Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:656

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
200.285.511_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 4 maart 2021

Zaaknummer : 200.285.511/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/01/357299 / FA RK 20-1517 en C/01/359825 / FA RK 20/2868

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.H.A.J. Slaats,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

locatie [locatie] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats]

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord-Brabant (hierna te noemen: de GI).

Als informant wordt aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 6 augustus 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 6 november 2020, en aangevuld ter mondelinge behandeling, heeft de moeder het hof verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot beëindiging van het gezag af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen ter griffie van de zijde van de raad.

2.3.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 7 januari 2021, heeft de GI het hof verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de beschikking waarvan beroep in stand te laten.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 januari 2021.

Gelet op de onderlinge samenhang van de zaken is de onderhavige zaak tegelijkertijd behandeld met het hoger beroep inzake de gezagsbeëindiging van de zusjes van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] : [zusje 1] en [zusje 2] , welke zaak bij het hof is geregistreerd onder zaaknummer 200.285.505/01. De zaken zullen afzonderlijk worden afgedaan.

2.4.1.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Slaats;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2.4.2.

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 31 juli 2020;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de moeder met bijlage d.d. 20 november 2020;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de moeder met bijlage (het proces dossier eerste aanleg) d.d. 21 januari 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader zijn - voor zover hier van belang - geboren:

- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2010, te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2012, te [geboorteplaats] .

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] werd tot aan de bestreden beschikking uitgeoefend door de vader en de moeder.

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] werd tot aan de bestreden beschikking uitgeoefend door de moeder.

3.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 29 maart 2019 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 29 maart 2021.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 20 mei 2019 uit huis geplaatst in een jeugdhulpaccommodatie. Deze machtiging is laatstelijk verlengd tot 29 maart 2021.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het gezag van de vader en de moeder over [minderjarige 1] en het gezag van de moeder over [minderjarige 2] beëindigd.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen zover het betreft de beëindiging van haar gezag en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - aan dat de rechtbank ten onrechte haar ouderlijk gezag

over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft beëindigd en vervolgens de GI heeft benoemd tot voogd over de kinderen.

De moeder erkent dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] veel hebben meegemaakt van de toenmalige problematische thuissituatie en de problematiek van de ouders. Zij hebben daardoor veel beschadigingen opgelopen. De uithuisplaatsing destijds was daarom een juiste beslissing..

De situatie van de moeder is echter veranderd na de uithuisplaatsing. Zij staat steviger in haar schoenen. Op de mondelinge behandeling heeft zij het hof geïnformeerd over het feit dat zij niet meer met de vader samenwoont en dit ook niet meer van plan is. Na een escalatie medio 15 januari 2021 heeft zij voor zichzelf gekozen en de voormalige gezamenlijke woning verlaten. Op dit moment verblijft zij bij kennissen en is zij op zoek naar een eigen woning in (de buurt van) [plaats] .

De moeder accepteert dat een thuisplaatsing geen optie meer is.

Zij blijft echter een liefdevolle moeder voor de kinderen en wil de ontwikkelingen van de kinderen zoveel mogelijk volgen en daarom ook graag het gezag behouden. Zij wil graag meedenken en meebeslissen over bijvoorbeeld de plek waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de nabije toekomst geplaatst zullen worden.

Tenslotte benadrukt de moeder dat zij nooit haar ouderlijk gezag heeft gebruikt of misbruikt om zaken af te dwingen. Dit alles maakt dat volgens haar de huidige uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] - na het verlopen van de huidige machtiging - in het vrijwillig kader kan worden voortgezet.

3.6.

De raad handhaaft het advies en blijft bij het inleidend verzoek tot beëindiging van het gezag. Tijdens de mondelinge behandeling is daartoe het volgende aangevoerd.

De raad complimenteert de moeder met de door haar gemaakte vorderingen in haar persoonlijke situatie, maar wijst erop dat deze ontwikkelingen nog zeer pril zijn.

De kinderen waren er slecht aan toe ten tijde van het raadsonderzoek. De weigerachtige houding van de moeder (en de vader) om mee te werken aan een onderzoek om uit te zoeken welke hulp de kinderen nodig hadden en wat er mogelijk was, was de voornaamste reden om de gezagsbeëindiging aan te vragen. Bovendien hebben de kinderen behoefte aan duidelijkheid en is de aanvaarbare termijn verstreken.

Hoe begrijpelijk de wens van de moeder ook is om het gezag te behouden, is dit volgens de raad niet in het belang van de kinderen. Er moet op dit moment vooral gekeken worden wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben. Anders is de kans groot dat men niet toekomt aan een goed onderzoek en de juiste hulpverlening.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter mondelinge behandeling - kort samengevat - aan dat zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] grensoverschrijdend gedrag laten zien waar de GI zich zorgen over maakt. Zij laten allebei ook veel boosheid en verdriet zien.

Daarom heeft de GI de afgelopen periode ingezet om verder te onderzoeken of zij wel op de juiste plek zitten op de huidige zorggroep waar zij nu verblijven. Dit onderzoek kon eerder niet plaatsvinden omdat de ouders geen toestemming gaven.

Ter mondelinge behandeling heeft de GI toegelicht dat uit dit recente onderzoek blijkt dat de jongens overvraagd worden op de plaats waar zij nu verblijven en zij daar niet op hun plek zijn. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] behoeven meer aandacht en zorg, gezien de heftige gebeurtenissen en verlieservaringen die de kinderen op jonge leeftijd hebben meegemaakt. Het is daarom van belang dat zij overgeplaatst kunnen worden naar een in trauma- en hechtingsproblematiek gespecialiseerde behandelgroep.

Omstreeks 15 januari 2021 kreeg de GI een melding van Veilig Thuis waaruit forse zorgen (drankmisbruik en mishandeling) naar voren kwamen wat betreft de thuissituatie bij de ouders. Deze situatie was vergelijkbaar met gebeurtenissen die zich ten tijde van de ondertoezichtstelling hebben voorgedaan maar ook in de periode vóór de ondertoezichtstelling toen de hulpverlening vanuit de gemeente betrokken was bij het gezin.

De stelling van de moeder dat er te snel is overgegaan tot een onderzoek inzake een gezags- beëindigende maatregel gaat derhalve volgens de GI niet op. De zorgelijke thuissituatie waar de kinderen mee geconfronteerd werden was immers al veel langer aan de orde.

De GI acht het van belang dat professionals beslissen wat er nodig is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waarbij het, mede gelet op de ervaringen tijdens de ondertoezichtstelling, geen optie is om dit in samenwerking met de moeder te doen.

De GI complimenteert de moeder dat zij besloten heeft om voor zichzelf te kiezen en van plan is om haar eigen leven (zonder de vader) op te bouwen. De GI wijst er echter op dat er sprake is van een zeer recente ontwikkeling. Ook is het niet zeker waar de moeder nu gaat wonen en is er geen zicht op de situatie bij haar thuis. Tot nu toe hebben zowel de vader als de moeder dit afgehouden en werd geen enkele hulpverlener in staat gesteld om bij de ouders thuis te komen kijken en een inschatting te maken of het daar wel of niet veilig is.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.8.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanvaardbaar te achten termijn.

Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

3.8.3.

Uit de stukken en wat besproken is op de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , gezien de heftige gebeurtenissen en de verlieservaringen die zij op jonge leeftijd hebben meegemaakt, ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en veel aandacht en zorg behoeven. Het is daarom van belang dat zij overgeplaatst kunnen worden naar een in trauma- en hechtingsproblematiek gespecialiseerde behandelgroep.

Ten aanzien van de moeder wordt gezien dat zij haar best doet om met hulp van diverse hulpverleners haar persoonlijke situatie te veranderen. In de afgelopen jaren is er echter sprake van een terugkerend patroon van huiselijk geweld in de thuissituatie. Tussen de ouders wordt een patroon gezien van aantrekken en afstoten. Ook is er bij beide ouders sprake van alcoholmisbruik. Dit patroon is iets wat reeds jarenlang aan de gang is en waarin geen (langdurige) verbetering is gekomen. In feite is de situatie tussen de ouders onveranderd sinds de uithuisplaatsing van de kinderen.

Dat de moeder zeer recent heeft besloten om, na een nieuwe escalatie in de thuissituatie medio januari 2021, bij de vader weg te gaan, voor zichzelf te kiezen en te stoppen met overmatig drinken ziet het hof als positieve ontwikkeling. Het is echter duidelijk dat de moeder niet binnen afzienbare termijn in staat zal zijn om de verantwoordelijkheid te dragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij heeft dit ook erkend.

Hoewel het hof begrijpt dat zij desondanks betrokken willen blijven bij het nemen van beslissingen ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en daarom het gezag wil behouden, is dit niet in het belang van de kinderen. Met de raad is het hof van oordeel dat het van groot belang is dat op dit moment vooral gekeken wordt wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben.

Het risico is te groot dat ingeval de moeder meebeslist bij belangrijke besluiten over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zij daarbij niet het belang van de jongens voorop stelt, maar wat zij zelf vanuit haar hart voor de jongens wenst. De belangrijkste aanleiding voor de gezagsbeëindiging was het feit dat de ouders geen toestemming gaven voor een nader onderzoek van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waardoor goede hulpverlening aan hen onnodige vertraging heeft opgelopen.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 augustus 2020;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, J.C.E. Ackermans-Wijn en A.M. Bossink en is op 4 maart 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. E.A.M. Scheij in tegenwoordigheid van de griffier.