Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:646

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
04-03-2021
Zaaknummer
20-000387-20
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2020:707, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van poging tot moord c.q. doodslag, maar veroordeling voor voorbereiding van moord en mishandeling. TBS met dwangverpleging. Verweren inzake zwijgrecht en Salduz, opzet en voorbedachte raad en ontoerekeningsvatbaarheid. Het hof is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereiding van moord en mishandeling van aangever. Het hof is, met de raadsvrouw, van oordeel dat het de verdachte toekomende zwijgrecht en het Salduz-criterium is geschonden bij het ter plaatse door de verdachte afleggen van een verklaring, waardoor deze verklaring van het bewijs dient te worden uitgesloten. De stoornis van verdachte staat een bewezenverklaring van opzet en voorbedachte raad niet in de weg. Gelet op het NIFP-rapport is verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar, waardoor hij wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof legt aan verdachte de tbs-maatregel met dwangverpleging op. Voorts wijst het hof de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade toe. Het mes en het slagwapen worden verbeurdverklaard.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 33
Wetboek van Strafrecht 33a
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 37a
Wetboek van Strafrecht 37b
Wetboek van Strafrecht 46
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000387-20

Uitspraak : 28 januari 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 29 januari 2020 in de strafzaak met parketnummer 03-237269-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] ,

thans verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal veroordelen, hem zal ontslaan van alle rechtsvervolging en aan hem zal opleggen de maatregel van terbeschikkingstelling [hierna: TBS] aan de Staat, met bevel tot verpleging van overheidswege. Verder heeft de advocaat-generaal met betrekking tot het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven mes en slagwapen, de verbeurdverklaring van die voorwerpen gelast. Tot slot heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te weten toewijzing van het immateriële bedrag ad € 875,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en gijzeling.

De verdediging heeft – naar het hof begrijpt – vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit. Subsidiair heeft zij betoogd dat de TBS-maatregel niet moet worden opgelegd. Wat betreft de vordering van de benadeelde partij dient naar haar mening afwijzing van de vordering dan wel niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij te volgen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de Meervoudige kamer.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1 primair
hij op of omstreeks 22 november 2018 te Sittard, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en met die voorbedachten rade voornoemde [aangever] gewelddadig bij de nek heeft vastgepakt en/of vervolgens in/bij de nek van [aangever] heeft geknepen en/of dreigend een mes heeft vastgepakt en dit mes dreigend heeft opgeheven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 november 2018 te Sittard, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf van moord en/of doodslag en/of zware mishandeling met voorbedachte raad bedoeld in de artikelen 289 c.q. 287 c.q. 302 c.q. 303 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval een misdrijf waarop een gevangenisstraf van tenminste 8 jaren is gesteld, opzettelijk

a. een mes, en

b. een knuppel/wapenstok,

in ieder geval voorwerpen, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

en/of

hij op of omstreeks 22 november 2018 te Sittard, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door dreigend een mes vast te pakken en dit mes dreigend op te heffen, in elk geval te tonen aan die [aangever] ;

2
2.
hij op of omstreeks 22 november 2018 te Sittard, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, [aangever] heeft mishandeld door deze gewelddadig bij diens nek vast te pakken en/of in diens nek te knijpen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 1 primair

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof verwijst voor wat betreft de motivering van die vrijspraak naar hetgeen het hof heeft overwogen onder ‘3.3.1 Feit 1 primair (poging tot moord/doodslag)’.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 subsidiair
hij op 22 november 2018 te Sittard, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf van moord met voorbedachte raad bedoeld in de artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk a. een mes, en

b. een knuppel,

in ieder geval voorwerpen, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

2
2.
hij op 22 november 2018 te Sittard, [aangever] heeft mishandeld door deze gewelddadig bij diens nek vast te pakken en in diens nek te knijpen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 1 en bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Het hof overweegt, gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank, als volgt.

1. Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht bewezen dat verdachte de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot moord heeft gepleegd, nu verdachte opzettelijk [aangever] van het leven heeft willen beroven door zich met een mes en een knuppel te geven naar het slachtoffer en hem zijn keel heeft dichtgeknepen. Verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, nu hij een week voor het incident tegen het slachtoffer heeft gezegd dat hij hem een mes in zijn nek zou steken. Volgens de advocaat-generaal kan de onder 2 tenlastegelegde mishandeling eveneens bewezenverklaard worden.

2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van verdachte, afgelegd tegenover verbalisant [naam] , zoals verwoord in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 7 van het dossier, van het bewijs dient te worden uitgesloten. De politie kwam ter plaatse na een melding over een incident waarbij een man met een mes was betrokken. Ter plaatse waren twee personen die verdachte aanwezen als dader. Die feiten en omstandigheden leverden op dat moment een redelijk vermoeden van schuld op jegens verdachte. Verbalisant [naam] heeft verdachte direct vragen gesteld zonder hem te wijzen op zijn rechten. Gelet daarop is niet voldaan aan het Salduz-criteria, wat – naar het hof begrijpt – volgens de raadsvrouw leidt tot een onherstelbaar vormverzuim. Hetgeen verdachte tijdens dit verhoor tegen verbalisant [naam] heeft verklaard, kan daarom niet als bewijs worden gebruikt.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd het hof verdachte van het onder feit 1 tenlastegelegde dient vrij te spreken, nu:

  • -

    verdachte betwist dat hij het mes en de knuppel bij zich droeg; het is goed mogelijk dat aangever deze wapens al in zijn winkel had;

  • -

    verdachte nimmer met het mes heeft gedreigd;

  • -

    de verklaringen omtrent het voorval van aangever en getuige [getuige] niet met elkaar overeenkomen en derhalve onbetrouwbaar zijn. Bovendien was getuige [getuige] aangeschoten, wat zijn waarneming vertroebelt, en kan niet worden uitgesloten dat getuige [getuige] (gaandeweg) bevriend is (geraakt) met aangever;

  • -

    niet kan worden bewezen dat aangever daadwerkelijk letsel heeft opgelopen;

  • -

    er sprake kan zijn van een alternatief scenario, zoals verdachte zelf schetst, te weten dat verdachte werd aangevallen door aangever;

  • -

    de voorbedachte raad bij verdachte ontbreekt, en

  • -

    het voornemen om aangever te doden, al dan niet met voorbedachte raad, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen ontbreekt.

3. Het oordeel van het hof

3.1

Bewijsuitsluiting

Het hof is, met de rechtbank en de raadsvrouw, van oordeel dat de verklaring van verdachte d.d. 22 november 2018, zoals deze is opgenomen op pagina 7 van het dossier, dient te worden uitgesloten van het bewijs, nu de politie aan verdachte, terwijl er uit de omstandigheden ter plaatse ten aanzien van de verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit ex artikel 27 Wetboek van Strafvordering bij de politie had moeten zijn, vragen heeft gesteld over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit voordat zij verdachte hebben gewezen op zijn recht om geen vragen te hoeven te beantwoorden en een advocaat te consulteren (vgl. Hoge Raad 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2056 en Hoge Raad 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1973).

3.2

Bewijsmiddelen

Op 22 november 2018, omstreeks 20.55 uur, ging de politie naar de [adres]

na een melding dat daar een man onder bedwang gehouden zou worden gehouden die in het bezit zou zijn van een groot mes en een knuppel. Ter plaatse zag de politie door het etalageraam dat er in de winkel een man op de vensterbank zat (dit bleek later de verdachte te zijn) en dat een andere man achter de toonbank stond. Zij zagen dat er twee mannen buiten de winkel stonden. Eén van deze mannen, de getuige [getuige] , deelde de politie direct mede dat de man die op de vensterbank zat in het bezit was van een mes, maar dat hij hem dit mes na een korte schermutseling had kunnen afnemen. Dit mes was buiten de winkel neergelegd.

Op de grond op een plastic zak met afval lag een vleesmes van naar schatting 30 centimeter

groot. De man achter de toonbank zei dat hij geslagen was door de man die op de

vensterbank zat. Het is de politie ambtshalve bekend dat de man achter de toonbank (zijnde

[aangever] ) de eigenaar is van de buurtsupermarkt. Deze eigenaar zei dat hij door

de andere man bij de keel was gegrepen en was geslagen met een stok. De man op de

vensterbank verdacht de eigenaar van de supermarkt ervan dat hij seks zou hebben gehad

met zijn dochter, zo zei de eigenaar.

Getuige [getuige] verklaarde dat hij tijdens het betreden van de winkel zag dat de eigenaar

werd aangevallen door de inmiddels aangehouden man. [getuige] zei dat hij zag dat de man een mes en een knuppel had. [getuige] verklaarde verder dat hij had besloten om de eigenaar van de buurtsupermarkt te helpen en probeerde man te overmeesteren. Met enige inspanning lukte het om het mes van de man af te pakken, aldus getuige [getuige] .

De politie ziet dat de eigenaar twee verse wondjes aan zijn keel had, een aan de linkerzijde en een aan de rechterzijde van de keel.2

De [aangever] heeft in zijn aangifte het volgende verklaard. Hij was op 22 november 2018, omstreeks 20.30 uur, werkzaam in zijn winkel op de [adres] . Op enig moment stond hij achter in de zaak. Er stond een man voor hem. Hij herkende de man, omdat deze vaak in de winkel komt. Hij heeft ruzie met deze man, omdat die man hem beschuldigt dat hij iets met de dochter van zijn broer zou willen doen. Een week geleden was hij in de winkel en toen zei de man tegen hem, [aangever] , dat hij een mes in zijn nek zou gaan steken. Vandaag zei de man weer iets over die dochter. Hierna pakte de man hem, [aangever] , met twee handen bij zijn nek. Hij kneep met kracht. Onder zijn jas had hij een knuppel en hij had ook een groot (vlees)mes bij zich. [aangever] verklaart voorts dat hij erg bang was dat de man hem zou verwonden of vermoorden, omdat de man dit vorige week ook tegen hem had gezegd.3

Op 23 november 2018 is [aangever] nogmaals gehoord. In dat verhoor verklaart hij dat de man beweerde dat de dochter van zijn broer bij hem, [aangever] , in huis woont, maar dat hij die dochter nog nooit heeft gezien. Hij verklaart verder dat de man het mes en de stok bij zich had toen hij de winkel binnenkwam. Tijdens de schermutseling haalde hij het mes onder zijn jas vandaan en hief hij het mes boven zijn hoofd.4

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 22 november 2018 rond 20.30 uur naar de

buurtwinkel is gelopen. Bij de buurtwinkel aangekomen, zag hij door de etalageruit dat de

eigenaar, genaamd [naam] , een zwaaiende arm beweging naar hem maakte. Hij zag dat

[aangever] met een persoon aan het worstelen was. De persoon had een ijzeren buis met een

elastiek of touw om zijn schouder gebonden. De man zei telkens: ‘Mijn dochter, mijn

dochter’. [aangever] zei tegen [getuige] : ‘Het mes, het mes’. Hieruit begreep getuige [getuige] dat de persoon waarmee [aangever] aan het worstelen was, een mes had. [getuige] probeerde de ijzeren staaf van de man af te pakken, maar dit lukte niet omdat deze om zijn schouder zat gebonden met een elastiek of touw. In de binnenzak van de jas van de man zat een mes. [getuige] weet niet meer wie het mes pakte, [aangever] of de man. Hij weet wel nog dat hij riep: ‘Geef aan mij, geef aan mij’. [getuige] heeft, nadat hij het mes had gekregen, het

mes op een plastic zak buiten gelegd. De man zei tegen [getuige] : ‘Hij moet dood. Mijn dochter, mijn dochter’.5

In hoger beroep heeft getuige [getuige] nogmaals een verklaring bij de raadsheer-commissaris afgelegd. Hij verklaart dat hij bij de politie naar waarheid heeft verklaard en dat hij zich nog goed kan herinneren wat er is gebeurd. Hij verklaart dat de man in de winkel twee wapens bij zich had: een groot keukenmes en een knuppel die hij om zijn schouder had gebonden. In die knuppel zat een gat met een touw en dat touw had hij om zijn schouder gebonden. De knuppel zat onder de jas van de man. Getuige [getuige] verklaart voorts dat zij die wapenstok pas later hadden opgemerkt. De man stond eerst met het mes. Hij was eerst in conflict met de eigenaar. De eigenaar riep om hulp en toen ben ik naar binnen gegaan. Die man heeft nadrukkelijk tegen mij gezegd dat de winkelier, hem wilde doden. 6

De verdachte heeft verklaard dat hij op 22 november 2018 ruzie had met de winkelier

genaamd [naam] en dat op dat moment iemand de winkel binnenkwam die de politie belde. Hij verklaart dat hij sinds twee maanden boos is op [aangever] omdat hij slecht over verdachte heeft gesproken, waardoor de dochter van zijn broer niet naar verdachte toe mocht en bij [aangever] zou hebben moeten blijven. [aangever] heeft hem als eerste geduwd, nadat verdachte hem aansprak over de dochter van zijn broer. Op het moment van de ruzie ontstond er een worsteling. [aangever] heeft het mes in de jas van de verdachte gestopt.7

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat er een schermutseling heeft plaatsgevonden tussen aangever en hem, en dat hij niet precies weet wat er echt is gebeurd. Er was een Afghaanse man in de winkel die verdachte overeind hielp nadat hij op de grond was gevallen. Toen verdachte ging zitten, kwam getuige [getuige] binnen. Alles wat wordt verklaard door getuige [getuige] en aangever is een leugen. Verdachte verklaart verder dat hij aangever niet bij zijn keel heeft gegrepen/vastgehouden en ook niet heeft geslagen met een stok. De striemen in de nek van aangever, die op foto’s van de politie te zien zijn, kunnen iedereen overkomen. Verdachte verklaart geen mes en stok bij zich te hebben gedragen toen hij naar de buurtwinkel ging. Als getuige [getuige] verklaart dat hij wel een mes en een stok bij zich droeg, dan verklaart hij dat wellicht om aangever te helpen. Er is sprake van een complot tegen verdachte.

3.3

Overwegingen omtrent het bewijs

Het hof, met de rechtbank, stelt vast dat de lezingen van aangever en verdachte over de toedracht van het tenlastegelegde niet met elkaar overkomen.

De verdediging heeft aangevoerd dat aangever niet consistent verklaard. Zo verklaart aangever dat verdachte hem met twee handen bij zijn nek greep, terwijl hij ook verklaart dat verdachte tijdens de schermutseling het mes uit zijn jas pakte. Daarnaast verschillen de verklaringen van aangever en getuige [getuige] . Zo verklaart [getuige] dat verdachte het mes in de binnenzak van zijn jas droeg, terwijl aangever verklaart dat verdachte het mes boven zijn hoofd hief. Later verklaart [getuige] dat het mes zo groot was dat verdachte het niet in zijn jas gestopt had kunnen worden. Daarnaast is de verklaring van getuige [getuige] onbetrouwbaar, nu hij ten tijde van het voorval aangeschoten was en mogelijk (al dan niet gaandeweg) bevriend is (geraakt) met aangever, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het dossier blijkt dat getuige [getuige] die avond had gedronken en licht aangeschoten was. Hij verklaart echter ook dat hij zich nog goed kan herinneren wat er is gebeurd die avond en heeft één dag na het voorval een gedetailleerde verklaring afgelegd bij de politie. Twee jaar later verklaart [getuige] dat hij bij de politie naar waarheid heeft verklaard. Gelet op het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de waarneming en de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [getuige] . Het eventueel bevriend zijn dan wel raken met aangever, wat niet op enigerlei wijze blijkt uit het dossier, doet aan het vorenstaande niet af.

Het hof gaat uit van de juistheid van de verklaring van aangever nu deze in grote mate wordt gesteund door de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige] . Dat de verklaringen van elkaar verschillen, acht het hof op zich genomen nog geen reden om (één van) de verklaringen als onbetrouwbaar of onwaar aan te merken. Immers, dat de verklaringen over een dergelijke situatie, dat zich in hoog tempo afspeelde, verschillen van elkaar, acht het hof niet onbegrijpelijk. Voorts komen de verklaringen van aangever en getuige [getuige] , maar ook de verklaring van verdachte over de aanleiding van de ruzie met de aangever, in grote mate wel overeen. Daar komt bij dat voornoemde verklaringen overeenkomen met hetgeen de politie waarneemt als zij ter plaatse komt.

Voor het alternatieve scenario van verdachte, dat er sprake is van een ‘complot’ tegen hem en dat het mes door iemand anders in zijn jas is gestopt, is geen enkel aanknopingspunt in het dossier te vinden. Nu het hof uitgaat van de verklaring van aangever, verklaart het alternatieve scenario van verdachte ook niet waarom hij het mes en de knuppel bij zich droeg. Het hof oordeelt op grond van het voorgaande dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld.

3.3.1

Feit 1 primair (poging tot moord/doodslag)

Het hof spreekt de verdachte vrij van de tenlastegelegde poging tot moord c.q. doodslag en overweegt dienaangaande het volgende.

Op grond van artikel 45, eerste lid, Sr is een poging tot misdrijf strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Het voornemen van de dader behelst een opzetvereiste. Dat opzet moet betrekking hebben op de voltooiing van het tenlastegelegde misdrijf. De openbaring van het voornemen moet geschieden doordat met de uitvoering van het voorgenomen misdrijf een begin is gemaakt. De maatstaf die daarbij geldt, is of de bewezenverklaarde feitelijke handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf (vgl. Hoge Raad 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373, NJ 1979/52 en Hoge Raad 8 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0501, NJ 1998/612). De gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm op voltooiing zijn gericht, moeten wel uitvoeringshandelingen zijn die tot het plegen van het misdrijf behoren en in voldoende concrete mate gericht zijn op de voltooiing van het tenlastegelegde (vgl. Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575).

Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval verdachte naar de buurtwinkel van [aangever] (het latere slachtoffer) gegaan in het bezit van een groot mes en een metalen knuppel. Na binnenkomst is er een worsteling ontstaan tussen aangever en verdachte, waarbij verdachte aangever bij de nek heeft vastgegrepen en geknepen. Aangever heeft vervolgens verdachte aan zijn haren getrokken en van zich afgeduwd, waarna verdachte – volgens aangever – het mes heeft gepakt en boven zijn hoofd heeft geheven. Het mes is vervolgens door een binnenkomende klant, getuige [getuige] , van de verdachte – al dan niet via aangever – afgenomen. Het hof is van oordeel dat de vastgestelde feitelijke gedragingen van verdachte tegen de achtergrond van het vorenstaande toetsingskader niet in voldoende concrete mate gericht zijn op de voltooiing van de tenlastegelegde moord c.q. doodslag. Verdachte heeft daarom niet gehandeld ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf. Het hof acht derhalve de poging tot moord c.q. doodslag niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

3.3.2

Feit 1 subsidiair (voorbereidingshandelingen moord/doodslag/zware mishandeling)

Het hof acht wel de subsidiair tenlastegelegde voorbereiding tot moord op [aangever] bewezen en overweegt daartoe het volgende.

Op grond van artikel 46, eerste lid, Sr is voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, strafbaar wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft. Volgens bestendige jurisprudentie kan de beantwoording van de vraag of de in artikel 46, eerste lid, Sr vermelde voorwerpen, afzonderlijk of gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ‘zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf’ in de zin van deze bepaling, niet worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had. Ter zake van het tenlastegelegde misdrijf geldt dat uit de bewijsvoering met voldoende bepaaldheid moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen strekten ter voorbereiding van het feit als in de tenlastelegging bedoeld en dat het opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht (vgl. Hoge Raad 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213; Hoge Raad 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1233 en Hoge Raad 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1503).

Opzet

Met betrekking tot het opzet op het doden van aangever overweegt het hof als volgt. Verdachte had ruzie met aangever. Zoals hiervoor reeds gemotiveerd, gaat het hof uit van de verklaring van aangever waaruit blijkt dat verdachte de buurtwinkel van aangever is binnengekomen in het bezit van een groot mes en een metalen knuppel. Vervolgens is er een worsteling ontstaan waarbij verdachte aangever bij zijn nek heeft gepakt en met kracht heeft geknepen. Aangever heeft dienaangaande verklaard dat verdachte een week eerder reeds tegen hem had geroepen dat hij hem, [aangever] , een mes in zijn nek zou steken. Tevens heeft getuige [getuige] verklaard dat verdachte vlak na het beëindigen van de confrontatie tegen hem heeft gezegd dat aangever volgens verdachte dood moest.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte het opzet had om [aangever] van het leven te beroven.

Voorbedachte raad

Het hof stelt het volgende voorop. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. Hoge Raad 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342).

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad (vgl. Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963; Hoge Raad 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2058 en Hoge Raad 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2907).

Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte in ieder geval een week voor het plegen van de tenlastegelegde feiten de intentie had om [aangever] van het leven te beroven. Hij had immers een week van tevoren tegen [aangever] gezegd dat hij een mes in zijn nek zou steken. Een week later, op 22 november 2018, begeeft verdachte zich daadwerkelijk naar de buurtwinkel en bewapent hij zich voor zijn vertrek met een groot mes en een knuppel. Direct bij binnenkomst valt hij aangever aan door met zijn handen diens keel dicht te knijpen. Het mes wordt de verdachte daarna door de aangever en/of de getuige [getuige] afgenomen en samen met de knuppel later door de politie op de plaats delict aangetroffen.

Uit de in het voorgaande weergegeven omstandigheden waaronder het feit is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit, leidt het hof af dat verdachte de nodige tijd heeft gehad om zich te beraden. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte op enig moment in een situatie heeft verkeerd dat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Ook van overige omstandigheden die wijzen op een contra-indicatie en tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is het hof niet gebleken. De verklaring van de verdachte in dit verband, dat hij die dag werd aangevallen door [aangever] , acht het hof, met de rechtbank, in het licht van alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, volstrekt onaannemelijk.

Verdachte heeft gedurende een week voorafgaande aan de uiteindelijke confrontatie op 22 november 2018 niet alleen gelegenheid gehad om in rust na te denken over zijn voornemen en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, maar heeft zich nadien ook bewapend en vervolgens welbewust de keuze gemaakt om naar de buurtwinkel te gaan. Hieruit leidt het hof met voldoende bepaaldheid af dat de verdachte ter zake van het misdrijf moord, dat door hem is voorbereid, met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Psychische stoornis en opzet

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog aangevoerd dat verdachte door zijn psychische stoornis niet in staat was om zich te bezinnen over de tenlastegelegde gedragingen. Daartoe heeft zij verwezen naar een aantal uitspraken van de rechtbank (rechtbank Utrecht 21 februari 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BP5147, rechtbank ’s-Hertogenbosch 22 december 2009, ECLI:NL:RBSHE:2009:BK6857, rechtbank Alkmaar 4 januari 2011, ECLI:NL:RBALK:2011:BO9756, rechtbank ’s-Hertogenbosch 5 september 2007, ECLI:NL:RBSHE:2007:BB2861 en rechtbank ’s-Gravenhage 2 augustus 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX3415. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor zover het verweer in dezen ziet op het ontbreken van het opzet op het verwerven en voorhanden hebben van een mes en een knuppel bestemd tot het begaan van dat misdrijf, zoals tenlastegelegd onder feit 1, dan wel het ontbreken van het opzet ter zake van het plegen van de onder 2 tenlastegelegde mishandeling, stelt het hof dat ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte niet uitsluit dat sprake is geweest van opzettelijk handelen. Er is pas dan geen sprake van opzettelijk handelen indien bij de verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Daarvan zal overigens slechts bij hoge uitzondering sprake zijn (vgl. Hoge Raad 14 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3226; Hoge Raad 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775 en Hoge Raad 9 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9223).

In de NIFP-rapportage die op 10 december 2019 door psychiater [naam] en psycholoog [naam] over verdachte is uitgebracht, wordt ter zake van de vraag of de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens de gedragskeuzes en gedragingen van de onderzochte ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloedde, geconcludeerd dat bij verdachte, die lijdt aan een psychotische stoornis in het schizofreniespectrum, ten tijde van het tenlastegelegde sprake moet zijn geweest van een forse psychotische stuwing met hevige emoties. Volgens de deskundigen is sprake geweest van een forse oordeels- en kritiekstoornis, met een uiterst gebrekkige realiteitstoets, waardoor zij adviseren betrokkene het tenlastegelegde niet toe te rekenen.

Het hof oordeelt echter de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde handelen desalniettemin opzettelijk heeft gehandeld. Immers, op grond van de bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat verdachte zich meer of minder bewust is geweest van de betekenis van wat hij deed. Het hof leidt dit af uit de verklaring van verdachte zelf, onder andere afgelegd de dag na zijn aanhouding, waaruit blijkt dat hij weet dat hij naar de buurtwinkel is geweest en ruzie kreeg met de aanwezige eigenaar [aangever] , waarbij verdachte tegen de eigenaar een en ander heeft gezegd over de dochter van zijn broer. De inhoud van de verklaring komt daarbij overeen met hetgeen de aangever heeft verklaard over hetgeen is voorgevallen. Dit alles duidt er volgens het hof op dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde handelen niet verstoken was van ieder inzicht in de draagwijdte van zijn handelen.

Psychische stoornis en voorbedachte raad

Voor zover het verweer in dezen ziet op het ontbreken van voorbedachte raad van het misdrijf moord, dat door hem is voorbereid, stelt het hof dat ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte eveneens niet uitsluit dat sprake is geweest van voorbedachte raad (vgl. Hoge Raad 5 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4959 en Hoge Raad 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1249).

In de hiervoor genoemde NIFP-rapportage van psychiater [naam] en psycholoog [naam] over de verdachte wordt melding gemaakt dat verdachte in zijn functioneren al langere tijd in (zeer) sterke mate beïnvloed is door paranoïde gedachten en daaruit voortkomende emoties. Dit psychotische beeld bestaat waarschijnlijk al jaren, maar in ieder geval al geruime tijd voor het tenlastegelegde, getuige de verklaringen van verdachte aan de deskundigen.

Het hof oordeelt echter dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde handelen desalniettemin naast met opzet tevens met voorbedachte raad heeft gehandeld ter zake van het misdrijf moord, dat door hem is voorbereid. Immers, de verdachte heeft gedurende een week voorafgaande aan de uiteindelijke confrontatie op 22 november 2018 niet alleen gelegenheid gehad om in rust na te denken over zijn voornemen en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, maar heeft zich nadien ook bewapend en vervolgens welbewust de keuze gemaakt om naar de buurtwinkel te gaan. Hieruit leidt het hof met voldoende bepaaldheid af dat de verdachte ter zake van het misdrijf moord, dat door hem is voorbereid, met voorbedachte raad heeft gehandeld. Op grond van de bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat de verdachte volgens eigen verklaring weliswaar boos was op [aangever] , de eigenaar van de buurtwinkel, maar dat niet aannemelijk is geworden dat hij in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling handelde in die zin dat zijn besluitvorming en de uitvoering hebben plaatsgevonden in een plotselinge hevige drift die eraan in de weg heeft gestaan dat hij de consequenties van zijn daden kon overdenken en overzien, noch dat zijn handelen voorafgaande en tijdens het tenlastegelegde zodanig onder invloed stond van zijn psychotische stoornis, dat hij verstoken was van ieder inzicht in de draagwijdte van zijn handelen. Gelet hierop oordeelt het hof dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld ter zake van het misdrijf moord, dat door hem is voorbereid.

Conclusie

Uit de genoemde omstandigheden blijkt volgens het hof dat verdachte de voorwerpen (het mes en de metalen knuppel), afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen van verdachte dienstig waren voor het misdadige doel – het doden van de aangever met voorbedachte raad – dat verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had. Het hof concludeert dat uit de voorliggende feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de gedragingen van verdachte strekten ter voorbereiding van de moord zoals tenlastegelegd en dat het opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht.

3.3.3

Feit 2 (mishandeling)

De onder 2 tenlastegelegde mishandeling acht het hof op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen en -overwegingen eveneens bewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

voorbereiding van moord.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van verdachte is door [naam] , psychiater, en [naam] , GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en

Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Almere, een

onderzoek naar zijn geestvermogens ingesteld. Van hun onderzoek is een rapport opgemaakt, gedateerd 10 december 2019 [hierna te noemen: het NIFP-rapport]. Zij overwegen in hun rapport dat bij verdachte sprake is van een ernstige stoornis in de realiteitstoetsing, te weten een psychotische stoornis in het schizofreniespectrum, waardoor verdachte in zijn functioneren al langere tijd in (zeer) sterke mate beïnvloed is door paranoïde gedachten en daaruit voortkomende emoties. Dit psychotische beeld bestaat waarschijnlijk al jaren, maar in ieder geval al geruime tijd voor het tenlastegelegde feit. Ondanks het feit dat geen zicht is gekregen op de precieze inhoud van deze psychose, is het evident dat die aanwezig was tijdens het tenlastegelegde. Geconcludeerd wordt dat ten tijde van het tenlastegelegde, indien bewezen, sprake moet zijn geweest van een forse psychotische stuwing met hevige emoties, die betrokkene heeft gedreven tot het gedrag dat beschreven wordt in de tenlastelegging (indien bewezen). Er is sprake geweest van een forse oordeels- en kritiekstoornis, met een uiterst gebrekkige realiteitstoetsing, waardoor ondergetekenden adviseren betrokkene het tenlastegelegde niet toe te rekenen.

Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat het NIFP-rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusie met betrekking tot de toerekenbaarheid wordt gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. Het hof neemt deze conclusie dan ook over. Gelet op de inhoud hiervan komt het hof tot het oordeel dat de

bewezenverklaarde feiten de verdachte niet kunnen worden toegerekend. Het hof acht

de verdachte daarom niet strafbaar en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.

Op te leggen sanctie

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich – naar het hof begrijpt – op het standpunt gesteld dat er geen TBS met dwangverpleging dient te worden opgelegd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat verdachte op basis van slechts de verklaring van aangever en één getuige jarenlang wordt opgesloten onder het mom van TBS met dwangverpleging, omdat verdachte er een andere leefwijze op nahoudt, zoals zijn geloof en numerologie.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich op 22 november 2018 schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen tot het vermoorden van de eigenaar van een buurtwinkel, [aangever] . Hij is gewapend met een mes en een ijzeren knuppel naar de buurtwinkel van [aangever] gegaan en heeft hem, zodra hij hem zag, bij zijn keel vastgepakt en zijn keel dichtgeknepen. Hij had een week voor dit incident al tegen [aangever] gezegd dat hij hem met een mes in de nek zou steken. In de worsteling die ontstond nadat verdachte [aangever] bij zijn keel vast had, bleek verdachte ook een mes (en een knuppel) bij zich te hebben, dat gelukkig, doordat een andere klant [aangever] te hulp schoot, afgepakt kon worden, zodat erger voorkomen kon worden.

Uit de uitlatingen die verdachte heeft gedaan vóór en tijdens het plegen van het feit, is gebleken dat verdachte in de veronderstelling was dat [aangever] iets had met de dochter van de broer van verdachte. Deze dochter woont echter niet in Nederland en heeft, zo blijkt uit het gedragskundig rapport, al jaren geen contact met verdachte. Uit dat rapport blijkt ook dat verdachte al jaren lijdt aan een psychotische stoornis met paranoïde waandenkbeelden en dat hij vanuit een dergelijk waandenkbeeld heeft gehandeld.

Het slachtoffer [aangever] was niet bekend met deze achtergrond en zag zich geconfronteerd met een klant die het – om voor hem onduidelijke redenen – op zijn leven had gemunt. Uit de schadeonderbouwing van [aangever] blijkt de impact van het handelen van verdachte op zijn leven. Ten tijde van het strafbare feit heeft benadeelde gevreesd voor zijn leven en is hij sindsdien doodsbang voor verdachte. Momenteel is [aangever] onder behandeling bij de praktijkondersteuner GGZ van de huisarts, welke hem heeft doorverwezen naar een GGZ psycholoog.

Het hof, grotendeels overeenkomstig de rechtbank, overweegt met betrekking tot het al dan niet opleggen van een maatregel van TBS met voorwaarden het volgende.

In het NIFP-rapport wordt in dit kader het volgende vermeld:

(…)

Het risico op recidive, ingeschat met de HCR-20V3, een risicotaxatielijst, is op basis van

historische ‘statistische’ factoren laag te noemen. Kijkend naar de klinische en toekomstige

items, gecombineerd met het gegeven dat er sprake is van een psychotische stoornis, ontstaat echter een ander beeld: betrokkene zou, vanuit zijn paranoïde, angst en boosheid, uitspraken hebben gedaan dat het slachtoffer dood moest. Dankzij de interventie van een omstander zijn er geen ernstige gewonden gevallen. Betrokkene heeft geen blijk gegeven van enig probleem- of ziektebesef en wijt het gebeurde aan een complot dat tegen hem is opgezet.

Het geïsoleerde leven van betrokkene voorkomt dat zijn paranoïde gedachten worden

gecorrigeerd door anderen. Betrokkene heeft geen hulp ingeroepen voor de psychische

problemen die hem al langdurig parten spelen. Er zijn weinig beschermende factoren: betrokkene is zijn huis kwijtgeraakt. Alleen de financiën van betrokkene zijn op orde en

kunnen als beschermend worden aangemerkt. Indien het psychiatrisch toestandsbeeld

onbehandeld zou blijven voortbestaan en daar onvoldoende monitoring en risicomanagement op zou worden ingezet, dan zal deze toestand een bron van (hernieuwde) achterdocht en boosheid blijven. Met name gevoelens van vijandigheid, paranoïde overtuigingen, angst en boosheid zijn belangrijke psychotische triggers voor recidive. Op basis van deze factoren wordt het recidiverisico op soortgelijk gewelddadig gedrag als het huidige tenlastegelegde (indien bewezen) als hoog ingeschat. (…)

Gedegen nadere diagnostiek en intensieve behandeling van de geconstateerde psychotische

stoornis is nodig. Gezien het ontbreken van ziektebesef en een hulpvraag zal dit niet in een

vrijwillig of voorwaardelijk kader kunnen plaatsvinden. Daarom is een klinische opname

noodzakelijk. Vanwege het feit dat betrokkene door zijn teruggetrokken gedrag en tengere

gestalte weinig opvalt en de vermijdende coping (het uit de weg gaan van contacten en

mogelijke problemen) inmiddels weer op de voorgrond staat, is het belangrijk dat de

behandeling forensisch wordt ingestoken. Bij een opname in de ‘algemene psychiatrie’ ligt

onderschatting van het gevaar namelijk op de loer. De duur van de beoogde opname binnen

een forensische kliniek zal substantieel dienen te zijn; gedacht wordt aan minimaal een jaar.

Betrokkene heeft weliswaar tijdelijk medicatie gebruikt in detentie, maar is daar vanuit een

gebrek aan ziektebesef en psychotische belevingen (zijn God maakte hem duidelijk dat de

medicatie niet goed was) ook vrij snel weer mee gestopt. Het is niet ondenkbaar dat een

dwangbehandeling nodig zal zijn om een uitzichtloos verblijf binnen een psychiatrisch

ziekenhuis te voorkomen of te doorbreken. Ondergetekenden verwachten niet dat

betrokkene in de loop van een klinische psychiatrische behandeling ziektebesef zal gaan

ontwikkelen. Na een klinische behandeling lijkt een plaatsing in een setting voor beschermd

of begeleid wonen dan ook voor de hand te liggen, waarbij langdurig toezicht op het

functioneren vanuit forensisch kader noodzakelijk is om te voorkomen dat betrokkene zich

weer snel aan zorg zal onttrekken. In dat geval is een terugkeer van psychotische symptomen allerminst ondenkbaar.

De voorgestelde behandeling kan via het schakelartikel uit de wet Forensische Zorg binnen

het kader van een zorgmachtiging (wet Verplichte GGz) gerealiseerd worden (voorheen

artikel 37 Wetboek van Strafrecht). Gezien bovenstaande wordt door ondergetekenden

aangetekend dat zelfs een intensieve behandeling van een halfjaar onvoldoende zal zijn om

tot een aanvaardbare daling van het recidiverisico te komen. Derhalve voorspellen

ondergetekenden dat een verlenging van de zorgmachtiging te zijner tijd nodig zal zijn, om

zodoende het psychiatrisch toestandsbeeld te kunnen blijven monitoren en bij een eventueel

hernieuwde psychotische decompensatie tijdig te kunnen ingrijpen voordat (opnieuw) acuut

gevaar ontstaat.

Ondergetekenden zijn van mening dat een dergelijke behandeling niet noodzakelijkerwijs

binnen een maatregel tbs met dwangverpleging dient plaats te vinden. Betrokkene is immers

buiten de huidige feiten niet bekend met agressief gedrag en gedraagt zich niet impulsief

(ondanks dat er in het huidige onderzoek nog steeds sprake is van een psychotische

stoornis). Tevens hanteert betrokkene over het algemeen een conflict vermijdende stijl om

problemen op te lossen, waarbij agressief gedrag niet zijn primaire handelwijze is. Ten slotte kan gesteld worden dat betrokkene zich goed voegt naar afdelingsregels; hij toont zich nu niet vijandig naar zijn omgeving en komt niet in conflict. Een hoog beveiligingsniveau, zoals in een FPC (niveau 4) of FPK (niveau 3) het geval is, is in de ogen van ondergetekenden dan ook niet strikt noodzakelijk. Een instelling met beveiligingsniveau 2, zoals een FPA, volstaat naar de mening van ondergetekenden. (…)

Ter terechtzitting van 15 januari 2020 heeft de rechtbank [naam] , psychiater en

geneesheer-directeur, verbonden aan de GGZ Mondriaan gehoord over het advies van de

deskundigen in het NIFP-rapport van het Pieter Baan Centrum met betrekking tot het voorgestelde kader.

De heer [naam] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren gebracht:

Een zorgmachtiging wil niet zeggen dat de veroordeelde forensische zorg krijgt gericht op

bijvoorbeeld het beperken van het recidiverisico of beveiliging. Een zorgmachtiging is een

civielrechtelijke machtiging die ook civielrechtelijk bekostigd wordt. In een forensische

zorginstelling zitten mensen met strafrechtelijke titels. Andere plekken zijn heel schaars.

Met een civiele machtiging ga je in de regel naar een psychiatrisch ziekenhuis.’

De heer [naam] heeft zich onthouden van advies, omdat hij verdachte niet heeft onderzocht.

Het hof kan, gelet op hetgeen in het NIFP-rapport wordt geschetst als een voor de verdachte noodzakelijk geachte behandeling, het advies om die te realiseren via een civiele zorgmachtiging niet volgen. Kennelijk is op basis van een civiele zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:5 aanhef en onder a van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

(WvGGZ) de noodzakelijk geachte behandeling van verdachte in een forensische psychiatrische kliniek niet mogelijk, of zeer moeilijk te realiseren, ook niet indien een

dergelijke machtiging door de strafrechter wordt afgegeven op grond van het bepaalde in

artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (Wfz). Ook stellen de deskundigen in het NIFP-rapport dat een forensische klinische behandeling van minimaal één jaar noodzakelijk is,

terwijl een civiele zorgmachtiging slechts voor een halfjaar kan worden afgegeven. Ook het

noodzakelijk geachte langdurige toezicht na de klinische behandeling is via een civiele

zorgmachtiging niet (op voorhand dwingend) te realiseren. Het hof zal dit advies dan

ook niet volgen, nu dit naar zijn oordeel onvoldoende waarborgen biedt dat verdachte de

behandeling krijgt die noodzakelijk is om het recidiverisico te beteugelen.

Gelet op de conclusies in het NIFP-rapport over de persoonlijkheid van de verdachte, is het hof van oordeel dat bij verdachte tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten

een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond en

er causaal verband aanwezig is tussen die gebrekkige ontwikkeling en stoornis en het door

verdachte gepleegde feit. Het hof is ook van oordeel dat de veiligheid van anderen of

de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van TBS eist, nu het

alternatief (de civiele zorgmachtiging) niet passend wordt geacht. Verder is het door

verdachte onder 1 subsidiair begane feit een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving

een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Aan de voorwaarden om tot oplegging

van TBS te komen wordt dan ook voldaan. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit en de adviezen van voornoemde deskundigen in aanmerking genomen, ziet het hof het opleggen van TBS als de in deze situatie enige passende maatregel.

Het hof heeft de situatie van verdachte van de afgelopen jaren mede in overweging

genomen. De deskundigen zien daarin aanwijzingen voor psychotische ontregelingen en er

bestaan concrete aanwijzingen dat, zonder de juiste zorg binnen een forensisch kader, het

opnieuw mis kan gaan. Het hof zal bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd, nu zij, op grond van het vorenoverwogene, van

oordeel is dat de algemene veiligheid van personen en goederen de verpleging eist.

De maatregel van TBS zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

De benadeelde partij [aangever] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.516,65, bestaande uit € 641,65 aan materiële schade en € 875,00 aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 875,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd om de immateriële schade, conform het vonnis, toe te wijzen tot een bedrag van € 875,00 en de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt – naar het hof begrijpt – gelet op de bepleite vrijspraak, om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoekt de verdediging het immateriële deel van de vordering af te wijzen, nu de vermeende psychische klachten van de benadeelde partij niet nader onderbouwd zijn middels een medisch dossier dan wel een psychologisch rapport.

Het oordeel van het hof

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [aangever] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.

Ter onderbouwing van zijn vordering tot immateriële schadevergoeding heeft de benadeelde

partij een schrijven van de verpleegkundig specialist GGZ van 7 februari 2019 overgelegd.

Hieruit blijkt dat er bij de benadeelde partij sprake is van prikkelbaarheid, slecht en licht

slapen met daarbij schrikachtig reageren op zelfs kleine geluiden. Hij is meer op zijn hoede.

sluit zijn kamerdeur nu ook af, controleert de rest van de deuren extra. De angst maakt dat hij mogelijk besluit om met zijn winkel te stoppen. Een verwijzing naar een psychologenpraktijk is geïndiceerd.

Het hof acht, evenals de rechtbank, is van oordeel dat de ernst en de gevolgen van het bewezenverklaarde voor de benadeelde toewijzing van het door hem gevorderde bedrag van € 875,00 billijken. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict – 22 november 2018 – tot de dag der algehele afdoening, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [aangever] is toegebracht tot een bedrag van € 875,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Inbeslaggenomen goederen

Gelet op artikel 33a lid 1 sub c Wetboek van Strafrecht zijn de inbeslaggenomen voorwerpen – te weten het mes en het slagwapen – vatbaar voor verbeurdverklaring, nu met behulp van voornoemde voorwerpen het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit is voorbereid. Het hof zal dan ook overgaan tot verbeurdverklaring van het mes en het slagwapen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 46, 57, 289 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte niet strafbaar.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten het mes en het slagwapen.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 875,00 (achthonderdvijfenzeventig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever] , ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 875,00 (achthonderdvijfenzeventig euro) als vergoeding voor immateriële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 17 (zeventien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 november 2018.

Aldus gewezen door:

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. J. Nederlof, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.G. Gersen, griffier,

en op 28 januari 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 In de hiernavolgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Zuid-West-Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2018178902, afgesloten d.d. 25 november 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [naam] , hoofdagent van politie Eenheid Limburg, met als bijlagen in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en/of andere geschriften, voorzien van de doorlopend genummerde pagina's 1 tot en met 40.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 november 2018, p. 7-8.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] d.d. 22 november 2018, p. 16.

4 Het proces-verbaal van verhoor van [aangever] d.d. 23 november 2018, p. 21.

5 Het proces-verbaal van [getuige] d.d. 23 november 2018, p. 23-24.

6 Het proces-verbaal van [getuige] bij de raadsheer-commissaris d.d. 27 oktober 2020, p. 1.

7 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 november 2018, p. 38-39.