Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:681

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
200.223.160_01 en 200.223.161_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:1987
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:3610
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering van executeur tegen (mede)erfgenamen tot het afleggen van rekening en verantwoording en het terugbetalen van schenkingen die zijn gedaan tijdens het leven van erflater.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0088
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummers 200.223.160/01 en 200.223.161/01

arrest van 9 maart 2021

in de gevoegde zaken van

1 [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [appellant 1] ,

2. [appellante 2],
wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [appellante 2] ,

3. [appellant 3],
wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [appellant 3] ,

4. [appellante 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [appellante 4] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

hierna gezamenlijk ook aan te duiden als [appellanten] ,

advocaat: mr. C.A.D. Oomes te Son en Breugel,

tegen

[geïntimeerde] q.q.

(executeur nalatenschap van [erflater] ),

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.Th.M. Diks te Eindhoven,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 15 januari 2019 en 12 november 2019 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer C/01/310497/HA ZA 16-478 gewezen vonnissen van 22 maart 2017 en 21 juni 2017.

8 Het verloop van de procedure in beide zaken

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest in beide zaken van 12 november 2019;

  • -

    de processen-verbaal van de enquêtes van 3 maart 2020, 4 maart 2020 en 6 juli 2020;

  • -

    de memorie na enquête van [appellanten] ;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van [geïntimeerde]

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9 De verdere beoordeling in beide zaken

in principaal en incidenteel hoger beroep

9.1.

In het tussenarrest van 12 november 2019 heeft het hof – kort samengevat – geoordeeld:

- dat erflater al vóórdat [appellante 2] zich actief ging bemoeien met de financiën van erflater, niet in staat was zelf zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, dit als gevolg van zijn geestelijke toestand;

- dat [appellante 2] in de periode van 24 mei 2011 tot aan het overlijden van erflater op 28 januari 2014 daadwerkelijk beheer heeft gevoerd over de financiën en het vermogen van erflater;

- dat [appellante 2] gehouden is rekening en verantwoording (aan [geïntimeerde] ) af te leggen over het door haar gevoerde beheer over de financiën en het vermogen van erflater in de periode van 24 mei 2011 tot 28 januari 2014;

dat het, op grond van artikel 7:176 BW, aan [appellanten] is om te bewijzen dat de schenkingen die zij uit het vermogen van erflater hebben ontvangen en die zijn vermeld onder 6.12.1, niet door misbruik van omstandigheden zijn tot stand gekomen;

- dat de successierechten die door [appellant 1] zijn betaald over het aan hem en aan [appellante 2] toekomende erfdeel in de nalatenschap van erflater, in mindering komen op de waarde van de nalatenschap;

- dat [appellanten] terecht door de rechtbank in de proceskosten in reconventie zijn veroordeeld.

In het dictum van het tussenarrest van 12 november 2019 heeft het hof [appellanten] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de schenkingen die zij van erflater hebben ontvangen en die zijn genoemd onder 6.12.1 van dat tussenarrest, niet door misbruik van omstandigheden zijn tot stand gekomen. Iedere verdere beslissing is door het hof aangehouden.

9.2.

Het hof zal thans de geschilpunten waarover nog moet worden beslist, hierna achtereenvolgens beoordelen.

9.3.

De door [appellante 2] af te leggen rekening en verantwoording.

9.3.1.

Zoals vermeld heeft het hof in het tussenarrest van 12 november 2019, net als de rechtbank, geoordeeld dat [appellante 2] gehouden is rekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde beheer over de financiën en het vermogen van erflater in de periode van 24 mei 2011 tot 28 januari 2014. In het tussenarrest heeft het hof tevens vastgesteld dat die rekening en verantwoording nog niet was afgelegd door [appellante 2] . Om die reden heeft het hof (onder 6.11.13 van het tussenarrest) aan [appellante 2] opgedragen alsnog (schriftelijk) rekening en verantwoording af te leggen en die rekening en verantwoording te voegen bij de door [appellanten] te nemen memorie na enquête.

9.3.2.

[appellante 2] heeft niet aan de laatstgenoemde opdracht voldaan. Het hof ziet op grond hiervan aanleiding om de veroordeling zoals deze door de rechtbank ten aanzien van de rekening en verantwoording is uitgesproken, te bekrachtigen.

9.3.3.

De conclusie is dat de grieven II tot en met VI van [appellanten] in zoverre falen.

9.4.

Is er grond voor vernietiging van de schenkingen, genoemd onder 6.12.1 van het tussenarrest van 12 november 2019 wegens misbruik van omstandigheden?

9.4.1.

Ter voldoening aan de bewijsopdracht in het tussenarrest van 12 november 2019 hebben [appellanten] in totaal zeven getuigen doen horen. [geïntimeerde] heeft afgezien van contra-enquête.

[appellant 1] heeft als getuige omtrent de aan hem gedane schenkingen onder meer verklaard (waarbij erflater door de getuige “ [erflater] ” of “de heer [erflater] ” werd genoemd): “Ik heb eigenlijk nooit met [erflater] gesproken over schenkingen. Jan was zo. (…) [erflater] gaf altijd, dat heeft hij altijd gedaan. (…) Ik heb zelf ook schenkingen van [erflater] gehad, ik moest dat gewoon aanpakken. [erflater] had dat geld bij zich en legde dat zo op tafel. Het ging om contant geld of om cheques. [erflater] schreef altijd bankopdrachten uit, van die ouderwetse cheques.”

Met betrekking tot de schenkingen van € 2.000,- heeft [appellant 1] als getuige verklaard: “Hij schonk ieder jaar tweeduizend euro omdat dat belastingvrij mocht. Dat was een gift. Dat heeft hij tegen mij gezegd. Dat zei hij als hij dat geld gaf. Het werd meestal overgemaakt via de bank of met cheques, dat weet ik niet exact meer. [erflater] deed dat zelf.”

[appellant 1] heeft verder als getuige verklaard dat hij de eerste keer van erflater € 8.000,- ontving en zijn vrouw ( [appellante 2] ) € 7.000,- en dat erflater dat geld contant bij zich had. Met betrekking tot de schenking aan hem en [appellante 2] van twee maal € 12.500,- heeft hij verklaard: “[erflater] heeft overlegd met ons dat iedere erfgenaam 25.000 euro zou krijgen. Bij ons was dat verdeeld in twee keer 12.500 euro. Mijn vrouw heeft dit aan mij verteld. Ik wist dit ook van [erflater] . Hij heeft dit vrij vlug nadat het huis was verkocht verteld. Wij hebben toen koffie gedronken bij hem in Berkenhof, met gebak erbij. Daarna heeft hij zitten praten. Daar vertelde hij dat hij ieder van de erfgenamen 25.000 euro wilde geven. Bij dit gesprek waren mijn vrouw en ik, we hadden de verkoop afgerond. Mijn vrouw en [erflater] zijn samen naar de Rabobank gegaan en daar is de opdracht tot betaling gegeven. Ik was hier niet bij.”

[appellant 3] heeft als getuige omtrent de aan hem gedane schenkingen verklaard (waarbij erflater door hem “ [erflater] ” werd genoemd): ”Ik mocht op vakantie van [erflater] naar Gran Canaria en heb een schenking gekregen via de bank van om en nabij de 2000 euro. (…) Ik heb meerdere malen een schenking van [erflater] ontvangen. Naarmate de eerste schenking was gedaan heeft hij dat voortgezet. Ik ben bij de schenkingen niet aanwezig geweest, maar wel bij de ontvangst daarvan. (…) Het was niet dat [erflater] elke schenking naar mij toe aankondigde, ik heb hem ook wel eens bedankt van iets waarvan ik van te voren niet wist dat ik het kreeg. Dat was het menselijke aan hem, hij hield van bedankjes. Hij hield van het spontane.”

Als motief voor de schenkingen noemt de getuige [appellant 3] - zo begrijpt het hof zijn verklaring – dat erflater [appellante 2] wilde bedanken voor de door haar aan hem verleende mantelzorg.

De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben omtrent de schenkingen, genoemd onder 6.12.1 van het tussenarrest van 12 november 2019, niets ter zake dienend kunnen verklaren. De getuigen [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 5] evenmin, zij hebben slechts verklaard dat erflater, in de periode dat hij opgenomen was in (toen nog geheten) Berkenhof, gul was met cadeautjes aan personeel en aan anderen.

9.4.2.

Met betrekking tot de verklaringen van de getuigen [appellant 1] en [appellant 3] stelt het hof vast dat deze weinig specifiek zijn omtrent de rol van erflater ten aanzien van de schenkingen, genoemd onder 6.12.1 van het tussenarrest van 12 november 2019. Bovendien verklaren zij voornamelijk over de aan henzelf gedane schenkingen, waarbij van belang is dat zij ten aanzien van die schenkingen hebben te gelden als partijgetuigen als bedoeld in artikel 164 Rv. Dit betekent dat hun verklaringen geen bewijs in hun voordeel kunnen opleveren, tenzij die verklaringen strekken ter aanvulling van onvolledig bewijs, zoals als uitgelegd in HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7933.

Wat betreft de verklaring van [appellant 1] dat de schenkingen van € 7.000,- en € 8.000,- contant aan hem en zijn vrouw zijn overhandigd, merkt het hof op dat die verklaring niet te rijmen valt met het feit dat in productie 16 bij inleidende dagvaarding (waarvan de juistheid op zichzelf niet door [appellanten] is bestreden) vermeld is dat de genoemde bedragen zijn overgeboekt van de bankrekening van erflater naar de bankrekening van [appellant 1] .

9.4.3.

Gelet op het voorgaande en mede in het licht van de feiten en omstandigheden in deze zaak en de onderbouwing van de stelling van [geïntimeerde] zoals vermeld onder 6.12.3 van het tussenarrest van 12 november 2019, moet het door [appellanten] geleverde bewijs ontoereikend worden geacht.

Erflater was ten tijde van de hier bedoelde schenkingen als gevolg van zijn geestelijke toestand niet in staat zelf zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen (tussenarrest van 12 november 2019 onder 6.11.5). Bovendien verkeerde hij, niet alleen wat betreft het beheer van zijn financiën en zijn vermogen, maar ook op sociaal en emotioneel vlak in een afhankelijke positie ten opzichte van [appellante 2] .

De schenkingen waar het hier om gaat zijn zeer omvangrijk en kunnen in redelijkheid niet worden beschouwd als een gebruikelijke uiting van dankbaarheid voor verleende burenhulp.

Naar het oordeel van het hof moeten [appellanten] hebben begrepen dat de omvangrijke schenkingen uit het vermogen van erflater het gevolg waren van zijn abnormale geestestoestand en van de afhankelijkheid van erflater en die wetenschap had hen ervan moeten weerhouden hun medewerking aan de schenkingen te verlenen zoals zij hebben gedaan.

9.4.4.

De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld:

- dat de hier bedoelde schenkingen (in totaal een bedrag van € 108.450,-) door misbruik van

omstandigheden tot stand zijn gekomen,

- dat deze schenkingen rechtsgeldig zijn vernietigd en

- dat de geschonken bedragen aan de nalatenschap moeten worden terugbetaald.

De grieven V, VI en VII van [appellanten] falen (ook) in zoverre.

9.5.

Is [appellante 2] schadeplichtig op grond van onrechtmatige daad?

9.5.1.

De rechtbank heeft in het vonnis van 22 maart 2017 voor recht verklaard dat [appellante 2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens erflater casu quo zijn erfgenamen en dat derhalve sprake is van een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW, op grond waarvan [appellante 2] verplicht is de schade die de nalatenschap dientengevolge heeft geleden aan de nalatenschap te vergoeden. De rechtbank heeft op basis hiervan [appellante 2] (naast de veroordeling tot terugbetaling van de door haarzelf ontvangen schenkingen die zijn genoemd in het tussenarrest van 12 november 2019) tevens hoofdelijk veroordeeld tot terugbetaling van de door [appellant 1] , [appellant 3] , [appellante 4] en [schoonzoon van appellant 1] ontvangen schenkingen, genoemd onder 6.12.1 van het tussenarrest van 12 november 2019.

9.5.2.

Naar het oordeel van het hof faalt de tegen deze beslissing van de rechtbank gerichte grief VIII van [appellanten] , gelet op het volgende.

Zoals overwogen heeft [appellante 2] in de periode waarin de hier bedoelde schenkingen plaatsvonden het beheer gevoerd over de financiën en het vermogen van erflater. Erflater was daartoe zelf niet meer in staat als gevolg van zijn abnormale geestestoestand.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het in de gegeven omstandigheden op de weg van [appellante 2] had gelegen om erflater te behoeden voor het wegschenken van aanzienlijke bedragen aan [appellanten] Door dit na te laten heeft zij in haar hoedanigheid van financieel beheerder onrechtmatig jegens erflater casu quo diens erfgenamen gehandeld; zij is aansprakelijk voor de schade die hieruit is voortgevloeid, welke schade door de rechtbank terecht is begroot op het totaal van de hier bedoelde schenkingen aan [appellanten] en aan [schoonzoon van appellant 1] .

9.6.

De onverklaarde betalingen en geldopnamen, genoemd in productie 16 bij inleidende dagvaarding.

9.6.1.

[geïntimeerde] vordert niet alleen de terugbetaling van de schenkingen, genoemd onder 6.12.1 van het tussenarrest van 12 november 2019, maar ook van de overige “onverklaarde betalingen en geldopnamen”, genoemd in productie 16 bij inleidende dagvaarding, tevens productie 18 bij memorie van antwoord (met uitzondering van de schenkingen aan de overige erfgenamen, ten bedrage van in totaal € 58.000,-).

Na aftrek van laatstgenoemd bedrag en van de schenkingen, genoemd onder 6.12.1 van het tussenarrest van 12 november 2019, komt dit neer op een totaal bedrag van € 105.620,86.

De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde] op dit onderdeel afgewezen. Het incidenteel appel van [geïntimeerde] is gericht tegen deze afwijzing.

9.6.2.

[geïntimeerde] stelt zich in hoger beroep primair op het standpunt dat de hier bedoelde onverklaarde betalingen en geldopnamen aangemerkt moeten worden als schenkingen en door [appellanten] terugbetaald moeten worden. Subsidiair stelt hij dat er vooralsnog van uit moet worden gegaan dat het hier om schenkingen gaat en dat het aan [appellanten] is om tegenbewijs op dit punt te leveren.

9.6.3.

Volgens [appellanten] moet [geïntimeerde] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep, omdat sprake is van berusting in het vonnis. Het hof volgt [appellanten] hierin niet. De enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] in zijn memorie heeft opgemerkt dat hij met het vonnis van de rechtbank had kunnen leven omdat het maakt dat [appellanten] een bedrag aan de nalatenschap verschuldigd zijn, neemt niet weg dat [geïntimeerde] zelf ook hoger beroep heeft kunnen instellen, zoals hij heeft gedaan.
Het hof overweegt verder het volgende. Een deel van de hier bedoelde geldopnamen heeft betrekking op de periode vóór 24 mei 2011, zijnde de datum waarop [appellante 2] geacht moet worden het beheer te zijn gaan voeren over de financiën en het vermogen van erflater. Zonder nadere toelichting van [geïntimeerde] , die ontbreekt, valt niet in te zien waarom al deze geldopnamen als schenkingen aan [appellanten] zouden moeten worden aangemerkt.

Van belang is verder dat uit de gedingstukken (waaronder de verklaringen van de in hoger beroep gehoorde getuigen) kan worden afgeleid dat erflater, na het overlijden van zijn zus in 2006, gul was met het geven van cadeautjes en het betalen van etentjes en dergelijke, niet alleen aan [appellanten] , maar ook aan anderen. Nóch uit de overgelegde stukken, nóch uit de daarop gegeven toelichting van [geïntimeerde] valt af te leiden welke van de hier bedoelde betalingen en/of geldopnamen ten goede zijn gekomen aan erflater zelf, aan derden of aan [appellanten] Indien al aangenomen moet worden dat (een van) de leden van de familie [familienaam van appellanten] de bevoordeelde(n) is respectievelijk zijn geweest, valt uit de stukken of uit de gegeven toelichting niet af te leiden wie van hen als bevoordeelde(n) heeft respectievelijk hebben te gelden en eventueel gehouden zou(den) kunnen zijn tot terugbetaling.

De conclusie moet zijn dat de stelling van [geïntimeerde] dat de hier bedoelde onverklaarde betalingen en geldopnamen moeten worden beschouwd als schenkingen en – net als de schenkingen genoemd onder 6.12.1 van het tussenarrest van 12 november 2019 - aan de nalatenschap moeten worden terugbetaald, onvoldoende is onderbouwd.. Aan (tegen)bewijslevering wordt niet toegekomen.

De grief van [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep faalt om die reden.

9.7.

De door [appellant 1] betaalde erfbelasting.

9.7.1.

[appellant 1] heeft de door hem en [appellante 2] verschuldigde erfbelasting wegens hun aandeel in de nalatenschap van erflater betaald. Het gaat om een bedrag van € 3.280,-.

[appellanten] stellen zich op het standpunt dat dit bedrag uit de nalatenschap van erflater moet worden voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2015.

De rechtbank heeft de hierop betrekking hebbende vordering van [appellanten] afgewezen. De negende grief van [appellanten] heeft mede betrekking op die beslissing van de rechtbank.

9.7.2.

Het hof heeft onder 6.14 van het tussenarrest van 12 november 2019 geoordeeld dat de ten laste van erfgenamen komende successierechten (erfbelasting) in mindering komen op de waarde van de nalatenschap en dat de negende grief van [appellanten] in zoverre slaagt.

9.7.3.

[geïntimeerde] heeft een beroep gedaan op verrekening. Het hof heeft in het tussenarrest de beslissing op dit verweer aangehouden tot ná de bewijslevering conform het bepaalde in het tussenarrest.

9.7.4.

Uit hetgeen in het voorgaande is overwogen en beslist volgt dat [geïntimeerde] een vordering heeft op [appellant 1] en dat het daarbij gaat om een prestatie die beantwoordt aan zijn schuld jegens [appellant 1] ter zake van successierechten. Verder moet aangenomen worden dat [geïntimeerde] uit hoofde van zijn functie als executeur bevoegd is, zowel tot voldoening van de schuld aan [appellant 1] als tot het afdwingen van de betaling van de schuld van [appellant 1] aan de nalatenschap. Zowel vordering als schuld vallen in dit geval in hetzelfde vermogen, namelijk in de nalatenschap van erflater. Hiermee is voldaan aan de vereisten voor verrekening zoals deze zijn vermeld in artikel 6:127 BW.

9.7.5.

Het hof zal aldus beslissen.

9.8.

De proceskosten in eerste aanleg

9.8.1.

Uit hetgeen in het voorgaande is overwogen en beslist volgt dat [appellanten] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in conventie moeten worden beschouwd. Zij zijn dan ook terecht door de rechtbank veroordeeld in de proceskosten in conventie. Grief XI faalt om die reden.

9.8.2.

Hetzelfde geldt voor de proceskosten in reconventie, met dien verstande dat [schoonzoon van appellant 1] niet in de procedure in eerste aanleg is verschenen, geen eis in reconventie heeft ingesteld en dus ook niet in de proceskosten in reconventie en de nakosten veroordeeld had kunnen worden. Grief X slaagt in zoverre. Het hof zal het vonnis van 22 maart 2017 in zoverre vernietigen.

9.9.

Wat betreft de kosten van het hoger beroep is het hof van oordeel dat [appellanten] als grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld dienen te worden in de kosten van het principaal hoger beroep.

[geïntimeerde] dient als de in het ongelijk gestelde partij in het incidenteel hoger beroep te worden veroordeeld.

10 De uitspraak in beide zaken

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis van de rechtbank van 22 maart 2017 waarvan beroep, maar uitsluitend voor zover daarin de vordering van [appellanten] in reconventie ten aanzien van de door [appellant 1] betaalde erfbelasting ad € 3.280,- is afgewezen en [schoonzoon van appellant 1] in de kosten van de procedure in reconventie en nakosten is veroordeeld en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant 1] een bedrag van € 3.280,- te voldoen wegens door [appellant 1] betaalde successierechten ter zake van het aandeel van hem en van [appellante 2] in de nalatenschap van erflater, met dien verstande dat [geïntimeerde] bevoegd is om deze schuld aan [appellant 1] te verrekenen met hetgeen hij ingevolge dit arrest van [appellant 1] te vorderen heeft en wijst af hetgeen door [appellanten] op dit punt meer of anders is gevorderd;

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank van 22 maart 2017 en 21 juni 2017 waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van het principaal hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 3.256,- aan griffierecht en op € 16.256,- aan salaris advocaat, en wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [appellanten] op € 4.064,-;

verklaart de voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, M.E. Smorenburg en T.J. Mellema-Kranenburg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 maart 2021.

griffier rolraadsheer