Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:691

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
200.278.857_01 en 200.278.894_01
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

van buitenunit van airconditioningsinstallatie onrechtmatig jegens andere appartementseigenaar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummers 200.278.857/01 en 200.278.894/01

arrest van 9 maart 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. F.P.G.F. de Moel te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. R. Dijkema te Hilversum,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 februari 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 5 december 2019, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen deelvonnis tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres

en

op het bij exploot van dagvaarding van 25 mei 2020 ingeleide hoger beroep van het eindvonnis van 19 maart 2020, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7561317 19/1922)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane tussenvonnis van 25 april 2019.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure met zaaknummer 200.278.857/01 blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de ambtshalve rolvoeging met zaaknummer 200.278.894/01;

  • -

    het anticipatie-exploot ex artikel 126 Rv;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord tevens provisionele vordering in incident op grond van artikel 223 Rv jo artikel 353 Rv met producties;

  • -

    de antwoordconclusie in incident;

  • -

    de mondelinge behandeling waarbij:

- [appellant] zelf aanwezig was, bijgestaan door zijn advocaat;

- [geïntimeerde] zelf aanwezig was, bijgestaan door haar advocaat;

- (de advocaten van) beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.

Het verloop van de procedure met zaaknummer 200.278.894/01 blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de ambtshalve rolvoeging met zaaknummer 200.278.857/01;

  • -

    de verstekverlening;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de zuivering van het verstek;

  • -

    de memorie van antwoord tevens provisionele vordering in incident op grond van artikel 223 Rv jo artikel 353 Rv met producties;

  • -

    de antwoordconclusie in incident;

  • -

    de mondelinge behandeling waarbij:

- [appellant] zelf aanwezig was, bijgestaan door zijn advocaat;

- [geïntimeerde] zelf aanwezig was, bijgestaan door haar advocaat;

- (de advocaten van) beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest in beide zaken bepaald. Het hof heeft de beide zaken gevoegd behandeld nu zij tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp aanhangig zijn gemaakt. Recht wordt gedaan op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. De vennootschap onder firma (hierna: vof) [de vof] is op 31 december 2015 eigenaar geworden van een bouwperceel gelegen aan de [adres] te [woonplaats]. Zij heeft op dit perceel een bouwplan ontwikkeld omvattende de realisatie van een appartementencomplex, bestaande uit 18 wooneenheden.

  2. [geïntimeerde] en haar (inmiddels overleden) echtgenoot hebben bij koopovereenkomst van 3 maart 2016 twee appartementsrechten van de [de vof] gekocht.

  3. [appellant] heeft op 31 maart 2016 een aanneemovereenkomst met [de vennootschap] gesloten. In de overwegingen is opgenomen dat [appellant] een appartementsrecht van [de vof] koopt en dat [de vennootschap] het gebouw zal stichten. In artikel 2 is opgenomen dat de levering van het door [appellant] gekochte appartementsrecht zo spoedig mogelijk zal plaatsvinden.

  4. De notariële akte van splitsing dateert van 25 mei 2016 en noemt 19 appartementsrechten (18 met gebruik van wooneenheden, garages en/of parkeerplaatsen en 1 met uitsluitend gebruik van een parkeerplaats). Tevens is in de akte opgenomen dat een reglement conform artikel 5:111 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is vastgesteld. Tot dit reglement behoren de bepalingen van het modelreglement die geacht worden woordelijk in de akte te zijn opgenomen, voor zover in de akte niet gewijzigd of aangevuld. Artikel 22 lid 2 van het modelreglement luidt:

“Het zichtbaar aanbrengen in of aan het gebouw van (…) luchtbehandelings- en koelinstallaties (…) mag slechts geschieden met toestemming van de vergadering of volgens regels te bepalen in het huishoudelijk reglement.”

Onder punt III.42 van de in de akte van splitsing opgenomen aanvulling op het modelreglement is opgenomen dat bij deze een vereniging van eigenaars als bedoeld in artikel 5:112 lid 1 sub e BW wordt opgericht, genaamd: “Vereniging van eigenaars “Residentie [naam]” (…) te [woonplaats] (…)” (hierna: VvE).

Voorts is in de akte van splitsing als één van de overgangsbepalingen opgenomen:

“4. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 22 lid 3, 23 lid 1 en overige van het reglement van splitsing is tot en met de algehele oplevering van het gebouw toestemming voor op-, aan- of onderbouw dan wel verandering van het gebouw, voortvloeiende uit de uitwerking van de aannemingsovereenkomst gesloten tussen [de vennootschap] (…) en (een) koper(s) van een appartementsrecht - en overeenkomstig de door de gemeente [woonplaats] goedgekeurde tekeningen - niet vereist.“

De door [geïntimeerde] en haar echtgenoot gekochte appartementsrechten zijn aan hen bij notariële akte van 15 juni 2016 geleverd.

[appellant] heeft op 23 augustus 2017 een offerte van [de vennootschap] getekend voor het verrichten van meer- en minderwerk. Tot het meerwerk behoorde o.a. het plaatsen van een airco-installatie in het appartement.

Het complex is in november 2017 opgeleverd. De buitenunit van de airco-installatie van [appellant] is geplaatst op het platte dak van het door hem bewoonde appartement, tegen de muur van het appartement dat [geïntimeerde] bewoont, direct naast haar woonkamerraam.

In de notulen van de VvE Residentie de [naam] te [woonplaats] van 8 oktober 2018 is onder het kopje “Besluitvorming inzake vaststellen Huishoudelijk Reglement” het volgende opgenomen:

“Voorafgaand wordt aangegeven dat in het verleden bij de bouw van het complex door [de vennootschap] aan vier eigenaren toestemming is gegeven voor het plaatsen van airco’s. Deze toestemming kan niet gewijzigd c.q. ingetrokken worden.”

Vervolgens werd voorgesteld om aan een ander toestemming te geven voor een zonder instemming geplaatste airco, welke toestemming werd geweigerd maar welke plaatsing vervolgens onder voorwaarden werd gedoogd.

i. Op 11 april 2018 heeft [geïntimeerde] [appellant] verzocht om de buitenunit van de airco-installatie te verplaatsen. Partijen hebben vervolgens gezocht naar een oplossing maar zijn niet tot een regeling gekomen.

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter [appellant] veroordeelt tot verwijdering van de buitenunit van de airconditioningsinstallatie, inclusief toebehoren, van de buitenmuur van de vijfde verdieping, zulks binnen veertien dagen na betekening van het vonnis op straffe van een dwangsom van € 150,00 per dag dat [appellant] nalaat de buitenunit te verwijderen en de buitenmuur te herstellen onder het voorbehoud van het recht van [geïntimeerde] om in rechte te verzoeken haar daartoe te machtigen. Voorts heeft zij een veroordeling van [appellant] gevorderd tot betaling van € 203,00, inclusief btw € 245,63 aan buitengerechtelijke kosten en tot betaling van de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft zij, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [appellant] door plaatsing van de buitenunit onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door inbreuk te maken op haar gebruiksrecht en woongenot, dan wel door in strijd met het bepaalde in artikel 22 van het reglement te handelen. Subsidiair heeft zij haar vordering gebaseerd op het onrechtmatig veroorzaken van hinder naar analogie van artikel 5:37 BW.

3.2.3.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

Na een gehouden comparitie van partijen heeft de kantonrechter in een gedeeltelijk eindvonnis van 5 december 2019 [appellant] veroordeeld tot verwijdering van de buitenunit van de airconditioningsinstallatie inclusief toebehoren van de buitenmuur van de vijfde verdieping van Residentie De Meeris in [woonplaats] en herstel van de buitenmuur, zulks binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis op straffe van een dwangsom van € 150,00 per dag voor iedere dag dat [appellant] nalaat aan de verplichting te voldoen met een maximum van € 15.000,00. Voorts heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 203,00 als vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten. Dit deel is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [appellant] heeft tegen dit dictum de eerste hoger beroepsdagvaarding aan [geïntimeerde] laten betekenen.

Voorts heeft de kantonrechter in dit vonnis de zaak verwezen naar de rol zodat partijen zich konden uitlaten over de uitleg die de kantonrechter heeft gegeven aan de door [geïntimeerde] onder voorbehoud gevorderde machtiging.

3.2.5.

Bij eindvonnis van 19 maart 2020 heeft de kantonrechter vastgesteld dat de vordering tot het verstrekken van een machtiging wordt ingetrokken en geoordeeld dan nu alleen over de proceskosten nog een beslissing moest worden genomen. De kantonrechter heeft in het eindvonnis [appellant] veroordeeld in de proceskosten en ook deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Ook tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep aangetekend.

3.2.6.

[appellant] heeft binnen de door de kantonrechter gestelde termijn de airco-unit verwijderd van de buitenmuur van de vijfde etage. Later, op 5 mei 2020, heeft hij de unit laten aansluiten op het midden van het platte dak van zijn appartement.

3.3.

[appellant] heeft in beide hoger beroepszaken 19 gelijkluidende grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde], haar te veroordelen in de proceskosten in beide instanties met nakosten en wettelijke rente en tot terugbetaling van de reeds aan haar door [appellant] voldane proceskosten ter hoogte van € 660,01, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord betoogd dat [appellant], nu hij de buitenunit heeft verplaatst, geen belang meer heeft bij het hoger beroep. Zij doet een beroep op artikel 3:303 BW en stelt dat naast het ontbreken van partijbelang ook het ontbreken van belang van de rechtspleging een rol speelt

[appellant] heeft aangegeven dat hij tot verwijdering van de buitenunit werd gedwongen omdat [geïntimeerde] het vonnis van de kantonrechter aan hem had laten betekenen, met als gevolg dat, als hij de veroordeling niet zou nakomen, hij dwangsommen zou gaan verbeuren. [appellant] wil de mogelijkheid behouden om de unit terug te plaatsen tegen de muur op het moment dat het vonnis door het hof wordt vernietigd. Het belang bij een beoordeling van de vordering in hoger beroep is daarmee gegeven, aldus [appellant].

Het hof is van oordeel dat [appellant] in het hoger beroep (in de beide zaken) kan worden ontvangen. Hij vordert niet alleen vernietiging van het dictum in het deelvonnis van 5 december 2019 maar ook de vernietiging van de veroordeling in de proceskosten bij eindvonnis. Dat hij geen belang bij de beide zaken in hoger beroep zou hebben, is niet gebleken.

3.5.

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord een provisionele vordering aanhangig gemaakt en daarin gevorderd dat de airco-unit, die nu verplaatst is, eveneens moet worden verwijderd van de huidige locatie op het platte dak. De unit belemmert nu haar uitzicht. [appellant] heeft in het incident bepleit dat [geïntimeerde] niet kan worden ontvangen in deze incidentele vordering, nu er onvoldoende samenhang is met de hoofdvordering. Voorts heeft hij inhoudelijk verweer gevoerd.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken dat de provisionele vordering niet langer als incidentele vordering, geldend voor de duur van het geding, moet worden beoordeeld maar als een eisvermeerdering in de hoofdzaak. Partijen hebben het hof verzocht om te oordelen over de beide vorderingen.

Bij gebreke van daartegen aangevoerde of gebleken bezwaren (van procedurele aard en/of strijd met de eisen van een goede procesorde) zal het hof beslissen op de door [geïntimeerde] aldus vermeerderde vordering dat [geïntimeerde] tevens vordert dat het hof [appellant] zal veroordelen, samengevat, tot verwijdering van de (in het zicht van het raam van [geïntimeerde] op de vijfde verdieping geplaatste) buitenunit op zijn platte dak, op verbeurte van een dwangsom en met machtiging om dat eventueel zelf te (doen) verwijderen en tot betaling van de proceskosten in hoger beroep, met wettelijke rente en nakosten.

3.6.

De grieven I tot en met VII, XIV en XV richten zich tegen de overwegingen van de kantonrechter die ten grondslag liggen aan het oordeel dat de plaatsing van de buitenunit jegens de andere appartementseigenaren, onder wie [geïntimeerde], onrechtmatig is. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

Ter onderbouwing van haar vordering doet [geïntimeerde] een beroep op het krachtens de akte van splitsing geldende artikel 22 lid 2 van het reglement. Zij stelt dat er geen toestemming door de VvE is verleend voor de plaatsing van de buitenunit. [appellant] voert aan dat deze bepaling hem om een aantal redenen niet kan worden tegengeworpen.

3.6.1.

Zo stelt hij dat het appartement hem is opgeleverd inclusief de bij de airco-installatie behorende buitenunit. Het is de aannemer die voor de installatie en plaatsing aansprakelijk is, aldus Jansssen.

Het hof verwerpt dit verweer. Onjuist is de stelling van [appellant] dat het appartement aan hem is opgeleverd. Ruimschoots vóór de oplevering is besloten om het te realiseren appartementencomplex te splitsen in appartementsrechten. Iedere appartementseigenaar heeft een aandeel in de eigendom van het complex en is gerechtigd tot het gebruik van een bepaald gedeelte van het gebouw. Bij de notariële akte van splitsing is een vereniging van eigenaars opgericht en is een reglement vastgesteld. De inhoud ervan geeft o.a. aan hoe de appartementseigenaren zich jegens elkaar moeten gedragen. Oplevering van het gebouw vindt dan ook plaats aan alle deelgerechtigden, zijnde alle appartementseigenaren. Het is dus niet zo, zoals [appellant] stelt, dat ieder appartement aan iedere individuele appartementseigenaar afzonderlijk wordt (op)geleverd.

[appellant] verwijst naar de door hem met de aannemer gesloten aanneemovereenkomst die is aangegaan voordat de notariële akte is gepasseerd. Ook dit betekent niet dat [appellant] niet gehouden kan worden aan voormeld reglement. In de aanneemovereenkomst is [appellant] terecht aangeduid als deelgerechtigde in het appartementencomplex en wordt verwezen naar de (ontwerp)akte(n) van splitsing met het reglement. In artikel 1 van de aanneemovereenkomst, zoals voorgehouden tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, staat dat de aannemer met inachtneming van de akte van splitsing en conform de desbetreffende technische omschrijving en tekening(en) het gebouw moet (af) bouwen. Aldus is vastgelegd dat de aannemer niet mag afwijken van de tekeningen van het gebouw, hetgeen ook volgt uit het feit dat alle appartementseigenaren erop moeten kunnen vertrouwen dat het gebouw waarvan zij mede-eigenaar worden, wordt gebouwd zoals dit op de tekeningen is weergegeven. Bouwen in strijd met of in afwijking van de tekeningen of de akte van splitsing, waarin het reglement is opgenomen, is dan ook niet toegestaan en behoeft niet te worden verwacht. Het afbouwen van het complex houdt in: het afbouwen conform de tekening(en) en niet, zoals [appellant] betoogd heeft, afbouwen inclusief het plaatsen van een (nadien afzonderlijk nog als meerwerk opgedragen) buitenunit. Een buitenunit stond niet op de tekeningen van het gebouw, zoals die er ten tijde van het sluiten van de aanneemovereenkomst waren.

3.6.2.

[appellant] stelt dat de aannemer niet voor iedere aanpassing toestemming van de VvE kan vragen. Om deze reden is volgens [appellant] in de akte van splitsing overgangsbepaling 4 opgenomen.

Het hof beoordeelt deze stelling als volgt. De overgangsbepaling verwijst niet naar artikel 22 lid 2 van het reglement

Bij gebreke van stukken en stellingen waaruit een ander uitleg volgt, regelt het, zoals dat in de bewoordingen is opgenomen, een afwijking van de artikelen 22 lid 3, 23 lid 1 en overige van het reglement. Naar het oordeel van het hof ziet deze bepaling niet op artikel 22 lid 2 van het reglement; indien dit de bedoeling zou zijn geweest dan zou de overgangsbepaling zo zijn geformuleerd dat niet artikel 22 lid 3 als eerste zou zijn genoemd maar artikel 22 lid 2. De overgangsbepaling ziet dan ook op de artikelen vanaf artikel 22 lid 3 van het reglement; zij regelen veranderingen in gemeenschappelijke delen of zaken en het uiterlijk of de constructie van het gebouw en zien, aldus de kantonrechter in 3.4 van het vonnis van 5 december 2019 (waartegen geen grief is gericht) op afspraken die op 25 mei 2016 al met de aannemer waren gemaakt.

Nu het hier niet gaat om het installeren van een buitenunit, die valt onder het bepaalde van artikel 22 lid 2 van het reglement en het evenmin gaat om een reeds met de aannemer gemaakte afspraak over de plaats waar een buitenunit van een airco-installatie moet worden geplaatst, slaagt het beroep van [appellant] op deze overgangsbepaling niet.

3.6.3.

[appellant] stelt dat de aannemer hem destijds heeft geïnformeerd over de mogelijkheid van het plaatsen van een airco-installatie in zijn appartement. Hij verwijst naar de door hem overgelegde brief van 8 september 2016, waarin de aannemer hem verschillende airco-installaties heeft aangeboden. [appellant] heeft gekozen voor een airco-installatie met een buitenunit. Hij heeft op 23 augustus 2017 de aannemer opdracht gegeven tot de installatie ervan. [appellant] stelt dat hij geen bemoeienis heeft gehad met de locatie waar de aannemer de buitenunit heeft geplaatst. Hij concludeert hieruit dat [geïntimeerde] hem van de keuze om de buitenunit tegen de muur van haar appartement te plaatsen geen verwijt kan worden gemaakt.

Het hof verwerpt dit betoog. Op het moment dat [appellant] koos voor een airco-unit met een buitenunit, was hij gebonden aan het reglement en lag het op zijn weg om eerst toestemming van de vergadering te vragen voor de plaatsing van de buitenunit alvorens de opdracht aan de aannemer te geven om tot installatie over te gaan. Het enkele feit dat er in de aanneemovereenkomst van 31 maart 2016 een optie was tot installatie van een airco-voorziening impliceert niet dat de toestemming van de vergadering van de VvE al gegeven was. Enkel als er zou worden geopteerd voor een airco-installatie met een buitenunit was deze toestemming op grond van het bepaalde in artikel 22 lid 2 van het reglement vereist. Ook al zou het zo zijn dat het de aannemer is geweest die uiteindelijk de keuze heeft gemaakt voor de exacte plaats waar de buitenunit feitelijk is geïnstalleerd - [geïntimeerde] heeft dit betwist -, dan leidt dit er niet toe dat [appellant] hierop niet door [geïntimeerde] zou kunnen worden aangesproken. [appellant] heeft de airco-installatie met buitenunit gekocht en heeft de aannemer opdracht gegeven om deze te installeren. Dat hij de aannemer geen instructie heeft gegeven met betrekking tot de plaats waar de buitenunit zou moeten worden geïnstalleerd, komt in zijn rechtsverhouding tot [geïntimeerde] en de andere appartementseigenaren geheel voor zijn risico.

3.6.4.

[appellant] stelt subsidiair dat er toestemming van de VvE voor de plaatsing van de buitenunit is gegeven. Hij verwijst naar de mededeling die daarover tijdens de vergadering van 8 oktober 2018 is gedaan (zie r.o. 3.1 sub h van dit arrest).

[geïntimeerde] heeft betwist dat er goedkeuring door de vergadering zou zijn gegeven; zij leest in de aangehaalde notulen dat de toestemming door [de vennootschap] zou zijn gegeven.

Het hof heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling [appellant] gevraagd hoe en wanneer de door hem gestelde toestemming is gegeven. [appellant] heeft aangegeven dat de betreffende toestemming aan de aannemer is gegeven door de projectontwikkelaar; deze was destijds de bestuurder van de VvE.

Het hof oordeelt dat hiermee niet de in het reglement vereiste toestemming is gegeven. Deze toestemming moet worden gegeven door de vergadering van de VvE en niet door het bestuur van de VvE.

3.7.

Het hof verwerpt de grieven I tot en met VII, XIV en XV. De buitenunit van de airco-installatie is in strijd met artikel 22 lid 2 van het reglement geplaatst tegen de muur van het appartement dat [geïntimeerde] gebruikt. [appellant] had hiervoor toestemming van de vergadering moeten vragen. Nu er geen toestemming is gevraagd, handelt hij jegens [geïntimeerde] in strijd met zijn verplichting om het reglement na te leven en in strijd met het bepaalde in artikel 5:124 lid 2 BW, inhoudende dat appartementseigenaren zich overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid jegens elkaar moeten gedragen. Het hof bekrachtigt het vonnis in eerste aanleg krachtens welke de vordering van [geïntimeerde] is toegewezen.

3.8.

De grieven VIII tot en met XIII richten zich tegen de overwegingen van de kantonrechter over de mate van overlast dat [geïntimeerde] heeft van de buitenunit. Deze grieven kunnen onbesproken blijven omdat de mate van overlast niet bepalend is voor het toewijzen van de vordering. De subsidiaire door [geïntimeerde] aangevoerde grond, zijnde onrechtmatig handelen door het veroorzaken van onrechtmatige hinder, behoeft geen bespreking. [geïntimeerde] is mede-eigenaar van het gebouw en met de andere mede-eigenaren, waaronder [appellant], is afgesproken dat er zonder toestemming van de vergadering geen luchtbehandelings- en koelinstallaties zichtbaar mogen worden aangebracht in of aan het gebouw. Bovendien veroorzaakt de buitenunit enige mate van geluid. Niet van belang is dan ook hoeveel geluid de unit produceert.

3.9.

Bij vermeerdering van eis heeft [geïntimeerde] in hoofdlijn gevorderd om [appellant] te veroordelen tot verwijdering van de buitenunit van de airconditioningsinstallatie inclusief toebehoren op zijn platte dak, in het zicht van het raam van [geïntimeerde], zulks binnen veertien dagen na betekening van dit arrest op straffe van een dwangsom van € 150,00 met een maximum.

Het hof is van oordeel dat deze vordering toewijsbaar is. [appellant] stelt dat de buitenunit met toestemming van de VvE is geplaatst en verwijst daarvoor naar een emailbericht van 17 maart 2020. Daarin staat dat het bestuur het plaatsen van de buitenunit op het platte dak acceptabel vindt zolang deze uit het zicht ligt. Daarmee is niet onderbouwd dat de VvE toestemming heeft gegeven voor deze nieuwe plaatsing. Artikel 22 lid 2 van het reglement vereist toestemming van de vergadering, niet van het bestuur. Het hof concludeert dat deze toestemming ontbreekt zodat ook voor deze plaatsing geldt dat deze in strijd is met het reglement. De vordering van [geïntimeerde] wordt om dezelfde redenen als gelden voor de toewijzing van de vordering in eerste aanleg, toegewezen. [geïntimeerde] heeft gesteld dat de buitenunit haar uitzicht belemmert. Het verweer inhoudende dat van onrechtmatige hinder geen sprake is, kan onbesproken blijven.

Het hof zal de gevorderde dwangsom opleggen en daarbij hetzelfde bedrag aan maximum bepalen als was opgelegd in eerste aanleg. De door [geïntimeerde] wederom gevorderde machtiging, onder voorbehoud van recht, wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

3.10.

De grieven XVI tot en met XIX hebben geen zelfstandige betekenis, zij het dat grief XIX is gericht tegen het eindvonnis van 19 maart 2020. Deze grief, gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, wordt eveneens verworpen nu [appellant] de in eerste aanleg in het ongelijk gestelde partij blijft.

3.11.

[appellant] biedt (met name getuigen-)bewijs aan, maar stelt geen concreet (voor bewijs vatbaar) feit dat een ander oordeel rechtvaardigt. Daarom gaat het hof aan dat bewijsaanbod voorbij.

3.12.

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten omvatten in beide zaken het griffierecht. De kosten gemaakt voor de post “salaris advocaat” zullen niet in beide zaken op de gebruikelijke wijze worden begroot maar worden berekend op grond van het feit dat de advocaat van [geïntimeerde] in de beide zaken gelijkluidende processtukken heeft ingediend; de kosten daarvoor zijn dus éénmaal gemaakt. De kosten die [appellant] gemaakt heeft om verweer te voeren tegen het provisionele aspect van het incident brengt het hof op de begrote kosten in mindering omdat deze kosten zijn veroorzaakt door [geïntimeerde] die onnodig voor haar gewijzigde vordering het incident heeft geopend.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt [appellant] tot verwijdering van de buitenunit van de airconditioningsinstallatie inclusief toebehoren op zijn platte dak, recht in het zicht van het raam van [geïntimeerde] op de vijfde verdieping van Residentie [naam] in [woonplaats], zulks binnen veertien dagen na betekening van dit arrest op straffe van een dwangsom van € 150,00 per dag voor iedere dag dat [appellant] na de genoemde termijn van veertien dagen nalaat aan deze verplichting te voldoen, met een maximum van € 15.000,00.

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 664,00 aan griffierechten en op € 2.785,00 aan salaris advocaat, en aan nakosten op € 163,00 als geen betekening plaatsvindt, te vermeerderen met € 85,00 en de explootkosten als niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de hierbij uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest noodzakelijk blijkt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proces- en nakosten als [appellant] deze bedragen niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.M.H. Schoenmakers en T.J. Dorhout Mees en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 maart 2021.

griffier rolraadsheer