Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:683

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
200.261.510_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Executie dwangsommen op grond van kortgedingvonnissen. Vraag of dwangsommen al dan niet zijn verbeurd. Bewijslastverdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.261.510/01

arrest van 9 maart 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

verder: [appellant] ,

advocaat: mr. H. Weinans te [plaats] ,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

verder: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens te [plaats] ,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 27 augustus 2019 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, tussen partijen onder zaaknummer/rolnummer C/02/350959 / HA ZA 18-683 gewezen vonnis van 27 maart 2019.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 27 augustus 2019;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 9 oktober 2019, waarbij geen minnelijke regeling van het geschil is bereikt;

  • -

    de memorie van grieven tevens akte tot rectificatie van [appellant] van 17 december 2019 met een productie;

  • -

    de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 10 maart 2020 met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de stukken vermeld in het tussenarrest van 27 augustus 2019 en de stukken van de eerste aanleg.

6 De verdere beoordeling

De feiten

6.1

De vaststelling van de feiten in het vonnis waarvan beroep onder 2.1 is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Voor zover in dit hoger beroep van belang gaat het in deze zaak om het volgende:

  1. [geïntimeerde] huurt sinds 15 november 2014 van (de rechtsvoorganger van) [appellant] een kamer in het pand aan de [adres] te [plaats] met het recht op (mede)gebruik van de gezamenlijke ruimtes in het pand waaronder de keuken, de badkamer en het toilet.

  2. Tijdens verblijf van [geïntimeerde] in het buitenland is [appellant] eind september 2017 begonnen met bouwkundige werkzaamheden in het pand waaronder het slopen van de keuken en de badkamer. Na zijn terugkeer heeft [geïntimeerde] [appellant] eind 2017 gesommeerd diverse herstelwerkzaamheden te verrichten. [appellant] heeft daar geen gehoor aan gegeven.

  3. [geïntimeerde] heeft vervolgens een kort geding tegen [appellant] aanhangig gemaakt. Bij vonnis van 19 februari 2018 is [appellant] onder meer veroordeeld een aanvang te nemen met volledig herstel van de keuken en badkamer in het pand aan de [adres] te [plaats] op zodanige wijze dat die ruimten binnen vier weken na betekening van voormeld vonnis gereed zouden zijn voor ingebruikname daarvan, één en ander op straffe van dwangsommen met een maximum van € 5.000,=. Dit vonnis is op 27 februari 2018 aan [appellant] betekend.

  4. Bij exploot van 7 mei 2018 is op verzoek van [geïntimeerde] aan [appellant] aangezegd dat [geïntimeerde] heeft geconstateerd dat [appellant] niet, althans niet volledig, heeft voldaan aan de opgelegde veroordeling uit het vonnis van 19 februari 2018 en aanspraak maakt op verbeurde dwangsommen ad € 5.000,=.

  5. [geïntimeerde] heeft vervolgens opnieuw een kort geding tegen [appellant] aanhangig gemaakt. Bij vonnis van 8 mei 2018 is [appellant] op straffe van dwangsommen met een maximum van € 25.000,= veroordeeld om bepaalde herstelwerkzaamheden te verrichten in de keuken, de badkamer en het toilet, bestaande uit het vastzetten van alle stopcontacten en het zorgvuldig wegwerken van alle elektrische snoeren, (loze) leidingen, buizen, stangen en een pijp in die ruimtes. Dit vonnis is kort daarop aan [appellant] betekend.

  6. Tegen deze twee kortgedingvonnissen is geen hoger beroep ingesteld; de vonnissen zijn in kracht van gewijsde gegaan.

  7. [geïntimeerde] heeft tegen [appellant] executiemaatregelen genomen ter incasso van volgens hem door [appellant] ingevolge beide vonnissen verbeurde dwangsommen.

De procedure in eerste aanleg

6.2

Bij dagvaarding van 5 juni 2018 heeft [appellant] de onderhavige procedure tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt bij de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom.

Bij tussenvonnis van 22 augustus 2018 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald die op 19 oktober 2018 heeft plaatsgevonden.

Bij tussenvonnis van 22 augustus 2018 heeft de kantonrechter vastgesteld dat het geschil door de rechtbank behandeld dient te worden en de zaak verwezen naar het cluster civiele handelszaken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda. Daar is de zaak voortgezet.

6.3

In deze procedure stelt [appellant] dat hij volledig aan beide kortgedingvonnissen heeft voldaan zodat hij geen dwangsommen heeft verbeurd en [geïntimeerde] zonder grond tot executie van ervan is overgegaan. Op grond daarvan vorderde [appellant] in eerste aanleg na vermeerdering van eis, kort gezegd, een verbod op het executeren van beide vonnissen en het aanspraak maken op dwangsommen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van de schade als gevolg van de onrechtmatige executie van elk van beide vonnissen. [geïntimeerde] heeft deze vorderingen gemotiveerd bestreden. Bij eindvonnis van 27 maart 2019 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

De omvang van het hoger beroep

6.4

Bij dagvaarding in hoger beroep heeft [appellant] geconcludeerd tot vernietiging van het eindvonnis van 27 maart 2019 en tot het alsnog verbieden van het executeren van het kortgedingvonnis van 19 februari 2018 en het aanspraak maken op dwangsommen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van de schade als gevolg van de onrechtmatige executie van dat vonnis. Bij memorie van grieven heeft [appellant] deze conclusie gerectificeerd: zijn vordering betreft, net als in eerste aanleg na de vermeerdering van eis, zowel de executie van het kortgedingvonnis van 19 februari 2018 als de executie van het kortgedingvonnis van 8 mei 2018. [geïntimeerde] heeft dit kennelijk ook zo begrepen. Het hof gaat er verder van uit dat de vordering van [appellant] de executie van beide kortgedingvonnissen betreft.

6.5

[appellant] heeft tegen het eindvonnis van 27 maart 2019 vijf grieven aangevoerd. Primair stelt hij zich op het standpunt dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat de bewijslast - dat het gebod niet is overtreden - bij [appellant] ligt (grief 1). Subsidiair meent hij dat de rechtbank aan zijn bewijsaanbod voorbijgegaan is (grief 2). Verder is [appellant] van mening dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met doel en strekking van de veroordelingen (grief 3), ten onrechte een pijp in de douche in aanmerking heeft genomen (grief 4) en de overgelegde foto’s in het nadeel van [appellant] heeft meegewogen (grief 5).

6.6

[geïntimeerde] heeft de grieven van [appellant] weersproken en geconcludeerd tot bekrachtiging van het eindvonnis van 27 maart 2019 met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

De bewijslast

6.7

[appellant] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij geen dwangsommen heeft verbeurd omdat hij volledig aan de veroordelingen heeft voldaan. De rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat het bij die grondslag voor de vordering tot staking van de executie aan [appellant] is om aan te tonen dat hij daar tijdig aan heeft voldaan. Hiertegen is grief 1 gericht.

6.8

Het hof stelt naar aanleiding van de grief het volgende voorop. Volgens artikel 611c Rv, tweede volzin, kan de partij die de met een dwangsom versterkte veroordeling heeft verkregen, de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld. Deze bepaling brengt mee dat voor het ten uitvoer leggen van een dwangsomveroordeling geen tweede procedure behoeft te worden gevoerd en geen nieuwe titel is vereist. Aldus is de bewijslast in beginsel verlegd naar degene jegens wie de veroordeling is uitgesproken. Als de executant aanspraak maakt op dwangsommen, dient de geëxecuteerde in beginsel naar de normale regels van bewijsrecht aan te tonen dat geen dwangsommen zijn verbeurd.

6.9

In dit geval is [geïntimeerde] de executant en [appellant] de geëxecuteerde. Uitgaande van deze maatstaf rust op [appellant] in beginsel de bewijslast van zijn stelling dat hij volledig aan de veroordelingen heeft voldaan. Door [appellant] zijn geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat deze maatstaf in dit geval niet gevolgd zou moeten worden. De conclusie is dat de rechtbank terecht ervan is uitgegaan dat de bewijslast van het hebben voldaan aan de veroordelingen op [appellant] rust. Grief 1 wordt daarom verworpen en daarmee het primaire standpunt van [appellant] op dit punt.

Zijn dwangsommen verbeurd?

6.10

Het subsidiaire standpunt van [appellant] betreft de bewijslevering met betrekking tot de vraag of hij op grond van (een van) beide vonnissen dwangsommen heeft verbeurd. Volgens [appellant] is dat niet het geval omdat hij aan de desbetreffende veroordelingen uitvoering heeft gegeven. [geïntimeerde] bestrijdt dat.

6.11

Het hof stelt het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak moet de vraag of in een bepaald geval dwangsommen zijn verbeurd, worden beantwoord door hetgeen ter uitvoering van het veroordelend vonnis is verricht te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dienen het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te worden genomen, aldus dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.

6.12

Het kortgedingvonnis van 19 februari 2018 is op 27 februari 2018 aan [appellant] betekend. Dat betekent dat hij binnen twee dagen daarna met het volledig herstel van de badkamer en de keuken van het pand aan de [adres] te [plaats] moest beginnen, zodanig dat deze ruimten binnen vier weken, dat wil zeggen op 28 maart 2018, gereed zouden zijn voor ingebruikname. De veroordeling in dit vonnis is naar het oordeel van het hof niet anders te begrijpen dan zoals de kantonrechter in het daarop volgende kortgedingvonnis van 8 mei 2018 heeft weergegeven (waarin naast de keuken en de badkamer ook het toilet aan de orde was). Daarin heeft de kantonrechter geoordeeld ‘dat onder volledig herstel wordt bedoeld het volledig in gebruik kunnen nemen van de keuken, de badkamer en het toilet in het gehuurde, waarbij voormelde ruimtes voldoende zijn afgewerkt’ (r.o. 3.9). Dat aan de veroordeling in het kortgedingvonnis van 19 februari 2018 met betrekking tot de keuken en de badkamer enige andere, lees: beperktere, strekking toegekend zou moeten worden is door [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van het hof houdt bij toepassing van de hiervóór vermelde maatstaf het gebod in dat vonnis in dat zowel het functioneel bruikbaar maken van de ruimtes als het in voldoende mate afwerken daarvan onder het volledig herstel begrepen dienen te worden.

6.13

[appellant] heeft in hoger beroep een aantal facturen en werkbonnen vermeld waaruit volgens hem blijkt dat de volledige renovatie van de keuken en de badkamer vóór medio maart 2018 een feit was. [geïntimeerde] heeft betwist dat dit het geval was.

6.14

In het kortgedingvonnis van 8 mei 2018 heeft de kantonrechter geconstateerd dat de keuken, de badkamer en het toilet functioneel zijn, maar dat de laatst noodzakelijke werkzaamheden in deze ruimtes niet zijn verricht zodat, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, geen sprake is van volledig herstel (r.o. 3.9). Op grond daarvan heeft de kantonrechter de vordering tot het uitvoeren van de noodzakelijke werkzaamheden in de keuken, de badkamer en het toilet toegewezen. De toestand van de keuken en de badkamer, waar het eerste kort geding betrekking op heeft, blijkt uit de foto’s die [geïntimeerde] bij de behandeling van het tweede kort geding heeft ingebracht en die in de onderhavige procedure bij conclusie van antwoord in eerste aanleg zijn overgelegd. De stukken waarnaar [appellant] in hoger beroep verwijst (zonder deze over te leggen) wijzen er wel op dat in maart 2018 werkzaamheden zijn verricht met het oog op het herstel van de keuken en de badkamer, maar deze weerleggen niet de door [geïntimeerde] bij de behandeling van het kort geding (en bij het onderhavige hoger beroep) overgelegde foto’s waaruit blijkt dat die ruimtes toen nog niet voldoende waren afgewerkt. Dit geldt te meer nu de foto’s, naar [geïntimeerde] onbetwist heeft gesteld, zijn genomen op 23 april 2018.

Dit betekent dat [appellant] niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast ten aanzien van de veroordeling in het kortgedingvonnis van 19 februari 2018. [appellant] heeft nader bewijs aangeboden maar hij heeft naast de door hem overgelegde producties, die het bewijs niet leveren, geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die voor bewijslevering in aanmerking komen.

6.15

Op grond van het kortgedingvonnis van 8 mei 2018 diende [appellant] in de keuken, de badkamer en het toilet bepaalde met name genoemde herstelwerkzaamheden uit te voeren. De strekking van dit gebod is duidelijk: wat er staat moet worden gedaan, en dat was niet beperkt tot het voorkomen van gevaarlijke situaties of stank. Wanneer [appellant] het daar niet mee eens was geweest, had hij tegen dat vonnis hoger beroep kunnen instellen. Dat heeft hij niet gedaan, zodat hij het vonnis moet uitvoeren. Het doel hiervan is gelegen in het alsnog bewerkstelligen van een volledig herstel, welke toestand wat betreft de keuken en de badkamer al op grond van het eerste kortgedingvonnis bereikt had moeten worden maar niet bereikt is, en waar het toilet daarna bij betrokken is. Een andere doelstelling dan het bereiken van volledig herstel van de gezamenlijke ruimtes waar [geïntimeerde] gebruik van mocht maken acht het hof door [appellant] niet aannemelijk gemaakt. De enige vraag die met betrekking tot het kortgedingvonnis van 8 mei 2018 aan de orde is, is dan ook of [appellant] - zoals hij stelt - geen dwangsommen heeft verbeurd omdat hij aan het vonnis heeft voldaan. Ook hier rusten stelplicht en bewijslast op [appellant] .

6.16

In het eindvonnis van 27 maart 2019 heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd (r.o. 2.6). In hoger beroep is dat niet anders. De bezwaren van [appellant] richten zich in feite tegen de inhoud van het kortgedingvonnis, maar voor een beoordeling van die bezwaren leent zich de onderhavige procedure niet; daarvoor zou, zoals gezegd, hoger beroep tegen het kortgedingvonnis zelf aangewezen zijn geweest, maar die weg heeft [appellant] niet gevolgd. Hij kan die bezwaren niet met een omweg in de onderhavige procedure alsnog voorleggen. In ieder geval heeft [appellant] ook in hoger beroep niet onderbouwd dat en waarom hij ten aanzien van het kortgedingvonnis van 8 mei 2018 aan de veroordeling heeft voldaan en daarom geen dwangsommen heeft verbeurd die voor executie door [geïntimeerde] in aanmerking komen. Die stelling van [appellant] wordt daarom als onvoldoende onderbouwd verworpen.

Conclusie

6.17

In het voorgaande is de stelling van [appellant] dat hij geen dwangsommen heeft verbeurd op grond van de kortgedingvonnissen van 19 februari 2018 en 8 mei 2018 verworpen. De beide vorderingen van [appellant] tot een verbod op het executeren van de vonnissen en op het aanspraak maken op de dwangsommen zijn daarom niet voor toewijzing vatbaar. In het verlengde hiervan is de vordering van [appellant] ten aanzien van schade door onrechtmatige executie evenmin toewijsbaar. Het hof deelt ook op dit onderdeel het oordeel van de rechtbank. De slotsom is dat het vonnis van 27 maart 2019 bekrachtigd zal worden. Ook de grieven 2 tot en met 5 worden verworpen; deze grieven behoeven geen afzonderlijke bespreking. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het eindvonnis van 27 maart 2019, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geschil in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 324,= aan griffierecht en op € 1.114,= aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, T. van Malssen en B.A. Meulenbroek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 maart 2021.

griffier rolraadsheer