Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:642

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
03-03-2021
Zaaknummer
20-000235-19
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:552, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot moord op echtgenote, bedreiging van passanten en verboden vuurwapenbezit. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte tot 13 jaren en 6 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het bedrag van € 28.770,80, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Parketnummer : 20-000235-19

Uitspraak : 3 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 23 januari 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 03-702007-18 en 03-700250-18, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1967,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Limburg-Zuid –

gevangenis ‘De Geerhorst’ te Sittard.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het in de zaak met parketnummer 03-702007-18 primair tenlastegelegde en het in de gevoegde zaak met parketnummer 03-700250-18 onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
- ‘poging tot moord’ (in de zaak met parketnummer 03-702007-18),
- ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ (feit 1 in de gevoegde zaak met parketnummer 03-700250-18) en
- ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd’ (feit 2 alsook feit 3 in de gevoegde zaak met parketnummer 03-700250-18),
de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 29.140,56, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met niet-ontvankelijkverklaring van bepaalde in het vonnis genoemde schadeposten en onder afwijzing van het meer of anders gevorderde.
Ten slotte is ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van de bewijsmiddelen en met uitzondering van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. In zoverre dient het bestreden vonnis in de visie van het Openbaar Ministerie te worden vernietigd. Door de advocaat-generaal is gevorderd dat het hof, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van het voorarrest en de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 34.140,56, te vermeerderen met de wettelijke rente, met niet-ontvankelijkverklaring van dezelfde posten als in het vonnis waarvan beroep genoemd en onder afwijzing van het meer of anders gevorderde. Ten slotte is gerequireerd tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van de in de zaak met parketnummer 03-702007-18 primair tenlastegelegde poging tot moord. De verdediging heeft zich met betrekking tot de overige tenlastegelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman geconcludeerd tot partiële afwijzing alsmede tot matiging van het eventueel toe te kennen bedrag aan smartengeld.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het bestreden vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

in de zaak met parketnummer 03-702007-18:

1.
hij op of omstreeks 19 februari 2018 te Vijlen, in elk geval in de gemeente Vaals, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (zijn echtgenote) [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en met die voorbedachten rade meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen een kogel in het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten en/of meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen een kogel in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 19 februari 2018 te Vijlen, in elk geval in de gemeente Vaals, aan zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten (o.a.) meerdere ribfracturen en/of een fractuur van de (linker) schouderblad en/of een klaplong en/of letsels in beide longen, heeft toegebracht door met dat opzet en die voorbedachten rade meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen een kogel in het lichaam van die [slachtoffer] te schieten;


in de ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde zaak met parketnummer 03-700250-18:

1.
hij op of omstreeks 19 februari 2018 te Vijlen, in elk geval in de gemeente Vaals, [wandelaar 1] en/of [wandelaar 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op die [wandelaar 1] en/of [wandelaar 2] gericht en/of gericht gehouden en/of (daarbij) (met de loop van dit (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp) gebaard dat die [wandelaar 1] en/of [wandelaar 2] weg moet/moeten gaan;

2.
hij op of omstreeks 19 februari 2018 te [woonplaats verdachte] , althans in de gemeente Leudal, een of meer (vuur)wapens van categorie III, te weten:
- een (basculerend) dubbelloops hagelgeweer, kaliber 12 GA, serienummer 483712 en/of
- een (basculerend) dubbelloops hagelgeweer, kaliber 12 GA, serienummers 704936 en 222,
voorhanden heeft gehad;

3.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 2 mei 2018 te [woonplaats verdachte] , althans in de gemeente Leudal, een of meer (vuur)wapens van categorie III, te weten (een) enkelschots grendelgewe(e)r(en) (merk/model Walther Sportmodell V), kaliber .22 Long Rifle, voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het hof merkt ten aanzien van het in de strafzaak met parketnummer 03-702007-18 onder feit 1 tenlastegelegde het volgende op. Het is tegen de achtergrond van de inhoud van het strafdossier de kennelijke bedoeling van de steller der tenlastelegging geweest om daarin het verwijt tot uitdrukking te brengen dat de verdachte zich aan een poging tot moord c.q. doodslag op het slachtoffer heeft schuldig gemaakt door haar meerdere keren met een vuurwapen te beschieten, dat hij haar daarbij één of meerdere keren heeft gemist maar ook dat hij haar daarbij één of meerdere keren daadwerkelijk heeft geraakt. Uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte door deze uitleg van de tenlastelegging niet in zijn belangen wordt geschaad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-702007-18 onder feit 1 primair en in de zaak met parketnummer 03-700250-18 onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

in de zaak met parketnummer 03-702007-18:

1.
hij op 19 februari 2018 te Vijlen in de gemeente Vaals, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn echtgenote [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en met die voorbedachten rade meermalen met een vuurwapen een kogel in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten en (daarbij) tweemaal met dat vuurwapen een kogel in het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

in de ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde zaak met parketnummer 03-700250-18:

1.
hij op 19 februari 2018 te Vijlen in de gemeente Vaals, [wandelaar 1] en [wandelaar 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, een vuurwapen op die [wandelaar 1] en [wandelaar 2] gericht en daarbij met de loop van dit vuurwapen gebaard dat die [wandelaar 1] en [wandelaar 2] weg moeten gaan;

2.
hij op 19 februari 2018 te [woonplaats verdachte] in de gemeente Leudal, vuurwapens van categorie III, te weten:
- een basculerend dubbelloops hagelgeweer, kaliber 12 GA, serienummer 483712 en
- een basculerend dubbelloops hagelgeweer, kaliber 12 GA, serienummers 704936 en 222,
voorhanden heeft gehad;

3.
hij in de periode van 1 januari 2018 tot en met 2 mei 2018 te [woonplaats verdachte] in de gemeente Leudal, vuurwapens van categorie III, te weten enkelschots grendelgeweren (merk/model Walther Sportmodell V), kaliber .22 Long Rifle, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

In die aanvulling van de bewijsmiddelen, alsook hierna in de bewijsoverwegingen, wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, districtsrecherche Zuid-West-Limburg, op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , brigadier van politie, proces-verbaalnummer 2018026086, gesloten d.d. 15 mei 2018, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-2092.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de vorenbedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewijsoverwegingen

A.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van de in de zaak met parketnummer 03-702007-18 primair tenlastegelegde poging tot moord. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern aangevoerd dat de verdachte niet met voorbedachten rade heeft gehandeld, althans niet om het slachtoffer [slachtoffer] van het leven te beroven. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft over het incident verklaard dat hij weliswaar op het slachtoffer (zijn toenmalige echtgenote) met een vuurwapen heeft geschoten, maar dat hij daarbij niet de bedoeling had om haar te doden. Hij wilde het slachtoffer slechts laten schrikken met een waarschuwingsschot, zodat zij weer ‘op normale wijze met hem ging communiceren’. Dit is in de visie van de verdediging geen volstrekt ongeloofwaardig scenario. Daarbij is van belang dat de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen dit scenario niet uitsluiten. De daaruit naar voren komende feiten en omstandigheden kunnen volgens de raadsman evenzeer passen in het door de verdachte geschetste scenario, temeer nu het slachtoffer wat de verdediging betreft op essentiële onderdelen inconsistent heeft verklaard.
Reeds op grond van het voorgaande bestaat er redelijke twijfel over de vraag of de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade en is er onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring van poging tot moord te kunnen komen, aldus de raadsman.

De verdediging is voorts de mening toegedaan dat niet kan worden bewezen dat het slachtoffer drie keer is geraakt. Op grond van het vastgestelde letsel kan volgens de raadsman slechts worden geconcludeerd dat zij twee keer door een kogel is getroffen.
Gelet op het korte tijdsbestek waarbinnen het slachtoffer gewond is geraakt en de evidente samenhang tussen de handelingen die het letsel hebben veroorzaakt kan in de visie van de verdediging niet worden bewezen dat de verdachte gelegenheid heeft gehad voor kalm beraad en rustig overleg, hetgeen een constitutief vereiste is om van voorbedachten rade te kunnen spreken.


In dit verband heeft de raadsman tevens gewezen op enkele contra-indicaties voor de premisse dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en mogelijke gevolgen van zijn daad. Allereerst heeft de verdediging opgemerkt dat het vermogen van de verdachte om rationeel te denken was verstoord. Daarnaast was sprake van een relatief korte tijdspanne tussen het besluit het slachtoffer daadwerkelijk te raken en de uitvoering daarvan, namelijk hooguit 20 seconden. De gelegenheid tot beraad is volgens de raadsman pas ontstaan tijdens de uitvoering van het feit, hetgeen eveneens een contra-indicatie oplevert voor de aanwezigheid van voorbedachten rade. Voorts is de uitvoering van het plan slordig geweest en duidt de omstandigheid dat de verdachte het slachtoffer in leven heeft gelaten erop dat de verdachte zo goed als zonder beraad en zonder de bedoeling om haar te doden heeft gehandeld. Ten slotte is aangevoerd dat veeleer sprake lijkt te zijn van een plotseling escalerende situatie waarbij de verdachte extreem en disproportioneel geweld heeft gebruikt, dan van een vooraf door hem zorgvuldig geplande actie.

Al deze contra-indicaties maken volgens de raadsman dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en dat hij geen gelegenheid heeft gehad om zich te beraden over de betekenis en de gevolgen van zijn daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

B.

Vaststaat dat de verdachte op 19 februari 2018 te Vijlen meermalen met een vuurwapen op het slachtoffer [slachtoffer] heeft geschoten. Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof voorts vast dat de verdachte in ieder geval driemaal in de richting van het slachtoffer heeft geschoten, waarbij hij haar met (ten minste) twee schoten heeft geraakt in haar bovenlichaam.1

Het hof ziet zich in deze zaak voor de vraag gesteld of de verdachte door aldus te handelen heeft gepoogd het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het hof het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachten rade is gehandeld, maar behoeft het hof niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) het hof uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachten rade heeft gehandeld.

D.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt van de navolgende feiten en/of omstandigheden.

De verdachte heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie en ten overstaan van de rechtbank verklaard dat hij bij het opruimen in november-december 2017 van zijn boerderij in België stuitte op een vuurwapen dat hij geruime tijd eerder daar verborgen had. Toen was volgens de verdachte ‘het domme idee’ geboren.2 Kort daarna moet hij het wapen in de kofferbak van zijn auto hebben gelegd, aangezien de verdachte heeft verklaard dat hij er wekenlang mee in de auto heeft rondgereden.3

Uit digitaal onderzoek is naar voren gekomen dat de verdachte op 8 februari 2018 en op 13 februari 2018 op de website www.winparts.nl heeft gezocht naar informatie over auto’s van het merk Volkswagen, type Golf.4 De verdachte heeft erkend dat hij kentekens heeft opgeschreven van auto’s van hetzelfde type als zijn Volkswagen Golf en dat hij deze kentekens vervolgens op voormelde website heeft ingevuld.5

Op 16 februari 2018 heeft de verdachte een voorverkenning uitgevoerd bij het vakantiehuisje aan de [adres] te Vijlen. Via een GPS-tracker, die de verdachte onder de auto van het slachtoffer had geplaatst teneinde bewijs te kunnen vergaren om een partneralimentatieclaim te kunnen weerleggen6, wist de verdachte dat het slachtoffer daar schoonmaakwerkzaamheden verrichtte. Op vrijdag 16 februari 2018 heeft de verdachte zich naar dat vakantiehuisje begeven om te bezien of er dat weekend gasten waren. Dat bleek zo te zijn, waardoor de verdachte eveneens wist dat het slachtoffer de daaropvolgende maandag het vakantiehuisje zou gaan schoonmaken.7

Op 18 februari 2018 is de verdachte vanuit zijn woning in [woonplaats verdachte] naar de boerderij in België gegaan. Daar heeft hij het vuurwapen getest8, aangezien hij dacht dat het wapen verroest zou zijn. De hulzen ving hij op, daar had hij ook over nagedacht. De verdachte wilde immers niet dat er een huls zou achterblijven op de plaats delict.9 Hoewel de verdachte in [woonplaats verdachte] een alarmpistool had liggen, zou dat pistool niet voldoende zijn geweest om zijn kennelijke doel te bereiken.10

Naast het testen van het vuurwapen heeft de verdachte daags tevoren ook een vals kenteken op fotopapier geprint. Dit geprinte kenteken heeft hij met lijmspray op metalen kentekenhouders geplakt.11

In de ochtend van 19 februari 2018 werd de verdachte wakker in de boerderij in België. Onder medeneming van de valse kentekenplaten, andere kleding, handschoenen, het vuurwapen en ongeveer 80 patronen is de verdachte vertrokken naar het vakantiehuisje gelegen aan de [adres] te Vijlen.12

Uitlezing van de camerabeelden van restaurants te Vijlen, historische verkeersgegevens van de iPhone van de verdachte en gegevens uit het navigatiesysteem van de auto van de verdachte hebben uitgewezen dat de verdachte al ’s ochtends vroeg in de omgeving van de plaats delict aanwezig was en daar is gebleven.13 De verdachte heeft verklaard dat hij op 19 februari 2018 zijn nieuwe iPhone meenam, omdat daar de app op stond voor de GPS-tracker. Hij had in deze mobiele telefoon een aparte simkaart gedaan, zodat niemand hem kon storen tijdens zijn ‘geheime plan’.14

Op de parkeerplaats waarop de verdachte in Vijlen zijn auto had geparkeerd, heeft hij, voordat hij naar het vakantiehuisje liep, de valse kentekenplaten op zijn auto geschroefd.15

Op het moment dat de verdachte zich begaf in de richting van het vakantiehuisje, was hij geheel in het zwart gekleed. Zijn gezicht, met uitzondering van zijn ogen, was afgeschermd. De verdachte had ook kleding bij zich om na het delict aan te trekken, omdat hij naar eigen zeggen angst had dat hij gepakt zou worden.16 De verdachte had ook oude handschoenen aangetrokken, met kapotte vingers.17 Daardoor kon de verdachte gemakkelijk het wapen laden.18

Nadat de verdachte bij het vakantiehuisje was gearriveerd zag hij dat er ter plaatse een auto van het merk Volvo stond. De verdachte heeft vervolgens gewacht in het schapenhok. De eigenaren van de Volvo zijn op enig moment gaan wandelen en het slachtoffer is bij het vakantiehuisje komen aanrijden en het huisje binnen gegaan. De verdachte heeft vervolgens een hele tijd gewacht en is naast de woning in de luwte gaan staan.19 Bij het vakantiehuisje stond ook een klimrek, waar hij zijn rugzak met het vuurwapen in heeft neergelegd en het vuurwapen in elkaar heeft geschroefd en geladen.20 De verdachte had twee dozen patronen bij zich.21

Toen het slachtoffer uit het vakantiehuisje kwam lopen, is de verdachte gewapend op haar afgelopen. De verdachte schoot driemaal, waarbij hij met minstens twee kogels haar heeft geraakt in haar bovenlichaam. Doordat het een vuurwapen betrof dat telkens slechts kon worden geladen met één kogel, heeft de verdachte het wapen tussentijds opnieuw moeten laden met munitie.22 Aangeefster heeft de schutter toen ook herkend als de verdachte.

In de directe omgeving van het vakantiehuisje waren [wandelaar 2] en [wandelaar 1] aan het wandelen. Toen zij plotseling meerdere schoten en hulpgeroep hoorden, liepen zij in de richting van de vakantiewoning en zagen zij een vrouw in de foetushouding op de grond liggen. De verdachte heeft toen met het vuurwapen naar hen gebaard dat zij weg moesten gaan. Getuigen [wandelaar 2] en [wandelaar 1] keken daarbij in de loop van het geweer.23

De verdachte heeft het slachtoffer vervolgens aan haar lot overgelaten. Met behulp van een door hem meegenomen mes heeft de verdachte de GPS-tracker onder de auto van het slachtoffer weggehaald. Nadat de verdachte was weggereden heeft hij onderweg het vuurwapen, de opgevangen hulzen, zijn handschoenen, zwarte muts, sjaal, telefoon en GPS-tracker weggegooid. Onderweg heeft hij ook van kleding gewisseld en heeft hij zijn kleding, die hij tijdens het delict droeg, in een kledingbak gegooid. Bij een autowasserette heeft hij zijn auto afgespoten. Voorts heeft hij de vervalste kentekenplaten van de auto afgehaald en deze later in het kanaal gegooid. Tevens heeft hij meegenomen wieldoppen, die in de kofferbak lagen, op de velgen van zijn auto geplaatst.24

Tijdens de doorzoeking van de woning en de auto van de verdachte zijn door de politie twee notitieblaadjes (deel A en deel B) in beslag genomen. Souche-onderzoek heeft uitgewezen dat deze twee delen oorspronkelijk één geheel hebben gevormd. Op deel A, aangetroffen in de woning van de verdachte, is vermeld: ‘Kleren in was. Gezicht wassen / Handy mee’. Op deel B, aangetroffen in de auto van de verdachte, is vermeld: ‘voor aankomst nr plaat / spiegel. Daar: handschoenen aan & gaan, suzi uitbouw, sleutels? Later: Weg. Aanstekers + water / carwash, gezicht wassen / handy mee, RADIO’.25 De term ‘suzi uitbouw’ zag op het verwijderen van de GPS-tracker van de Suzuki Swift van het slachtoffer. Dit waren geheugensteuntjes bij het uitvoeren van het door de verdachte voorgenomen plan.26

E.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte uiterlijk aan het einde van het jaar 2017 het plan heeft opgevat om met een vuurwapen op het slachtoffer te schieten, met wie hij – blijkens het verhandelde ter terechtzitting – ten tijde van het tenlastegelegde in een echtscheidingsprocedure was verwikkeld. Ook staat op grond van het vorenstaande vast dat de verdachte op de dag van het delict overgegaan is tot uitvoering van zijn plan en dat hij het slachtoffer in ieder geval drie keer met een vuurwapen heeft beschoten en haar daarbij ten minste twee keer in het bovenlichaam heeft geraakt.

De verdachte erkent deze vaststellingen ook, maar hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep – in navolging van zijn laatste verklaring bij de politie en zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg – verklaard dat zijn plan niet zag op het raken en doden van het slachtoffer, maar slechts op het laten schrikken van het slachtoffer, zodat zij weer ‘op normale wijze’ met hem zou gaan communiceren. Dat hij het slachtoffer op de dag van het delict uiteindelijk wel twee keer in het bovenlichaam heeft geraakt, daar zag het plan niet op en had te maken met onvoorziene ontwikkelingen op de plaats van het delict, aldus de verdachte.

Het hof hecht aan de verklaring van de verdachte op dit punt echter geen geloof.

Daarbij betrekt het hof in de eerste plaats de wijze van totstandkoming van deze verklaring en het moment waarop de verdachte voor het eerst met deze lezing naar voren is gekomen.

In dit verband stelt het hof vast dat de verdachte:

* bij gelegenheid van zijn eerste verhoor op 20 februari 2018 (p. 1143) ontkent ook maar iets met het schietincident te maken te hebben en verder niets wil verklaren;

* zich bij gelegenheid van zijn tweede verhoor op 22 februari 2018 (p. 1148) op zijn zwijgrecht beroept;

* bij gelegenheid van zijn derde verhoor op 1 maart 2018 (p. 1153) en nadat hij met een aantal onderzoeksbevindingen (over zijn auto die op beelden te zien is, het briefje waarvan een deel in de auto en een ander deel in zijn woning is gevonden, het DNA van de verdachte op een kogel die op de plaats delict is aangetroffen) is geconfronteerd een summiere verklaring op onderdelen aflegt, maar betrokkenheid bij het schietincident nog altijd ontkent (“is niet bij het vakantiehuisje geweest” en “ik heb dat niet gedaan”) en zich verder voornamelijk op zijn zwijgrecht beroept;

* vervolgens een brief aan het rechercheteam schrijft, die is gedateerd op 10 maart 2018, waarin hij de stelling betrekt dat aangeefster liegt en hem ten onrechte als dader naar voren schuift en waarin hij een aantal ‘niet logische zaken’ in de verklaringen van aangeefster aanwijst; in deze brief komt de verdachte verder met een zeer gedetailleerd verhaal dat er op neer komt dat het schietincident een uitvloeisel was van een ‘macabere grap’ die de verdachte samen met een persoon genaamd ‘Henk’ had beraamd: het was Henk die aangeefster zou laten schrikken en heeft geschoten en haar daarbij kennelijk had geraakt;

* vervolgens aan de politie te kennen geeft dat hij ‘openheid van zaken’ wil geven en dan bij gelegenheid van zijn vierde verhoor op 12 april 2018 (p. 1195) een nadere verklaring aflegt die wederom neerkomt op het eerder door hem in zijn brief beschreven ‘Henk-scenario’. De verdachte rijdt twaalf dagen later op 24 april 2018 nog met het rechercheteam de route die de verdachte naar eigen zeggen samen met ‘Henk’ had afgelegd (p. 1176);

* bij gelegenheid van zijn vijfde verhoor (p. 1243) op 25 april 2018 blijft hij bij zijn verklaring dat het ‘Henk’ is geweest die het slachtoffer heeft beschoten. Wat opvalt in deze verklaring is ook dat de verdachte naarmate hem door de verhorende politieambtenaren onderzoeksbevindingen worden voorgehouden die niet sporen met zijn verklaring en waarvan hij tot dan toe nog geen kennis droeg, de verdachte zijn verklaring op verschillende onderdelen in overeenstemming met die onderzoeksbevindingen probeert te krijgen;

* bij gelegenheid van zijn zesde verhoor op 1 mei 2018 (p. 1269) voor het eerst bekent dat hij de dader is geweest. Hij verklaart bij die gelegenheid – kort samengevat – dat hij aangeefster alleen maar wilde laten schrikken en intimideren door haar een waarschuwingsschot te geven en dat hij dit tot in detail had gepland;

* nadien verklaringen met eenzelfde strekking heeft afgelegd op 1 mei 2018 (zevende verhoor), 4 juli 2018 (achtste verhoor), ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep.

Uit het voorgaande volgt genoegzaam dat de verdachte pas in een zeer laat stadium van het opsporingsonderzoek en eerst nadat hij kennis kreeg van objectieve en zeer belastende onderzoeksbevindingen die niet spoorden met zijn eerder ingenomen ontkennende houding en evenmin met het door hem naar voren gebrachte ‘Henk-scenario’, heeft bekend dat hij de schutter was die aangeefster levensgevaarlijk had verwond. Eerst toen heeft hij naar voren gebracht dat zijn plan in het geheel niet op levensberoving gericht was geweest, maar op het laten schrikken van aangeefster om te bewerkstelligen dat zij weer met hem in gesprek ging.

Het hof vermag deze ontwikkeling van proceshouding niet goed in te zien als het plan van de verdachte daadwerkelijk slechts op het laten schrikken van aangeefster was gericht. Het was de verdachte vanaf het eerste verhoor duidelijk dat hij werd verdacht van poging tot moord op zijn (ex-)echtgenote. Bij confrontatie met een dermate ernstige beschuldiging als in de onderhavige zaak zou het redelijkerwijs voor de hand hebben gelegen dat de verdachte nagenoeg onmiddellijk, doch in ieder geval kort na zijn aanhouding, kenbaar gemaakt zou hebben dat de hem verweten gedragingen verband houden met een geheel andere toedracht en opzet dan levensberoving. Anders gezegd: het had veel meer voor de hand gelegen dat de verdachte aanstonds aan de politie zou proberen duidelijk te maken dat het levensgevaarlijk gewond raken van aangeefster niet zijn bedoeling was, maar het gevolg was van een zich rap escalerende situatie op de plaats delict. Een dergelijk standpunt heeft de verdachte echter pas bij gelegenheid van zijn zesde verhoor betrokken en, zoals reeds opgemerkt, na kennisname van belastend bewijsmateriaal op grond waarvan zijn daderschap nauwelijks nog te ontkennen viel. Een aanvaardbare verklaring voor deze ontwikkeling van proceshouding heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet gegeven. Dat hij enerzijds handelde op advies van zijn advocaat en anderzijds in paniek verkeerde en niet goed wist wat te doen, kan naar ’s hofs oordeel niet gelden als een dergelijke aanvaardbare verklaring, nog daargelaten dat aan de processen-verbaal van verhoor van de verdachte geen aanwijzingen vallen te ontlenen dat hij als gevolg van paniek of vanwege de druk tijdens een verhoor niet wist wat hij moest verklaren. Integendeel, het beeld dat uit die processen-verbaal rijst, is van een verdachte die tijdens de verhoren voldoende sterk in zijn schoenen stond en de verhorende politieambtenaren adequaat te woord kon staan. Het feit dat verdachte op enig moment in staat is gebleken om een zeer gedetailleerde onware verklaring te fabriceren (het ‘Henk-scenario’) en dat vervolgens op nieuwe onderzoeksresultaten aan te doen passen, getuigt daarvan ook.

Bij zijn weging en waardering van de (geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de) verklaring van de verdachte heeft het hof ook de omstandigheid betrokken dat hij, vanaf het zesde verhoor en nadien, op twee naar ’s hofs oordeel essentiële punten tegenstrijdig heeft verklaard. Het hof heeft dan met name het oog op het eerste door de verdachte geloste schot en op het opvangen van de hulzen op de plaats delict. Het hof constateert dat de verdachte wat betreft het eerste schot bij gelegenheid van zijn zesde verhoor bij de politie en nadien in de kern bezien heeft verklaard dat dit een bewust schot betrof, afgevuurd vanaf de heup, maar dat hij hieromtrent ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verklaard dat het eerste schot per ongeluk afging toen hij het vuurwapen met handschoenen aan oppakte. Wat betreft het opvangen van de hulzen heeft de verdachte bij zijn politieverhoren steeds verklaard dat hij hierop in de schuur had geoefend – hij deed toen ook voor hoe hij dit oefende – en dat dit onderdeel van het plan was omdat hij geen hulzen op de plaats delict wilde achterlaten. Later ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte dit weer uitdrukkelijk ontkend. Het feit dat op de plaats delict geen enkele afgeschoten huls is aangetroffen terwijl er wel minimaal drie schoten zijn afgevuurd, is echter volledig in strijd met die ontkenning.

Het hof is al met al niet alleen wegens de wijze van totstandkoming van de verklaring van de verdachte, die inhoudelijk op veel punten als berekenend kan worden aangemerkt, maar ook wegens twee zwaarwegende tegenstrijdigheden, van oordeel dat aan de waarheidsgetrouwheid van de lezing van de verdachte op het punt van de bedoeling van zijn plan ernstig moet worden getwijfeld.

Maar dit zijn niet de enige omstandigheden die het hof ertoe hebben gebracht om de verdachte op dit punt niet te geloven. De lezing van de verdachte is immers ook niet goed te verenigen met de hiervoor, op grond van de bewijsmiddelen, vastgestelde loop der gebeurtenissen. Het hof wijst er in dit verband in het bijzonder op dat de verdachte zijn daad minutieus gedurende enige tijd heeft voorbereid, hij tussen de schoten het wapen heeft herladen, langzaam op het slachtoffer toeliep en opnieuw op haar heeft geschoten. Het hof betrekt hierbij ook zijn gedrag na het schieten waaruit naar voren komt dat de verdachte sporen wilde uitwissen en getuigen wilde verjagen. Een en ander zou de verdachte niet behoeven te doen als zijn intentie er in werkelijkheid uitsluitend op zou zijn gericht om het slachtoffer te doen schrikken met een enkel waarschuwingsschot. Bovendien was het – uitgaande van die lezing – niet nodig om gericht in de richting van het slachtoffer te schieten. Hij had er ook voor kunnen kiezen om in de lucht of op de grond te schieten of om één van de hem ter beschikking staande alarmpistolen te gebruiken. De verdachte is ter terechtzitting verstoken gebleven van een adequate verklaring waarom hij niet voor deze alternatieven heeft gekozen.

Het hof is van oordeel dat de onder hiervoor onder D. vastgestelde feiten en omstandigheden getuigen van planmatig en doelbewust handelen. Zo heeft de verdachte onder meer weken van tevoren een geweer met kogels in de kofferbak van zijn auto gelegd, heeft hij voorshands de omgeving van het vakantiehuisje in Vijlen verkend, heeft hij geheugensteuntjes gemaakt en opgeschreven op een notitieblaadje met als doel om zijn sporen na het delict uit te wissen, heeft hij daags voor het delict het vuurwapen getest en geoefend op het opvangen van de hulzen, heeft hij het slachtoffer gevolgd middels een GPS-tracker, heeft hij zijn kentekenplaten afgeschermd met vooraf zelf gefabriceerde valse kentekens, heeft hij zich schuil gehouden in de nabijheid van het vakantiehuisje in afwachting van de komst van het slachtoffer naar buiten, had hij een geladen vuurwapen en een grote hoeveelheid munitie bij zich, heeft hij het slachtoffer hulpeloos achtergelaten na het schietincident, heeft hij de GPS-tracker onder de auto van het slachtoffer verwijderd en heeft de verdachte zijn auto gewassen en zich ontdaan van het bezit van het wapen, de kogels, zijn iPhone, valse kentekenplaten en de door hem gedragen kleding om zijn betrokkenheid te trachten te verhullen.

Het tijdsverloop tussen het moment waarop de verdachte het plan heeft opgevat om met een vuurwapen in de richting van het slachtoffer te schieten en de uitvoering daarvan bedroeg meer dan anderhalve maand. Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte voorafgaande aan zijn handelen voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het genomen besluit om te pogen het slachtoffer [slachtoffer] om het leven te brengen. De verdachte heeft zich aldus naar ’s hofs oordeel gedurende enige tijd kunnen beraden op zijn daad, zelfs meer dan eens. Nu de verdachte die gelegenheid heeft gehad, mag worden aangenomen dat de verdachte daarvan gebruik heeft gemaakt en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat geldt temeer nu uit de uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes handelen onomwonden volgt dat de verdachte doordacht heeft geopereerd en in staat was tot kalm beraad.

Het in dit verband door de raadsman gevoerde verweer, inhoudende dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, in welk verband diverse vermeende contra-indicaties naar voren zijn gebracht, vindt zijn weerlegging in hetgeen hiervoor is overwogen.

Nu het hof ook overigens niet is gebleken van andere dan door de raadsman aangevoerde en hiervoor weerlegde contra-indicaties, staat niets in de weg aan het aannemen van voorbedachte raad. De omstandigheid dat het slachtoffer [slachtoffer] in haar verklaringen op bepaalde punten niet altijd consistent heeft verklaard maakt dat niet anders, temeer nu die verklaringen van het slachtoffer niet doorslaggevend zijn om tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde te kunnen komen.

Het vorenoverwogene leidt het hof tot het oordeel dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Het driemaal met een vuurwapen afvuren van een kogel in de richting van het slachtoffer, waarbij minstens twee kogels het bovenlichaam van het slachtoffer hebben geraakt, moet volgens het hof naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het levensgevaarlijk verwonden van het slachtoffer, dat de conclusie geen andere kan zijn dat de verdachte dit met opzet op de dood heeft gedaan.

Resumerend acht het hof derhalve, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, poging tot moord wettig en overtuigend bewezen.

F.

Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde van het primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 03-702007-18 wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot moord.

Het bewezenverklaarde van het onder feit 1 tenlastegelegde in de in eerste aanleg gevoegde zaak met parketnummer 03-700250-18 wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Het bewezenverklaarde van het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde in de in eerste aanleg gevoegde zaak met parketnummer 03-700250-18 wordt telkens als volgt gekwalificeerd:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord op zijn toenmalige echtgenote, bedreiging van twee passanten en het verboden bezit van vuurwapens. De verdachte heeft zich, na een grondige voorbereiding van zijn laffe daad, in de vroege ochtend van 19 februari 2018 begeven naar een vakantiehuisje in Vijlen, alwaar zijn toenmalige echtgenote die dag schoonmaakwerkzaamheden zou gaan verrichten. Toen zij na enige tijd naar buiten kwam, heeft de verdachte meermalen doelgericht op haar geschoten met een vuurwapen. Vervolgens heeft de verdachte koelbloedig gekeken hoe zij eraan toe was, heeft hij haar hulpeloos zwaargewond achtergelaten en getracht zijn daderschap zoveel mogelijk te verhullen. Toen wandelaars in de nabijheid afkwamen op het geluid van schoten en hulpgeroep heeft de verdachte niet geschroomd om hen met zijn vuurwapen te bedreigen, waardoor deze wandelaars een angstig moment hebben beleefd.

Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte getracht het meest fundamentele recht dat een mens heeft, namelijk het recht op leven, aan het slachtoffer te ontnemen. Het begaan van een delict als het onderhavige schokt de rechtsorde zeer ernstig. Ook al was de verdachte kennelijk ernstig gefrustreerd door de echtscheidingsprocedure waarin hij met het slachtoffer verwikkeld was geraakt, voor zijn laakbare handelen bestond geen enkele rechtvaardiging. Als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte heeft het slachtoffer in levensgevaar verkeerd. Slechts dankzij snel ingrijpen van derden en adequaat medisch handelen heeft zij de op haar beraamde moordaanslag ternauwernood overleefd. Dat neemt niet weg dat het slachtoffer thans nog steeds te kampen heeft met pijnklachten als gevolg van een versplinterde kogel in haar schouder en ondervindt zij grote psychische gevolgen van deze gebeurtenis, hetgeen ook naar voren komt uit de door het slachtoffer ten overstaan van het hof voorgedragen slachtofferverklaring.

Het hof stelt voorts vast dat deze zaak eens te meer onderschrijft dat het bezit van vuurwapens buitengewoon grote veiligheidsrisico’s met zich brengt, welke risico’s zich door het bewezenverklaarde hebben geopenbaard.

Het hof rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Daarbij komt dat de verdachte, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, onvoldoende is doordrongen van het kwalijke van zijn gedrag.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 november 2020, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij in de periode voordat hij in voorlopige hechtenis werd genomen een turbulente tijd achter de rug had, waarin hij zijn baan verloor, in een problematische echtscheidingsprocedure terecht kwam en een soort burn out heeft opgelopen. De verdachte is inmiddels gescheiden van zijn ex-echtgenote en staat onder behandeling van een psycholoog.

Tevens heeft het hof kennisgenomen van het door Reclassering Nederland in het arrondissement Limburg opgemaakte reclasseringsadvies van 4 januari 2019. Daaruit komt als conclusie naar voren dat de verdachte zijn leefgebieden op orde heeft, dat hij verwacht na detentie weer huisvesting te krijgen en weer snel werk zal vinden, hij geen verdovende middelen gebruikt, hij steun van familie en vrienden krijgt en hulp van de reclassering accepteert.

Het hof heeft voorts gelet op de inhoud van twee Pro Justitia-rapportages betreffende het psychologisch en psychiatrisch toestandsbeeld van de verdachte.
Psychiater drs. [psychiater] heeft in zijn rapport van 31 mei 2018 geconcludeerd dat de verdachte niet lijdt aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De psychiater constateert hooguit enkele narcistische trekken. De verdachte presenteerde zich als een positief persoon, lijkt zijn gevoelens te verloochenen, maakte een trotse indruk, laat zich niet kennen en beschreef zich als een weldoener.
Psychologe [psychologe] komt in haar rapport van 31 mei 2018 tot de conclusie dat bij de verdachte geen sprake is van depressieve of psychotische verschijnselen, noch van autismespectrum- of persoonlijkheidsproblematiek. De verdachte komt volgens de psychologe over als een man die mogelijk wat weinig assertief is en zich in bovengemiddelde mate lijkt te voegen naar een ander en in die zin vermoedelijk afhankelijke en ontwijkende persoonlijkheidstrekken heeft. Daarbij past volgens de psychologe het niet durven uiten en het niet goed kunnen waarnemen dan wel ervaren van gevoelens van boosheid. Er zijn geen sociaal-maatschappelijke problemen, er is geen problematisch middelengebruik en er zijn geen problemen met politie en justitie. Ook zijn er geen intellectuele beperkingen.

Het hof is van oordeel, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, dat in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, in verband met een juiste normhandhaving en uit een oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

De raadsman heeft ten overstaan van het hof verscheidene vonnissen en arresten van onder meer dit hof aangehaald om daarmee zijn straftoemetingspleidooi kracht bij te zetten. Echter, die zaken zijn in aard en ernst niet geheel vergelijkbaar met de onderhavige zaak. Deze jurisprudentie leidt het hof dan ook niet tot een andersluidend matigend oordeel met betrekking tot de op te leggen straf. Daarbij komt dat het hof heden ten dage in de regel en in overeenstemming met maatschappelijk gewijzigde opvattingen hieromtrent zwaardere straffen voor (poging tot) moord pleegt op te leggen dan enkele jaren geleden.

Alles afwegende acht het hof derhalve in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden.

Het hof overweegt met betrekking tot het totale procesverloop in deze zaak evenwel nog ambtshalve het volgende.

Namens de verdachte is tegen het bestreden vonnis op 28 januari 2019 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 3 maart 2021 – einduitspraak. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden, aangezien sprake is van een in voorlopige hechtenis genomen verdachte. Aldus is de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep met ongeveer acht maanden overschreden.

Hoewel er in deze zaak op verzoek van de verdediging getuigen door de raadsheer-commissaris zijn gehoord en er een aanvullend radiologisch rapport is opgesteld, is het hof van oordeel dat die omstandigheden niet het gehele tijdsverloop kunnen en mogen verklaren. Van andere bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen is niet gebleken.

Het hof zal derhalve de overschrijding van de redelijke termijn ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen gevangenisstraf zal matigen met zes maanden.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren en 6 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 49.686,40, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende bedragen:

i. € 1.661,18 aan reiskosten;

ii. € 770,00 voor het eigen risico over 2018 en 2019 uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst;

iii. € 156,80 bestaande uit extra kosten voor fysiotherapie in 2018 en 2019;

iv. € 420,00 aan daggeldvergoeding voor het ziekenhuis;

v. € 1.596,00 aan verzorgingskosten gemaakt door vrienden;

vi. € 300,00 voor kapotte kleding;

vii. € 130,60 aan kosten voor een fysiotherapieabonnement tot mei 2018;

viii. € 340,00 aan kosten voor een yoga-jaarabonnement;

ix. € 440,00 aan kosten voor een jaarabonnement voor gymlessen;

x. € 100,00 aan kosten voor een psycholoog in het kader Solvie-sessies;

xi. € 232,50 aan kosten voor Watsu-sessies;

xii. € 1.840,00 aan kosten voor opslag van goederen ten behoeve van een verhuizing;

xiii. € 2.600,00 aan vervangingskosten van een auto;

xiv. € 3.583,50 aan inkomensverlies;

xv. € 515,82 aan kosten voor het vervangen van een accu na het verwijderen van een GPS-tracker en

xvi. € 35.000,00 aan smartengeld.

De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg de post xiii. verminderd met € 1.100,00, zijnde de dagwaarde van de auto, zodat na vermindering van eis aan vervangingskosten van de auto van het slachtoffer nog een bedrag wordt gevorderd van € 1.500,00.

De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het bedrag van € 29.140,56 euro en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. Het materiële deel aan schadevergoeding is toegewezen tot het bedrag van € 9.140,56 (betreffende de posten i., ii., iv., v., vi. vii., viii., ix., x., xi. en xiv., al dan niet gedeeltelijk) en het immateriële deel aan schadevergoeding is bepaald op het bedrag van € 20.000,00 (post xvi. gedeeltelijk). De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de gevorderde schadeposten xii., xiii. en xv., alsmede in het niet-toegewezen gedeelte van schadepost xvi. Het meer of anders gevorderde is door de rechtbank afgewezen.

De benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. De advocaat van de benadeelde partij heeft ten overstaan van het hof post v. verminderd tot een bedrag van € 1.216,00, zijnde 16 dagen maal acht uren het tarief van € 9,50 overeenkomstig de Richtlijn huishoudelijke hulp.

De raadsman van de verdachte heeft, ingeval het hof tot een veroordeling mocht komen, verzocht dezelfde posten af te wijzen als de rechtbank heeft gedaan. Daarnaast heeft de verdediging geconcludeerd tot afwijzing van de posten viii., x. en xi. en de daarmee samenhangende reiskosten, omdat de nut en noodzaak daarvan ter discussie kan worden gesteld en niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij daar ook niet aan zou hebben deelgenomen als zij geen slachtoffer van de poging tot moord zou zijn geweest. Voorts heeft de raadsman verzocht tot matiging van het toe te wijzen bedrag aan smartengeld tot het bedrag van € 2.500,00, aangezien de benadeelde partij zowel geestelijk als lichamelijk grotendeels hersteld lijkt te zijn.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden. Het hof zal hierna de gevorderde schadeposten afzonderlijk bespreken.

Het hof stelt vast dat de vordering tot schadevergoeding, voor zover die ziet op de hiervoor genoemde posten ii., iii., iv., v., vi. vii., ix. en xiv. en voor zover deze posten door de rechtbank zijn toegewezen, niet is betwist en ook voldoende is onderbouwd, zodat het hof met de rechtbank van oordeel is dat de bedragen van € 770,00 (post ii. geheel), € 156,80 (post iii. geheel), € 420,00 (post iv. geheel), € 1.216,00 (post v. geheel), € 100,00 (post vi. gedeeltelijk), € 130,60 (post vii. geheel), € 440,00 (post ix. geheel) en € 3.583,50 (post xiv. geheel) voor toewijzing gereed liggen.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de benadeelde partij de gestelde reis- en behandelingskosten die zij heeft moeten maken voor yoga en psychologische Solvie-sessies (post i. gedeeltelijk en de posten viii. en x. geheel) voldoende heeft onderbouwd.
Uit de schriftelijke toelichting van deze schadeposten komt immers naar voren dat yoga was geadviseerd door een fysiotherapeut en psycholoog teneinde de balans van het lichaam te herstellen en bij te dragen aan herstel van draagkracht en vertrouwen, alsook dat de benadeelde partij op verwijzing van de huisarts psychologische Solvie-behandelsessies heeft ondergaan. Doordat deskundigen uit de zorg het slachtoffer deze adviezen hebben gegeven tot deelname c.q. behandelingen is voor het hof de nut en noodzaak daarvan genoegzaam aangetoond. Dat deelname c.q. behandeling geïndiceerd was als gevolg van de mentale en fysieke ontwikkelingen van de benadeelde partij na de mislukte moordaanslag volgt uit bijlagen 1J, 2B en 2C bij de vordering, waarmee naar ’s hofs oordeel de causaliteit met de bewezenverklaarde poging tot moord is gegeven. De door de verdediging bij pleidooi aangevoerde omstandigheden dat de benadeelde partij zich eerder bezighield met zogenaamde reiki-praktijken en chakratherapie doen daar niet aan af. Het verweer wordt derhalve verworpen. Het hof zal mitsdien de gevorderde schadeposten viii. (ad € 340,00) en x. (ad € 100,00), alsook de daarmee samenhangende reiskosten die zijn vervat in schadepost i., toewijzen.

Wat betreft de gestelde schade van € 232,50 aan kosten voor deelname aan Watsu-sessies (post xi.), is het hof van oordeel dat een nader onderzoek naar de omstandigheid of die deelname noodzakelijk was om de klachten van de benadeelde partij als gevolg van de poging tot moord weg te nemen dan wel te beperken een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Dat geldt temeer nu uit de toelichting op deze schadepost niet naar voren komt dat deelname aan deze sessies door een (deskundig) zorgverlener is voorgeschreven dan wel geadviseerd. Voorts is de vordering op dit punt inhoudelijk betwist. Derhalve zal het hof de benadeelde partij in deze gevorderde schadepost niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat zij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het voorgaande zal het hof tevens de gevorderde reiskosten (post i.) toewijzen tot het bedrag van € 1.513,90. Dit toe te wijzen bedrag behelst het gevorderde bedrag minus de reiskosten die zien op een bezoek aan Pluspunt Medisch Centrum vanwege lichen planus en de reiskosten ten behoeve van deelname aan de Watsu-sessies, aangezien een nader onderzoek naar de causaliteit van deze gestelde reiskosten met het bewezenverklaarde naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. In zoverre zal het hof de benadeelde partij in schadepost i. niet-ontvankelijk verklaren.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat thans niet kan worden vastgesteld dat de gestelde schade, ontstaan door de opslag van goederen ten behoeve van een verhuizing van het slachtoffer (post xii.), de vervangingskosten van een auto (post xiii.) en de kosten voor het vervangen van een accu na het verwijderen van een GPS-tracker (post xv.), het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde strafbare feit van poging tot moord. Mitsdien zal het hof de benadeelde partij in die schadeposten eveneens niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Met betrekking tot de gestelde immateriële schade (post xvi.) overweegt het hof als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte de benadeelde partij letsel heeft opgelopen, te weten vier huiddefecten, meerdere ribbreuken, een breuk van het rechterschouderblad, een klaplong, beschadigingen in beide longen en een actieve bloeding in de linkeroksel. Tot op de dag van vandaag heeft de benadeelde partij een versplinterde kogel in haar linkerschouderblad waarvan zij fysieke hinder ondervindt en waardoor zij dagelijks aan het schietincident en de verdachte wordt herinnerd. De benadeelde partij heeft in dit verband voorts gesteld dat zij door de op haar beraamde moordaanslag, die zij ternauwernood heeft overleefd, ernstig is beschadigd in haar emotioneel, psychologisch, maatschappelijk en sociaal functioneren. Zij is gediagnosticeerd met een posttraumatische stress-stoornis en heeft last van herbelevingen, slaapproblemen en angsten. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van moordaanslagen geruime tijd te kampen blijven hebben met psychische klachten. Het behoeft geen betoog dat zulks in nog hogere mate geldt voor iemand die slachtoffer wordt van een poging tot moord door een persoon met wie zij als echtgenote jarenlang lief en leed heeft gedeeld.

Het hof is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat daardoor is opgetreden (post xvi.) valt onder het bereik artikel 6:106, eerste lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot deze immateriële schade, op grond van het onderzoek in de onderhavige strafrechtelijke procedure, evenals de rechtbank naar billijkheid op een bedrag van € 20.000,00. Bijgevolg zal het meer of anders gevorderde met betrekking tot deze schadepost worden afgewezen.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de vordering van de benadeelde partij tot een totaalbedrag van € 28.770,80 (posten i., vi. en xvi. gedeeltelijk en posten ii., iii., iv. v., vii., viii., ix., x. en xiv. geheel) zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal niet ontvankelijk verklaard in haar vordering, voor zover die een bedrag beloopt van € 4.235,60 (post i. gedeeltelijk, posten xi., xii., xiii. en xv. geheel). Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens tot aan de dag der algehele voldoening. Meer specifiek zal de wettelijke rente over het bedrag aan materiële schadevergoeding van € 8.770,80 vanwege de veelheid aan schadeposten om redenen van efficiëntie worden toegewezen vanaf 31 december 2018, zijnde de datum waarop de vordering is ingediend ter griffie van de rechtbank.
De ingangsdatum van de wettelijke rente over het bedrag aan immateriële schadevergoeding (te weten € 20.000,00, post xvi.) zal het hof bepalen op 19 februari 2018, zijnde de datum delict.

Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Beide kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, te weten de poging tot moord op het slachtoffer [slachtoffer] , rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] voornoemd is toegebracht tot een bedrag van € 28.770,80. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor ten hoogste 178 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 45, 57, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-702007-18 primair tenlastegelegde en in de zaak met parketnummer 03-700250-18 onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren en 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde van het primair tenlastegelegde in de in de zaak met parketnummer 03-702007-18 tot het bedrag van € 28.770,80 (zegge: achtentwintigduizend zevenhonderdzeventig euro en tachtig cent), bestaande uit € 8.770,80 (zegge: achtduizend zevenhonderdzeventig euro en tachtig cent) als vergoeding van materiële schade en € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro) als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2018 over het bedrag van € 8.770,80 en vanaf 19 februari 2018 over het bedrag van € 20.000,00, telkens tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor zover deze een bedrag beloopt van € 4.235,60 en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het meer of anders gevorderde af;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde van het primair tenlastegelegde in de in de zaak met parketnummer 03-702007-18 een bedrag te betalen van € 28.770,80 (zegge: achtentwintigduizend zevenhonderdzeventig euro en tachtig cent) bestaande uit € 8.770,80 (zegge: achtduizend zevenhonderdzeventig euro en tachtig cent) aan materiële schadevergoeding en € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro) aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2018 over het bedrag van € 8.770,80 en vanaf 19 februari 2018 over het bedrag van € 20.000,00, telkens tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 178 (honderdachtenzeventig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. F.P.E. Wiemans en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,

en op 3 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Cruchten voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Het hof baseert de conclusie dat het slachtoffer minstens twee maal in het lichaam is geraakt met name op de bevindingen van radioloog prof. dr. [radioloog] , zoals is verwoord in zijn rapport van het forensisch radiologisch onderzoek d.d. 29 april 2018 en de aanvulling daarop van 26 mei 2020.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 mei 2018, p. 1273 en Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Limburg te Maastricht d.d. 9 januari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 2.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 mei 2018, p. 1275.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 mei 2018, p. 108-110.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 25 april 2018, p. 1243-1244 en bijlage op p. 1251.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 12 april 2018, p. 1206 en Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Limburg te Maastricht d.d. 9 januari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 2-3.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 mei 2018, p. 1276; Schriftelijke verklaring van de verdachte [verdachte] d.d. 26 april 2018, p. 1323 en Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Limburg te Maastricht d.d. 9 januari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 3.

8 Zie ook Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Limburg te Maastricht d.d. 9 januari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 3.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 mei 2018, p. 1277-1278.

10 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Limburg te Maastricht d.d. 9 januari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 3.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 25 april 2018, p. 1243 en Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 mei 2018, p. 1280.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 mei 2018, p. 1279 e.v. en p. 1288.

13 Proces-verbaal bevindingen telecom, p. 1421 e.v.; Proces-verbaal bevindingen telecom aanvulling met Belgische gegevens, p. 2089 e.v. en Proces-verbaal van bevindingen camerabeelden, p. 278 e.v.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 25 april 2018, p. 1248.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 mei 2018, p. 1280 en Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Limburg te Maastricht d.d. 9 januari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 4.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 mei 2018, p. 1277 en 1314.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 mei 2018, p. 1282.

18 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, vijfde meervoudige kamer voor strafzaken, van 3 februari 2021, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .

19 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Limburg te Maastricht d.d. 9 januari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 4.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 mei 2018, p. 1285.

21 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Limburg te Maastricht d.d. 9 januari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 4.

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 mei 2018, p. 1275 e.v. en p. 1290.

23 Proces-verbaal van verhoor aangever [wandelaar 2] d.d. 23 februari 2018, p. 807; Proces-verbaal van verhoor van getuige [wandelaar 2] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, van 21 juli 2020; Proces-verbaal van verhoor aangeefster [wandelaar 1] d.d. 1 maart 2019, p. 801 en Proces-verbaal van verhoor van getuige [wandelaar 1] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, van 21 juli 2020.

24 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 mei 2018, p. 1269-1321.

25 Proces-verbaal betreffende souche-onderzoek d.d. 7 maart 2018, p. 202 e.v.

26 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 mei 2018, p. 1314.