Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:742

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
20-000490-20
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:700, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het opzettelijk doden van zoontje van 4 maanden oud tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000490-20

Uitspraak : 16 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 februari 2020, zittingsplaats Middelburg, parketnummer 02-820621-16 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf met parketnummer 02-109076-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

thans verblijvende in P.I. [gevangenis] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft primair bepleit dat het hof de verdachte integraal zal vrijspreken. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de verdediging bepleit dat het hof de voorwaardelijk opgelegde werkstraf niet zal omzetten naar een gevangenisstraf.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 20 mei 2016 tot en met 24 mei 2016 te Domburg, gemeente Veere, in elk geval in Nederland, zijn kind [slachtoffer] (geboren op 28 januari 2016) opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet in of omstreeks de periode van 20 mei 2016 tot en met

21 mei 2016 (het hoofd van) voornoemde [slachtoffer] met kracht heen en weer geschud en/of een of meer vormen van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] uitgeoefend, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op 24 mei 2016 is overleden;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij in of omstreeks de periode van 20 mei 2016 tot en met 24 mei 2016 te Domburg, gemeente Veere, in elk geval in Nederland, aan zijn kind [slachtoffer] (geboren op 28 januari 2016) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten schedelhersenletsel) heeft toegebracht door met dat opzet in of omstreeks de periode van 20 mei 2016 tot en met 21 mei 2016 (het hoofd van) voornoemde [slachtoffer] met kracht heen en weer te schudden en/of een of meer vormen van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] uit te oefenen, terwijl het feit op 24 mei 2016 de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de navolgende bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd alsmede met de bewijsmiddelen die hierna in voetnoten worden vermeld.

Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Verklaringen

In de volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde Onderzoeksdossier van de Politie Zeeland-West-Brabant, Districtsrecherche Zeeland, Onderzoek Padstow, Padstow ZB1R016015, BVH nummer 2016131742, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , sluitingsdatum

14 maart 2017, pagina’s 1 tot en met 696 (hierna te noemen: onderzoeksdossier).

Een geschrift, zijnde de ‘Aangifte van Overlijden Gemeente Rotterdam’ d.d. 27 mei 2016 (p. 678), voor zover inhoudende:

Datum van overlijden: 24 mei 2016

Overledene

Naam: [slachtoffer]

Voornaam: [slachtoffer]

Geboortedatum: 28 januari 2016

Ouders

Naam en voornamen vader: [verdachte]

Naam moeder: [betrokkene]

Het proces-verbaal van verhoor d.d. 7 juni 2016 (p. 409-422), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte, wonende te Domburg:

V = vraag verbalisanten

A = antwoord verdachte

O = opmerking verbalisanten

(p. 417)

O: We willen praten over de dag voordat [slachtoffer] naar het ziekenhuis werd

gebracht, dat was 20 mei 2016.

A: Het was een hele normale dag. [betrokkene] en mijn moeder gingen wat leuks doen en hebben terrasje gedaan. Het was half 3 (het hof begrijpt: 02:30 uur) toen [slachtoffer] begon te huilen, hij was heel stijf en koud en hij ademde heel raar. Ik heb [betrokkene] geappt komen jullie naar huis. [betrokkene] kwam thuis en [slachtoffer] was heel stijf. Dit was rond drie (het hof begrijpt: 03:00) uur. Hij was huilerig en wij hebben de huisartsenpost gebeld rond 4 (het hof begrijpt: 04:00) uur. Om 9 (het hof begrijpt: 09:00) uur werd hij wakker en deed heel hard huilen. Maar hij wilde niet eten en dat was raar. Wij maakten ons allemaal zorgen. Ik ben even gaan douchen. [betrokkene] riep mij, wij moeten nu naar Goes want [slachtoffer] kreeg stuiptrekkingen. Wij zijn toen naar Goes gegaan. Zij hebben geprobeerd hem stabiel te krijgen want zijn tong zakte naar achteren. Zij kregen hem niet stabiel in Goes.

Ik heb thuis geprobeerd [slachtoffer] wakker te krijgen. Ik heb een blok ijs tegen zijn voeten gehouden. Ik heb hem een beet gegeven in zijn been. Ik heb ook op zijn vingers

(p. 418)

tikjes gegeven, in zijn vingers geknepen, maar hij kwam niet bij. Dit alles is geweest tussen half drie en vier (het hof begrijpt: tussen 02:30 en 04:00) uur. Vanuit Goes is [slachtoffer] toen naar Rotterdam gebracht op de IC. Ook daar hebben zij geprobeerd hem stabiel te krijgen, maar dat lukte niet. Toen kreeg hij een hersenscan. Zijn hersenen waren echt stuk.

O: Wij gaan nog even terug naar die vrijdag 20 mei 2016.

A: Mijn moeder en [betrokkene] hebben mij naar werk gebracht. Ik moest om 17.00 uur beginnen. Ik heb gewerkt die avond. Na mijn werk heeft mijn moeder mij opgehaald bij mijn werk om 22.00 uur. Ik ben dan om ongeveer half 11 thuis. [betrokkene] en mijn moeder gaan dan een terrasje pakken. [slachtoffer] krijgt van mijn moeder nog een flesje voordat zij weggaat. Ik denk dat mijn moeder en [betrokkene] om ongeveer 23.00 uur weg zijn gegaan.

(p. 419)

[slachtoffer] sliep in de woonkamer in zijn kinderwagen.

Hij stond naast de bank in de kinderwagen en ging huilen. Ik sta op zodat ik voor de kinderwagen sta en [slachtoffer] zo kan oppakken. Hij voelt stijf en koud en ademt heel gebrekkig. En hij viel weg. Toen heb ik die ijsblokjes gedaan tegen zijn teentje en die tikjes. Ik wist niet wat ik moest doen. Ik moest huilen. Zijn ogen draaiden en dat was eng. Zijn linkeroog wijkt af en dat klopte niet helemaal.

V: Wat bedoel je met gebrekkig ademen?

A: Ik had hem vast en zijn ademhaling die klonk alsof hij hyperventileerde. Ik hield hem toen voor mij, zijn hoofdje was slap alsof hij dronken was. Zijn oog week af. Hij keek met zijn ene oog naar buiten en met het andere oog keek hij gewoon recht, dat was eng. Ik zag dat zijn rechterarm en een beentje stijf was. Het zag er anders uit dan normaal. Dat bleef ook de hele avond. Ook toen mijn moeder en [betrokkene] thuis kwamen.

Ik heb geprobeerd de stijfheid weg te duwen maar dan kwam de stijve arm vanzelf weer terug in de stand die hij hiervoor had.

(p. 420)

V: Wanneer raakte jij in paniek?

A: Eerst dat ademen, maar toen was ik al ongerust. Maar toen ik dat oogje zag, toen raakte ik echt in paniek. En ik zei reageer, reageer tegen hem. Ik was aan het huilen dat hij moest reageren. Ik praatte met stemverheffing. Ik deed dit alles om hem bij te krijgen. Zoals het ijs, het knijpen in zijn arm en de tikjes. Ik wilde kijken of hij ergens nog iets voelde. Ik heb geknepen in het armpje en het beentje. Ik weet niet precies waar allemaal. Ik ben dan aan het wachten op mijn moeder en [betrokkene] .

V: Wanneer heb jij [betrokkene] en je moeder geappt?

A: Dat heb ik gedaan op het moment dat ik dat ijs ging pakken. Ik weet nog precies wat ik geappt heb. Dat was, wanneer komen jullie thuis? [betrokkene] of mijn moeder appt dan “wij komen zo”. Zij zijn dan ongeveer 10 minuten later thuis.

(p. 421)

A: Zij kwamen binnen. Ik zei, hij doet een beetje raar. Ik ben toen gaan roken in de keuken, want dat had ik echt even nodig. Zij keken naar hem hoe het met hem was en deden hem omkleden. Mijn moeder zei het gaat niet goed met hem. Hij had al die tijd een stijf armpje en dat beentje. [betrokkene] heeft toen de huisartsenpost gebeld. Ik was een beetje afwezig.

V: Wat zie je dan aan je moeder en [betrokkene] ?

A: Ik zag aan hun gezichten dat zij zich zorgen maken. De huisartsenpost zei dat zij langs konden komen. [slachtoffer] was tijdens het gesprek met de huisartsenpost hard aan het huilen. Mijn moeder en [betrokkene] deden overleggen of zij langs zouden gaan. [slachtoffer] was luid aan het huilen. Ik voelde zorgen.

V: Hoe was dat gesprek om wel of niet naar de huisartsenpost te gaan?

A: Ik heb gezegd je gaat nu niet rijden we wachten tot de ochtend. Mijn moeder en [betrokkene] hadden ook alcohol gedronken. Wij hebben toen besloten hem te laten slapen.

O: Je zegt dat je [slachtoffer] op zeker moment hebt gebeten.

V: Wanneer was dat precies?

A: Ik heb [slachtoffer] in zijn been gebeten. Ik heb het wel hard gedaan om te kijken of hij reageerde.

(p. 422)

Dat bijten was het allerlaatste waar hij niet op reageerde. Ik heb gebeten toen hij niet bij was.

Ik heb hem in de ochtend gebeten tijdens die epileptische

aanval. [slachtoffer] vertoonde schokken en hij viel weer weg. Ik heb [slachtoffer] gepakt. Ik ben op de bank gaan zitten, en toen heb ik hem bij zijn been gepakt en heb ik hem gebeten. Mijn moeder wilde naar het ziekenhuis. Ik heb gezegd we gaan naar Goes. [betrokkene] nam [slachtoffer] toen over en ik ben naar boven gerend om mijn trainingspak aan te doen. In de tussentijd waren mijn moeder en [betrokkene] de kinderen in de auto aan het doen. Toen ben ik in de auto gestapt en zijn wij weggereden richting Goes. In de tussentijd heb ik de eerste hulp gebeld van het ziekenhuis Goes. Tien minuten later waren wij in Goes.”

Het proces-verbaal van verhoor d.d. 8 juni 2016 (p. 424-438), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

V = vraag verbalisanten

A = antwoord verdachte

O = opmerking verbalisanten

(p. 425)

O: We willen verder gaan praten over waar we gisteren zijn gebleven, dat was de 20 mei 2016 en 21 mei 2016.

Om 9 (het hof begrijpt 09:00)

(p. 426)

uur ging [slachtoffer] echt krijsen. [betrokkene] riep mij dat [slachtoffer] schokjes kreeg of stuipen.

V: Hoe vaak heeft hij een dergelijke ademhaling gehad?

A: Dat bleef hij echt doen tot het moment dat hij sliep. Toen ik alles deed en in de ochtend ook toen was die ademhaling nog steeds zo. Ik herkende de ademhaling niet.

(p. 427)

O: Ook vertelde je over de stijfheid wegdrukken bij [slachtoffer] .

V: Waarom probeerde je dat stijve armpje en beentje weg te drukken?

A: Ik wilde kijken of het weer goed kwam. Het been was gewoon gestrekt, helemaal gestrekt. En zijn arm was een beetje gedraaid en gestrekt en zijn hand was ook gestrekt. Ik heb hiervoor wel wat kracht moeten gebruiken.

O: [betrokkene] heeft verklaard dat er een akkefietje was tussen jou en je moeder.

V: Wat kan je daarover verklaren?

A: Ik was boos op haar geworden dat zij had gedronken. Ik heb gezegd dat zij dom bezig was en ik heb haar trut genoemd. Ik heb haar toen een platte hand gegeven. Ik sloeg op haar achterhoofd.

(p. 428)

V: Wanneer begon die ruzie met je moeder?

A: Nadat wij de huisartsenpost hadden gebeld. Ik denk dat dit allemaal rond half 5 (het hof begrijpt 04:30 uur) in de ochtend is.

(p. 429)

V: Wat bedoelde je met het krijsen van [slachtoffer] om 9 (het hof begrijpt: 09.00) uur?

A: Dat krijsen was hetzelfde als die avond. Het was zorgelijk huilen. Maar wij dachten, hij moet eten, want hij had vanaf 24.00 uur die nacht niet meer gegeten. Maar hij wilde niet eten. Dat was raar.

(p. 436)

V: Met welke hulpverleningsinstanties heb jij te maken?

A: [..] Vraagkracht [..].

Vraagkracht, daarvan komt [betrokkene 2] twee keer in de week hoe het gaat.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] d.d. 7 juni 2016 (p. 493-522), voor zover inhoudende:

V = vraag verbalisanten

A = antwoord verdachte

O = opmerking verbalisanten

(p. 496)

V: Wie is bij Vraagkracht jouw contactpersoon?

A: [betrokkene 2] .

V: Hoe vaak komen ze bij jou thuis?

A: Vraagkracht kwam eerst 2 keer, elke maandag en donderdag. Of dinsdag en donderdag.

(p. 497)

V: Vertel eens hoe het overlijden van [slachtoffer] is gegaan?

A: De laatste avond, ik was met de moeder van [verdachte] een terrasje pakken. [verdachte] paste op de kinderen. [betrokkene 3] lag al op bed.

V: Wie is [betrokkene 3] ?

A: Mijn dochter. Ze is 14 maanden.

We deden de laatste ronde, rond 2 (het hof begrijpt: 02:00) uur. Omstreeks half 3 (het hof begrijpt: 02:30 uur) kwamen we thuis. [verdachte] zei toen we thuiskwamen dat [slachtoffer] een beetje raar deed. [verdachte] vertelde me dat zijn benen waren gestrekt en dat hij zijn armen had gestrekt. Ook heeft [verdachte] me verteld dat [slachtoffer] gehuild had.

(p. 498)

Oma, de moeder van [verdachte] , pakte [slachtoffer] op. We zagen toen dat zijn benen stijf waren. We hebben nog gekeken of we de benen konden buigen, maar dat lukte niet. Alles was stijf. We hadden ook de huisartsenpost gebeld, want hij was een beetje buiten bewust. Hij begon weer te huilen. Omdat oma drank op had, leek het voor ons niet verstandig om te gaan rijden.

(p. 499)

V: We willen beginnen met de dag voordat [slachtoffer] is opgenomen dus vrijdag 20 mei 2016. Hoe was jullie woonsituatie, op vrijdag 20 mei?

A: [adres] in Domburg.

V: Wie wonen daar nog meer?

A: Oma, [verdachte] en [betrokkene 3] en ik.

V: En [slachtoffer] ook?

A: Ja.

V: Hoe gaat het met jullie op vrijdag 20 mei 2016?

A: Eigenlijk gewoon goed. [slachtoffer] kreeg om 9 (het hof begrijpt: 09:00) uur de fles. Het ging goed.

(p. 500)

V: En als je [slachtoffer] dan die ochtend ziet, hoe reageert hij dan?

A: Hij kijkt altijd, hij zoekt altijd met zijn ogen. Maar hij is op zoek naar zijn eten.

V: Stel dat er iets bijzonders was geweest, zou je je dat herinneren. Zoals bijvoorbeeld dat hij de hele nacht gehuild zou hebben?

A: Ja, dan zou oma dat tegen me vertellen.

(p. 501)

V: Hoe verloopt deze eerste voeding op vrijdag 20 mei 2016?

A: Hij heeft zijn eerste voeding om 9 (het hof begrijpt: 09:00) uur gekregen.

V: Hoe ging het geven van de voeding die vrijdag?

A: Goed.

(p. 502)

V: Hoe gaat het die dag met [slachtoffer] ?

A: Goed, zoals normaal. Hij was stil.

V: Het was dus zoals normaal?

A: Ja precies.

V: Wanneer krijgt [slachtoffer] dan zijn volgende voeding?

A: Bij de chinees.

V: Hoe gaat dan deze voeding bij [slachtoffer] ?

A: Hij liet wat over. We lieten er wat tijd tussen zodat hij wel zijn fles leeg dronk.

(p. 503)

V: Hoe was de reactie op deze voeding?

A: Gewoon normaal.

(p. 504)

V: Hoe reageert [slachtoffer] in het restaurant als jullie hem vast hebben?

A: Gewoon normaal.

Daarna zijn we [verdachte] naar zijn werk gaan brengen. Daarna zijn we naar huis gegaan.

V: Hoe laat zijn jullie dan thuis?

A: Rond 18:30 à 18:45 uur.

Ik moest gelijk een flesje maken voor [slachtoffer] , want hij had honger.

Hij begon een beetje te huilen.

(p. 505)

V: Hoe reageerde [slachtoffer] op zijn voeding?

A: Gewoon normaal eigenlijk.

Nadat [verdachte] zijn moeder was omgekleed hebben we de kinderen naar de buurvrouw [betrokkene 4] gebracht. [verdachte] zijn moeder en ik zijn toen uit eten gegaan.

(p. 507)

V: Hoe lang blijven jullie daar?

A: Tot 22:00 uur ongeveer. Daarna gingen we [verdachte] ophalen van zijn werk. Omstreeks 23:00 uur zijn we naar huis gegaan en hebben we de kinderen bij [betrokkene 4] opgehaald. We hebben de kinderen eten gegeven en toen ben ik samen met de moeder van [verdachte] nog een terrasje gaan pakken.

(p. 508)

De moeder van [verdachte] heeft het flesje nog gegeven en toen zijn we rond 24:00 uur vertrokken.

V: Hoe ging het flesje geven van [slachtoffer] ?

A: Gewoon zoals gewoonlijk.

V: Hoe was [slachtoffer] bij het geven van het flesje?

A: Rustig.

V: Wat doet [slachtoffer] als hij het flesje opheeft?

A: Toen heeft de moeder van [verdachte] hem nog even rechtop gezet zodat het naar beneden kon zakken en toen heeft ze hem weer neergelegd in de kinderwagenbak. Hij lag te slapen. Het was ook zijn vaste routine dat hij om 23:00 uur de laatste fles kreeg en dat hij dan heel de nacht doorsliep. Wanneer hij dan wakker werd, kreeg hij zijn fles. Ongeveer 10 minuten later zijn we naar het terras gegaan.

V: Hoe laat zijn jullie dan weer thuis?

(p. 509)

A: Tussen 02:30 en 02:45 uur ongeveer.

V: Dan gaan jullie naar huis. Wat is er dan als je thuis komt?

A: We kwamen gewoon thuis. We zijn via de deur binnen. [verdachte] stond ook binnen en zei tegen ons dat er iets niet goed was met [slachtoffer] .

V: Wat is er dan niet goed met [slachtoffer] ?

A: Zijn beentjes zijn stijf en zijn armen ook.

V: Wat zegt [verdachte] nog meer over [slachtoffer] ?

A: Dat [slachtoffer] om 01:30 uur gehuild had en dat hij zijn armen en benen strekte.

V: Hoe was [slachtoffer] toen jullie binnenkwamen?

A: Ik vond hem echt heel suf. Het leek alsof hij gewoon bewusteloos was. Hij lag daar gewoon maar bij. Toen vertelde [verdachte] wat er was gebeurd, uitgebreider. Ik vroeg aan hem hoe het was gebeurd.

(p. 510)

V: Wat zei hij precies?

A: Dat hij begon te huilen om half 3 (het hof begrijpt: 02:30 uur) en dat hij zijn armen strekte. Tussen 02:00 en 02:30 uur moet het gebeurd zijn. Kort hierop kwamen wij thuis. We zagen dat zijn beentjes gestrekt waren. We hebben nog geprobeerd om onder zijn voetjes te kietelen en voorzichtig het beentje te buigen, maar dat had geen zin. Ze voelden stijf aan.

V: Wat doet oma?

A: Ze roept [slachtoffer] , [slachtoffer] . Op een gegeven moment gaf [slachtoffer] een reactie en begon te huilen. De reactie kwam uit het niets.

(p. 511)

V: Wat zie je dat er dan gebeurt met [slachtoffer] ?

A: Eerst was hij een beetje in trans en daarna begon hij te huilen.

V: En dan?

De huisartsenpost gebeld, dat hebben we toen gedaan. Ik heb gebeld. Ze zeiden kom maar naar de huisartsenpost in Vlissingen.

V: Van wie komt het idee om de huisartsenpost te bellen?

A: Van oma en van mij. Oma mocht niet meer rijden omdat ze had gedronken.

(p. 512)

V: Op een gegeven moment gaf [slachtoffer] wel een reactie door te huilen. Hoe was dat huilen?

A: Anders, het was een zeurderige huil.

V: Wanneer stopte het huilen?

A: Toen [betrokkene 4] met hem in zijn Maxi-Cosi uit de auto stapte en hem mee naar binnen nam.

V: [betrokkene 4] pakte [slachtoffer] uit de auto. Wat doen jullie?

A: De moeder van [verdachte] reed weg omdat er een akkefietje was tussen [verdachte] en zijn moeder.

V: Waar en op welk moment hadden [verdachte] en zijn moeder ruzie?

A: Thuis.

V: Op welk moment gebeurde dat?

A: Voordat we naar het ziekenhuis wilden.

(p. 515)

V: Hoe laat word je dan de volgende ochtend wakker?

A: Half 9, ik hoorde hem huilen.

V: De volgende dag word je wakker van het gehuil. Hoe hoorde je hem huilen?

A: Alsof hij honger had.

V: En dan?

A: Hij wilde alleen niet eten en niet drinken.

Op een gegeven moment zagen wij zijn tong zo:

O: Verdachte doet haar mond open en duwt met haar tong tegen haar gehemelte.

V: En toen?

(p. 516)

Hij maakte schokkende bewegingen met een kant van zijn lijf.

V: Op welke momenten heb je dat gezien?

A: Toen in de ochtend. Toen zag ik dat zijn tong tegen het gehemelte zat. En toen zag ik opeens die stuiptrekkingen. Toen dat klaar was, keek hij nog even naar mij. Daarna staarde hij naar een punt. Dat was echt heel eng.

V: Hoe gaat het dan verder nadat je de stuiptrekkingen ziet?

A: Ik pakte hem op en zei toen tegen mijn schoonmoeder: “Ik denk dat het nu wel

verstandig is om naar de huisartsenpost te gaan”. Dat vond ze ook. We zijn toen in de auto gestapt en daar naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis in Goes gereden.

(p. 518)

V: Dan is er ook gezien dat [slachtoffer] een beetwond had. Wat kun je daarover vertellen?

A: [verdachte] heeft gezegd dat hij niet meer reageerde, op niets. Met die beet hoopte hij op een reactie.

V: Op welk moment heeft [verdachte] [slachtoffer] gebeten?

A: Dat weet ik niet. Ik was toen nog op het terras.

V: Op welk moment hoorde je dat [verdachte] [slachtoffer] gebeten had?

A: Pas in het ziekenhuis

Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [betrokkene] van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, d.d. 6 maart 2018, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene] voornoemd:

De avond van 20 op 21 mei ben ik naar het terras gegaan. Rond twee uur, half drie gingen we naar huis. Toen stond [verdachte] bij de deur en zei dat het niet goed ging met [slachtoffer] . We gingen toen kijken naar [slachtoffer] . Oma pakte hem toen op. [slachtoffer] lag daar maar slap.

Voordat oma en ik naar het terras gingen was [slachtoffer] gewoon normaal. We hadden hem nog de fles gegeven, hem ingebakerd en hem in zijn reiswieg op de bank gelegd. Het was eigenlijk zijn laatste flesje. Hij sliep toen wij weggingen.

[slachtoffer] reageerde op niets toen oma hem oppakte. Hij maakte maar geluiden en huilde af en toe. Dat was echt een schreeuw huil. Geen normale huil. Het was ook veel scheller. Het waren lange uithalen, dan haalde hij adem en huilde opnieuw een lange uithaal.

Ik werd wakker van het gehuil van [slachtoffer] . Hij maakte stuiptrekkingen op een gegeven moment en hij had zijn tong in een epileptische houding, gekruld naar achteren. Hij keek me helder aan en ik keek terug en toen viel hij weg. Toen zijn we naar de huisartsenpost gegaan.

Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [betrokkene 4] door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, d.d. 6 maart 2018, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 4] :

Ik was de buurvrouw van [verdachte] en [betrokkene] .

[betrokkene 3] en [slachtoffer] zijn de avond van 20 mei bij ons geweest.

[slachtoffer] was tot tien uur (het hof begrijpt: 22:00 uur) bij ons geweest en toen was er niets aan de hand.

Die avond voorafgaand aan die nacht is mij niets opgevallen aan [slachtoffer] .

Het proces-verbaal van relaas d.d. 14 maart 2017 (p. 6-31), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :

(p. 8)

Op 24 mei 2016 werd getuige (het hof begrijpt in combinatie met p. 307 e.v.) [betrokkene 2] gehoord van Vraagkracht.

In het kort deelde zij mede dat Vraagkracht sinds 28 december 2015 bij het gezin betrokken is geweest en dat zij het gezin 1 à 2 keer per week bezoeken en deze bezoeken gemiddeld 1 à 1,5 uur duren.

Het proces-verbaal dossier Vraagkracht d.d. 2 juni 2016 (p. 136-139), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :

(p. 136)

Op 1 juni 2016 werd door [betrokkene 2] aan mij een password en toegangscode verstrekt welke toegang gaf aan het door het aangelegde dossier 2015.0144 [betrokkene 3] . Door mij werd de inhoud van dit dossier bij het (het hof begrijpt: onderzoeks-) dossier gevoegd.

Uit het dossier blijkt in het kort de volgende relevante informatie:

(p. 138)

02-05-2016

Huisbezoek verslag. (Bijlage 2)

Het als bijlage 2 bij het hiervoor genoemde proces-verbaal gevoegde verslag (p. 158-159), getiteld “Huisbezoek 02-05-2016”, voor zover inhoudende:

(p. 158)

Vandaag word ik ontvangen door [verdachte] en [betrokkene] .

[verdachte] geeft aan het irritant te vinden als [slachtoffer] zeurt. Langzaam wordt [slachtoffer] wakker en kreunt wat, maakt babygeluidjes. [verdachte] noemt dit zeuren: “ [slachtoffer] huilt nu gewoon om niks.” Ik geef aan dat dit zijn enige manier van communiceren is en dat het ook zo zou kunnen zijn dat hij gewoon wat aandacht wil als andere zaken als vieze luier, pijn, honger of moe uitgesloten zijn.

[verdachte] zegt te snappen dat het aandacht vragen is maar geeft hier niet aan toe. De mediaplayer heeft zijn volle aandacht. Ondertussen maakt [betrokkene] voor [slachtoffer] de fles klaar en [verdachte] zegt dat hij de fles (met 60 cc melk) wil geven. Ik zie dat [verdachte] gefocust blijft op de tv en telefoon.

Het drinken gaat langzaam, mogelijk door de toevoeging van Nutriton. De reactie van [verdachte] hierop is: “Jezus dan niet hoor!”. Hij buigt hierbij snel voorover om de fles op tafel te zetten. Korte tijd daarna hervat [verdachte] het voeden van [slachtoffer] en trekt hij op een gegeven moment de fles uit zijn mond. De beweging waarmee [verdachte] [slachtoffer] aan [betrokkene] wil overdragen is snel. Hij zegt: “Doe jij ff, ik moet roken.”

[betrokkene] zegt: “ [verdachte] , dit kun je niet maken, je zegt zelf dat je de fles wil geven dan maak je het af ook.” [verdachte] gaat ermee verder.

(p. 159)

Na de fles heeft [slachtoffer] de hik. Ik stuur [verdachte] [slachtoffer] anders vast te houden (bijvoorbeeld tegen hem aan zodat hij een boertje kan laten, dit wil [verdachte] niet want “anders kotst hij me weer helemaal onder”). Als [slachtoffer] spuugt (dan ‘een mondje’) reageert [verdachte] door te vloeken en poetst vrij hardhandig zijn mondje. [verdachte] pakt [slachtoffer] zo beet dat hij meer rechtop zit.

Ik benoem dat ik schrik van de reactie van [verdachte] richting [slachtoffer] . Ik zie dat [verdachte] wat verstijft en vraag wat dit met hem doet als ik dit zeg. Hij zegt het hem niet te interesseren.

Wanneer [betrokkene] [slachtoffer] van [verdachte] overneemt, komt [slachtoffer] tot rust, hij ontspant. Opvallend is dat [betrokkene] [slachtoffer] tegen zich aanhoudt met één hand onder zijn billetjes en de andere hand het hoofdje ondersteunend, zodat [slachtoffer] rechtop zit.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] d.d. 8 juni 2016 (p. 527-549), voor zover inhoudende:

V = vraag verbalisanten

A = antwoord verdachte

O = opmerking verbalisanten

(p. 539)

V: Er is een huisbezoek geweest bij jullie. Bij dat huisbezoek geeft hij aan dat hij sommige dingen van [slachtoffer] irritant vindt.

V: Mensen die bij jullie thuis komen ervaren [verdachte] als onrustig. En dat hij helemaal niet rustig is met [slachtoffer] .

A: Hij is inderdaad soms een beetje, zoals in dat verslag staat, ongeduldig.

(p. 540)

V: We hebben een verslag waarin het staat. We willen weten hoe [verdachte] was, als er geen huisbezoek was. We willen weten wat er met [slachtoffer] is gebeurd.

A: Hij is soms driftig en soms moet ik het weleens overnemen van hem. En ook met de verzorging kan hij wat hardhandiger zijn dan ik.

Het proces-verbaal van verhoor d.d. 14 juni 2016 (p. 360-367), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :

V = vraag verbalisanten

A = antwoord getuige

O = opmerking verbalisanten

(p. 362)

V: Wie is jouw beste vriendin?

A: [betrokkene] .

V: Hoe vaak kom je bij [betrokkene] ?

A: Drie keer in de week.

[verdachte] is daar negen van de tien (het hof begrijpt: keer) dan wel bij. [betrokkene 3] en [slachtoffer] zijn er dan ook bij.

(p. 365)

V: Er waren veel instanties betrokken bij [betrokkene] en [verdachte] . Heb je met [betrokkene] daar nog over gesproken waarom die instanties daar toezicht houden?

A: Het ging daar niet zo lekker. Er waren agressieproblemen bij [verdachte] . [betrokkene 2] van Vraagkracht kwam ook kijken hoe het ging.

V: Is er nog meer besproken tussen [betrokkene] en jou? Wat heeft [betrokkene] tegen jou verteld over de epileptische aanvallen van [slachtoffer] ? Hoe het gebeurd is?

A: [slachtoffer] huilde veel. Ik heb, een paar weken voordat [slachtoffer] naar het ziekenhuis ging, gehoord dat [slachtoffer] hard huilde en dat [verdachte] [slachtoffer] hard vastpakte en schreeuwde “dat kutkind huilt weer”. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] bij het lichaam hard vastpakte en dat hij het hoofdje niet ondersteunde.

Bewijsmiddelen met betrekking tot de aard, oorzaak en datering van het letsel bij [slachtoffer] alsmede de doodsoorzaak

In de volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde proces-verbaal van Forensisch Onderzoek naar aanleiding van het overlijden van [slachtoffer] , (man), geboren op 28 januari 2016, van de Politie Zeeland-West-Brabant, BVH nummer 2016131742 TGO Padstow, opgemaakt door forensisch coördinator [forensisch coördinator] , sluitingsdatum 14 december 2016, pagina’s 1 tot en met 133 (hierna te noemen: forensisch dossier).

Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (ook: NFI) te Den Haag d.d. 19 augustus 2016, genaamd “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood”, inclusief bijlage 1 ‘Uit- en inwendige schouwing’, (p. 25 t/m 40), opgemaakt door NFI-deskundige A. Maes, arts en patholoog, voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:

(p. 33)

De uit- en inwendige schouwing en voorlopige verslaglegging werden begonnen en beëindigd op 26 mei 2016.

(p. 27)

5. Resultaten

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] , geboren op 28 januari 2016, is het navolgende gebleken:

(p. 28)

A2 Het was het lichaam van een goed gevoed en goed verzorgd jongetje zonder aangeboren misvormingen met een lichaamslengte van 58 cm en een lichaamsgewicht van 4800 gram, een laag gewicht voor de leeftijd van 4 maanden. Indien gecorrigeerd voor de vroeggeboorte pasten de maten goed bij de leeftijd van 2 maanden.

A6 Op de rechterschouder waren twee naast elkaar gelegen streepvormige rode huidverkleuringen van 1 en 0,7 cm. Er was geen geassocieerde onderhuidse bloeduitstorting.

A7 Links aan de romp waren 4 vaag omschreven rode huidverkleuringen van maximaal circa 1,5 x 1 cm. Bij insnijden werd gerelateerde onderhuidse bloeduitstorting waargenomen.

B1 Er waren normaal aangelegde inwendige organen zonder aangeboren afwijkingen.

B2 In relatie met de letsels links aan de romp beschreven onder A7 was een groot gebied van bloeduitstorting, maximaal 10 x 3 cm, in de oppervlakkige en diepe rugspieren links. Er waren genezende ribbreuken van de 6e t/m 10e rib links achter (met callusvorming). Bij microscopisch onderzoek werden genezende ribfracturen gevonden met een ouderdom van circa 14-21 dagen. Naast/in de genezende fracturen waren recente bloeduitstortingen passend bij trauma van maximaal enkele dagen oud.

B3 Er was beiderzijds een film van bloedstolsels onder het harde hersenvlies met gele verkleuringen van het harde hersenvlies. De zachte hersenvliezen waren rondom

(p. 29)

bloederig en er was bloederig hersenvocht. De hersenen waren zeer week (oedeem).

Cl Er is neuropathologisch onderzoek verricht op de bij sectie uitgenomen hersenen.

De conclusie luidt als volgt:

Het neuropathologisch onderzoek van de hersenen toont het beeld van een één tot enkele weken oud, bilateraal subduraal hematoom met (vermoedelijk enkele dagen oude) re-bloeding aan de rechterzijde. Voorts worden aan de rechterzijde van de grote en kleine hersenen gebieden aangetroffen met traumatische subarachnoïdale bloeding. Passend bij de macroscopisch geconstateerde cyanosis cerebri wordt uitgebreide hypoxische beschadiging aangetroffen in verschillende corticale gebieden die, gelet op de veranderingen van de capillaire vaten, reeds enkele dagen oud is.

Voorts worden tekenen aangetroffen van discrete uitbreiding van traumatische axonale beschadiging (gelet met name op de bevindingen in het corpus callosum) dat qua aspect eveneens enkele dagen oud is. Rechts occipitaal wordt een holte gevonden die eveneens enkele dagen voorafgaande aan het overlijden was ontstaan, vermoedelijk als secundaire verandering in het kader van weefselbeschadiging, waarbij niet aan te geven is of deze beschadiging veroorzaakt was door het trauma dan wel hypoxie. Passend bij deze bevindingen werden tekenen gevonden van rechtszijdige supratentoriële inklemming.

Kort samengevat: er was sprake van een één tot enkele weken oude bloeding onder het harde hersenvlies beiderzijds (bilateraal subduraal hematoom) met recente (vermoedelijke enkele dagen oude) re-bloeding rechts. Rechts werden in de grote- en kleine hersenen traumatische bloedingen in de zachte hersenvliezen (sub-arachnoïdale) aangetroffen. Meerdere dagen oude schade van zenuwbanen (axonen) en secundaire weefselschade rechtsachter (occipitaal) in de grote hersenen en hersenzwelling (oedeem).

C2 Er is nader pathologisch onderzoek verricht op de bij sectie uitgenomen oogjes door een daarin gespecialiseerde patholoog. Hij vond beiderzijds bloedingen in de oogzenuwschede (subduraal en subarachnoïdaal) met een ouderdom van ten minste 2-3 dagen.

C3 Er is biochemisch onderzoek verzocht op bij sectie veiliggesteld lichaamsmateriaal (fibroblasten). Er zijn bij dat onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor een ernstige stofwisselingsziekte.

C4 Bij microbiologisch onderzoek van bij sectie bemonsterd lichaamsmateriaal werden in de beide longen darmbacteriën en huidbacteriën aangetoond. Geen specifieke ziekteverwekkers.

(p. 30)

6. Interpretatie van resultaten

Er waren als gevolg van uitwendig inwerkend mechanisch geweld links op de romp onderhuidse bloeduitstortingen met begeleidende bloeduitstortingen in de diepe rugspieren links. Er waren, mogelijk gerelateerd aan de letsels in de weke delen van de rug, recente bloeduitstortingen in en naast genezende ribbreuken linksachter gevonden. De 6e t/m 10e rib linksachter waren gebroken met microscopisch genezingskenmerken passend bij 14 -21 dagen oude breuken maar ook met recente begeleidende bloeduitstortingen in en naast de breukvlakken. Als oorzaak kan (herhaald) knijpen met de handen van een volwassene worden overwogen zoals dat kan ontstaan bij stevig vastpakken en knijpen.

Er was veel bloed onder het harde hersenvlies, er waren bloederige zachte hersenvliezen en er was bloederig hersenvocht. Er was sterke hersenzwelling. Bij neuropathologisch onderzoek werden twee tempi van traumatische schade gevonden. Het eerste was meerdere weken oud en bestond uit bloedingen onder het harde hersenvlies. Het tweede was enkele dagen oud en bestond uit her-bloeding en traumatische hersenvliesletsels en hersenkneuzingen en hersenzwelling. Bij oogpathologisch onderzoek werden enkele dagen oude traumatische veranderingen aan de oogzenuwscheden gevonden goed passend bij het complex van traumatische hersen- en hersenvliesafwijkingen.

Als oorzaak van de schedel-, hersen- en oogzenuwletsels wordt op grond van de sectiebevindingen herhaalde acceleratie-deceleratie-impact trauma op het hoofd overwogen zoals door heftig schudden al dan niet in combinatie met impact trauma van het hoofd kunnen optreden. Dat ook bij de ribfracturen ten minste twee tempi aangetoond werden, ondersteunt de hypothese van herhaaldelijk toegepast acceleratie/deceleratie/impact trauma zoals heftig schudden/impact traumata op het lichaam van [slachtoffer] . De schedelhersenletsels verklaren het overlijden zondermeer door functieverlies van de hersenen.

(p. 31)

Er waren bij sectie geen aanwijzingen voor aangeboren en/of ontwikkelingsstoornissen die aan het overlijden kunnen hebben bijgedragen.

7. Conclusie

[slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van schedelhersenletsel in het kader van repeterend acceleratie/deceleratie/impact trauma.

Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 23 september 2016, genaamd “Medisch forensisch onderzoek van een 4 maanden oud geworden jongen” (p. 58 t/m 101), opgemaakt door NFI-deskundige dr. H.G.T. Nijs, forensisch arts KNMG, voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:

(p. 62)

3. Vraagstelling

Forensische duiding van de medische bevindingen vanaf de geboorte.

(p. 63)

4. Onderzoek

Eerst werden de medische gegevens beoordeeld, vervolgens de ontvangen politiegegevens en daarna het geheel in onderlinge samenhang. Medische gegevens werden geïnterpreteerd in het licht van de vraagstelling, waarna de bevindingen en de interpretatie daarvan in niet-medische taal zijn verwoord. Bij de formulering van de conclusies is waar mogelijk gebruik gemaakt van verbale termen, die de kans op het waarnemen van de bevindingen weergeven wanneer twee hypothesen ten opzichte van elkaar worden gewogen.

De verbale term is afkomstig uit een standaard reeks van termen (linker kolom). Deze reeks van verbale termen wordt gebruikt wanneer de onderzoeker geen of onvoldoende getalsmatige gegevens heeft om een numeriek oordeel expliciet te kunnen onderbouwen. De gebruikte term is onder meer gebaseerd op vakkennis en ervaring opgedaan in (zaken)onderzoek.

Om de transparantie voor de lezer en de uniformiteit tussen verschillende deskundigen te bevorderen heeft het NFI de verbale termen numeriek gedefinieerd. Deze definities worden uitgedrukt in ordegrootten (rechter kolom). Bijvoorbeeld: met de term ‘iets waarschijnlijker’ wordt bedoeld dat de kans op het waarnemen van de onderzoeksresultaten twee tot tien keer groter wordt geacht wanneer de ene hypothese waar is dan wanneer de andere hypothese waar is. De conclusie verwoordt de bewijskracht van de resultaten ten aanzien van de hypothesen. De conclusie geeft niet de kans weer dat een bepaalde hypothese waar is. De kans hangt namelijk ook af van overig bewijs en informatie.

Verbale term

Ordegrootte bewijskracht

ongeveer even waarschijnlijk

1-2

iets waarschijnlijker

2-10

Waarschijnlijker

10-100

veel waarschijnlijker

100-10.000

zeer veel waarschijnlijker

10.000-1.000.000

extreem veel waarschijnlijker

> 1.000.000

(p. 64)

5. Resultaten

5.1

Medische gegevens, geboorte op 28 januari 2016 tot 21 mei 2016

Hierna volgt een samenvatting gebaseerd op ontvangen medische gegevens.

Op 28 januari 2016 werd [slachtoffer] (hierna ‘het kind’) geboren na een zwangerschapsduur van 32 weken en 2 dagen.

Het kind functioneerde direct na de geboorte goed. De kinderarts vond geen afwijkingen bij lichamelijk onderzoek. Over de hielprik van 1 februari 2016 werden geen afwijkende resultaten vermeld. Het kind verbleef enige tijd in een couveuse. Medische bijzonderheden deden zich niet voor. Op 29 februari 2016 (dan 1 maand oud) werd het kind in goede conditie naar huis ontslagen.

(p. 65)

5.2

Medische gegevens, 21 mei t/m overlijden op 24 mei 2016

Hierna volgt een samenvatting gebaseerd op ontvangen medische gegevens.

Admiraal de Ruyter Ziekenhuis te Goes

Op 21 mei 2016 omstreeks 11:50 uur werd het kind door de ouders en oma op de Spoedeisende Hulp (SEH) in Goes gepresenteerd.

Bij lichamelijk onderzoek door de kinderarts viel geen contact te maken met het kind. De fontanel voelde wat vol aan. Er was lichte overstrekking. Een lumbaalpunctie toonde bloedbijmenging (mogelijk berustte de bloedbijmenging op aanwezigheid van subarachnoïdaal (onder het zachte hersenvlies) bloed ter plaatse). Vanwege verdenking op een bloeding in het hoofd werd vitamine K toegediend. Voorts werd diverse keren medicatie tegen trekkingen toegediend. Desondanks bleef het kind in perioden trekkingen vertonen.

Echografie van het hoofd toonde voor/zijwaarts beiderzijds verminderde echoreflecties (zonder nadere duiding).

De kinderarts concludeerde: status epilepticus (= aanhoudende trekkingen door epileptische activiteit) op basis van bloeding(en) in het hoofd.

Om 17.30 uur werd het kind per ambulance overgeplaatst naar het Erasmus MC.

Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam (EMC)

Het kind was van 21 mei 2016 tot en met het overlijden op 24 mei 2016 opgenomen

op de intensive care voor kinderen van EMC.

Op basis van top-teen onderzoek werd als uitwendig zichtbare huidafwijkingen vermeld:

(p. 66)

- op de rechterschouder 3 lijnvormige rode afwijkingen van circa 1 cm;

- in de nek rechts 2 parallel verlopende rode afwijkingen, met bleke uitsparing in het midden van circa 1 cm;

- op het linker onderbeen een half cirkelvormige huidbeschadiging (geduid als passend bij een bijtwond door een persoon);

- aan de binnenzijde van de linkerarm een ronde rode afwijking van circa 0,5 cm.

Screenend en aanvullend stollingsonderzoek toonde geen relevante afwijkingen.

Onderzoek naar glutaaracidurie type 1 (een stofwisselingsziekte) werd ingezet.

In de ontvangen gegevens was geen resultaat vermeld (NB: de hielprik, waarin dit

ook onderzocht wordt, leverde geen afwijkende vermelding op).

Op een röntgenfoto van de borst van 21 mei 2016 werden genezende ribbreuken, linksachter van de 6e t/m 10e rib gezien (1 breuk per rib).

Op een CT-scan van het hoofd van 21 mei 2016 werden beiderzijds, links meer (het hof begrijpt: meer dan) rechts, subdurale (onder het harde hersenvlies gelegen) vochtcollecties (“hygroma’s”) gezien en beiderzijds mogelijk bloed hoog/zijwaarts.

Er waren “parenchymateuze bloedingsfoci” (kleine bloeduitstortingen) in de hersenen links hoog/zijwaarts, zijwaarts beiderzijds en linksachter.

Er waren zeer uitgebreide afwijkingen als gevolg van doorgemaakt zuurstoftekort, van zowel grijze als witte hersenstof beiderzijds, waarbij enkele centraal gelegen hersenstructuren in dit opzicht gespaard leken.

Op een MRI-scan van het hoofd van 23 mei 2016 werden afwijkingen gezien die (volgens de radioloog in EMC) pasten bij doorgemaakt zuurstoftekort: met name in de grote hersenen maar ook in de kleine hersenen.

De bloedvaten in de hals waren normaal doorgankelijk zonder aanwijzingen voor dissectie (scheuring van/in de vaatwand) en zonder abnormale vorm.

De bloedvaten in het hoofd toonden normale vulling bij contrastonderzoek.

Er waren uitgebreide subdurale bloed/vochtcollecties beiderzijds langs het gehele hersenoppervlak (evenals plaatselijk subarachnoïdaal), en langs de falx

(p. 67)

(scheidingsvlies tussen grote hersenen) met bloedingsresten beiderzijds op het tentorium (scheidingsvlies tussen grote en kleine hersenen).

Er was zwelling bij het beenmerg in de bovenste halswervels.

(p. 68)

Vervolg samenvatting medische gegevens EMC

Vanwege de uitgebreide hersenbeschadiging met slechte prognose, en het weer optreden van status epilepticus na het opheffen van een kunstmatig coma, werd op 24 mei 2016 tijdens multidisciplinair overleg en in overleg met de ouders besloten de medische behandeling te stoppen. Het kind overleed die dag om 22:25 uur.

De conclusie in EMC luidde: ernstige hersenbeschadiging als gevolg van doorgemaakt zuurstoftekort, in het kader van toegebracht (schedel)hersenletsel.

(p. 76)

6. Interpretatie

(p. 78)

6.2

Klinische presentatie vanaf 21 mei 2016

Bij klinische presentatie in Goes op de ochtend van 21 mei 2016 was er, kort gezegd, sprake van een encefalopathisch beeld (hersenfunctiestoornissen).

Voorts viel die avond in EMC uitwendig zichtbaar letsel op.

(p. 79)

Encefalopathisch beeld

- beoordeling in dit geval

De klinische verschijnselen vanaf 21 mei 2016 kunnen achteraf bezien geduid worden als een ernstig encephalopathisch beeld, gezien de noodzaak tot overplaatsing naar een kinder intensive-care, de aard van de uiteindelijk vastgestelde medische bevindingen en het fatale beloop.

In dit geval werden in de kliniek en bij sectie geen aanwijzingen verkregen voor een onderliggende ziekte of toxicologische oorzaak.

Uitwendig zichtbaar letsel

Na aankomst in EMC op de avond van 21 mei 2016 werd uitwendig zichtbaar letsel

geconstateerd en gefotografeerd (omstreeks 20:45 uur).

(p. 80)

Als aanvulling op het sectierapport wordt het volgende aangetekend.

Letsel linkeronderbeen

De combinatie van huidafwijkingen aan het linkeronderbeen vertoont kenmerken van een bijtwond door een persoon. Hoewel een bijtwond niet te dateren is op uitwendig aspect, kan in dit geval gesteld worden dat het een tamelijk recente bijtwond betrof, vanwege de goed afgrensbare rode verkleuringen en zichtbare oppervlakkige huidbeschadiging met naastgelegen ontvelling.

Een bijtwond op deze locatie bij een kind van deze leeftijd betreft per definitie niet accidenteel (door een andere persoon toegebracht) letsel.

Letsel rechterschouder

De huidafwijkingen op en achterop de rechterschouder, waaronder de patholoog geen onderhuidse bloeduitstorting aantrof, en wellicht de huidafwijkingen in de nek, kunnen naar mijn oordeel geduid worden als druk/frictieletsels.

Druk/frictieletsel ontstaat als gevolg van drukkende en schurende/wrijvende geweldsinwerking op en langs/over de huid.

Gezien de locatie en de verspreiding kan in dit geval bijvoorbeeld gedacht worden aan het stevig vastpakken op de desbetreffende locatie en met enige druk over de huid schuiven. Dit kan bijvoorbeeld optreden in het kader van stevig vastpakken van het kind waarbij enige ‘slippage’ optreedt (het door de vingers van de verzorger glijden/schuiven).

Dit type letsel is vrijwel direct zichtbaar na de veroorzakende krachtsinwerking en geneest doorgaans in enkele dagen tot 1-2 weken. Bij goede zichtbaarheid, zoals in dit geval, betreft het dus tamelijk recent letsel.

(p. 81)

In dit geval concludeert ondergetekende dat de druk/frictieletsels op en achterop de rechterschouder (en wellicht in de nek), waarschijnlijker zijn na een trauma met een niet-accidentele toedracht (toegebracht letsel) dan na een ander trauma (zoals een accidentele toedracht (ongeluk/ongeval) of normaal, althans niet disproportioneel, uitgevoerde verzorgingshandelingen.

6.3

Afwijkingen in/bij de hersenen

(p. 84)

- beoordeling in dit geval

Er waren in relatie tot het ontstaan van subdurale bloeduitstortingen (hierna SDH), subarachnoïdale bloeduitstortingen (hierna SAB) en hersenletsel (kneuzingen) op basis van de verstrekte gegevens geen relevante bijzonderheden afleidbaar vanaf de geboorte t/m 20 mei 2016.

(p.85)

Uit neuropathologisch lichtmicroscopisch onderzoek bleken 2 tempi (ontstaansmomenten) voor SDH, namelijk één op (het hof begrijpt in plaats van op: van) 1 tot hooguit enkele weken geleden en één van enkele dagen geleden.

Axonale schade aan het halsruggenmerg, en traumatische schade rechtsachter in de hersenen, werd neuropathologisch gedateerd op 1 tot enkele/meerdere dagen vóór het overlijden, met andere woorden als tamelijk recent letsel.

Gezien het voorgaande kan een geboortetrauma worden uitgesloten als oorzaak voor de beschreven afwijkingen in/bij de hersenen.

Klinisch en radiologisch onderzoek en gerechtelijke sectie (met diverse aanvullende onderzoeken) leverden geen aanwijzingen op voor een ziekelijke oorzaak.

Hiermee resteert een trauma na de geboorte als oorzaak voor de bevindingen in/bij de hersenen en hersenvliezen. Een voor dit type bevindingen passend trauma (accidenteel of niet-accidenteel) is in dit geval niet gemeld.

De door vader genoemde val van circa 1,20 m hoogte op vloeroppervlak circa 4 weken eerder (uitgaande van alleen een val van het kind) is op basis van literatuur en naar mijn oordeel als deskundige niet passend als verklaring voor het ontstaan van de combinatie van de hiervoor beschreven afwijkingen in/bij de hersenen, gezien het normale functioneren van het kind nadien tot 21 mei 2016 (volgens verklaringen en bij onderzoek door artsen).

De neuropathologische datering van het niet recente subduraal hematoom bedroeg 1 tot hooguit enkele weken. De val op 29 april 2016 valt hier qua datum iets buiten.

Echter, ook al zou uitgegaan worden van een iets langere termijn (gezien de marges in neuropathologisch dateren), dan is het naar mijn oordeel nog zeer onaannemelijk dat zich bij deze val een subdurale bloeduitstorting heeft voorgedaan, gezien het ontbreken van relevante klinische verschijnselen nadien.

Verder, ook al zou er door deze val een SDH zijn ontstaan met een neomembraan als herstelreactie, dan zou een bloeding (re-bleed) uit deze neomembraan of anderszins, zonder substantieel trauma geen verklaring kunnen vormen voor het ontstaan van ernstig hersenletsel (omdat een re-bleed, ‘spontaan’ dan wel na ‘minor trauma’, geen tot hooguit geringe klinische verschijnselen oplevert).

Ondergetekende concludeert op basis van het voorgaande dat de vanaf 21/22 mei 2016 vastgestelde afwijkingen in/bij de hersenen, afzonderlijk beschouwd, zeer veel waarschijnlijker zijn bij meer dan 1 substantieel trauma aan het hoofd (contacttrauma, acceleratie-deceleratietrauma, of combinatie daarvan), dan bij een aandoening of andere (al dan niet minor) traumata (waaronder bijvoorbeeld de gemelde val op 29 april 2016). Deze conclusie is in overeenstemming met die van de patholoog, maar dan vervat in Bayesiaanse termen.

6.4

Oogafwijkingen

(p. 86)

De oogpatholoog constateerde 1 bloeduitstorting (subduraal en subarachnoïdaal) met positieve ijzerkleuring in de oogzenuwschede beiderzijds.

Voorts was er lichtmicroscopisch beiderzijds een maculaplooi.

Er waren geen aanwijzingen voor een bloedvatafwijking of een infectie.

(p. 87)

- beoordeling in dit geval

Gezien de bevindingen bij (oog)pathologisch onderzoek en de leeftijd van het kind bij constatering van de oogafwijkingen kan een geboortetrauma of een ziekelijke aandoening worden uitgesloten als oorzaak voor de bij sectie geconstateerde oogafwijkingen. Daarmee resteert een trauma van na de geboorte.

Gezien de aanwezigheid van een maculaplooi beiderzijds en een bloeding in de oogzenuwschede beiderzijds, moet dit een substantieel trauma zijn geweest (ondanks afwezigheid van netvliesbloedingen).

Nadere datering van deze afwijkingen (anders dan de door de oogpatholoog genoemde minimaal 2-3 dagen op basis van ijzerkleuring) is niet mogelijk.

De bloeduitstorting in de oogzenuwschede beiderzijds betrof recent letsel, omdat deze nog te zien was.

Een passend accidenteel of niet-accidenteel trauma is niet gemeld. De eerder beschreven val van (alleen) het kind van circa 1,20 m hoogte circa 4 weken eerder is geen passende verklaring voor het ontstaan van de oogafwijkingen gezien de hiervoor beschreven literatuur (betrof een voorval van te lang geleden).

(p. 88)

Ondergetekende concludeert dat de aangetroffen afwijkingen in de ogen beiderzijds, afzonderlijk beschouwd, veel waarschijnlijker zijn bij een substantieel trauma aan het hoofd (repeterend acceleratie-deceleratietrauma, contacttrauma of combinatie daarvan) dan bij een aandoening (waarvan bekend is dat daarbij netvliesbloedingen zouden kunnen optreden) of een ander soort trauma.

Deze conclusie is in overeenstemming met die van de (oog)patholoog, maar dan

vervat in Bayesiaanse termen.

6.5

Ribbreuken

Uit klinisch onderzoek kwamen geen aanwijzingen voor ribbreuken. Op een röntgenfoto van de borst van 21 mei 2016 werden genezende ribbreuken gezien, linksachter van de 6e t/m 10e rib (1 breuk per rib). Dit werd bij sectie bevestigd, evenals (na uitname) bij gedetailleerd röntgenonderzoek.

Bij lichtmicroscopisch onderzoek werden de genezende ribbreuken gedateerd op 2-3 weken oud. Voorts bleken er bij lichtmicroscopisch onderzoek naast/in de ribbreuken recente (maximaal enkele dagen oud) bloeduitstorting te zijn, en waren er macroscopisch aangrenzende bloeduitstortingen zichtbaar (linkerflank).

Dit impliceert dat sprake was van refracturen (refractuur: opnieuw een breuk in een genezende botbreuk).

(p. 91)

Beoordeling in dit geval

Bij gedetailleerd röntgenonderzoek en lichtmicroscopisch onderzoek was er normale botopbouw en was er geen aanwijzing voor een aanlegstoornis van bot- of een stofwisselingsziekte.

De bij het kind vastgestelde ribbreuken zijn niet passend als eerste klinische presentatie van een ziekte met verminderde botsterkte (zoals bijvoorbeeld OI), gezien aantal en plaats (positie in de ribbenboog).

Een geboortetrauma kan als uitgesloten worden beschouwd als oorzaak voor de genezende ribbreuken, gezien de plaats en het (vorderende maar nog betrekkelijk vroege) stadium van genezing. De recente ribbreuken passen niet bij een geboortetrauma gezien de datering van enkele dagen bij een kind van circa 4 maanden oud.

De ribbreuken zijn zeer wel passend voor krachtsinwerkingen op de borstkas die kunnen optreden in het kader van heftig repeterend acceleratie-deceleratie impacttrauma. Dit, gezien de plaats naast de wervelkolom en omdat het meerdere onderste, opeenvolgende, ribben betreft.

Gezien de lichtmicroscopische datering (en macroscopisch zichtbare begeleidende bloeduitstortingen) moet er sprake zijn geweest van minimaal 2 ruim in de tijd gescheiden momenten met krachtsinwerkingen.

De datering van de recente ribbreuken van maximaal enkele dagen oud ten opzichte van de datum van overlijden op 24 mei 2016 omvat de periode 20-21 mei 2016 toen het kind trekkingen en andere klinische verschijnselen ging vertonen.

(p. 92)

Met andere woorden, de recente ribbreuken (re-fracturen) met begeleidende bloeduitstortingen (waaronder ruim aangrenzend, uitwendig zichtbaar, in de flank) zouden zeer wel ontstaan kunnen zijn als onderdeel van de krachtsinwerkingen in het kader van een recent repeterend acceleratie-deceleratie impacttrauma.

Ondergetekende concludeert dat de aangetroffen ribbreuken van de 6e t/m 10e rib linksachter, met zowel genezende als recente (refractuur) kenmerken, afzonderlijk beschouwd, zeer veel waarschijnlijker zijn in het geval van ten minste 2 ruim in de tijd gescheiden momenten met substantiële krachtsinwerkingen op de ribbenboog (in het kader van repeterend acceleratie-deceleratietrauma, contacttrauma aan het hoofd of combinatie van beide), dan bij een aandoening of een ander trauma.

Deze conclusie is in overeenstemming met die van de patholoog, maar dan vervat in Bayesiaanse termen.

(p. 97)

6.8

Combinatie van bevindingen

De combinatie van de hiervoor beschreven bevindingen vanaf 21 mei 2016 in/aan de hersenen, de ogen en diverse botten, is zeer wel passend bij (of kan onderdeel zijn geweest van krachtsinwerkingen in het kader van) meer dan 1, ruim in de tijd gescheiden, substantieel trauma aan het hoofd (repeterend acceleratie/deceleratie trauma, contacttrauma of combinatie daarvan).

Vallen van beperkte hoogte (tot circa 1,5 meter) van jonge kinderen leiden zeer zelden tot ernstige of fatale letsels in het hoofd.

Er wordt aangenomen dat een aanmerkelijke kracht (door een puber/volwassene), frequentie (circa 2-5 bewegingen per seconde) en duur (vanaf circa 5 seconden) vereist is ingeval schudden (zonder impact) de oorzaak is van ernstig hersenletsel.

Het toebrengen van ernstig hersenletsel bij kleine kinderen door middel van schudden en/of impact (contacttrauma aan het hoofd) is dusdanig heftig dat omstanders dergelijke handelingen direct als gevaarlijk zouden kwalificeren.

Datering van toegebracht hersenletsel

Op basis van studies naar de tijdsduur tussen een traumatisch incident en het ontstaan van klinische verschijnselen (deels gebaseerd op verklaringen van bekennende daders) bij toegebracht ernstig hersenletsel kan worden geconcludeerd dat het traumatische incident juist voor (ordegrootte: seconden) het ontstaan van de klinische verschijnselen zoals bijvoorbeeld een onmiddellijke daling van het bewustzijnsniveau (lethargie of bewusteloosheid), onregelmatige ademhaling,

(p. 98)

moeilijkheden bij het ademen of ademstilstand en frequente insulten, moet hebben plaatsgevonden.

Bovendien wordt aangenomen dat, bij een kind dat direct na het ontstaan van hersenletsel gezond en normaal functioneert, het bijzonder onwaarschijnlijk is dat in latere instantie zonder nieuw incident alsnog ernstig (fataal of bijna-fataal) hersenletsel wordt geconstateerd.

In combinatie met studies waarin alle bekennende daders een directe aanvang van klinische symptomen aangeven en de medisch logisch verklaarbare directe aanvang van klinische symptomen, kan geconcludeerd worden dat het direct ontstaan van klinische symptomen na een gewelddadige handeling bij toegebracht hersenletsel zeer aannemelijk is.

Met andere woorden, het veroorzakend mechanisme voor het ontstaan van de combinatie van medische bevindingen moet qua moment geplaatst worden na het laatste moment van normaal functioneren (zoals met normaal bewustzijn, normale ademhaling en met normaal op gebruikelijke wijze reageren en flesdrinken).

(p. 100)

7 Beantwoording vraagstelling

In de medische voorgeschiedenis zijn geen bevindingen met relevantie gevonden

voor de medische bevindingen vanaf 21 mei 2016.

De combinatie van bevindingen in/aan de hersenen, de ogen en het skelet, geconstateerd vanaf 21 mei 2016 is zeer veel waarschijnlijker bij ten minste 2 ruim in de tijd gescheiden niet-accidentele geweldsinwerkingen bestaande uit substantieel trauma aan het hoofd (repeterend acceleratie-deceleratietrauma, contacttrauma of combinatie daarvan) dan bij een aandoening of een ander trauma.

Uitgaande van het beloop van het functioneren van het kind op basis van de genoteerde verklaringen en gezien de literatuur over datering van een dergelijke combinatie aan medische bevindingen, moet een veroorzakend substantieel trauma aan het hoofd zijn voorgevallen ergens in de periode na het laatste moment van normaal functioneren (in dit geval na de voeding van omstreeks 00:00 uur in de nacht van 20 op 21 mei 2016).

Een vertaling van het Duitse contra-expertise rapport ‘Forensisch-geneeskundig rapport’ d.d. 6 april 2019 inzake [slachtoffer] , geb. 28-01-2016, overleden op 24-05-2016, (los stuk, bestaande uit 16 pagina’s) opgemaakt door Prof. Dr. med. J. Sperhake, senior arts, forensisch-geneeskundig specialist, voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:

(p. 12)

Discussie

Deze zaak is zowel klinisch als postmortaal buitengewoon zorgvuldig en uitgebreid onderzocht.

[slachtoffer] is zonder redelijke twijfel aan de gevolgen van een traumatische hersenbeschadiging overleden. De oorzaak was met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid heftig schudden in de zin van een shakenbabysyndroom.

Wordt de zuigeling bij de romp vastgepakt en zo hevig heen en weer geschud dat het hoofd afwisselend in de nek en op de borst slingert, dan treden er binnen in de schedel relatieve bewegingen op tussen de hersenen en het schedeldak, waardoor aders die tussen het

(p. 13)

harde hersenvlies en het hersenoppervlak lopen (brugvenen), onder spanning komen te staan en kunnen inscheuren. Daardoor ontstaan de typischerwijze aan beide kanten en aan de falx optredende subdurale en subarachnoïdale bloedingen. Dergelijke bloedingen kunnen ook onder het harde hersenvlies van het wervelkanaal en de oogzenuwen optreden.

Beslissender is de schade die de hersenen zelf oplopen. Volgens de algemeen erkende leer leiden de heftige doorbuigingen van het hoofd in de hersenen tot lokale beschadigingen waartoe het scheuren van zenuwvezels (axonschade) behoort. Vaak zijn deze beschadigingen zodanig gelokaliseerd dat deze direct het ademhalingscentrum dan wel de zenuwgeleiding naar de ademhalingsspieren beperken (bv. diafragma). Dientengevolge ademt het kind niet meer of alleen nog onvoldoende wat tot zuurstofgebrek in het hele lichaam leidt. Dit komt het eerst bij de hersenen tot uiting omdat dit orgaan de laagste tolerantie voor zuurstofgebrek heeft. Het gevolg bij zwaar getroffen kinderen is diffuse hersenschade (encefalopathie). De verhoogde, klinisch niet meer te doorbreken ontvankelijkheid voor convulsies is een typisch klinisch gevolg van diffuse hersenschade.

Door de pathologie werden maculaplooien in het netvlies beschreven die als mechanische beschadiging van het netvlies kunnen worden geïnterpreteerd.

Een gevolg dat minder vaak wordt aangetroffen bij shakenbabysyndroom zijn botbreuken, waarbij in het bijzonder de ribben in de achterste delen zijn getroffen, omdat daar de hoogste belasting optreedt als het kind stevig bij zijn romp wordt vastgepakt. Enerzijds drukken de vingertoppen direct op de onderliggende ribben. Anderzijds worden de ribben met een “hefboomeffect” over de dwarsuitsteeksels van de

(p. 14)

wervellichamen gedrukt. Ribfracturen, in het bijzonder in de achterste delen, gelden als zeer specifiek voor letsel dat is opgelopen door mishandeling.

Terwijl geen van de gedane bevindingen op zichzelf shakenbabysyndroom aantoont, is de combinatie van subdurale bloedingen, encefalopathie en netvliesbloedingen bij tevoren gezonde kinderen buitengewoon typisch voor het shakenbabysyndroom en kan nauwelijks door een onbekende, tevoren bestaande inwendige aandoening worden verklaard. Als er tegelijkertijd nog botfracturen (van verschillende leeftijd) en uitwendig letsel optreedt, dan kan bij gebrek aan een plausibele verklaring (ongeval) mishandeling als oorzaak met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconstateerd. In de zogenoemde premobiele fase waarin [slachtoffer] zich bevond, dus in een levensfase waarin het kind net leert om het hoofd op te tillen, kan de zuigeling zich helemaal niet zelf verwonden (afgezien van schrammetjes in het gezicht).

[slachtoffer] had enerzijds een typisch klinisch en autoptisch aspect van een geschud kind en had bovendien talrijke botfracturen die deels buitengewoon typisch waren voor mishandeling. Door ongeval veroorzaakte botfracturen zijn in die leeftijdsgroep uit de aard der zaak zelden en betreffen, als het om een val gaat, niet verschillende botten op verschillende momenten. Zo zou een val op het hoofd vanaf de arm van de vader, die ongeveer een maand voor de dood zou hebben plaatsgevonden, geen fracturen van de ribben 6 tot en met 10 links, de linkerellepijp, beide dijbeenderen, het schaambeen rechts, het derde middenvoetsbeentje links, het linkerscheenbeen en het eerste lendenwervellichaam veroorzaken (in principe gaat het om acht van elkaar onafhankelijke botfracturen als je ribfracturen als één fractuur ziet). Voor een verhoogde broosheid van de botten in de zin van een mineralisatiestoornis bestonden geen aanwijzingen.

(p. 15)

Het totale beeld van het letsel wijst erop dat [slachtoffer] op ten minste twee verschillende momenten is geschud. Een incident moet in de nacht van 20 op 21-05 hebben plaatsgevonden.

(p. 16)

Alles overwegende komt het beeld naar voren van een meervoudig zwaar mishandelde zuigeling.

Inwendige aandoeningen of een gewone val weken voor de dood zonder herkenbare beperking van het kind daarna verklaren noch het complexe en op meerdere momenten voorkomende beeld van het letsel noch de dood van het kind.

Samenvattend kan worden geconcludeerd

1. dat [slachtoffer] aan de gevolgen van shakenbabysyndroom is overleden dat hij in de nacht van 20-5 op 21-05 en/of in de ochtend van 21-05 had opgelopen;

(…);

3. dat het kind ongewoon veel en zwaar letsel als gevolg van mishandeling had;

(…).

Bewijsoverwegingen

A. De standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof op dezelfde gronden als de rechtbank komt tot eenzelfde bewezenverklaring, te weten het opzettelijk doden van [slachtoffer] .

De verdediging heeft – op gronden als verwoord in de pleitnota – bepleit dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het tenlastegelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman – kort weergegeven – de navolgende verweren gevoerd:

  1. Er is in de medische wetenschap geen consensus omtrent de juistheid van de Shaken Baby Syndrom hypothese;

  2. De conclusie “toegebracht letsel” kan niet worden getrokken op basis van de gehanteerde onderzoeksmethode;

  3. Het ontstaansmoment van het fatale letsel kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld;

  4. Met een onduidelijk ontstaansmoment van het fatale letsel kan de veroorzakende gebeurtenis of de veroorzaker van het letsel niet worden vastgesteld;

  5. Vanwege een onduidelijke toedracht van het fatale letsel kan het opzet van de veroorzaker op de dood niet worden vastgesteld.

Het oordeel van het hof

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen alsmede de bewijsmiddelen die zijn vermeld in de hieronder vermelde voetnoten is voor het hof het navolgende komen vast te staan.

Aard van het letsel bij [slachtoffer] en de doodsoorzaak

Op 21 mei 2016 is [slachtoffer] , geboren op 28 januari 2016, omstreeks 11:50 uur door zijn ouders en oma naar de spoedeisende hulp in Goes gebracht. Er was door de kinderarts geen contact te maken met [slachtoffer] , er was sprake van lichte overstrekking en ondanks de toegediende medicatie bleef [slachtoffer] in perioden trekkingen vertonen. Er bestond een verdenking op een bloeding in het hoofd.

Om 17:30 uur werd [slachtoffer] per ambulance overgeplaatst naar het Erasmus MC te Rotterdam. Daar is hij tot zijn overlijden op 24 mei 2016 op de intensive care voor kinderen verbleven.

Vanwege de uitgebreide hersenbeschadiging met slechte prognose en het weer optreden van status epilepticus na het opheffen van een kunstmatige coma, werd op 24 mei 2016 tijdens multidisciplinair overleg en in overleg met de ouders besloten de medische behandeling te stoppen. [slachtoffer] overleed die dag om 22:25 uur.

Zowel bij leven als na de dood is [slachtoffer] onderzocht door verschillende artsen. Bij deze onderzoeken is onder andere het navolgende letsel bij [slachtoffer] geconstateerd:

 een tamelijk recente bijtwond in het linkeronderbeen;

 recent druk-/frictieletsel op en achterop de rechterschouder en wellicht in de nek;

 een bloeduitstorting, maximaal 10 x 3 cm, links aan de romp in de oppervlakkige en diepe rugspieren;

 genezende ribfracturen van de 6e t/m 10e rib links met een ouderdom van 14-21 dagen;

 naast/in deze genezende fracturen recente bloeduitstortingen passend bij trauma van maximaal enkele dagen oud, implicerend: refracturen (opnieuw breuken in genezende botbreuken);

 oogafwijkingen bestaande uit een recente bloeduitstorting in de oogzenuwschede beiderzijds en een maculaplooi beiderzijds;

 hersenletsel te weten:

 een één tot enkele weken oude bloeding onder het harde hersenvlies beiderzijds (bilateraal subduraal hematoom) met recente (vermoedelijke enkele dagen oude) re-bloeding rechts;

 in de grote en kleine hersenen rechts traumatische bloedingen in de zachte hersenvliezen (sub-arachnoïdale);

 meerdere dagen oude schade van zenuwbanen (axonen) en secundaire weefselschade rechtsachter (occipitaal) in de grote hersenen en hersenzwelling (oedeem).

Volgens de forensisch arts dr. H.G.T. Nijs (hierna: NFI-deskundige Nijs) kunnen – achteraf bezien – de klinische verschijnselen vanaf 21 mei 2016 worden geduid als een ernstig encephalopathisch beeld (hersenfunctiestoornissen), gezien de noodzaak tot overplaatsing naar een kinder intensive-care, de aard van de uiteindelijk vastgestelde medische bevindingen en het fatale beloop.

De arts-patholoog A. Maes is tot de conclusie gekomen dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van schedelhersenletsel.

Ook Prof. Dr. med. J. Sperhake, senior arts, forensisch-geneeskundig specialist (hierna: contra-deskundige Sperhake), komt tot de conclusie dat [slachtoffer] zonder redelijke twijfel aan de gevolgen van traumatische hersenbeschadiging is overleden.

Oorzaak van het letsel bij [slachtoffer]

Met betrekking tot de oorzaak van het letsel komt NFI-deskundige Nijs tot de volgende conclusies:

 Een bijtwond op het linkeronderbeen bij een kind van 4 maanden oud betreft per definitie niet accidenteel (door een andere persoon toegebracht) letsel.

 De druk-/frictieletsels op en achterop de rechterschouder (en wellicht in de nek) zijn waarschijnlijker na een trauma met een niet-accidentele toedracht (toegebracht letsel) dan na een ander trauma (zoals een accidentele toedracht (ongeluk/ongeval) of normaal, althans niet disproportioneel, uitgevoerde verzorgingshandelingen.

 De aangetroffen afwijkingen in de ogen beiderzijds, afzonderlijk beschouwd, zijn veel waarschijnlijker bij een substantieel trauma aan het hoofd (repeterend acceleratie-deceleratie-trauma, contacttrauma of combinatie daarvan), dan bij een aandoening (waarvan bekend is dat daarbij netvliesbloedingen zouden kunnen optreden) of een ander soort trauma.

 De aangetroffen ribbreuken van de 6e t/m 10e rib linksachter, met zowel genezende als recente (refractuur) kenmerken, afzonderlijk beschouwd, zijn zeer veel waarschijnlijker in het geval van ten minste 2 ruim in de tijd gescheiden momenten met substantiële krachtsinwerkingen op de ribbenboog (in het kader van repeterend acceleratie-deceleratietrauma, contacttrauma aan het hoofd of combinatie van beide), dan bij een aandoening of een ander trauma.

 De vanaf 21/22 mei 2016 vastgestelde afwijkingen in/bij de hersenen, afzonderlijk beschouwd, zijn zeer veel waarschijnlijker bij meer dan 1 substantieel trauma aan het hoofd (contacttrauma, acceleratie-deceleratietrauma, of combinatie daarvan), dan bij een aandoening of andere (al dan niet minor) traumata (waaronder bijvoorbeeld de gemelde val op 29 april 2016).

NFI-deskundige Nijs komt tot de eindconclusie dat de combinatie van bevindingen in/aan de hersenen, de ogen en het skelet, geconstateerd vanaf 21 mei 2016, zeer veel waarschijnlijker is bij ten minste twee ruim in de tijd gescheiden niet-accidentele geweldsinwerkingen bestaande uit substantieel trauma aan het hoofd (repeterend acceleratie-deceleratietrauma, contacttrauma of combinatie daarvan) dan bij een aandoening of een ander trauma.

Contra-deskundige Sperhake, concludeert dat de oorzaak van het letsel waaraan [slachtoffer] is overleden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is het heftig schudden in de zin van een shakenbabysyndroom.

NFI-deskundige Maes is tot de conclusie gekomen dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van schedelhersenletsel in het kader van repeterend acceleratie/deceleratie/impacttrauma.

De verdediging heeft bepleit dat het hof niet kan vaststellen dat [slachtoffer] is komen te overlijden als gevolg van “toegebracht” letsel.

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman allereerst aangevoerd dat er in de medische wetenschap geen consensus bestaat omtrent de juistheid van de Shaken Baby Syndrom hypothese en dat zolang er onder de medici geen consensus bestaat over de medische bewijswaarde van de triade (hof: een combinatie van geconstateerd letsel, te weten bloedingen onder het harde hersenvlies, netvliesbloedingen en zwellingen van de hersenen) er geen sprake mag zijn van een omkering van de juridische bewijslast in geval van een verdenking van kindermishandeling.

Voorts heeft de raadsman – op gronden als verwoord in de pleitnota – naar voren gebracht dat er bezwaar is tegen het gebruik van de forensisch medische onderzoeken van NFI-deskundige Nijs en contra-deskundige Sperhake.

Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat alternatieve oorzaken voor het letsel bij [slachtoffer] als geboortetrauma dan wel aangeboren en verworven ziekelijke aandoeningen dan wel een accidentele toedracht onvoldoende zijn uitgesloten.

De raadsman komt tot de conclusie dat, zolang er geen 100% uitsluiting is van een ziekelijke aandoening of een accidentele toedracht, er niet met voldoende zekerheid kan worden gesteld dat er sprake is van toegebracht letsel.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de enkele omstandigheid dat internationaal discussie bestaat over de vraag of de triade in medische zin al dan niet bewijzend is voor toegebracht letsel, onvoldoende is om de bevindingen van de deskundigen terzijde te schuiven en tot een vrijspraak te komen.

Bovendien heeft NFI-deskundige Nijs in zijn rapport over de stand van de wetenschap gerelateerd dat “uit medisch/juridische publicaties, multidisciplinaire consensus artikelen en gepubliceerde standpunten van ten minste 20 internationale medische beroepsverenigingen blijkt dat toegebracht hersenletsel (als gevolg van repeterend acceleratie-deceleratietrauma en/of contacttrauma aan het hoofd) een gevalideerde, wereldwijd geaccepteerde diagnose betreft. Voor enkele alternatieve hypothesen als eventuele verklaring voor de combinatie van medische bevindingen, bestaat geen medisch wetenschappelijke onderbouwing volgens de heersende opvatting van veel relevante medische beroepsgroepen, ondanks het feit dat een enkele arts daarvan afwijkt”.1

Daarnaast is het hof op grond van de brieven waarin beide deskundigen vragen van de raadsman beantwoorden, gebleken dat zowel NFI-deskundige Nijs als contra-deskundige Sperhake ook op de hoogte zijn van de onderzoeken waaraan de raadsman refereert.2

Voorts stelt het hof vast dat de verdediging gebruik heeft gemaakt van haar recht op contra-expertise en dat een door de verdediging bij naam genoemde deskundige, te weten Prof. Dr. Med. J. Sperhake, Oberartz (plaatsvervangend geneesheer-directeur), Fachartz für Rechtsmedizin (vertaald: forensisch medisch specialist), in het Institut für Rechtsmedizin (vertaald: forensisch medisch institituut), Deutsche Akkreditierungsstelle (vertaling: Duitse accreditatie-instatantie), van Universitätsklinikum Hamburg-Eppendorf (vertaald: academisch ziekenhuis Hamburg) hiertoe is benoemd. Zoals reeds hiervoor opgenomen deelt contra-deskundige Sperhake de conclusie van NFI-deskundige Nijs inhoudende – kort gezegd – dat er sprake is van “toegebracht letsel”. Ook heeft de verdediging de mogelijkheid gehad om bij of via de rechter-commissaris de deskundigen die in deze zaak hebben gerapporteerd (nader) te bevragen, zodat de verdediging deze deskundigen eveneens over de oorzaak van het letsel bij [slachtoffer] en de juistheid van de conclusies en de gronden waarop deze conclusies van Nijs en Sperhake zijn gebaseerd, heeft kunnen bevragen.

Tot slot overweegt het hof nog dat zowel NFI-deskundige Nijs als contra-expertise Sperhake zijn conclusie dat er – kort gezegd – sprake is van “toegebracht” letsel, niet enkel baseren op de triade, maar op het totale beeld van het letsel bij [slachtoffer] . Zij hebben ook de refracturen van de ribben en de druk/frictieletsels op en achterop de rechterschouder (en wellicht in de nek) bij deze conclusie betrokken.

Het verweer wordt derhalve in zoverre verworpen.

Wel geeft het hof de verdediging toe dat het hof bij de selectie en waardering van bewijsmiddelen kritisch naar de inhoud van die bewijsmiddelen dient te kijken.

Anders dan gesteld door de verdediging is het hof echter van oordeel dat er geen bezwaar is tegen het bezigen tot het bewijs van de forensisch medisch rapporten van NFI-deskundige Nijs en contra-deskundige Sperhake. Het hof heeft de forensisch medisch rapporten kritisch bezien en is van oordeel dat er geen enkele reden is om aan de deskundigheid, juistheid en de betrouwbaarheid van deze rapporten te twijfelen. Niet alleen omdat de deskundigen gemotiveerd en duidelijk onderbouwd hun standpunten hebben verwoord, maar ook omdat de conclusies steun vinden in elkaars conclusies en andere bewijsmiddelen, zoals dit hierna zal blijken. Daarbij merkt het hof nog op dat uit de rapporten duidelijk naar voren komt welke informatie aan de deskundigen is verstrekt. Op grond van de aan hem geleverde stukken heeft contra-deskundige Sperhake in zijn rapport nog gemeld dat deze zaak zowel klinisch als postmortaal buitengewoon zorgvuldig en uitgebreid is onderzocht. Tot slot is er geen enkele reden om te veronderstellen dat de aan hen geleverde medische informatie niet juist en/of volledig zou zijn, zoals door de verdediging wel is gesteld. Dat beide deskundigen zelf geen directe medische bevindingen aan (het lichaampje van) [slachtoffer] hebben gedaan, doet naar het oordeel van het hof aan de deskundigheid, juistheid en betrouwbaarheid van hun onderzoeksbevindingen dan ook niets af.

Met betrekking tot de door de verdediging opgevoerde alternatieve scenario’s voor het letsel bij [slachtoffer] overweegt het hof het volgende.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat gelet op de leeftijd van [slachtoffer] en hetgeen de rapporten hierover rapporteren, uitgesloten kan worden dat het letsel bij [slachtoffer] het gevolg is van geboortetrauma.

Het hof is voorts van oordeel dat de mogelijkheid van de overige opgevoerde alternatieve scenario’s worden uitgesloten door de bevindingen als neergelegd in het forensisch medische rapport van NFI-deskundige Nijs.

Ook contra-deskundige Sperhake sluit deze alternatieve scenario’s in zijn rapport uit. In antwoord op aanvullende vragen van de verdediging heeft hij in zijn brief van 10 oktober 2019 nog opgemerkt dat plooien in het netvlies, zoals bij [slachtoffer] geconstateerd, typisch zijn voor non-accidental head injury (NAHI). Verder heeft hij nog verklaard dat er geen stofwisselingsziekte bekend is die het bij [slachtoffer] gediagnosticeerde symptomen- en letselpatroon veroorzaakt. Van de stofwisselingsziekten waarop zuigelingen normaal gesproken worden getest, kon er geen worden aangetoond. Bloedstollingsstoornissen, waarvoor bij [slachtoffer] geen laboratorisch bewijs was, kunnen in zeer zeldzame gevallen spontane bloedingen - ook binnenin de schedel - verklaren. Ze leiden echter nooit tot botbreuken.3

Deze bevindingen en conclusies van NFI-deskundige Nijs en contra-deskundige Sperhake vinden bevestiging in de verklaringen van andere deskundigen.

Allereerst blijkt uit het hiervoor weergegeven rapport van NFI-deskundige Maes dat er bij sectie geen aanwijzingen waren voor aangeboren en/of ontwikkelingsstoornissen die aan het overlijden kunnen hebben bijgedragen.

Ook dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, forensisch kinderpatholoog bij het NFI, heeft bij de rechter-commissaris als deskundige op de vraag van de raadsman om binnen haar deskundigheid wat te zeggen omtrent het ontstaansmechanisme van het door NFI-deskundige Maes geconstateerde letsel geantwoord dat het feit dat er een kind is van vier maanden met al deze traumatische letsels, waar geen ziekelijke oorzaak voor gevonden kan worden op geen enkel niveau, niet op het niveau van organen, de hersenen en het beenderstelsel, maakt dat hier sprake is van toegebracht letsel leidend tot de dood. Hierbij heeft zij nog verklaard dat het ontstaan van traumatische axonoale hersenschade alleen kan ontstaan door trauma. Ten aanzien van de subdurale bloeding moeten andere dingen worden uitgesloten, namelijk een geboortetrauma. Ook moeten stofwisselingsziekten worden uitgesloten, maar deze zijn hier niet gebleken en dus blijft trauma over als oorzaak. Volgens dr. Soerdjbalie-Maikoe worden de stofwisselingsziekten uitgesloten doordat er onderzoek wordt gedaan. Omdat zij niet altijd de uitslag van de hielprik kregen, wordt het opnieuw onderzocht. Ze kijken naar stofwisselingsziekten waaraan kinderen acuut kunnen overlijden of stofwisselingsziekten die bloedingen kunnen veroorzaken. Als laatste oorzaak voor bloedingen kunnen stollingsziekten hier aanleiding toe geven. In dit geval is onderzocht of er sprake was van stollingsziekten in de kliniek, maar dit was niet het geval. Bij dit kind is niets bijzonders gebleken in het voortraject, aldus dr. Soerdjbalie-Maikoe.4

Professor doctor B. Kubat, neuropatholoog/forensisch patholoog bij het NFI, heeft in het kader van de sectie de hersenen, het harde hersenvlies en het ruggenmerg van [slachtoffer] onderzocht. Bij de rechter-commissaris heeft zij als getuige verklaard dat het concept van de triade (het hof begrijpt: als bewijs voor shaken baby syndroom) achterhaald is, omdat inmiddels is gebleken dat er veel meer hoort bij acceleratie-deceleratiegeweld, namelijk ribbreuken, specifieke breukjes in de lange pijpbeenderen van de armen en benen, traumatische axonale schade en traumatische vasculaire schade5. Bij [slachtoffer] worden tekenen aangetroffen van traumatische axonale beschadiging die qua aspect enkele dagen oud is6. In haar onderzoek heeft zij andere verklaringen voor encefalopathie uitgesloten. In het geval van [slachtoffer] ziet zij de mogelijkheid van accidenteel trauma als ander ontstaansmechanisme voor hetzelfde letsel niet. Op het gebied van neuropathologisch onderzoek zijn er volgens haar geen bevindingen die abusive head trauma (AHT) tegenspreken.7

Oogpatholoog dr. R.M. Verdijk heeft bij de rechter-commissaris als getuige verklaard dat bij [slachtoffer] een peri maculaire plooi is gezien. Dat is een gedeeltelijke loslating van het netvlies in een bepaalde configuratie. Hij dateert dit letsel op een aantal dagen. Dit letsel is volgens hem sterk gerelateerd aan een shaken- en/of een impacttrauma. Ziekelijke afwijkingen zijn door hem in dit geval niet gerapporteerd.8

Prof. dr. R. van Rijn, kinderradioloog in het Emma Kinderziekenhuis in Amsterdam (onderdeel van het Academisch Medisch Centrum en bij het NFI, heeft bij de rechter-commissaris als deskundige verklaard dat [slachtoffer] intracranieel letsel had, dat is ontstaan door een acceleratie deceleratie trauma of door een stomp botsend inwerkend geweld, zijnde;

 bilateraal subduraal hematoom (bloeding in het harde hersenvlies);

 sub arachnoïdaal bloed bilateraal (bloeding tussen het harde hersenvlies en de hersenen);

 hemorragische contusiehaard links occipitaal (een bloedende hersenkneuzing);

 uitgebreide gebieden van cytotoxisch oedeem, supratentieel (zeer ernstig hersenletsel van de grote hersenen).9

Daarnaast schrijft deskundige Van Rijn in zijn brief betreffende de herbeoordeling van de postmortale beeldvorming verricht in het groene hart ziekenhuis in Gouda aan NFI-deskundige dr. Maes dat zijn algemene indruk van het skelet, bij een skeletstatus d.d. 25 mei 2016, is dat sprake is van een normale aanleg, zonder aanwijzing voor stoornissen in de mineralisatie. Verder geen aanwijzing voor skeletdysplasie.10 Hij concludeert dat alle letsel past bij toegebracht letsel.11

Samenvattend stelt het hof vast dat voornoemde deskundigen allen tot de conclusie komen dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel al dan niet met uitsluiting van de door de raadsman aangevoerde alternatieve scenario’s, toegebracht letsel betreft.

Tot slot overweegt het hof nog dat de raadsman door te stellen dat, zolang er geen 100% uitsluiting is van een ziekelijke aandoening of een accidentele toedracht, er niet met voldoende zekerheid kan worden gesteld dat er sprake is van toegebracht letsel, een te strenge maatstaf aanlegt. Voor een bewezenverklaring is nodig dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is komen vast te staan dat het letsel [slachtoffer] is toegebracht.

Op grond van het vorenstaande is voor het hof met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid komen vast te staan dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel hem is toegebracht.

Concluderend stelt het hof vast dat de deskundigen als wijze van ontstaan van het aangetroffen hersenletsel hebben benoemd dat sprake is geweest van repeterend acceleratie-deceleratie- en/of impact trauma. Deze bewegingen moeten volgens deskundigen Nijs en Sperhake met een zekere kracht uitgevoerd worden om het letsel te laten ontstaan. Het toebrengen van ernstig hersenletsel bij kleine kinderen door middel van schudden en/of impact (contacttrauma aan het hoofd) is dusdanig heftig dat omstanders dergelijke handelingen direct als gevaarlijk zouden kwalificeren.

Gelet hierop en het met voldoende zekerheid uitsluiten van een andere ontstaansoorzaak

– die niet is gevonden – is voor het hof met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid komen vast te staan dat het bij [slachtoffer] aangetroffen hersenletsel, dat heeft geleid tot zijn dood, hem is toegebracht.

Hierbij overweegt het hof nog dat het de stelling van de raadsman dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar mogelijk ziekelijke aandoeningen als oorzaak voor het SDH niet volgt. Op grond van de voornoemde bewijsmiddelen is voor het hof voldoende komen vast te staan dat er uitgebreid en volledig onderzoek is gedaan naar mogelijke andere oorzaken van het letsel.

Het hof verwerpt het verweer in alle onderdelen.

Datering van het letsel bij [slachtoffer]

NFI-deskundige Nijs stelt in zijn rapport dat het veroorzakend mechanisme voor het ontstaan van de combinatie van medische bevindingen qua moment moet worden geplaatst na het laatste moment van normaal functioneren (zoals met normaal bewustzijn, normale ademhaling en met normaal op gebruikelijke wijze reageren en flesdrinken). Voorts stelt hij dat op basis van studies naar de tijdsduur tussen een traumatisch incident en het ontstaan van klinische verschijnselen (deels gebaseerd op verklaringen van bekennende daders) bij toegebracht ernstig hersenletsel kan worden geconcludeerd dat het traumatische incident juist voor (ordegrootte: seconden) het ontstaan van de klinische verschijnselen zoals bijvoorbeeld een onmiddellijke daling van het bewustzijnsniveau (lethargie of bewusteloosheid), onregelmatige ademhaling, moeilijkheden bij het ademen of ademstilstand en frequente insulten, moet hebben plaatsgevonden. Tot slot stelt hij dat wordt aangenomen dat bij een kind dat direct na het ontstaan van hersenletsel gezond en normaal functioneert, het bijzonder onwaarschijnlijk is dat in latere instantie zonder nieuw incident alsnog ernstig (fataal of bijna-fataal) hersenletsel wordt geconstateerd.

Contra-deskundige Sperhake concludeert in zijn rapport dat het totale beeld van het letsel erop wijst dat [slachtoffer] op ten minste twee verschillende momenten is geschud. Een incident moet volgens hem in de nacht van 20 op 21 mei hebben plaatsgevonden. In zijn brief van 10 oktober 2019 heeft hij over de datering van het hersenletsel op een aanvullende vraag van de raadsman daarover nog het navolgende verklaard. Volgens contra-deskundige Sperhake kan dodelijk hersenletsel, zoals bij [slachtoffer] , volgens de heersende academische leer niet gepaard gaan met een symptoomvrij interval. De axonale schade was volgens het neuropathologisch onderzoek op het moment van overlijden op 24 mei 2016 enkele dagen oud en kan dus zeker in de nacht van 20 op 21 mei 2016 zijn ontstaan. Als het centrale zenuwstelsel op deze wijze wordt beschadigd, treden ernstige symptomen direct op en er kan dus worden geconcludeerd dat de schade respectievelijk de overlijden veroorzakende gebeurtenis slechts kort (maximaal enkele uren) voor de ziekenhuisopname plaatsvond, aldus Prof. Dr. med.

J. Sperhake.12

Ook kinderradioloog Van Rijn heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat het hersenletsel dermate ernstig is dat [slachtoffer] hiermee niet normaal kan hebben gefunctioneerd.13

De verdediging heeft – op gronden als vermeld in de pleitnota – bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu het ontstaansmoment van het fatale letsel niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld, waardoor de veroorzakende gebeurtenis of de veroorzaker van het letsel niet kan worden vastgesteld. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat het fatale letsel het gevolg kan zijn van 1) het sluimerend verloop van de aanvankelijke bloeding of 2) een rebleeding van de bloeding die enkele weken na 29 april 2016 door het struikelen van de verdachte met [slachtoffer] is ontstaan.

De raadsman heeft als derde scenario naar voren gebracht dat het fatale letsel het gevolg is van een onbekend gebleven – accidenteel, niet-accidenteel of door een ziekelijke afwijking ontstane – bloeding. Deze geheel nieuwe bloeding is volgens de verdediging dan ontstaan tussen de val van 29 april 2016 en 21 mei 2016, waarvan de symptomen zich door een sluimerend beloop of een rebleed pas op 21 mei 2016 omstreeks 02:30 uur openbaarden. Niet uitgesloten ziekelijke aandoeningen, zoals een stollingsstoornis, kunnen de bloeding of de gevolgen daarvan in alle gevallen hebben verergerd, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof acht het derde naar voren gebrachte scenario niet aannemelijk geworden, reeds gelet op hetgeen hiervoor is vermeld omtrent het ontbreken van aanwijzingen dat er sprake zou zijn van een ziekelijke oorzaak dan wel een accidentele oorzaak van het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel. Daarbij komt dat niet alleen NFI-deskundige Nijs rapporteert dat screenend en aanvullend stollingsonderzoek geen relevante afwijkingen vertoonde, maar ook contra-deskundige Sperhake verklaart dat voor bloedstollingsstoornissen geen laboratorisch bewijs was en ook NFI-deskundige Soerdjbalie-Maikoe rapporteert dat in de kliniek is onderzocht of er sprake was van stollingsziekten, maar dit niet het geval was. Dat er sprake zou kunnen zijn van een niet uitgesloten ziekelijke aandoening die een bloeding of de gevolgen daarvan zou hebben verergerd, is dan ook op geen enkele wijze gebleken, noch is gebleken van enige aanleiding om zulks te vermoeden.

Met betrekking tot de mogelijkheid van 1) een sluimerend verloop van (een) aanvankelijke bloeding(en) dan wel dat er sprake zou zijn van 2) een rebleed, heeft het hof acht geslagen op het navolgende.

NFI-deskundige patholoog Soerdjbalie-Maikoe heeft verklaard dat rebleeding betekent dat er in een bestaande subdurale bloeding waar genezing plaatsvindt als verwikkeling van de oude bloeding een nieuwe bloeding plaatsvindt. Dit komt omdat er nieuwe bloedvaten worden ontwikkeld die minder sterk zijn. Die nieuwe bloedvaten kunnen bij minimaal trauma of spontaan scheuren. Dan ontstaat er een nieuwe bloeding in een oude bloeding. Het kind overlijdt hier niet aan. Als er een bloeding is die recent is opgetreden die tot de dood leidt, dan kun je niet spreken van een rebleed, maar van een nieuw subduraal hematoom. Mevrouw Kubat heeft het in haar rapport over een rebloeding en daarmee wordt iets anders bedoeld dan een rebleed. Het geeft verwarring als je rebleed en rebloeding door elkaar gebruikt. Bij een rebleed zijn het nieuwe zwakke vaten die openscheuren. In dit geval is geen sprake van een rebleed, maar is het een nieuwe bloeduitstorting onder het harde hersenvlies. Bij dit kindje was geen sprake van een rebleed. Bij een rebloeding scheuren de ankervenen tussen het harde hersenvlies en het hersenoppervlak. Bij een hevig trauma scheuren die bloedvaten. Dit zijn andere bloedvaten dan de bloedvaten die in het kader van genezing bij een andere bloeding gevormd zijn. Volgens haar kan in dit geval geen sprake zijn van een sluimerend beloop van de bloeding. Er zijn twee componenten (het hof begrijpt: ontstaansmomenten van bloedingen) gevonden. Eentje van een tot enkele weken oud en eentje van enkele dagen oud. Dus er is geen aanwijzing dat er een sluimerend component geweest is. De bloedvaatjes (het hof begrijpt uit een aanvulling in de verklaring dat hiermee worden bedoeld: de ankervenen) die stuk gaan, gaan in één keer stuk op het moment dat de mechanische kracht inwerkt. Dit gebeurt dus niet stukje bij beetje, aldus dr. Soerdjbalie-Maikoe.14

Ook volgens NFI-deskundige forensisch arts Nijs is het reactiveren van een eerdere bloeding in het hoofdje van [slachtoffer] geen verklaring voor het uiteindelijke fatale beloop. Nieuw aangelegde bloedvaatjes in een neomembraam als herstelreactie van een doorgemaakte subdurale bloeduitstorting kunnen gemakkelijk gaan lekken/bloeden. Maar dit geeft volgens hem niet het beeld van een acuut ernstig encefalopathisch beeld, zoals bij [slachtoffer] het geval was; daarvoor is een substantiële krachtsinwerking nodig. Ook kan het volgens hem niet zo zijn geweest dat de in tijd gescheiden bloedingen op zichzelf niet, maar in combinatie wel tot het fatale gevolg hebben geleid. Dit moet volgens hem afzonderlijk van elkaar worden bezien, zoals verklaard door dr. Soerdjbalie-Maikoe.15

Contra-deskundige Sperhake heeft over het sluimerend beloop verklaard dat dergelijke sluimerende belopen met een geleidelijke toename van de hersendruk bij abusive head trauma (AHT) hem niet bekend zijn. Ook volgens hem kan het in het geval van [slachtoffer] niet zo zijn geweest dat de in tijd gescheiden bloedingen op zichzelf niet, maar in combinatie wel tot het fatale gevolg hebben geleid.16

Gelet op het vorenstaande concludeert het hof dat de deskundigen het overlijden van [slachtoffer] niet verklaren als gevolg van rebleed of een sluimerend/sluipend beloop van een eerdere bloeding. Het hof is dan ook van oordeel dat de door de verdediging opgeworpen alternatieve scenario’s met betrekking tot een sluimerend verloop dan wel rebleed van een eerder in tijd ontstane bloeding niet aannemelijk zijn geworden.

Concluderend is het hof van oordeel dat op grond van alle bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien is komen vast te staan dat het moment van het toebrengen van het dodelijk letsel bij [slachtoffer] moet liggen na het laatste moment van normaal functioneren van [slachtoffer] en vóór het moment dat hij klinische verschijnselen kreeg.

Verklaringen van getuigen en de verdachte over de nacht van 21 mei 2016 en over de omgang van de verdachte met [slachtoffer]

Op grond van de verklaringen gebezigd tot het bewijs is het hof het volgende gebleken.

Op 20 mei 2016 verloopt de dag als normaal. [slachtoffer] drinkt op normale wijze zijn flesjes (bijna) leeg en gedraagt zich gedurende de dag en avond ook niet anders dan normaal. Ook die avond als [slachtoffer] en zijn zus [betrokkene 3] van 20:00 uur tot 22:00 à 23:00 uur bij de buurvrouw zijn, is er niets aan de hand. Volgens de buurvrouw is haar voorafgaand aan de nacht niets opgevallen aan [slachtoffer] . Nadat de verdachte omstreeks 22:30 uur weer thuis was van werk, zijn de kinderen bij de buurvrouw opgehaald en weer mee naar huis genomen. [slachtoffer] heeft vervolgens nog een flesje gekregen en ook deze voeding verliep als gewoonlijk. Na het flesje heeft [slachtoffer] nog op de schoot van zijn oma gezeten. Dit wordt bevestigd door de foto gemaakt met de gsm van [betrokkene] om 23:45 uur waarop te zien is dat een vrouw met een baby op schoot zit.17 Vervolgens zijn [betrokkene] en oma omstreeks 00:00 uur en inmiddels 21 mei 2016, vertrokken van huis en zijn zij naar een terrasje gegaan. Vanaf dat moment is de verdachte alleen thuis met de kinderen, waaronder [slachtoffer] .

De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] omstreeks 02:30 uur heel stijf en koud was. Ook begon [slachtoffer] vreemd te ademen, heel gebrekkig. Het klonk als hyperventileren volgens de verdachte. Ook was volgens de verdachte het hoofdje slap alsof [slachtoffer] dronken was en week zijn oog af naar buiten. De verdachte heeft hierop om 02:40 uur een bericht naar [betrokkene] verstuurd met de vraag “Hoe laat komen jullie ongeveer thuis”, vijf minuten later opgevolgd door een vraagteken “?”.18 Toen [betrokkene] en oma even later thuiskwamen, leek het volgens [betrokkene] wel alsof [slachtoffer] bewusteloos was. Ook hebben ze nog geprobeerd om onder zijn voetjes te kietelen en voorzichtig het beentje te buigen, maar dat had geen zin. Ze voelden stijf aan. Op een gegeven moment begon [slachtoffer] uit het niets te huilen. Volgens [betrokkene] was het geen normale huil maar echt een schreeuw-huil met lange uithalen. Uiteindelijk is het gezin gaan slapen. Toen de volgende ochtend [slachtoffer] niet wilde drinken, hij schokkende bewegingen met zijn lichaam maakte, zijn tong achter tegen zijn gehemelte zat, hij naar één punt staarde en wegviel, zijn de verdachte, [betrokkene] en oma met [slachtoffer] naar het ziekenhuis gereden.

Het hof stelt vast dat de klinische verschijnselen die bij [slachtoffer] te zien waren in de nacht van 21 mei 2016 vanaf omstreeks 02:30 uur overeenkomen met de klinische verschijnselen bij toegebracht ernstig hersenletsel zoals door NFI-deskundige Nijs beschreven: onregelmatige ademhaling, moeilijkheden bij het ademen of ademstilstand, onmiddellijke daling van het bewustzijnsniveau en frequente insulten.

Tot slot stelt het hof op grond van het vorenstaande vast dat [slachtoffer] tot 21 mei 2016 omstreeks 00:00 uur normaal heeft gefunctioneerd en op normale wijze zijn flesjes heeft gedronken. Voorts stelt het hof vast dat de verdachte de enige is geweest die vanaf dat moment tot het moment dat [slachtoffer] omstreeks 02:30 uur klinische verschijnselen kreeg die overeenkomen met de klinische verschijnselen bij toegebracht hersenletsel, bij [slachtoffer] in de buurt is geweest.

Tussenconclusie van het hof

Het hof neemt de conclusies – voor zover tot het bewijs gebezigd – van de deskundigen, ook voor zover deze als getuige zijn gehoord, over en maakt deze tot de zijne.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen en overwegingen is voor het hof het navolgende komen vast te staan.

Bij [slachtoffer] zijn vanaf 21 mei 2016 (onder meer) hersenletsel, botbreuken en oog(bol)afwijkingen als hiervoor omschreven geconstateerd. Op 24 mei 2016 is [slachtoffer] als gevolg van verwikkelingen van schedelhersenletsel komen te overlijden. Bij dit hersenletsel alsmede het overige geconstateerde letsel is er sprake van toegebracht letsel, waarbij blijkens de daarvoor redengevende geconstateerde letsels (het hoofd van) [slachtoffer] met kracht heen en weer is geschud en/of een of meer vormen van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd van [slachtoffer] is uitgeoefend (repeterend acceleratie-deceleratie-trauma, contacttrauma of combinatie daarvan). Het hersenletsel moet zijn toegebracht in ieder geval na het moment van normaal functioneren en kort voor het moment dat de klinische verschijnselen zich uitten.

In de onderhavige zaak kan derhalve worden vastgesteld dat het dodelijk hersenletsel bij [slachtoffer] is toegebracht op 21 mei 2016 tussen 00:00 uur 02:30 uur, het tijdsbestek waarin de verdachte de enige persoon is geweest in de buurt van [slachtoffer] .

Het kan derhalve ook niet anders zijn dan dat het verdachte is geweest die op 21 mei 2016 tussen 00:00 uur en 02:30 uur het dodelijk letsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht door (het hoofd van) [slachtoffer] met kracht heen en weer te schudden en/of een of meer vormen van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd van [slachtoffer] uit te oefenen.

Hierbij wordt het hof in zijn overtuiging gesterkt door de inhoud van het verslag van het huisbezoek van Vraagkracht op 2 mei 2016 en de verklaringen van [betrokkene] en haar vriendin [getuige] met betrekking tot de wijze waarop de verdachte omging met [slachtoffer] . Hieruit komt een beeld naar voren dat de verdachte regelmatig geïrriteerd reageerde op met name het huilen van [slachtoffer] en hij vaak ongeduldig en hardhandig met [slachtoffer] omging. Dit beeld wordt ook bevestigd door de sms-berichten die de verdachte met betrekking tot de kinderen twee maanden voor het gebeurde naar zijn moeder heeft verstuurd waarin hij zijn kinderen “kut kanker kinderen” en “kutkind” noemt.19 Ook getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de verdachte heeft horen zeggen “dat kut kind huilt weer” toen [slachtoffer] huilde.

Voornoemde gedragingen en uitspraken van de verdachte getuigen van een weinig geïnteresseerde, noch liefhebbende houding naar [slachtoffer] .

Ook ziet het hof bevestiging voor de verdachte verweten gedragingen in de volgende omstandigheden. Hij heeft geen enkele (nood)hulp ingeschakeld toen zich bij [slachtoffer] de meerbesproken klinische verschijnselen openbaarden, terwijl de verdachte heeft verklaard dat hij echt in paniek was door het gebrekkige ademhalen van [slachtoffer] , zijn slappe hoofdje, zijn afwijkende oogje, zijn stijve armpje en beentje. Ondanks dat het er allemaal anders uitzag dan normaal, schakelde hij geen hulp in. De verdachte verklaart te hebben gehuild, tegen [slachtoffer] te hebben gepraat met stemverheffing, met ijs onder zijn voetjes te hebben gewreven, hem te hebben geknepen, getikt en gebeten, doch dat alles zonder resultaat. Weliswaar heeft hij [betrokkene] op enig moment per WhatsApp gevraagd of zij en zijn moeder nog lang bleven, vijf minuten later gevolgd door een vraagteken, maar daar is zijn “noodkreet” bij gebleven. Vervolgens komen [betrokkene] en zijn moeder thuis, maar ook dan blijft hulp aan [slachtoffer] nog steeds uit. De huisartsenpost wordt gebeld, maar niet bezocht. Wel vindt een agressie-incident plaats vanuit de verdachte richting zijn moeder, waarbij hij haar een tik geeft, reden waarom zij die nacht weggaat. De verdachte, [betrokkene] en [slachtoffer] achterlatend, die uiteindelijk gaan slapen. Het hof vermag niet in te zien waarom de verdachte, gezien de situatie waarin hij zich met [slachtoffer] die nacht bevond, geen hulp heeft ingeroepen, behalve als hij wilde voorkomen dat hem iets zou kunnen worden verweten. En daarmee laat de verdachte op zijn beurt feitelijk eenzelfde ontwijkend gedrag zien als hij eerder heeft laten zien. Immers, een kleine maand eerder, toen hij – naar eigen zeggen – [slachtoffer] op 29 april 2016 vanaf ongeveer 1.20 meter zou hebben laten vallen toen verdachte over een computerkabel struikelde, heeft hij evenmin (nood)hulp ingeschakeld. Hij heeft het zelfs aanvankelijk onvermeld gelaten tegenover de dokter. Blauwe plekken werden geconstateerd bij [slachtoffer] , maar een redengevende verklaring hiervoor werd verzwegen. De verdachte verklaarde tijdens het onderhavige politieonderzoek dat hij het gevoel van schaamte had en niet heeft gezegd dat hij hem heeft laten vallen. Op de vraag “Wat kan je vertellen over eerdere letsels bij [slachtoffer] ?” was zijn antwoord “Die heb ik nooit gezien hoor. Ik weet niets van eerdere letsels. Hij heeft nooit eerder een ongelukje gehad of iets.” om vervolgens op de vraag “Wat zei de dokter over die blauwe plekken?” te antwoorden “Dat wij het in de gaten moesten houden. Ik had natuurlijk niet gezegd dat ik hem had laten vallen”.20 Eerst bij gelegenheid van het hem thans verweten strafbare feit is het incident van 29 april 2016 aan het licht gekomen. De vanzelfsprekendheid die in verdachtes verklaring doorklinkt waarom hij toch dit eerdere incident onvermeld heeft gelaten, lijkt te getuigen van een stille behoefte bij de verdachte dat niet komt vast te staan wat er daadwerkelijk is gebeurd, terwijl beide keren [slachtoffer] , een kleine weerloze, kwetsbare en volledig van hem afhankelijke baby, door zijn toedoen in een hulpbehoevende situatie moet zijn terechtgekomen.

Opzet bij de verdachte

Het hof ziet zich thans voor de vraag gesteld of de verdachte het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

De verdediging heeft tot slot bepleit dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het tenlastegelegde, nu vanwege een onduidelijke toedracht van het fatale letsel het opzet van de veroorzaker op de dood niet kan worden vastgesteld.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat hetgeen de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd voor wat betreft de toedracht van het fatale letsel reeds hiervoor is weerlegd en derhalve geen verdere bespreking behoeft.

Met de raadsman is het hof evenwel van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunten biedt ter vaststelling dat de verdachte zijn zoontje [slachtoffer] heeft geschud met de vooropgezette bedoeling hem te doden. Van onvoorwaardelijk opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer] is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake.

Het hof stelt voorop dat evenwel voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in het onderhavige geval de dood – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet daarbij gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Niet alleen is vereist dat de verdachte in dat geval wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard of op de koop heeft toegenomen.

Anders dan betoogd door de raadsman is het hof van oordeel dat – gelet op het

vorenstaande – voldoende is komen vast te staan dat de verdachte op 21 mei 2016 tussen 00:00 uur en 02:30 uur het dodelijk letsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht door (het hoofd van) [slachtoffer] met kracht heen en weer te schudden en/of een of meer vormen van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd van [slachtoffer] uit te oefenen. Het is algemeen bekend dat de kans op overlijden van een baby door deze heftig te schudden, dan wel door een contacttrauma op het hoofd, aanmerkelijk is te achten.

Voorts stelt het hof vast dat, blijkens het relaas van NFI-deskundige Nijs, wordt aangenomen dat voor het veroorzaken van ernstig hersenletsel – waar in onderhavige zaak sprake van is – een aanmerkelijke kracht (door een puber/volwassene), frequentie (circa 2-5 bewegingen per seconde) en duur (vanaf circa 5 seconden) voor het schudden vereist is. Het toebrengen van ernstig hersenletsel bij kleine kinderen door middel van schudden en/of impact (contacttrauma aan het hoofd) is dusdanig heftig dat omstanders dergelijke handelingen direct als gevaarlijk zouden kwalificeren, aldus NFI-deskundige Nijs. Mede gelet hierop is het hof van oordeel dat het handelen van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm – behoudens contra-indicaties waarvan niet is gebleken – kan worden aangemerkt als zo zeer gericht op de dood van [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte – op zijn minst genomen – de aanmerkelijke kans hierop bewust heeft aanvaard.

Het hof concludeert derhalve ook tot verwerping van de resterende verweren.

C. Conclusie van het hof

Gelet op het vorenstaande in onderlinge samenhang en (tijds)verband beschouwd is voor het hof wettig en overtuigend komen vast te staan dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals dit hieronder is bewezenverklaard.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en (tijds)verband beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 21 mei 2016 tot en met 24 mei 2016 te Domburg, gemeente Veere, zijn kind [slachtoffer] (geboren op 28 januari 2016) opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet op 21 mei 2016 (het hoofd van) voornoemde [slachtoffer] met kracht heen en weer geschud en/of een of meer vormen van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] uitgeoefend, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op 24 mei 2016 is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft zich achter deze strafoplegging van de rechtbank geschaard.

De verdediging heeft het hof verzocht te volstaan met de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, gecombineerd met een taakstraf.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag van zijn bijna 4 maanden oude zoontje [slachtoffer] . Doodslag wordt algemeen beschouwd als een van de ernstigste commune delicten, nu het opzettelijk benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, is of kan zijn. Naar het oordeel van het hof kan ten aanzien van de strafsoort en strafmaat voor dit feit niet worden volstaan met een andere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Reeds om die reden zal het hof de verdediging in zijn strafmaatverzoek niet volgen.

Het hof heeft bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten die met het onderhavige geval vergelijkbaar zijn. Met name heeft het hof gekeken naar straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd door dit hof. In de regel legt het hof voor een voltooide enkelvoudige doodslag geen andere of lagere straf op dan een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar.

Voor het hof is komen vast te staan dat baby [slachtoffer] door het handelen van de verdachte zodanig ernstig letsel heeft opgelopen dat hij ten gevolge hiervan, nog voordat hij 4 maanden oud was, is komen te overlijden. Het hof neemt het de verdachte allereerst zeer kwalijk dat hij zo gewelddadig heeft gehandeld jegens een kleine weerloze baby. Doch wat de zaak nog ernstiger maakt, is dat [slachtoffer] door zijn eigen vader, die hem juist zou moeten beschermen tegen al het kwaad, dusdanig is mishandeld dat hij aan het door de verdachte toegebrachte letsel is komen te overlijden. Juist bij zijn vader had hij zich veilig moeten voelen en veilig moeten zijn. In beginsel zouden deze feiten en omstandigheden een gevangenisstraf voor langere duur dan de hiervoor genoemde 8 jaren rechtvaardigen.

Anderzijds houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de verdachte heeft toegegeven dat de verzorging van zijn beide jonge kinderen hem en zijn partner boven het hoofd groeide. Dat dit het geval was, komt eveneens naar voren uit het dossier.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof voorts nog acht geslagen op de navolgende stukken die zich in het dossier bevinden.

Blijkens het de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 december 2020 is de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde onherroepelijk veroordeeld ter zake van mishandeling begaan tegen zijn levensgezel. Ondanks deze eerdere veroordeling, de daarbij opgelegde bijzondere voorwaarden en de omstandigheid dat hij nog in de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf liep, heeft de verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan geweldshandelingen, ditmaal met de dood als gevolg.

De reclassering heeft in haar adviesrapport van 31 december 2019 gerapporteerd dat het algemene recidiverisico gemiddeld tot hoog is. De reclassering komt tot deze inschatting op basis van statische factoren (delictverleden), alsook de risico’s op de diverse leefgebieden.

Door dr. A.J. Verheugt (psycholoog) en prof. dr. J.W. Hummelen (psychiater) is een persoonlijkheidsonderzoek verricht. Zij hebben hierover gerapporteerd op 30 december 2018. Zij hebben geconcludeerd dat de verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een borderline- persoonlijkheidsstoornis met antisociale en in mindere mate narcistische trekken. Daarnaast is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een stoornis in alcoholgebruik, ernst matig. Ten tijde van het feit was de persoonlijkheidsstoornis aanwezig, de stoornis in alcoholgebruik niet. Omdat de verdachte heeft ontkend het feit te hebben gepleegd hebben de gedragsdeskundigen geen uitspraken kunnen doen over het recidivegevaar en de toerekeningsvatbaarheid. Het hof gaat er derhalve vanuit dat het bewezenverklaarde feit strafrechtelijk volledig is toe te rekenen aan de verdachte.

In het afloopbericht van Reclassering Nederland van 13 oktober 2017, dat ziet op het verloop van het reclasseringstoezicht dat was opgelegd bij het vonnis van 1 september 2015, is opgenomen dat er veel zorgen zijn over de pedagogische kwaliteiten van verdachte en dat hij zich te weinig in staat toont zich in te kunnen leven in zijn dochter van dan 2 jaar oud. In dat verband valt ook de opmerking van psycholoog Verheugt nog op dat de houding en het contact met de verdachte zo op het oog moeilijk verenigbaar is met een verantwoordelijke en veeleisende rol als vader van een gezin met twee jonge kinderen. Al met al concludeert het hof dat het vaderschap meer van de verdachte leek te eisen dan hij heeft kunnen bieden, een ouderrol die niet eenieder als vanzelfsprekend kan waarmaken.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, zoals dit is opgelegd door de rechtbank en is gevorderd door de advocaat-generaal, de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest passend is bij de persoon van de verdachte en de ernst van en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan.

Ambtshalve overweegt het hof nog het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

In beginsel heeft als redelijke termijn te gelden dat de rechtbank binnen 2 jaren nadat de termijn een aanvang heeft genomen – in casu de datum van de inverzekeringstelling van verdachte op 7 juni 2016 – vonnis wijst. Het hof stelt vast dat in eerste aanleg de redelijke termijn met een jaar en ruim 8 maanden is geschonden. De rechtbank heeft immers eerst op 17 februari 2020 vonnis gewezen.

Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

In onderhavige zaak is er allereerst sprake van een ingewikkelde omvangrijke zaak. Daarnaast is het hof gebleken dat de meeste vertraging in het procesverloop is veroorzaakt naar aanleiding van de verzoeken van de verdediging. Immers is de zaak reeds op

13 december 2017 op zitting gekomen bij de rechtbank. Op deze terechtzitting is het onderzoek geschorst teneinde gevolg te geven aan de toegewezen verzoeken van de verdediging. Voorts is het hof gebleken dat de rechter-commissaris voortvarend te werk is gegaan met de hem gegeven opdrachten.

In de periode tussen eerste aanleg en hoger beroep is er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Dit alles overziend is het hof van oordeel dat in onderhavige zaak kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden en zal het hof hier geen verdere consequenties aan verbinden.

Vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft bij vordering van 16 november 2017, de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 september 2015 onder parketnummer

02-109076-15 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.

Nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, is het hof van oordeel dat de tenuitvoerlegging van deze straf dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 september 2015, parketnummer 02-109076-15, te weten een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De aftrek geschiedt naar rato van 2 uur per dag.

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. G.J. Schiffers en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,

en op 16 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Het rapport Medisch forensisch onderzoek van een 4 maanden oud geworden jongen, p. 99 van het forensisch dossier.

2 De brief van Prof. Dr. med. J. Sperhake gericht aan de rechter-commissaris d.d. 10 oktober 2019 en de brief van dr. H.G.T. Nijs gericht aan de rechter-commissaris d.d. 8 augustus 2019.

3 De brief van Prof. Dr. med. J. Sperhake gericht aan de rechter-commissaris d.d. 10 oktober 2019.

4 Het proces-verbaal van verhoor van de deskundige dr. V. Soerdjbalie-Maikoe door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, d.d. 11 juli 2019.

5 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige prof. dr. B. Kubat door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, d.d. 11 juli 2019.

6 Het rapport Neuropathologisch onderzoek van prof. dr. B. Kubat d.d. 3 augustus 2016, p. 50 van het forensisch dossier.

7 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige prof. dr. B. Kubat door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, d.d. 11 juli 2019.

8 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige dr. R.M. Verdijk door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, d.d. 10 juli 2019.

9 Het proces-verbaal van verhoor van de deskundige prof. dr. R. van Rijn, door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, d.d. 10 juli 2019.

10 De brief van prof. dr. R. van Rijn aan dr. Maes d.d. 10 juni 2016, p. 55 van het forensisch dossier.

11 De brief van prof. dr. R. van Rijn aan dr. Maes d.d. 10 juni 2016, p. 57 van het forensisch dossier.

12 De brief van Prof. Dr. med. J. Sperhake gericht aan de rechter-commissaris d.d. 10 oktober 2019.

13 Het proces-verbaal van verhoor van de deskundige prof. dr. R. van Rijn door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, d.d. 10 juli 2019.

14 Het proces-verbaal van verhoor van de deskundige dr. V. Soerdjbalie-Maikoe door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, d.d. 11 juli 2019.

15 De brief van dr. H.G.T. Nijs gericht aan de rechter-commissaris d.d. 8 augustus 2019.

16 De brief van Prof. Dr. med. J. Sperhake gericht aan de rechter-commissaris d.d. 10 oktober 2019.

17 Zie proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juli 2016, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , p. 227 van het onderzoeksdossier met in bijlage 2 de daarbij gevoegde foto van de mobiele telefoon van [betrokkene] , p. 239 van het onderzoeksdossier.

18 Zie proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juli 2016, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , p. 227 van het onderzoeksdossier met in bijlage 2 een tijdlijn van 20 op 21 mei 2016 betreffende gegevens van de mobiele telefoon van [betrokkene] , p. 237 van het onderzoeksdossier.

19 Zie p. 294 van het onderzoeksdossier.

20 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 8 juni 2016 (onderzoeksdossier p. 429 en 430), voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.