Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:719

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
200.287.519_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging gezagsbeëindigende maatregel: zeer beschadigd jong kind. Hof gelast geen 810a onderzoek. Kan niet tot andere beslissing van de zaak leiden + te belastend voor het kind.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 810a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 11 maart 2021

Zaaknummer : 200.287.519/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/360664 / FA RK 20-3324

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F. Pool,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling).

Deze zaak gaat over de gezagsbeëindigende maatregel van de moeder over de minderjarige [minderjarige] (geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 september 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 december 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad, strekkende tot beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige] met benoeming van de GI tot voogdes, alsnog af te wijzen, subsidiair een nader onderzoek te gelasten op de grond van artikel 810a Rv, waarbij de moeder een NIFP-onderzoek voorstelt.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 januari 2021, heeft de GI verzocht de moeder in het ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het ingestelde beroep af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 februari 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    mr. Pool, namens de moeder;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .

De moeder was van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

3.2.

[minderjarige] staat sinds 16 april 2020 onder toezicht van de GI en zij is met ingang van deze datum met spoed uit huis geplaatst.

Met ingang van 20 december 2020 is [minderjarige] geplaatst in een perspectiefbiedend pleeggezin.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank op verzoek van de raad het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift, zoals aangevuld door haar advocaat tijdens de mondelinge behandeling, voert zij – kort samengevat – het volgende aan.

Er is niet voldaan aan de voorwaarden voor gezagsbeëindiging. Na de geboorte van [minderjarige] heeft de moeder acht maanden met haar in een moeder-kind huis gewoond. Dat traject is te vroeg beëindigd. De moeder accepteert de betrokken hulpverlening vanuit Lunetzorg. Vanaf het begin van de uithuisplaatsing is niet meer ingezet op de mogelijkheden van een terugplaatsing bij de moeder. De GI had deze mogelijkheid moeten onderzoeken en hierop kunnen inzetten met adequate hulpverlening. Het is te kort door de bocht om aan te nemen dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken. Het is te snel gegaan. Binnen vijf maanden is de moeder van een verzorgende ouder gegaan naar een moeder zonder gezag die haar dochter nog maar één keer per maand mag zien.

Er is geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. [minderjarige] ontwikkelt zich juist leeftijdsadequaat. Het gaat goed met [minderjarige] en dat heeft de moeder ook zelf waargenomen tijdens de omgangsmomenten. De moeder belast [minderjarige] niet met haar wens om haar thuis te plaatsen. Ook krijgt [minderjarige] niets mee van de zittingen. De GI heeft te snel een opvoedbesluit genomen en geen hulpverlening meer ingezet om te kijken naar de mogelijkheden van een thuisplaatsing. Slechts door tijdsverloop is bepaald dat de gezagsbeëindigende maatregel de meest passende maatregel is. De moeder staat open voor bijvoorbeeld begeleid wonen met 24-uurs, dan wel 12-uurs toezicht waarbij de interactie tussen de moeder en [minderjarige] wordt waargenomen. De moeder staat ook open voor een weekendpleeggezin. Deze mogelijkheid is ook niet onderzocht.

De moeder verwijst naar drie arresten van het EHRM: N.P. / Moldavië, A.S. / Noorwegen en Strand Lobben / Noorwegen.

Een zogenoemd 810a-onderzoek kan leiden tot een andere beslissing in deze zaak. De opvoedvaardigheden van de moeder zijn nimmer onderzocht, waardoor er geen conclusies over de opvoedvaardigheden van de moeder kunnen worden getrokken. Een nader onderzoek zou kunnen uitwijzen of [minderjarige] beseft welke gevolgen het heeft wanneer zij bij haar moeder wordt thuisgeplaatst en of de moeder in voldoende mate aansluit bij de opvoedbehoeften van [minderjarige] . Onderzocht kan worden hoe de hechting tussen de moeder en [minderjarige] is. Contra-expertise is niet in strijd met de belangen van [minderjarige] . Vanwege haar jonge leeftijd zal [minderjarige] geen last ondervinden van het onderzoek.

3.5.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling, kort gezegd, het volgende verweer gevoerd.

De raad staat nog steeds achter het inleidend verzoek dat het gezag van de moeder wordt beëindigd. Het is een droevige situatie. De moeder wil wel voor [minderjarige] zorgen, maar zij kan het echt niet. De moeder is (licht) verstandelijk beperkt. Er zijn heel schadelijke dingen gebeurd met [minderjarige] toen zij nog thuis bij de moeder woonde. Het heeft de pleeggezinnen veel moeite gekost om [minderjarige] haar achterstanden in te laten halen. Na een bezoek van moeder laat [minderjarige] vaak een terugval zien in haar gedrag. De aanvaardbare termijn hangt samen met de leeftijd van het kind en de omstandigheden die er zijn geweest. [minderjarige] heeft veel schadelijke dingen meegemaakt in haar jonge leventje; dat moet nog hersteld worden. Onder die omstandigheden is de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] verstreken; [minderjarige] kan niet langer wachten op duidelijkheid over haar perspectief.

Het belang van [minderjarige] verzet zich tegen het verrichten van een 810a deskundigenonderzoek. Zo’n onderzoek zou alleen maar het belang van de moeder dienen. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat zij in dit pleeggezin kan opgroeien en dat zij kan starten met de hulpverlening door Herlaarhof. Hiervoor heeft [minderjarige] stabiliteit nodig. Het is niet mogelijk om de opvoedvaardigheden van de moeder te onderzoeken zonder [minderjarige] hierbij te betrekken. Er moet dan meer contact komen tussen de moeder en [minderjarige] en dat is niet in [minderjarige] ’s belang. [minderjarige] mag nooit meer aan de opvoedsituatie bij de moeder worden blootgesteld.

3.6.

Het standpunt van de GI, zoals blijkt uit het verweerschrift en zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, luidt, kort gezegd, als volgt.

[minderjarige] ontwikkelt zich nu goed door de zorg, aandacht, structuur en geborgenheid die haar geboden worden door het pleeggezin en eerder door het crisispleeggezin. [minderjarige] laat nog wel zorgelijke signalen zien bij bepaalde geluiden (mannenschoenen met een harde hak) en in bepaalde situaties, zoals bij het douchen en verschonen. [minderjarige] was bang voor de mannelijke gezinsleden van de pleeggezinnen, zette grote ogen op en kroop weg. Er moet verder worden onderzocht waar dit gedrag vandaan komt. De GI heeft behandeling aangevraagd bij Herlaarhof. Voordat de hulpverlening effectief kan starten, moet [minderjarige] in een stabiele woonsituatie verblijven.

Tot op heden komt de moeder lang niet altijd de afspraken met de betrokken hulpverlening na. Daarom heeft de GI niet het vertrouwen dat de moeder de noodzakelijke hulp accepteert. De moeder geeft wisselende signalen en is niet betrouwbaar. Zij kampt met persoonlijke problematiek. De GI heeft ook zorgen over het milieu waarin de moeder verkeert. De moeder kan de veiligheid van [minderjarige] en [minderjarige] ’s belang niet voorop zetten. De bezoekmomenten met de moeder verlopen wisselend. In oktober 2020 was de moeder een week onbereikbaar en onvindbaar en vond er geen bezoek plaats met [minderjarige] . De moeder vergeet wel eens een bezoekmoment. Als de moeder er wel is, brengt zij een wisselende energie mee. De moeder kan het spel met [minderjarige] abrupt beëindigen. [minderjarige] volgt de bewegingen van de moeder nog steeds op de voet. Aangereikte tips blijven niet hangen bij de moeder. De liefdevolle band is er; [minderjarige] is enthousiast als zij haar moeder ziet.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

Er is geen sprake van misbruik van gezag. Beoordeeld dient te worden of is voldaan aan het bepaalde in artikel 1:266 sub a BW.

3.7.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en afweging overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking en ook thans nog aan de wettelijke vereisten van artikel 1:266 BW is voldaan. Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en de gronden waarop de rechtbank haar beslissing heeft gebaseerd, volledig.

In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.

3.7.3.

Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de driejarige [minderjarige] ernstige beschadigingen en ontwikkelingsachterstanden (sociaal-emotioneel en op spraak-taalgebied) heeft opgelopen in de tijd dat zij nog bij de moeder woonde. De moeder bleek onvoldoende in staat om in te spelen op de behoeftes van [minderjarige] en zij schoot tekort in de basale verzorging van [minderjarige] , waaronder het bieden van rust en regelmaat, een schone woning, persoonlijke verzorging, hygiëne en gezonde voeding. Omstanders deden meerdere zorgmeldingen. [minderjarige] huilde veel, de moeder schreeuwde vaak en [minderjarige] werd eens opgesloten op het balkon (3 hoog). De kinderopvang had ook zorgen over [minderjarige] , die er vaak vermoeid en bleek uitzag. Ook zijn er signalen van een verstoorde hechting. In april 2020 is [minderjarige] met spoed uit huis geplaatst nadat een onbekende man bewusteloos in de woning van de moeder werd aangetroffen en GHB binnen handbereik van [minderjarige] aanwezig was.

Beide pleeggezinnen (eerst het crisispleeggezin en sinds december 2020 het perspectiefbiedend pleeggezin) hebben veel zorg en aandacht voor [minderjarige] en zij zien dat [minderjarige] langzaam tot ontwikkeling komt. Het is nog onduidelijk wat de reden is dat [minderjarige] zo extreem reageert op ogenschijnlijk ‘onschuldige’ geluiden en situaties. Het hof acht dit zeer zorgelijk en verontrustend. Alle signalen wijzen erop dat [minderjarige] is blootgesteld aan onveilige situaties. Onderzoek hiernaar is nodig en Herlaarhof staat klaar om te beginnen met de hulpverlening aan [minderjarige] . Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het voor het slagen van deze hulpverlening essentieel is dat de situatie rondom [minderjarige] stabiel is.

Het hof acht het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat haar plaatsing binnen het huidige pleeggezin veilig wordt gesteld. De gezagsbeëindigende maatregel van de moeder is hiervoor noodzakelijk. Alleen dan is het voor alle betrokkenen duidelijk dat [minderjarige] mag opgroeien in het huidige pleeggezin. In dit pleeggezin wordt [minderjarige] de rustige en stabiele leefomgeving geboden die zij in haar eerste levensjaren heeft moeten missen. Door het gezag van de moeder te beëindigen krijgt [minderjarige] de kans om zich verder onbedreigd te ontwikkelen.

Voor [minderjarige] is de aanvaardbare termijn dan ook verstreken. Het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind is de periode van onzekerheid over in welk gezin hij/zij verder zal opgroeien, die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn/haar ontwikkeling. Wat een voor het kind redelijke termijn is, hangt af van de leeftijd van het kind en de ontwikkeling die hij/zij doorloopt. In het geval van [minderjarige] , een beschadigd, kwetsbaar, jong kind dat al zoveel heeft gemaakt, is die termijn zeer kort.

3.7.4.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. Al het overige dat door de moeder is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Ten aanzien van het beroep van de moeder op uitspraken van het EHRM, is het hof van oordeel dat op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, zoals gebleken uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling, voldoende is komen vast te staan dat de gezagsbeëindigende maatregel van de moeder noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] . Onder de gegeven omstandigheden verzet het EHRM zich niet tegen de inperking van het recht op het familie- en gezinsleven zoals neergelegd in het EVRM.

Artikel 810a lid 2 Rv onderzoek

3.7.5.

De moeder heeft subsidiair verzocht om een artikel 810a lid 2 Rv onderzoek. Op grond van dat artikel kan de rechter in zaken over beëindiging van het ouderlijk gezag een deskundige benoemen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden (A) en het belang van het kind zich daartegen niet verzet (B). Het hof is van oordeel dat aan beide voorwaarden niet is voldaan, gelet op het volgende.

A). De moeder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek tot een ander oordeel zal kunnen leiden. Voor [minderjarige] is de aanvaardbare termijn verstreken. Het is niet meer in haar belang om op te groeien bij de moeder. Voor de moeder geldt dat zij nu niet, en ook niet binnen een afzienbare termijn, in staat is om zelf voor [minderjarige] te zorgen. Dit wordt in overwegende mate veroorzaakt door haar complexe persoonlijke problematiek en lage intelligentieniveau (IQ van 63). Een deskundigenonderzoek kan daarom niet tot een andere beslissing leiden.

B). Het belang van [minderjarige] verzet zich tegen een dergelijk onderzoek. Voor het onderzoek zou het noodzakelijk zijn dat [minderjarige] vaker en meer contact met haar moeder zou moeten hebben, omdat anders de opvoedvaardigheden van de moeder en hechtingsrelatie tussen de moeder en [minderjarige] niet kunnen worden onderzocht. Een dergelijk onderzoek verstoort de nu stabiele situatie van [minderjarige] , vergt veel tijd en ondertussen blijft de onzekerheid over het toekomstperspectief van [minderjarige] voortduren. Het hof neemt hierbij ook de mening van de raad in aanmerking dat [minderjarige] nooit meer mag worden blootgesteld aan de opvoedomgeving van de moeder. Het hof acht het bovenal in het belang van [minderjarige] dat zij nu toekomt aan het hulpverleningstraject dat Herlaarhof wil gaan inzetten. Een 810a-onderzoek zou dit teveel verstoren en te belastend zijn voor [minderjarige] .

Het hof wijst dit verzoek van de moeder daarom ook af.

3.7.6.

Beslist wordt als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, H. van Winkel en E.M.C. Dumoulin, en is in het openbaar uitgesproken door mr. E.A.M. Scheij op 11 maart 2021 in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.