Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:660

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
200.287.744_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 4 maart 2021

Zaaknummer : 200.287.744/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/361884 / JE RK 20-1324

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar,

tegen

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Deze zaak gaat over:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ;

hierna te noemen: [minderjarige 1] respectievelijk [minderjarige 2] , dan wel tezamen: de kinderen.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 30 september 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 december 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen, haar beroep gegrond te verklaren en de GI te veroordelen in de proceskosten.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 januari 2021, heeft de GI verzocht het door de moeder ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek in hoger beroep af te wijzen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 februari 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Van de Laar;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] , [vertegenwoordiger van de GI 2] en [vertegenwoordiger van de GI 3] .

De raad is, met bericht daartoe, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 30 september 2020;

  • -

    het V-formulier van de advocaat van de moeder, ingekomen ter griffie op 8 januari 2021;

  • -

    het e-mailbericht van de advocaat van de moeder d.d. 1 februari 2021 met de bij het beroepschrift ontbrekende stukken.

3 De beoordeling

3.1.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] , geboren uit de moeder, staan sinds 11 oktober 2019 onder toezicht van de GI.

3.2.

Bij beschikking van 14 januari 2020 heeft de rechtbank Oost-Brabant met spoed een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een (crisis)pleeggezin of gezinshuis voor de duur van vier weken.

Bij beschikking van 24 januari 2020 heeft de rechtbank Oost-Brabant een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een (crisis)pleeggezin of gezinshuis voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 11 oktober 2020.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank:

  • -

    de ondertoezichtstelling van de kinderen met ingang van 11 oktober 2020 verlengd tot 11 oktober 2021;

  • -

    de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinshuis met ingang van 11 oktober 2020 verlengd tot uiterlijk 11 oktober 2021.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen, voor zover het verlenging van de machtiging uithuisplaatsing betreft, en is hiervan in hoger beroep gekomen. Zij voert in het beroepschrift aan dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. De moeder is wel degelijk in staat om de kinderen op de juiste manier te verzorgen. Zij kan in de basisbehoefte van de kinderen voorzien en de kinderen groeien op in een veilige opvoedingsomgeving. De moeder heeft hier alles voor gedaan. Zij betwist dat zij de kinderen paracetamol heeft gegeven om hen rustig te houden. Ook allerlei andere zaken zijn in een onjuist daglicht geplaatst. Omdat de moeder eerder geen medewerking verleende, is een negatief beeld van haar ontstaan waar zij nauwelijks meer vanaf kan komen. De moeder stelt zich inmiddels anders op ten opzichte van de GI en hulpverlening. Zij stelt zich open, heeft inzicht gegeven in de IQ-test en heeft de GI geïnformeerd over de contacten met de GGZ. De moeder, die was voorgehouden dat als zij mee zou werken aan een korte intensieve gezinsopname bij [organisatie] de kinderen daarna weer bij haar zouden kunnen worden geplaatst, heeft ook haar medewerking verleend aan het [organisatie] -traject. Dat [organisatie] negatief heeft geadviseerd omtrent terugplaatsing van de kinderen, kan niet aan deze terugplaatsing in de weg staan. De moeder wordt gezien als een tijger die moeilijk deed en niet in staat was om haar eigen emoties te reguleren, omdat zij zich tegenover [organisatie] kritisch heeft uitgelaten over de huisvesting, de kwaliteit en de bejegening bij [organisatie] .

De moeder heeft bij de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij zich na de uithuisplaatsing heeft afgezet tegen de hulpverlening. Vorig voorjaar heeft zij zich hier weer voor opengesteld. De moeder is vervolgens beloofd dat als het [organisatie] -traject goed zou uitpakken, de kinderen terug naar huis zouden kunnen. Toen dit niet gebeurde, heeft de moeder het vertrouwen verloren en zich wederom afgezet tegen de hulpverlening. Maar ook nu heeft zij zich hier nadien weer voor opengesteld. Overigens vroeg de moeder al jaren om EMDR-therapie, maar haar huisarts vond dit niet nodig. De moeder gaat nu starten met een behandeltraject bij de GGZ, waar zij inmiddels twee gesprekken heeft gehad. De moeder, die er eerder moeite mee had om met haar achtergrond naar buiten te treden, geeft thans toestemming voor een gezamenlijk gesprek tussen haar behandelaar, de GI en haarzelf, om de GI op die manier inzicht te geven in hoe zij aan zichzelf gaat werken.

De moeder erkent dat zij fouten maakt; zij kan altijd dingen bijleren. Dit maakt evenwel niet dat zij niet voor de kinderen kan zorgen, wat zij voor de uithuisplaatsing ook altijd heeft gedaan. [organisatie] schetst over het algemeen ook een positief beeld over haar. Zij is warm voor de kinderen en zet zich volledig voor hen in. Zij krijgt enkel als verwijt dat zij onvoldoende structuur kan aanbrengen. Dit brengt geen noodzaak tot uithuisplaatsing met zich.

3.5.

De GI voert in het verweerschrift aan dat het afgelopen jaar meerdere keren hulpverlening is ingezet, die steeds ontoereikend is gebleken. De gezinsopname van [organisatie] is ingezet om een onafhankelijk en objectieve observatie te krijgen. Daarbij is duidelijk aangegeven dat de moeder voor thuisplaatsing van de kinderen niet alleen moest meewerken, maar dat ook aan de in de plannen van aanpak gestelde doelen moest zijn voldaan. De GI erkent dat de moeder sinds korte tijd vooruitgang heeft geboekt. De moeder doet haar best samen te werken met de nieuwe jeugdzorgwerkers. Verder is het zeer positief dat de moeder de stap heeft gezet naar hulpverlening voor zichzelf. Deze behandeling verkeert echter nog in het beginstadium. De moeder heeft haar persoonlijke doelen nog niet gehaald. Zo is zij nog niet in staat om haar eigen aandeel in het geheel te zien en heeft zij haar emoties in gesprekken nog onvoldoende onder controle. Nu de moeder nog onvoldoende aan zichzelf heeft kunnen werken is het voor haar op dit moment niet mogelijk om aan de doelen met betrekking tot de kinderen te werken. Daardoor is het voor haar niet mogelijk om in de basisbehoefte van de kinderen te voorzien en de kinderen een voldoende veilige opvoedingsomgeving te bieden. Voordat de moeder in staat is om de kinderen op praktisch, emotioneel en financieel vlak op te voeden, zal zij eerst haar eigen verleden een plek moeten geven en vermoedelijke trauma’s moeten verwerken. Het is de vraag of dit haalbaar is voor moeder, gezien haar voorgeschiedenis en het patroon dat zij laat zien, maar dit is een minimaal vereiste om de kinderen bij de moeder te laten wonen. Daarbij speelt ook de aanvaardbare termijn voor de kinderen om duidelijkheid te krijgen over hun toekomstperspectief een rol. Jonge kinderen, waar hier sprake van is, krijgen bij voorkeur binnen een half jaar duidelijkheid over waar zij zullen gaan opgroeien, terwijl [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al ruim een jaar uit huis zijn geplaatst. In februari vindt hierover met de moeder een evaluatiegesprek plaats. De moeder legt goed contact met de kinderen en is een liefdevolle moeder. Thuisplaatsing van de kinderen is op dit moment echter niet haalbaar en reëel.

De GI heeft ter mondelinge behandeling van het hof naar voren gebracht dat de moeder, om een goede invulling te kunnen geven aan het moederschap, dient te werken aan een goede basis. Zij heeft moeite haar emotie te reguleren en vindt het moeilijk om te kijken naar haar eigen aandeel in het geheel, hetgeen wel nodig is om een verandertraject te kunnen ingaan. Deze maand dient de moeder openheid van zaken te geven omtrent de IQ-test en het psychologisch onderzoek en moet zij stappen hebben gezet met betrekking tot de hulp voor haarzelf. De GI zou graag samen met moeder en haar behandelaar het gesprek aangaan. Er dient ook een evaluatie te komen ten aanzien van de zorgen over [minderjarige 1] , voor wie emotie regulatie lastig is en die snel de strijd opzoekt. Tot slot dient er een advies te komen over de omgang van de moeder met de kinderen. Eerder is er gezegd dat de moeder het lastig vindt om op beide kinderen tegelijk te focussen. Donderdag is er een omgangsmoment tussen moeder en beide kinderen en zal hiernaar worden gekeken. De moeder ziet [minderjarige 2] eens in de vier weken en [minderjarige 1] eens in de twee weken. [minderjarige 1] reageert nog altijd op de omgangsmomenten met moeder, maar – nu de bezoeken niet meer bij de moeder thuis zijn en in frequentie zijn teruggebracht – wel minder heftig. De bezoeken zijn ook in duur teruggebracht, maar nog wel lang genoeg om er een goede invulling aan te geven. De moeder doet hier goed haar best voor.

Als de conclusie uiteindelijk is dat de kinderen perspectief biedend uit huis worden geplaatst, dan zullen zij moeten verhuizen.

3.6.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.

Het hoger beroep is niet gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.

3.8.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.9.

Uit de evaluatie en het plan van aanpak van de GI over de periode van 14 augustus 2020 en geldig tot 11 oktober 2020 blijkt dat de plaatsing van de moeder en de kinderen in het moeder en kind huis van [organisatie] juist was bedoeld om te bezien of thuisplaatsing van de kinderen mogelijk was. Bij een positief advies van [organisatie] zouden de kinderen teruggeplaatst kunnen worden. Daartoe had de GI in de week voor de gezinsopname een veiligheidsplan gemaakt en besproken met de moeder en de hulpverlening. [organisatie] komt na de observatieperiode tot de conclusie dat de moeder niet in staat is om haar twee jongens op te voeden en de zorg voor de kinderen op zich te nemen op alle gebieden: praktisch, emotioneel en sociaal emotioneel. De moeder heeft zich kritisch uitgelaten over deze opname. Dit geeft het hof evenwel geen aanleiding om aan de getrokken conclusies te twijfelen. Dat de moeder de bedoeling van de opname, namelijk alleen terugplaatsing bij een positief advies, niet goed heeft begrepen, is spijtig maar naar het oordeel van het hof kon de GI, gelet op het verslag van de opname en het advies van [organisatie] , niet anders dan de kinderen weer terugplaatsen in de gezinshuizen. Het hof ziet niet dat de situatie inmiddels dusdanig is veranderd dat uithuisplaatsing van de kinderen ook nu niet langer noodzakelijk is. Met ook de GI is het hof van oordeel dat de moeder, voordat zij in staat is om de zorg voor de kinderen op alle vlakken op zich te nemen, eerst moet werken aan haar eigen verleden. Het is positief dat de moeder zich meer openstelt en een hulpverleningstraject is gestart, maar dit verkeert echter nog in een heel pril stadium. Daarbij, zo heeft de GI ter zitting naar voren gebracht, dient er ook nog een evaluatie te komen over de zorgen ten aanzien van [minderjarige 1] en over de omgang van de moeder met de kinderen. Al met al is uithuisplaatsing van de kinderen (in elk geval thans) nog noodzakelijk. Aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW is voldaan.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te weten voor zover het de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing betreft.

3.11.

Het hof ziet in het, niet nader onderbouwde, verzoek van de moeder de GI te veroordelen in de proceskosten, geen aanleiding om hiertoe over te gaan.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 30 september 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, C.D.M. Lamers en H.M.A.W. Erven en is op 4 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.