Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:533

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-02-2021
Datum publicatie
24-02-2021
Zaaknummer
20-002000-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep, waarbij verdachte is veroordeeld ter zake van - kort gezegd - het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs, met uitzondering van de opgelegde straffen. In plaats daarvan legt het hof aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 34 maanden, met aftrek van voorarrest, met een beslissing omtrent het beslag. Daarnaast vult het hof de bewijsoverwegingen aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002000-18

Uitspraak : 24 februari 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-993298-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] ( [land] ), [adres] ,

thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Rijnmond - HvB De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof bij arrest de gevangenneming van verdachte zal bevelen.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft zij een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde sancties en de motivering daarvan, en met dien verstande dat het hof het vonnis aanvult met de navolgende bewijsmiddelen en -overwegingen.

Aanvullende bewijsmiddelen

Naast de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op de navolgende bewijsmiddelen.

Het hof vult het bronnenoverzicht voor de bewijsmiddelen als vermeld op pagina 2 van het vonnis aan met de volgende bron:

6. het proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris d.d. 23 juli 2020, betreffende het verhoor van de getuige [getuige 1] .

In de navolgende aanvullende bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar een van de bronnen genoemd in het overzicht op pagina 2 van het vonnis of naar deze aanvullende bron.

Alle te noemen processen-verbaal zijn – tenzij anders is weergegeven – in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Bron 1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op

5 april 2018

Het hierna vermelde bewijsmiddel is afkomstig uit ‘Bron 1’.

Er lag een Blackberry in mijn woning. Toen er een bericht binnenkwam op die Blackbery terwijl de politie in mijn woning was, keek ik inderdaad naar die Blackberry.

Bron 2. Eindproces-verbaal

De hierna vermelde bewijsmiddelen zijn afkomstig uit ‘Bron 2’.

- Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 30 maart 2015, V01-010, map 1, p. 222, voor zover dit inhoudt als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :

Vraag verbalisanten:

Bij de doorzoeking op 12 augustus 2014 is onder meer een Blackberry telefoon van jou

(A.02.04.009) in beslag genomen. (…) Waarom maak je in het mailverkeer middels je Blackberry, gebruik van de alias ‘ [alias] ’?

Antwoord gehoorde:

Ja, dat is gewoon een emailadres wat ik aangeleverd heb gekregen door mijn provider.

(…)

Vraag verbalisanten:

Bij [verdachte] is tijdens de doorzoeking ook een Blackberry telefoon aangetroffen.

Opvallende overeenkomst is dat beide Blackberry’s uitgerust waren met een (Engels)

simkaartje van provider O2. Vastgesteld is dat tussen beide Blackberry’s mailverkeer

heeft plaatsgevonden. Waarover communiceerden jij en [verdachte] middels dit mailverkeer?

Antwoord gehoorde:

Ja, dat staat erin in die Blackberry.

- Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 februari 2015, V03-008, map 1,

p. 377, voor zover dit inhoudt als verklaring van verdachte:

Vraag verbalisanten: Tijdens de doorzoeking werd er gebeld op de Blackberry waarna jij

deze direct op wilde nemen wat door ons werd verboden, opnemen doet toch alleen

iemand van wie de telefoon is?

Antwoord gehoorde: Het is mijn huis toch. Ik heb er naar gekeken.

- Proces-verbaal van bevindingen Laboratorium Lienden d.d. 8 oktober 2014, AMB-0109, map 4, p. 1576, voor zover inhoudend als relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant] :

Op 16 juli 2013 omstreeks 18.55 uur meldde [getuige 1] dat hij bij zijn verhuurde loods aan de [adres] te Lienden stond en het vermoeden had van een drugslab. Politie, brandweer en leden van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO) van het KLPD kwamen ter plaatse, rond de loods werd een irriterende lucht geroken.

In de loods werden op de begane grond een grote aantallen jerrycans aangetroffen gevuld met een mengsel van een sterk zuur en APAAN en/of BMK. Op de verdieping, welke middels een vaste trap bereikbaar is, werden nog meer jerrycans aangetroffen en grotere vaten met schroefdeksel waaraan PVC buizen waren bevestigd.

Door de specialisten van het LFO werd aangegeven dat het een laboratorium betrof, waarin de stof APAAN middels sterke zuren werd omgezet in BMK, de precursor voor amfetamine. In totaal werden 237 jerrycans en vaten aangetroffen en afgevoerd.

- Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 6 oktober 2014, G11-001,

map 1, p. 453-456, voor zover dit inhoudt als verklaring van getuige

[getuige 1] :

[verdachte] ken ik al heel lang van zien uit de stad. Eind 2012 kwam hij op mijn pad, volgens mij heb ik hem aan het begin van het schooljaar, dat zal dus rond september 2012 geweest zijn, voor het eerst gesproken. Dat was op het schoolkamp van het [school] in Rosmalen, waar zijn dochter en mijn zoon beiden waren. Op een gegeven moment kwam hij bij mij thuis op bezoek. Hij kwam bij me omdat hij een opslag zocht, iedereen weet dat ik onroerend goed verhuur. Hij deed eerst wat wazig over wat hij er op wilde slaan. Ik heb duidelijk gemaakt dat ik geen rottigheid wilde in de loods aan de [adres] in Lienden waar we toen over spraken. Ik was duidelijk dat als hij er wietplantjes of zo in zou zetten dat ik dan de politie zou bellen. Toen ik doorvroeg zei hij dat ik me niet druk moest maken omdat hij er alleen een grondstof zou opslaan die niet op de verboden lijst stond. Die grondstof zou uit China komen. Ik heb [verdachte] toen het adres gegeven en ik heb gezegd ga eerst maar eens kijken, alles staat open.

In dit geval was het allemaal anders omdat het ging om een loods die gewoon open stond. Die loods is een oude koelcel van een fruitbedrijf.

[verdachte] is toen bij mij vertrokken met het verhaal dat hij dan bij gelegenheid wel eens zou gaan kijken. Daarna heb ik een tijdje niks meer van hem gehoord.

Op een gegeven moment kwam ik op het perceel in Lienden en constateerde dat de openslaande deuren van de loods die altijd open stonden afgesloten waren met een slot dat niet van mij was. Ik heb toen eens geïnformeerd bij mijn Poolse huurders die op het zelfde terrein wonen. Op basis van de informatie die ik van hen kreeg was er weinig twijfel meer dat [verdachte] mijn loods had afgesloten. De Polen hadden auto’s gezien bij de loods. Een van deze auto’s koppelde ik aan [verdachte] omdat ik hem daar in had zien rijden. Volgens mij was het een witte [auto] .

Op dat moment had ik voor mezelf de balans al opgemaakt.

- Mijn loods was afgesloten door [verdachte] ;

- Ik had geen idee wat hij er uitspookte;

- Ik had geen huurcontract;

- Ik had geen telefoonnummer.

Het adres dat ik had gevonden bleek zijn adres niet meer te zijn, kortom ik wilde van die vent af.

Volgens mij heeft [verdachte] mij toen verteld dat hij de loods nog maar kort nodig had. Ze zouden snel de laatste goederen gaan laden en dan zou hij een paar maanden huur betalen. Dat was maanden voor ik de politie gebeld heb. Ik hoor van jullie dat dat op 16 juli 2013 was. Er gebeurde niks. Mijn loods was en bleef afgesloten en [verdachte] zag ik niet meer. Toen ben ik weer bij de ex van [verdachte] aan de deur geweest. Daarna kwam er een kale vent bij mij uit de straat aan de deur. Die man probeerde me een beetje aan het lijntje te houden net als [verdachte] dat deed. Hij vertelde dat [verdachte] in Duitsland was en het financieel effe lastig had. Het zou allemaal goed komen en ik zou gewoon huur betaald krijgen. Kortom allemaal smoesjes.

In de tijd dat dit speelde heb ik een aantal malen briefjes in mijn brievenbus gevonden waarop stond dat [verdachte] binnenkort zou komen betalen. Ze hebben me zo wel een maand of vier aan het lijntje gehouden.

Op 16 juli 2013 ben ik eens met mijn vrouw naar de loods in Lienden gereden. Ik rook toen een smerige chemische lucht. Ik heb toen direct de politie gebeld. Die is gekomen met de brandweer. Ik heb gehoord dat in mijn loods toen een drugslab zat.

Vraag [verbalisanten]:

Hoe lang had [verdachte] de loods/koelcel in Lienden op 16 juli 2013 al in gebruik?

Antwoord [getuige]:

Ik denk een maand of vijf tot zes. Dat er een slot op heeft gezeten. Hoe lang ze bezig geweest zijn in de loods weet ik natuurlijk niet.

Vraag [verbalisanten]:

Hoe vaak kwam u ten tijde van de huur door [verdachte] op het perceel in Lienden?

Antwoord [getuige]:

Volgens mij 4 keer met 16 juli 2013 er bij.

Bron 5. Getuigenverklaringen bij de rechter-commissaris

Het hierna vermelde bewijsmiddel is afkomstig uit ‘Bron 5’.

- Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 18 juli 2013, gevoegd achter het proces-verbaal verhoor van getuigen door de rechter-commissaris d.d.

19 oktober 2015 betreffende [getuige 1] , voor zover inhoudend als verklaring van getuige [getuige 1] :

De zus van [verdachte] is gehuwd met een broer van een oud-personeelslid van mij. [verdachte] vertelde dat hij poeder uit China had wat niet helemaal goed was maar het was ook niet illegaal. Hij vroeg mij een huurcontract te maken voor € 1.000,- per maand aanvang november 2012, volgens mij. [verdachte] betaalde mij, via een vriend, de eerste 1000 euro cash.

In januari 2013 heb ik de CIE Den Bosch gebeld omdat ik dacht dat er iets niet klopte met betrekking tot het verhuren van die loods aan [verdachte] . De loods zat steeds op slot als ik er was.

Maart of april 2013 zag ik bij de loods een man in plastic overall. Het was volgens mij een Nederlandse jongen en hij schrok zich rot. [verdachte] was er ook. [verdachte] is een klein manneke.

De andere was iets stoerder maar niet langer. Omdat ik verder nog steeds geen huur had ontvangen zei ik tegen [verdachte] dat hij die week bij mij langs moest komen, alle huur moest betalen en de loods moest schoon maken. Ik wilde van hem af dus. [verdachte] kwam echter niet bij mij langs. Ik zat in dubio, wilde de politie bellen maar ook [verdachte] niet verraden.

Vier weken geleden heb ik in het [hotel] in Waalwijk contact gehad met een man van de CIE. De man was in gezelschap van een blonde dame. Ik vertelde over de loods en dat deze stonk. Ik was bij de loods geweest om stempels te halen voor een verbouwing elders.

Op 16 juli 2013 ging ik met mijn vrouw naar die Loods in Lienden. Ik had een betonschaar bij me. Ik wilde de loods openen en ik rook dat het weer erg stonk bij die loods. Ik belde daarom wederom de politie. Ik heb [verdachte] nooit een sleutel van de loods gegeven want die was niet afgesloten toen hij hem huurde. Van het huurcontract is het helaas nooit gekomen. [verdachte] zou cash betalen.

Bron 6. Getuigenverklaringen bij de raadsheer-commissaris

Het hierna vermelde bewijsmiddel is afkomstig uit ‘Bron 6’.

- De verklaring van getuige [getuige 1] , afgelegd op 23 juli 2020:

De huurovereenkomst [het hof begrijpt, gelet op de overige bewijsmiddelen: van de loods in Lienden] is met meneer [verdachte] tot stand gekomen als volgt: de heer [verdachte] is bij mij langs geweest omdat hij een plek nodig had om dingen op te slaan. Toen is hij bij mij langs gekomen en heeft gekeken en er is geen overeenkomst opgemaakt.

De heer [verdachte] is een familielid van een oud-werknemer van mij en zijn dochter zat bij

mijn zoon in de klas.

De heer [verdachte] is bij mij geweest en is daarna zelf bij de loods wezen kijken. Na enkele maanden waren er stankklachten van de buren en ben ik hem gaan opsporen en is hij een aantal keer bij mij aan de deur geweest. Hij kwam pas bij mij aan de deur nadat het al fout is gegaan.

Sinds eind 2012 huurde de verdachte de loods tot om en nabij juli 2013. In juli 2013 heb ik de brandweer gebeld om de loods open te breken.

De verdachte is meerdere malen bij mij thuis geweest en hij liet briefjes achter waarop stond

dat hij de huur kwam betalen of de week daarop de huur kwam betalen. Er is geen twijfel

mogelijk dat hij de loods van mij heeft gehuurd en niemand anders.

Aanvullende bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de in het vonnis en dit arrest opgenomen bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft (primair) vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd.

Verdachte ontkent iedere vorm van betrokkenheid bij voorbereidingshandelingen van Opiumwetdelicten. Er is geen direct bewijs tegen hem en van medeplegen is geen sprake.

Dat de naam ‘ [verdachte] ’ voorkomt op de in de woning van medeverdachte [medeverdachte] aangetroffen SD-kaart is niet vreemd, omdat [medeverdachte] verdachte hielp bij het doen van zijn belastingaangiften. Dat betekent echter niet dat verdachte ook de ‘ [verdachte] ’ is die wordt genoemd in overzichten van verrekeningen die op die SD-kaart zijn aangetroffen.

Het klopt dat verdachte en [medeverdachte] onderling contact hadden, maar dat had geen betrekking op de handel in chemicaliën voor synthetische drugs. De Blackberry die in de woning van verdachte is aangetroffen, was niet van hem, maar van kennissen die dat toestel daar hadden achtergelaten.

De notities die bij verdachte zijn aangetroffen met daarop de letters ‘Z, N, M, F en Zw’ respectievelijk ‘ [transportbedrijf] ’ en ‘ [medeverdachte] ’ zeggen verdachte niets.

Verdachte heeft zich niet beziggehouden met illegale activiteiten op het perceel van zijn toenmalige schoonvader [getuige 2] te Maren-Kessel. De paardentrailer die daar is aangetroffen, had verdachte twee jaar daarvóór aan [getuige 2] geschonken. Verdachte weet niets van de restanten van chemicaliën die daarin zijn aangetroffen. [medeverdachte] moest een keer een bus of vrachtwagen lossen en toen heeft verdachte voor hem de sleutel van dat perceel geregeld. Verdachte is zelf echter niet bij het lossen aanwezig geweest en hij weet ook niet wat er is gelost.

Verdachte is evenmin betrokken geweest bij de loods in Lienden. De verklaring van [getuige 1] , die bovendien verschillend heeft verklaard, is daarvoor te mager, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent – in aanvulling op hetgeen de rechtbank in haar bewijsoverwegingen heeft overwogen – het volgende.

De in de woning van verdachte aangetroffen Blackberry

Op 12 augustus 2014 is tijdens een doorzoeking in de woning van medeverdachte [medeverdachte] een Blackberry aangetroffen en inbeslaggenomen. In de gegevens op deze Blackberry werd e-mailverkeer aangetroffen dat via het e-mailadres [e-mailadres 1] werd verstuurd en/of ontvangen.

Tijdens een doorzoeking op 2 september 2014 is in de woning van verdachte, op de salontafel, eveneens een Blackberry aangetroffen en inbeslaggenomen. In de gegevens op die Blackberry werd e-mailverkeer aangetroffen dat via het e-mailadres [e-mailadres 2] werd verstuurd en/of ontvangen.

Op de Blackberry van [medeverdachte] werd onder meer e-mailverkeer aangetroffen tussen

[e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] . In dat e-mailverkeer wordt gesproken over leveringen van chemicaliën.

Verdachte heeft verklaard dat de in zijn woning aangetroffen Blackberry niet van hem was. Bij de FIOD heeft hij op 6 februari 2015 verklaard dat hij dat hij niet weet van wie die telefoon is en dat er zoveel mensen over de vloer komen die hem misschien hebben laten liggen.

Op 5 april 2018 heeft verdachte ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat hij niet wil zeggen van wie die Blackberry was en dat die toebehoorde aan iemand die ervoor in zijn woning was geweest.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat dat toestel daar was achtergelaten door ‘kennissen’.

Het hof stelt allereerst vast dat verdachte wisselend heeft verklaard op de vraag van wie de in zijn woning aangetroffen Blackberry was. Bij de FIOD wist hij het niet, bij de rechtbank heeft hij het over ‘iemand’ en bij het hof over ‘kennissen’.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte aldus geen aannemelijke, laat staan een verifieerbare verklaring gegeven op de vraag aan wie de in zijn woning, op de salontafel aangetroffen Blackberry toebehoorde.

Het hof stelt verder vast dat uit het verhoor van verdachte door de FIOD op 6 februari 2015 blijkt dat er tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op die Blackberry werd gebeld en dat verdachte toen direct wilde opnemen, hetgeen hem door de verbalisanten werd verboden. Verdachte heeft daarvoor geen aannemelijke verklaring gegeven.

Het hof acht het niet aannemelijk dat als de Blackberry inderdaad aan een ander dan aan verdachte zou toebehoren, verdachte die Blackberry direct zou willen opnemen op het moment dat die overging.

Voorts overweegt het hof, dat toen medeverdachte [medeverdachte] door de FIOD werd voorgehouden dat tijdens een doorzoeking zowel bij hem als bij verdachte een Blackberry telefoon was aangetroffen, dat beide waren uitgerust met een (Engels) simkaartje van provider O2 en dat vastgesteld is dat tussen beide Blackberry’s mailverkeer heeft plaatsgevonden, [medeverdachte] op de vraag waarover hij en verdachte communiceerden via dat mailverkeer, antwoordde dat dat in die Blackberry staat. [medeverdachte] ontkende dus niet dat hij via de Blackberry met verdachte communiceerde en dat de bij verdachte aangetroffen Blackberry van verdachte was.

Tijdens datzelfde verhoor erkende [medeverdachte] dat hij – [medeverdachte] – gebruik maakte van de alias ‘ [alias] ’.

Het hof ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte] te twijfelen.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, gaat het hof aan de verklaringen die verdachte heeft gegeven op de vraag aan wie de in zijn woning aangetroffen Blackberry toebehoorde als ongeloofwaardig voorbij. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de Blackberry van verdachte was en dat verdachte de gebruiker was van het e-mailadres [e-mailadres 2] .

De op het perceel [adres] te Maren-Kessel aangetroffen paardentrailer

Op 15 augustus 2014 werd op het perceel van de toenmalige schoonvader van verdachte, [getuige 2] , aan de [adres] te Maren-Kessel een paardentrailer aangetroffen, waarvan het kenteken op naam van verdachte stond. In die trailer bevond zich een aantal deels gevulde vaten en flessen met het opschrift ‘aceton’, een stof die wordt gebruikt bij de productie van synthetische drugs.

De getuige [getuige 2] heeft op 19 oktober 2015 bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte zijn – verdachtes – paardentrailer bij zijn – [getuige 2] – loods had gestald en dat die paardentrailer daar ongeveer twee jaar geleden is gestald.

Verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank op 5 april 2018 verklaard dat het kenteken van de paardentrailer op zijn naam stond, dat hij die paardentrailer, die hem toebehoorde, eerder aan de eigenaar van dat perceel had gegeven en dat die paardentrailer op die locatie is neergezet.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij die paardentrailer twee jaar daarvóór aan [getuige 2] had gegeven, dat die trailer daar al twee jaar stond, dat hij er daarna nooit meer bij is geweest, dat hij niet weet waarom het kenteken nog steeds op zijn naam stond en dat hij daar niet aan heeft gedacht.

Gelet op het feit dat het kenteken van de paardentrailer op naam van verdachte stond, de getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de paardentrailer van verdachte was en verdachte zijn verklaring, dat hij de paardentrailer twee jaar vóór het aantreffen van die trailer op het perceel van [getuige 2] aan die [getuige 2] had gegeven, op geen enkele manier ook maar enigszins aannemelijk heeft gemaakt, acht het hof die verklaring van verdachte ongeloofwaardig, zodat het daaraan voorbijgaat. Het moet er daarom voor worden gehouden dat die paardentrailer en de inhoud ervan, de deels gevulde vaten en flessen met het opschrift ‘aceton’, van verdachte waren.

De loods aan de [adres] in Lienden

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zijn loods aan de [adres] te Lienden sinds eind 2012 werd gehuurd door verdachte.

Verdachte ontkent dat hij die loods huurde of dat hij anderszins enige betrokkenheid bij die loods heeft gehad. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij een privé-conflict met [getuige 1] heeft gehad, wat iets met diens vrouw te maken had en dat dat misschien de reden is waarom [getuige 1] ten onrechte belastend over hem heeft verklaard.

Ook aan deze verklaring van verdachte gaat het hof als ongeloofwaardig voorbij. De getuige [getuige 1] is meermalen gehoord. Hoewel zijn verklaringen niet steeds op alle onderdelen volledig met elkaar overeenkomen, is de kern van zijn verklaringen steeds dezelfde, namelijk dat verdachte de loods in Lienden vanaf eind 2012 van hem huurde. [getuige 1] heeft daar uitgebreid, gedetailleerd en consistent over verklaard, ook over de wijze waarop de (mondelinge) huurovereenkomst tot stand is gekomen, hoe de betalingen van de huurpenningen verliepen, enz. Het hof ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] , voor zover die voor het bewijs zijn gebruikt, te twijfelen. Aan de enkele, niet nader toegelichte stelling van verdachte dat [getuige 1] belastend over hem zou verklaren vanwege een privé-conflict tussen beiden gaat het hof als ongeloofwaardig voorbij.

Op 16 juli 2013 is in de loods een laboratorium aangetroffen waarin de stof APAAN door middel van sterke zuren werd omgezet in BMK, de precursor voor amfetamine. In totaal werden 237 jerrycans en vaten aangetroffen.

De getuige [getuige 1] heeft ook verklaard dat hij in januari 2013 de politie heeft gebeld omdat hij dacht dat er iets niet klopte met betrekking tot de verhuur van de loods aan verdachte; de loods zat steeds op slot als [getuige 1] er was. [getuige 1] heeft voorts verklaard dat hij in maart of april 2013 een man in een plastic overall bij de loods had gezien, die schrok en dat verdachte daar ook bij was.

Gelet hierop, acht het hof bewezen dat verdachte de loods in Lienden heeft gehuurd en dat hij deze loods met het daarin aangetroffen laboratorium beschikbaar heeft gesteld voor de productie van BMK.

(Voorwaardelijk) opzet

Uit de gebruikte bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij het bestellen, vervoeren en leveren van chemicaliën die nodig zijn voor de productie van synthetische drugs, bij het regelen van een losplaats voor die chemicaliën, bij het huren van de loods in Lienden, bij het beschikbaar stellen van die loods en het daarin aangetroffen laboratorium voor de productie van BMK – een precursor van amfetaminen – en bij het voorhanden hebben van IBC’s.

Met betrekking tot het opzet overweegt het hof als volgt.

Voor de in artikel 10a Opiumwet omschreven gedragingen geldt dat deze pas dan strafbaar zijn, indien bij de dader het opzet heeft bestaan om de in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet bedoelde misdrijven (opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A, B of D van de Opiumwet) voor te bereiden of te bevorderen. Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader om de misdrijven, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen en de daaruit voortvloeiende handeling. Bij het vereiste opzet van de daartoe te verrichten gedraging(en) dient volgens de wetsgeschiedenis en bestendige rechtspraak te worden gedacht aan verschillende schakeringen van het opzetbegrip, met inbegrip van het zogenoemde voorwaardelijk opzet (vgl. Kamerstukken II 1982/83, 17 975, nr. 3, p. 12-14 en HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2757, rov. 2.4.).

Voor wat betreft de bestemming van voorwerpen en stoffen die verdachte voorhanden had, geldt dat van verdachte wordt vereist dat hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat deze voorwerpen en stoffen bestemd waren tot het plegen van de misdrijven, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet. Overigens is niet vereist dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf (als bedoeld in het vierde of vijfde lid van art. 10 Opiumwet) deze dienen (vgl. HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0494, rov. 4.6. en HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:743, rov. 3.5.1.).

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het algemeen bekend is dat voor de productie van synthetische drugs grote hoeveelheden chemicaliën nodig zijn, die doorgaans niet gemakkelijk anoniem zijn te verkrijgen. Aangenomen mag worden dat verdachte – die eerder voor drugsdelicten is veroordeeld – dit ook wist.

Het hof komt dan ook in navolging van de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, tot het oordeel dat het voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat zijn handelingen de illegale handel van chemicaliën betroffen die zouden worden gebruikt voor de productie van synthetische drugs en dat verdachte daadwerkelijk wetenschap heeft gehad van de omstandigheid dat hij met zijn handelen de productie van harddrugs bevorderde.

Het hof acht daarom bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare voorbereidings- en bevorderingshandelingen met het oog op de productie van synthetische drugs.

Medeplegen

Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte het tenlastegelegde feit heeft medegepleegd in de zin van artikel 47, eerste lid, sub 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof stelt als toetsingskader het volgende voorop. Op grond van bestendige jurisprudentie moet voor medeplegen sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.

Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en derhalve eerder zien op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan in dat geval onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.

Het beslissingskader zoals dat in het hier voorgaande is weergegeven kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn. Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen. Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. in dezen: HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316).

Uit de gebruikte bewijsmiddelen, in het bijzonder uit de administratie die is aangetroffen in de bij de doorzoeking in de woning van [medeverdachte] aangetroffen ordners, uit de op de in de slaapkamer van [medeverdachte] achter een fotolijstje aangetroffen SD-kaart en uit het op de inbeslaggenomen Blackberry’s aangetroffen e-mailverkeer tussen het e-mailadres [e-mailadres 1] – geïnstalleerd op de Blackberry in gebruik bij [medeverdachte] – en het e-mailadres [e-mailadres 2] – geïnstalleerd op de Blackberry in gebruik bij verdachte – blijkt dat [medeverdachte] en verdachte zich bezighielden met de grootschalige handel en het vervoer van chemicaliën die nodig zijn voor de productie van synthetische drugs. Uit die administratie blijkt voorts dat de kosten en inkomsten tussen beiden werden verdeeld. Ook blijkt uit de gebruikte bewijsmiddelen dat verdachte op verzoek van [medeverdachte] een losplaats voor chemicaliën heeft geregeld.

Naar het oordeel van het hof was tussen [medeverdachte] en verdachte dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs, waarbij ieders materiële en intellectuele bijdrage van voldoende gewicht was. Dat niet iedere bewezenverklaarde handeling door hen beiden is gepleegd, doet hieraan niet af.

Het hof acht het tenlastegelegde medeplegen daarom wettig en overtuigend bewezen.

Overige bewijsverweren

De overige bewijsverweren van de verdediging vinden hun weerlegging reeds in de gebruikte bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van de rechtbank, die het hof bevestigt, zodat die geen nadere bespreking behoeven.

Conclusie

Het hof acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De bewijsverweren van de verdediging worden verworpen.

Op te leggen sanctie

De verdediging heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd. Zij heeft verzocht om vanwege de overschrijding van de redelijke termijn een strafmatiging van 12 maanden gevangenisstraf toe te passen.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof overweegt verder – grotendeels overeenkomstig de rechtbank – het volgende.

Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met een ander schuldig gemaakt aan de grootschalige handel in chemische stoffen die kunnen worden gebruikt voor de productie dan wel de bewerking of verwerking van synthetische drugs.

Verdachtes mededader heeft gedurende een periode van ongeveer tweeëntwintig maanden al dan niet op naam van eigen bedrijven en al dan niet met gebruikmaking van een tussenpersoon grote hoeveelheden stoffen en daarnaast hardware besteld bij verschillende (buitenlandse) firma’s en afgenomen, vervoerd of laten vervoeren, opgeslagen, doorverkocht en een aantal malen afgeleverd aan derden.

Uit het dossier komt het beeld naar voren dat verdachte hierbij partner was, in die zin dat hij een rol speelde bij de opslag en de afzet van de chemicaliën en al doende betrokken was bij de voorbereidings- en bevorderingshandelingen.

Verdachte heeft met voornoemd handelen weliswaar niet zelf synthetische drugs geproduceerd, maar was wel een onmisbare schakel in het productieproces. De (chemische processen bij de) productie van synthetische drugs, het vervoer en de ongecontroleerde opslag van de chemicaliën ten behoeve van deze productie en de dumpingen van drugsafval brengen grote veiligheidsrisico’s en risico’s voor de volksgezondheid, het milieu en de leefomgeving van omwonenden met zich. Verdachte heeft door zijn handelen ook bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. Algemeen bekend is dat de productie en handel van drugs gepaard gaat met (zware) criminaliteit. Het gebruik van drugs heeft daarnaast ook nadelige gevolgen voor de gezondheid voor gebruikers. Verdachte heeft zich bij het plegen van de feiten niets aangetrokken van de belangen van de maatschappij. De bewezenverklaarde feiten betreffen zeer ernstige feiten die zeer ontwrichtend zijn voor de maatschappij.

Blijkens het uittreksel van de Justitiële Informatiedienst d.d. 8 december 2020 blijkt dat verdachte eerder, in 1999, onherroepelijk is veroordeeld voor onder meer Opiumwetdelicten. Na de onderhavige feiten, die inmiddels geruime tijd geleden zijn gepleegd, heeft verdachte, voor zover bekend, niet opnieuw dergelijke feiten begaan.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het vorenstaande en gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 2 september 2014, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 5 juni 2018 vonnis gewezen. In eerste aanleg is dus sprake geweest van een termijnoverschrijding, nu de behandeling niet is afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de ingangsdatum van de redelijke termijn. Deze overschrijding bedraagt ruim 1 jaar en 9 maanden.

Verdachte heeft op 15 juni 2018 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op

24 februari 2021. In hoger beroep is derhalve eveneens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim 8 maanden.

Hoewel het gaat om een omvangrijke zaak en zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op verzoek van de verdediging getuigen moesten gehoord, zijn er naar het oordeel van het hof onvoldoende bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep volledig rechtvaardigen. Het hof ziet daarom aanleiding om aan deze overschrijding van de redelijke termijn consequenties te verbinden.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, alles afwegende en gelet op wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden passend en geboden is. Voor de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg heeft de rechtbank deze straf gematigd tot 38 maanden gevangenisstraf. Het hof acht dat een juiste beslissing.

Voor wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep zal het hof hierop nog eens 4 maanden gevangenisstraf in mindering brengen. Dat leidt ertoe dat het hof aan verdachte een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 34 maanden, met aftrek van voorarrest.

Een strafmatiging als door de verdediging verzocht acht het hof niet in verhouding tot de duur van de termijnoverschrijding, zodat het hof aan dat verzoek voorbij gaat.

Voor een bevel gevangenneming, als door de advocaat-generaal gevorderd, ziet het hof, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, geen aanleiding. Deze vordering wordt daarom afgewezen.

Beslag

De hierna nader aan te duiden Blackberry en notities, die in beslag zijn genomen en nog niet zijn teruggegeven, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Van de hierna nader aan te duiden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven naheffing parkeerbelasting zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde sancties en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 (vierendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een Blackberry 9720 (beslagcode I.01.05.001), de bescheiden (notities) met beslagcodes I.02.02.002, I.01.07.001, I.01.01.002, I.01.003 en I.01.03.001.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een naheffing parkeerbelasting [gemeente] betreffende een [auto] met kenteken [kenteken] , beslagcode J.1.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door:

mr. A.C. Bosch, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I. Kroes, griffier,

en op 24 februari 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Bosch is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.