Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:721

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
20/00153
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting. Naheffing terecht in verband met rijden met een auto met buitenlands kenteken. Boete gematigd omdat de naheffing mede tot stand is gekomen met toepassing van het bewijsvermoeden van artikel 13 Wet MRB en vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-03-2021
FutD 2021-1048
V-N Vandaag 2021/773
NTFR 2021/1186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 20/00153

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 30 januari 2020, nummer BRE 18/6845 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) over de periode 12 september 2014 tot en met 30 november 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking een verzuimboete opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar belanghebbende.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2021 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.7.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende staat in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) vanaf 17 februari 2011 ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] .

2.2.

Op 1 december 2017 omstreeks 15:30 uur is geconstateerd dat op dat moment in Nederland gebruik werd gemaakt van de weg met een zwarte BMW 5er Reihe voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Bij de controle heeft de verbalisant het formulier ‘Melding Controle Autoheffingen’ ingevuld. Hierop zijn onder andere de gegevens van de bestuurder van de auto ingevuld. Uit dit formulier blijkt dat de identiteit van de bestuurder is vastgesteld aan de hand van zijn rijbewijs met burgerservicenummer (hierna: BSN). Op het formulier is het BSN van belanghebbende vermeld. Op het formulier zijn ook gegevens van de persoonlijke omstandigheden (adres en met wie belanghebbende samenwoont) van belanghebbende vermeld.

2.3.

Op 6 juni 2016 en 17 mei 2017 stond de auto geparkeerd vlak bij de woning van belanghebbende.

2.4.

Op 14 maart 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende een vooraankondiging gestuurd waarin hij aangeeft voornemens te zijn een naheffingsaanslag MRB en een verzuimboete op te leggen. Aan belanghebbende is verzocht schriftelijk te reageren vóór 4 april 2018. Belanghebbende heeft niet gereageerd.

2.5.

Op 3 mei 2018 heeft de inspecteur over de periode van 12 september 2014 tot en met 30 november 2017 een naheffingsaanslag MRB opgelegd naar een te betalen bedrag van € 6.385. Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur een verzuimboete van € 5.278 (maximum) opgelegd. Bij het vaststellen van de naheffing is als ingangsdatum van de naheffingsperiode aangesloten bij de laatste datum tenaamstelling van het Duitse kentekenbewijs.

2.6.

Op 25 juli 2018 heeft [A] verklaard dat de auto haar eigendom was en altijd in haar bezit is geweest en dat belanghebbende niet met de auto heeft gereden.

2.7.

Op 4 oktober 2019 heeft [A] verklaard dat op 1 december 2017 de heer [voornaam 1] [achternaam] (broer van belanghebbende) de auto gereden heeft tussen 14.00 uur en 18.00 uur. De broer woont in België en heeft een Belgisch rijbewijs.

2.8.

[A] is een vriendin van de moeder van belanghebbende.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

II. is de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de naheffingsaanslag en boetebeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Naheffingsaanslag

4.1.

MRB wordt geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt. Een motorrijtuig wordt gehouden door degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft.

4.2.

De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende op het moment van de controle de bestuurder van de auto was en dat de auto hem ter beschikking stond. Belanghebbende bestrijdt dit en stelt dat er sprake is van een persoonsverwisseling dan wel misbruik van zijn identiteitspapieren. Hij verwijst daarbij naar een verklaring van de eigenaresse van de auto waaruit zou volgen dat zijn broer, van wie de naam eveneens [voorletter] [achternaam] is, de auto zou hebben gebruikt. Belanghebbende trekt ook in twijfel of het controleformulier wel is opgemaakt door degene die de auto staande heeft gehouden.

4.3.

Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de echtheid van het opgemaakte controleformulier. Uit de door de inspecteur overgelegde email van 12 december 2017 van [C] (hoofdagent bij de politie [woonplaats] ) met vermelding van het kenteken van de auto en de vermelding van de twee bijlagen bij deze email, volgt duidelijk dat de auto staande is gehouden op 1 december 2017 en dat de bestuurder ene [voorletter] [achternaam] was en dat in verband daarmee het in de bijlage bij email toegezonden formulier is opgemaakt.

4.4.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende de bestuurder van de auto was op het moment van controle. Het hof acht de inspecteur geslaagd in dat bewijs. De bestuurder is door de politieagent geïdentificeerd als [voornaam 2] [achternaam] aan de hand van het Nederlandse rijbewijs met vermelding van het BSN van belanghebbende. Ook de vermelding van de overige persoonlijke gegevens van belanghebbende wijzen er op dat belanghebbende degene was die tegen de verbalisant een verklaring heeft afgelegd. Het hof acht niet aannemelijk dat de broer van belanghebbende beschikte over het rijbewijs van belanghebbende. De stelling dat misbruik zou zijn gemaakt van belanghebbendes persoonsgegevens zou impliceren dat de broer dit zou hebben gedaan. Daarvoor is geen enkel bewijs aangedragen. De verklaring van de eigenaresse acht het hof onvoldoende. Zelfs al zou de eigenaresse de auto hebben uitgeleend aan de broer van belanghebbende, dan sluit dit nog niet uit dat vervolgens belanghebbende de auto tot zijn beschikking heeft gekregen. Niet gebleken is dat de eigenaresse gedurende het gehele tijdsbeslag dat zij noemt, aanwezig is geweest en dus iets kan verklaren over de gebruiker van de auto op het tijdstip van de controle.

4.5.

De wijze van heffing en de aanvang van het tijdvak met ingang waarvan MRB wordt geheven is voor dit geval, waarin belanghebbende in Nederland gebruik heeft gemaakt van een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig, geregeld in artikel 13 Wet MRB. De aanvang van het tijdvak is in beginsel de dag waarop belanghebbende is ingeschreven in de basisregistratie personen. In dit concrete geval heeft de inspecteur de aanvang gesteld op 12 september 2014, de datum van tenaamstelling van het kenteken in Duitsland.

4.6.

De Hoge Raad heeft in de arresten van 5 april 20191 nader gepreciseerd hoe de bepaling van artikel 13 Wet MRB moet worden toegepast. Daarin is geoordeeld dat de tegenbewijsregeling die is opgenomen in artikel 13, lid 2, Wet MRB zowel betrekking kan hebben op de aanvang van het tijdvak van naheffing, dat wil zeggen dat kan worden aangetoond dat de auto pas op een later tijdstip in Nederland ter beschikking heeft gestaan dan het tijdstip van inschrijving in de basisregistratie personen, als ook op tussenliggende periodes waarin de auto de belastingplichtige niet ter beschikking heeft gestaan. Onder aantonen dient te worden verstaan: aannemelijk maken.

4.7.

Het hof zal daarom beoordelen of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de auto hem vóór 1 december 2017 niet ter beschikking heeft gestaan. Het hof acht belanghebbende niet geslaagd in dat bewijs. Belanghebbende heeft slechts een bewijs van een keuring in september 2016 door de TÜV in Duitsland overgelegd. Dat de auto in Duitsland moet worden gekeurd is echter logisch vanwege het Duitse kenteken van de auto. Ander bewijs heeft belanghebbende niet overgelegd. Daartegenover staat dat de inspecteur twee foto’s heeft overgelegd waarop op twee momenten in de periode waarop de naheffing ziet, te zien is dat de auto vlak bij het huis van belanghebbende heeft gestaan.

4.8.

Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.

Boetebeschikking

4.9.

De inspecteur heeft een boete opgelegd van 100%, zij het dat deze is beperkt tot het wettelijk maximum van € 5.278.

4.10.

In het arrest van 5 september 20192 heeft de Hoge Raad ten aanzien van het opleggen van een verzuimboete als volgt geoordeeld:

“Bij de beoordeling of de hoogte van een opgelegde boete passend en geboden is, dient de rechter rekening te houden met alle relevante omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoort ook dat de naheffingsaanslag is berekend met toepassing van het weerlegbare vermoeden van hoofdverblijf in Nederland en het weerlegbare vermoeden van de duur van het houderschap in Nederland. De rechter die beoordeelt of een opgelegde boete passend en geboden is, dient in zijn uitspraak ervan blijk te geven dat hij die omstandigheden in aanmerking heeft genomen (vgl. HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3321).

Het voorgaande brengt overigens niet zonder meer mee dat bij de berekening van de hoogte van de boete moet worden uitgegaan van een lager bedrag aan niet–betaalde belasting dan het bedrag van de nageheven belasting.”

4.11.

In dit geval is de naheffingsaanslag vastgesteld met toepassing van het bewijsvermoeden. Als gevolg daarvan is de inspecteur uitgegaan van een houderschap vanaf 12 september 2014. Weliswaar zou uit de foto’s kunnen worden afgeleid dat belanghebbende mogelijk ook al in juni 2016 de beschikking had over de auto, maar zekerheid daarover bestaat niet en over de periode daarvoor is al helemaal geen informatie voorhanden. Om die reden ziet het hof aanleiding voor matiging van de boete.

4.12.

Op de zitting heeft belanghebbende een verklaring afgelegd en daarbij aangegeven dat in 2020 het door hem en zijn broer gezamenlijk gedreven garagebedrijf is gestopt vanwege de slechte financiële situatie van het bedrijf. Inmiddels is hij wel weer aan de slag als monteur voor zonnepanelen. Over zijn persoonlijke situatie heeft hij nog verklaard dat hij vijf kinderen heeft uit twee eerdere relaties en dat hij voor die kinderen maandelijks € 1.500 bijdraagt. Het hof acht deze verklaringen geloofwaardig. Het hof vat dit betoog op als een beroep op matiging van de boete in verband met de financiële omstandigheden van belanghebbende en is van oordeel dat deze omstandigheden eveneens reden zijn om de opgelegde boete te matigen.

4.13.

Alles afwegende acht het hof een boete van € 1.000 passend en geboden.

Tussenconclusie

4.14.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.15.

De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 46 respectievelijk € 131 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.

Ten aanzien van de kosten van bezwaar

4.16.

De inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar het verzoek om vergoeding van de kosten van dat bezwaar afgewezen. De kosten van bezwaar dienen alleen te worden vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan te wijten is.3 Die onrechtmatigheid bestaat in dit geval erin dat de inspecteur bij het opleggen van de verzuimboete geen rekening heeft gehouden met het feit dat de naheffingsaanslag is opgelegd met toepassing van een bewijsvermoeden. Het hof veroordeelt daarom de inspecteur in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.17.

Het hof stelt de kosten van bezwaar op 2 (punten)4 x € 265 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 530.

Ten aanzien van de proceskosten

4.18.

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep en het beroep bij de rechtbank gegrond zijn.

4.19.

Het hof stelt deze tegemoetkoming op 4 (punten)5 x € 534 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 2.136.

Dit bedrag wordt vermeerderd met een bedrag aan reiskosten van belanghebbende zelf voor het bijwonen van de zittingen in Breda en ’s-Hertogenbosch van respectievelijk (afgerond) € 48 en € 44, is in totaal € 92 en een bedrag aan verletkosten voor het bijwonen van de zitting bij het hof van € 3526.
Het totale bedrag van de tegemoetkoming in de proceskosten bedraagt daarom € 2.580
(€ 2.136 + € 92 + € 352).

4.20.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond voor zover het de boetebeschikking betreft en verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;

  • -

    vermindert de boete tot € 1.000;

  • -

    bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 177 vergoedt;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 530;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 2.580.

De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en L.B.M. Klein Tank in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2021 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:482 en ECLI:NL:HR:2019:483.

2 Hoge Raad 5 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:483, r.o. 5.10.2.

3 Artikel 7:15, lid 2, Awb.

4 1 punt voor bezwaarschrift en 1 punt voor het horen in bezwaar, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.

5 Zowel voor het beroep als het hoger beroep: 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.

6 4 x € 88 = € 352.