. Het ontwerp heeft om de opdrachtgever een rechtstreekse actie tegen de vervoerder te geven niet de figuur van de verplichte cessie gekozen. (..). Het ontwerp tracht ditzelfde resultaat te bereiken door te eisen, dat de opdrachtgever, die zich op grond van het tweede lid in rechte tot een vervoerder wendt, een verklaring van de expediteur moet overleggen, waaruit blijkt dat hij inderdaad als opdrachtgever tegenover deze laatste stond” (PG Boek 8 blz. 119 -122).

4.3.2.

Over het rechtskarakter en de werking van de expediteursverklaring bestaat (ook thans nog) geen eenduidige opvatting. De woorden “rechtstreekse actie” uit de toelichting wekken de indruk dat het hier gaat om een zgn. action directe. Dat kan niet de bedoeling zijn geweest nu uit de tekst van de wet zelf duidelijk blijkt dat de opdrachtgever (anders dan bijvoorbeeld bij de lastgeving van artikel 7:420 BW) geen rechtstreeks en zelfstandig recht uitoefent. De opdrachtgever krijgt immers de beschikking over het vorderingsrecht dat voor de expediteur, in diens hoedanigheid van afzender, uit de vervoerovereenkomst voortspruit. Dit is een action oblique, nu de opdrachtgever jegens vervoerder niet meer rechten heeft, dan de expediteur - uitsluitend als afzender - jegens deze had (zoals de toelichting ook vermeldt).

De verwijzing naar artikel 5 ontwerp Unidroit (“les droits et recours sont .. transférés de plein droit”) lijkt voorts in te houden dat het de bedoeling van de wetgever was dat de rechten van de expediteur niet aan de opdrachtgever worden overgedragen, maar dat de opdrachtgever deze rechten van rechtswege verkrijgt. Het hof zal hiervan uitgaan, ook al omdat de wetgever duidelijk aangeeft dat er een onderscheid is met de cessie.

4.3.3.

De opdrachtgever, die de rechten van de expediteur jegens de vervoerder in rechte wil uitoefenen, moet de expediteursverklaring overleggen, aldus de wet. Nu nergens uit blijkt dat dit reeds bij inleidende dagvaarding moet geschieden, gaat het hof ervan uit dat de verklaring – gelijk bij lastgeving het geval is – ook in de loop van de procedure kan worden overgelegd.

De vraag wanneer de opdrachtgever daadwerkelijk die “afzenders”-rechten verkrijgt, wordt hiermee echter niet beantwoord. Naar het oordeel van het hof is dit het geval op het moment dat de opdrachtgever (i.c. [de vennootschap 1] ) aan de expediteur (i.c. [de vennootschap 2] ) mededeling doet dat hij die rechten jegens de vervoerder wil uitoefenen, en deze mededeling door de expediteur is ontvangen en begrepen. Het hof verwijst naar de tekst van de eerste zin van lid 2: “het ogenblik waarop hij (de opdrachtgever) de expediteur duidelijk kenbaar maakt dat hij [de rechten van de expediteur] wil uitoefenen (..)”. Het gaat erom wat er is medegedeeld aan c.q. uitgewisseld / afgesproken is tussen de expediteur en de opdrachtgever, en wanneer dat is gebeurd. Dat de wetgever in de laatste zin van de in rov. 4.3.1. geciteerde memorie van toelichting het moment van kenbaar maken door de opdrachtgever en het moment van overleggen in de procedure door deze in één adem noemt doet hier niet aan af, nu de tekst van de wet op dit punt duidelijk is. Het hof gaat er – anders dan bijvoorbeeld Van Beukering - Rosmuller in haar proefschrift De Expeditie-overeenkomst, Gouda Quint 1992, p.57 – dan ook niet vanuit dat aan de expediteursverklaring constitutieve werking toekomt in relatie tot de verkrijging van de “expediteursrechten” als hierboven bedoeld.

4.3.4.

In de onderhavige procedure zijn over de contacten tussen [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] over de wens van [de vennootschap 1] om de afzendersrechten uit te oefenen geen stellingen ingenomen door [geïntimeerden] , noch zijn er producties hieromtrent overgelegd: geen telefoonverslagen, e-mails, brieven of schriftelijke verklaringen. Slechts hebben [geïntimeerden] gesteld dat zij kennelijk op enig moment een bericht hebben ontvangen van [de vennootschap 2] – te weten de expediteursverklaring van 28 augustus 2017 – dàt [de vennootschap 1] de rechten van [de vennootschap 2] zal uitoefenen. Dit bericht is op 12 september 2017 in rechte overgelegd.

Er is aldus door [geïntimeerden] niets gesteld over noch is gebleken dat en hoe de rechten van [de vennootschap 2] jegens [appellante] reeds op een eerder moment dan 28 augustus 2017 zouden kunnen zijn overgegaan op [de vennootschap 1] . Tijdens het pleidooi hebben [geïntimeerden] desgevraagd medegedeeld inderdaad niet te beschikken over een brief of e-mail, maar wel toen aangevoerd dat de (eerdere) verkrijging van de afzendersrechten zou blijken uit “wat is gesteld”, en uit alle omstandigheden van het geval waaronder het feit dat [de vennootschap 2] [appellante] niet aansprakelijk heeft gesteld, dus niet heeft gehandeld, waarbij sprake is geweest van “stilzwijgende mededeling of medewerking”.
Los van het feit dat [appellante] zich erop beroepen heeft dat deze onderbouwing nieuw is en dus te laat is aangevoerd – hetgeen het hof vanwege de tweeconclusie leer onderschrijft – snijdt het betoog als zodanig geen hout. Voor zover [geïntimeerden] zich hebben willen beroepen op hetgeen in onderdeel 2.18 van de memorie van antwoord terloops en tussen haken is opgenomen (“na contact met [de vennootschap 2] over de identiteit van de ingeschakelde vervoerder”),
geldt het volgende. Het hof kan uit het gestelde informatie opvragen als zodanig niet afleiden dat [geïntimeerden] aldus richting [de vennootschap 2] kenbaar zouden hebben gemaakt dat zij - exclusief vanwege de privatieve werking van de verklaring richting expediteur - krachtens artikel 8:63 lid 2 BW de aan de orde zijnde rechten wilden uitoefenen. Daartoe zou minstens nodig zijn dat [de vennootschap 2] tevens heeft vernomen, of uit het opvragen van enkel de identiteitsgegevens al heeft moeten begrijpen, dat [geïntimeerden] toen en daarmee de bedoeling hadden kenbaar te maken de afzendersrechten te willen gaan uitoefenen. Dat is door [geïntimeerden] niet aangevoerd in de stukken tot en met de memorie van antwoord.
De expediteursverklaring zelf maakt tenslotte van een dergelijk begrijpen of opvatten evenmin melding.

contractuele vordering [de vennootschap 1] verjaard

4.4.1.

Het hof is van oordeel dat [de vennootschap 1] de rechten van [de vennootschap 2] jegens [appellante] , die voortvloeien uit de tussen [de vennootschap 2] en [appellante] gesloten vervoerovereenkomst (de afzendersrechten), eerst op 28 augustus 2017 heeft verkregen. De motor was op 12 juli 2013 in [plaats ] afgeleverd. Een vordering terzake beschadiging gedurende het transport – zoals de onderhavige – verjaart gezien het bepaalde in artikel 32 lid 1 CMR op 13 juli 2014 (of bij opzet of grove schuld, wat overigens niet gesteld is, op 13 juli 2016).

Nu vaststaat dat [de vennootschap 2] zelf [appellante] niet heeft aangesproken vóór 13 juli 2014, noch de lopende verjaring heeft gestuit of geschorst, was haar (eigen) eventuele vordering op [appellante] op 28 augustus 2017 al verjaard, zoals hierboven reeds geoordeeld.

4.4.2.

[geïntimeerden] hebben aangevoerd dat geen sprake kan zijn van verjaring van de vordering van [de vennootschap 1] , omdat zij een lopende verjaring steeds tijdig zouden hebben gestuit, met welke stuiting [appellante] iedere keer akkoord was (met uitzondering van de laatste keer, reden waarom [geïntimeerden] toen zijn gaan dagvaarden). [geïntimeerden] wijzen op de door hen in het geding gebrachte correspondentie met (eerst) [appellante] en (daarna) de verzekeringsmakelaar van [appellante] , waarin [de vennootschap 1] verzoekt om verlenging van de lopende verjaring en (de makelaar van) [appellante] daarmee instemt.

Terecht heeft [appellante] hiertegen ingebracht dat [de vennootschap 1] nog geen afzendersrechten had om te gelde te maken tegen [appellante] op het moment dat zij de stuitingsverzoeken deed: er viel dus niets te stuiten. Deze situatie is een andere dan aan de orde was in het arrest van het Hof Den Haag (ECLI:2016:629), waarnaar [geïntimeerden] hebben verwezen. In die zaak was sprake van een (stille) cessie. De cessionaris verkrijgt dan (als aan alle andere eisen van artikel 94 lid 3 BW is voldaan) de vorderingsrechten zodra de akte van cessie is opgemaakt, maar zolang de mededeling aan de schuldenaar nog niet is gedaan kan hij deze nog niet aan de schuldenaar tegenwerpen. Een cessionaris is na de stille cessie bevoegd om stuitingshandelingen te verrichten. De opdrachtgever kan die bevoegdheid ook (en doorgaans op eenvoudiger wijze) verkrijgen door de expediteursverklaring, maar wel pas nadat hij “de expediteur duidelijk kenbaar maakt, dat hij hen [de afzendersrechten, hof] wil uitoefenen”.

Door aan [appellante] om een stuiting van de lopende verjaringstermijn te vragen, heeft [de vennootschap 1] niet aan [de vennootschap 2] kenbaar gemaakt dat hij haar afzendersrechten wilde uitoefenen, althans dat is niet gesteld en nergens uit gebleken (zie rov. 4.3.4.).
Het is niet de expediteursverklaring die nodig is voor het verkrijgen van de afzendersrechten, maar het kenbaar maken van de wil daartoe door de opdrachtgever aan de expediteur. De (schriftelijke) expediteursverklaring is nodig voor het vervolgens in rechte instellen van die afzendersrechten door de opdrachtgever.

Dat [appellante] en/of haar verzekeringsmakelaar bij het verlenen van de termijnverlengingen niet kenbaar heeft gemaakt dat [de vennootschap 1] niet (meer) vorderingsgerechtigd was ten aanzien van de afzendersrechten, is op het bovenstaande niet van invloed en verder niet relevant.

vordering uit onrechtmatige daad

4.5.1.

Als weergegeven hebben [geïntimeerden] bij comparitie van partijen in eerste aanleg de grondslag van hun vordering aangevuld met die uit onrechtmatige daad. De rechtbank is daar niet meer aan toegekomen. Gezien de devolutieve werking van het hoger beroep dient het hof over deze grondslag te oordelen. [appellante] heeft in eerste aanleg hiertegen bezwaar gemaakt vanwege onder meer het late tijdstip van aanvulling van de grondslag. Nu is dat bezwaar niet meer aan de orde, gezien de herstelfunctie van het hoger beroep.

4.5.2

De eventuele vordering op de voet van onrechtmatige daad komt aan [de vennootschap 1] zelf toe. Krachtens artikel 28 lid 1 CMR kan [appellante] zich jegens [de vennootschap 1] in beginsel ook beroepen op de toepasselijke verjaringsbepalingen. De te beantwoorden vraag is dan of de door [de vennootschap 1] gedane stuitingshandelingen ook zagen op de gestelde vordering van [de vennootschap 1] uit onrechtmatige daad. Uit de tekst van de correspondentie hierover tussen [de vennootschap 1] en [appellante] valt geen aanwijzing hiervoor te halen, nu slechts wordt gesproken over een “extension of the applicable time-bar”. Evenmin is door [geïntimeerden] gesteld, noch is gebleken, hoe [appellante] in de omstandigheden van dit geval (waarin de aansprakelijkheidsstelling van 22 juli 2013 slechts spreekt over schade tijdens het vervoer onder meer vanwege incorrecte stuwage, zie rov 3.1 onder x) heeft moeten begrijpen dat [de vennootschap 1] met “applicable time-bar” ook doelde op de verlenging van de termijn van [de vennootschap 1] vordering uit onrechtmatige daad.

In dit verband is van belang dat door [appellante] onbetwist is gesteld dat zij zich eerst bij de comparitie van partijen in eerste aanleg (op 12 september 2017) realiseerde dat [geïntimeerden] zich baseerden op zowel een contractuele als een onrechtmatige-daad-vordering.

4.5.3.

Maar zelfs als de onrechtmatige-daad-vordering van [de vennootschap 1] jegens [appellante] wel onder de geaccordeerde verlenging van de verjaring viel, heeft het volgende te gelden.

Het gaat hier om gestelde schade, die zou zijn ontstaan tijdens het vervoer, omdat de chauffeur van [vervoersbedrijf 2] tijdens het beladen van de motor deze op incorrecte wijze zou hebben gestuwd. De motor behoorde onbetwist toe aan [vervoersbedrijf] . Door [geïntimeerden] is onvoldoende gesteld dat en waarom de chauffeur van [vervoersbedrijf 2] , door niet goed te stuwen, jegens [appellante] een onrechtmatige daad zou hebben begaan, waarvoor [appellante] op haar beurt (kwalitatief) aansprakelijk zou zijn jegens [de vennootschap 1] .
Slechts is hierover bij pleidooi in hoger beroep gesteld dat de chauffeur heeft gehandeld in strijd met “hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, door de vliegtuigmotor met spanbanden vast te zetten op een plek voorzien van een verbodsteken met de woorden “NO TIE DOWN” (pleitnota nr 5.1.). Met alleen deze niet nader toegelichte stelling is naar het oordeel van het hof onvoldoende aangevoerd om te kunnen oordelen, zoals [geïntimeerden] aanvoeren, dat de chauffeur van [vervoersbedrijf 2] aldus onrechtmatig jegens [de vennootschap 1] heeft gehandeld en dat [appellante] daarvoor op grond van artikel 6:171 BW - veronderstellenderwijs al uitgaande van toepasselijkheid van Nederlands recht - (dus) jegens [de vennootschap 1] aansprakelijk is (naast de gestelde contractuele aansprakelijkheid).

4.5.4.

Ten slotte hebben [geïntimeerden] voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep aangevoerd dat [appellante] mede op grond van artikel 6:102 BW gehouden is de schade te vergoeden omdat zij met [de vennootschap 1] hoofdelijk aansprakelijk is jegens [vervoersbedrijf] voor de schade aan de vliegtuigmotor. Deze nieuwe grondslag voor de vordering van [geïntimeerden] is tardief (en ook overigens evenmin nader toegelicht), zodat het hof hier verder aan voorbij gaat.

slot

4.6.1.

De slotsom is dat de grieven 1 en 3 in onderling verband en samenhang beschouwd slagen en het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen behandeling meer. Het hof passeert de gedane bewijsaanbiedingen van [geïntimeerden] , nu datgene wat te bewijzen is aangeboden niet tot een ander oordeel kan leiden.

4.6.2.

De vorderingen van [geïntimeerden] zullen alsnog worden afgewezen en [geïntimeerden] zullen - als gevorderd uitvoerbaar bij voorraad - worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.
Hierbij gaat het hof voor wat betreft de kosten van eerste aanleg naast het geheven griffierecht uit van het liquidatietarief zoals dat gold in 2017 (tarief IV ad - toen - € 894,= per punt) en voor wat betreft de kosten in hoger beroep uit van het liquidatietarief (tarief IV ad € 2.031,= per punt) zoals aangepast per 1 februari 2021.

5 De beslissing

Het hof:

vernietigt het op 15 november 2017 gewezen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg;

en opnieuw rechtdoende:

wijst af de vorderingen van [geïntimeerden] ;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van de procedure aan de zijde van [appellante] in eerste aanleg tot op heden begroot op € 1.924,00 aan griffierecht en € 1.788,00 aan salaris advocaat en in hoger beroep op € 98,01 aan dagvaardingskosten, € 1.978,00 aan griffierecht en € 6.093,00 aan salaris advocaat;

verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, R.R.M. de Moor en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 maart 2021.

griffier rolraadsheer