Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:53

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-01-2021
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
200.267.057_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wijziging partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.267.057/01

zaaknummer rechtbank : C/02/347586 / FA RK 18-3911

beschikking van de meervoudige kamer van 14 januari 2021

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.A.M. van Weely te Waalwijk,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.E.A.T. Oude Luttikhuis te Waalwijk.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 17 september 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 30 september 2019 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 september 2019.

2.2.

De man heeft op 2 december 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De vrouw heeft op 13 januari 2020 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 5 september 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 19 mei 2020 met bijlagen, ingekomen op 20 mei 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 19 mei 2020 met bijlagen, ingekomen op 19 mei 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 14 oktober 2020 met bijlagen, ingekomen op 15 oktober 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 16 oktober 2020 met bijlagen, ingekomen op 16 oktober 2020.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 26 oktober 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door mr. Van Weely en door een tolk in de Chinese taal K.P. Woo;

- de man, bijgestaan door mr. Oude Littikhuis.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn op 24 december 2008 te [plaats] , Volksrepubliek China, met elkaar gehuwd. De vrouw heeft de Chinese nationaliteit en de man heeft de Belgische nationaliteit.

3.2.

Uit een eerder huwelijk van de vrouw is geboren:

- [jongmeerderjarige] , op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] (Volksrepubliek China).

De man heeft [jongmeerderjarige] niet erkend. [jongmeerderjarige] woont bij de vrouw.

3.3.

Het huwelijk van partijen is op 12 augustus 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 24 mei 2016 in de registers van de burgerlijke stand.

3.4.

Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man ten behoeve van haar te betalen onderhoudsbijdrage (hierna ook: partneralimentatie) afgewezen.

3.5.

Bij beschikking van 19 oktober 2017 heeft het hof de echtscheidingsbeschikking vernietigd voor zover het betreft voornoemde beslissing over de partneralimentatie en, opnieuw beschikkende, de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 19 oktober 2017 op € 557,- per maand bepaald, de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking van 17 september 2019 heeft de rechtbank de beschikking van het hof van 19 oktober 2017 gewijzigd en bepaald dat de daarbij vastgestelde bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud voor de vrouw:

- in de periode van 1 september 2018 tot 1 oktober 2019 nader wordt vastgesteld op € 219,- per maand, en

- in de periode vanaf 1 oktober 2019 nader wordt vastgesteld op nihil.

Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw de teveel door de man aan haar betaalde partneralimentatie niet aan hem hoeft terug te betalen. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

4.2.

De grieven van de vrouw zien op de behoefte van de vrouw en op de draagkracht van de man. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw beschikkende:

I. de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek om de beschikking van het hof van 19 oktober 2017 te wijzigen in die zin dat de partneralimentatie met ingang van 17 oktober 2017 op nihil gesteld dient te worden, dit verzoek af te wijzen, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag en ingangsdatum;

II. de beschikking van het hof van 19 oktober 2017 te wijzigen, in die zin dat de daarbij bepaalde bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 19 oktober 2017 wordt bepaald op het bruto equivalent van € 1.423,07 netto per maand, de netto huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, althans met ingang van een zodanige datum een zodanig hoger of lager bedrag als het hof juist acht.

Kosten rechtens.

4.3.

De man voert verweer en verzoekt de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door haar ingestelde hoger beroep als ongegrond af te wijzen.

De man is op zijn beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven van de man zien op de behoefte van de vrouw.

De man verzoekt het hof in het incidenteel hoger beroep bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de beschikking van het hof van 19 oktober 2017 te wijzigen in die zin dat de door de man ten behoeve van de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud nader wordt bepaald op nihil met ingang van 1 september 2018.

4.4.

De vrouw voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof de man in zijn incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, het door hem ingestelde incidenteel hoger beroep als ongegrond af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht. Kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1.

Het hof is evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te oordelen over onderhavige kwestie en dat Nederlands recht van toepassing is.

Ontvankelijkheid

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, die een herbeoordeling van de partneralimentatie rechtvaardigt.

Partijen zijn daarom ontvankelijk in het principaal en incidenteel hoger beroep.

De ingangsdatum

5.3.

In de bestreden beschikking is de ingangsdatum van een eventuele wijziging van de partneralimentatie bepaald op 1 september 2018. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat zij – anders dan aanvankelijk in principaal hoger beroep door haar is verzocht – met deze ingangsdatum kan instemmen.

Nu deze ingangsdatum niet langer in geschil is, zal het hof zal daarvan uitgaan.

De huwelijksgerelateerde behoefte

5.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, na toepassing van de wettelijke indexering, in 2019 € 1.423,07 netto per maand bedraagt. Het hof zal – zoals ook de rechtbank in de bestreden beschikking heeft gedaan met instemming van partijen – met ingang van 1 september 2018 met deze huwelijksgerelateerde behoefte rekenen.

Met ingang van 1 januari 2020 bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte, na toepassing van de wettelijke indexering, € 1.458,65 per maand en met ingang van 1 januari 2021 € 1.502,41 per maand. Het hof zal hierna, voor zover van toepassing, ook met deze bedragen rekenen.

Behoeftigheid/aanvullende behoefte

5.5.

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte haar netto besteedbaar inkomen vanaf 1 september 2018 heeft becijferd op € 1.008,- per maand. In 2018 lag het inkomen dat zij van Tempo Team voor haar werkzaamheden bij Bol.com ontving onder het sociaal minimum. Daarbij verwijst de vrouw naar haar jaaropgaaf 2018 en salarisspecificaties over de periode van september tot en met december 2018 van Tempo Team. Zij had daarnaast geen andere inkomsten. Van inkomsten uit een webshop en van een woning in China, zoals de man stelt, is geen sprake. Haar aanvullende behoefte over de periode van 1 september 2018 tot 1 oktober 2019 is dan ook ten onrechte vastgesteld op € 415,07 netto per maand.

Verder stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat vanaf 1 oktober 2019 een verdiencapaciteit aan haar moet worden toegekend gelijk aan de huwelijksgerelateerde behoefte. De vrouw betwist dat zij in staat is een inkomen uit arbeid te genereren dat gelijk is aan de huwelijksgerelateerde behoefte. Zij heeft van 27 december 2019 tot en met 26 maart 2020 een werkloosheidswet-uitkering ontvangen en zij ontvangt vanaf 27 maart 2020 een ziektewetuitkering vanwege lichamelijke klachten aan onder meer haar knie, rug en ogen. De omstandigheid dat het afgelopen jaar bij haar zoon [jongmeerderjarige] een oogziekte is vastgesteld, brengt mee dat zij er veel voor [jongmeerderjarige] moet zijn omdat hij getraind moet worden voor de situatie dat hij geen zicht meer heeft. Daarnaast geldt dat zij in de huidige economische situatie een van de velen is die zoekt naar werk. In het leren van de Nederlandse taal is zij niet voldoende leerbaar gebleken, aldus de vrouw.

5.6.

De man stelt zich – in principaal hoger beroep – op het standpunt dat de rechtbank terecht heeft aangenomen dat de vrouw vanaf 1 september 2018 een inkomen heeft ontvangen gelijk aan het inkomen volgens de loonspecificaties over 2019, kort gezegd, omdat de vrouw haar inkomen over 2018 onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Dit geldt zowel voor het inkomen dat zij in loondienst verdiende, als voor de inkomsten uit een webshop op naam van de vrouw. Uit de omstandigheid dat de vrouw een woning in China heeft, blijkt dat de vrouw meer inkomsten heeft dan dat zij stelt.

De man acht het eveneens terecht dat de rechtbank aan de vrouw een verdiencapaciteit heeft toegedicht gelijk aan de huwelijksgerelateerde behoefte, maar hij is het niet eens met de ingangsdatum van die beslissing. De man stelt – in incidenteel hoger beroep – dat de vrouw met ingang van 1 september 2018 geen aanvullende behoefte meer heeft, althans dat het ervoor moet worden gehouden dat de vrouw met ingang van die datum in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Ter onderbouwing voert de man het volgende aan. De vrouw heeft haar inkomenssituatie onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Zij heeft geen aangiften inkomstenbelasting over 2017 en 2018 overgelegd. Evenmin heeft de vrouw de vaststellingsovereenkomst die zij met Bol.com eind 2019 heeft gesloten én de door haar ontvangen toekenningsbeslissingen met betrekking tot haar werkloosheidswet-uitkering en ziektewetuitkering in het geding gebracht. Nergens blijkt uit dat zij niet in haar behoefte kan voorzien. Er zijn voor de vrouw voldoende mogelijkheden om (in de Engelse taal) werkzaam te zijn in het productieproces of als vertaalster. Zij heeft zich onvoldoende ingespannen om een inkomen te genereren waarmee zij volledig in haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien. Dit komt voor rekening van de vrouw.

5.7.

Het hof is op grond van de processtukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling het volgende gebleken. De vrouw is tot 27 december 2019 werkzaam geweest voor Bol.com via Tempo Team. Volgens de vrouw heeft zij daar twee jaren gewerkt. Blijkens de jaaropgaaf 2018 van Tempo Team bedroeg het jaarinkomen van de vrouw € 6.546,- bruto en gold de loonheffingskorting met ingang van 30 april 2018.

Blijkens de jaaropgaaf 2019 van Tempo Team bedroeg het jaarinkomen van de vrouw

€ 14.017,- bruto. Met ingang van 27 december 2019 tot en met 26 maart 2020 heeft de vrouw een WW-uitkering ontvangen van € 775,94 bruto per maand. Vanaf 26 maart 2020 ontvangt de vrouw een ZW-uitkering. De hoogte van deze uitkering bedroeg in de maanden mei en juni 2020 € 838,25 bruto per maand en vanaf juli € 844,77 bruto per maand.

5.8.

Het hof is van oordeel dat de vrouw, tegenover de stellingen van de man, haar inkomen over 2018 onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Weliswaar staat vast dat de vrouw op 1 september 2018 (de in deze procedure gehanteerde ingangsdatum) werkzaam was voor Bol.com, maar bij gebreke van de aangifte en aanslag inkomstenbelasting 2018 kan niet worden vastgesteld of zij daarnaast nog ander inkomen uit arbeid of vermogen had.

Het hof zal daarom, overeenkomstig het standpunt van de man in principaal hoger beroep, het inkomen van de vrouw met ingang van 1 september 2018 gelijkstellen met het inkomen van de vrouw over 2019. De jaaropgaaf 2019 van Tempo Team in aanmerking nemende, becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 1.064,- per maand.

5.9.

Vervolgens ligt de vraag voor of aan de vrouw een hogere verdiencapaciteit moet worden toegerekend op grond waarvan zij al dan niet volledig in haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien.

In de beschikking van het hof van 19 oktober 2017 is over de verdiencapaciteit van de vrouw het volgende overwogen. “Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vrouw, van Chinese afkomst, thans 38 jaar is en de Nederlandse taal nauwelijks beheerst. Via de sociale dienst en via Baanbrekers heeft de vrouw (onbetaald) fabriekswerk gedaan. De vrouw heeft gesteld dat zij solliciteert, hetgeen zij ook verplicht is gelet op haar bijstandsuitkering, dat zij via een cursus Nederlandse les heeft gevolgd maar dat de taal nog steeds een barrière vormt en dat zij hoopt op enig moment als tolk te kunnen gaan werken. Weliswaar heeft de vrouw in China werkervaring opgedaan als assistent manager en heeft zij in de verkoop gewerkt, doch gelet op de voormelde omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de vrouw thans nog niet in staat is om door middel van het verrichten van arbeid in haar levensonderhoud te voorzien. Het hof merkt daarbij op dat de vrouw alles in het werk dient te stellen om te blijven solliciteren en betaald werk te vinden teneinde in haar levensonderhoud te voorzien.” Op de vrouw rust aldus een inspanningsverplichting om betaald werk te vinden.

Het hof is, gelijk aan het oordeel van de rechtbank, van oordeel dat de vrouw tot 1 oktober 2019 aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. De vrouw had tijdens het huwelijk niet gewerkt en zij was de Nederlandse taal niet machtig. Zij heeft zich ingespannen om betaalde werkzaamheden te gaan verrichten en is tot 27 december 2019 werkzaam geweest voor Bol.com via Tempo Team voor gemiddeld 22 uur per week.

Vanaf 1 oktober 2019 geldt dat, wat er ook zij van de verdiencapaciteit van de vrouw, de man geen draagkracht resteert voor betaling van partneralimentatie (dit volgt uit onderstaande beoordeling van de draagkracht van de man). De verdiencapaciteit van de vrouw vanaf 1 oktober 2019 laat het hof daarom verder onbesproken.

5.10.

Op grond van het voorgaande en voor zover hierna van belang, bedraagt de behoefte van de vrouw aan een aanvullende alimentatiebijdrage over de periode van 1 september 2018 tot 1 oktober 2019 (€ 1.423,- -/- € 1.064,-) € 359,- netto per maand.

Draagkracht van de man

5.11.

Grief 3 in het principaal hoger beroep van de vrouw richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de draagkracht van de man. De vrouw is het niet eens met de beslissingen die in het kader van de draagkrachtberekening van de man zijn genomen over:

- het inkomen uit arbeid;

- de woonlasten, enkel wat betreft de vraag of de nieuwe partner van de man hierin moet bijdragen;

- de advocaatkosten.

De man voert gemotiveerd verweer. Het hof zal deze in geschil zijnde punten hierna achtereenvolgens beoordelen.

Inkomen uit arbeid

5.12.

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte bij de berekening van de draagkracht van de man rekening heeft gehouden met een basissalaris van € 3.200,- bruto per maand. De vrouw voert ter onderbouwing het volgende aan.

De man heeft tot 2018 het inkomen verworven dat hij nodig had om de voormalige echtelijke woning over te kunnen nemen. Kort na de overname van die woning in maart 2018 is hij bewust minder gaan werken. Het inkomensverlies dat de man ten opzichte van zijn inkomen in 2017 (€ 53.279,- bruto per jaar) heeft geleden is verwijtbaar. De man heeft zijn stelling dat hij niet langer in ploegendiensten kan werken vanwege een te zware belasting, waardoor hij geen ploegentoeslag meer ontvangt, onvoldoende onderbouwd. De man heeft de leeftijd dat hij niet meer in ploegen kan werken nog niet bereikt. Aan de man moet een verdiencapaciteit worden toegedicht gelijk aan zijn inkomen in 2017, aldus de vrouw.

5.13.

De man voert als verweer het volgende aan. Hij heeft niet vrijwillig gekozen om te stoppen met het werken in ploegendiensten. Zijn vorige werkgever, [vorige werkgever] B.V. (hierna: [vorige werkgever] ), heeft ervoor gekozen zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tot 1 juli 2018) niet te verlengen. De gezondheidsklachten die de man tijdens zijn dienstverband bij [vorige werkgever] had, werden mede door het werken in ploegendiensten veroorzaakt. De man heeft daarom de kans aangegrepen om met ingang van 1 september 2018 bij [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) te gaan werken op basis van een fulltime dienstverband (40 uur per week) zonder ploegendiensten. Sinds augustus 2020 is de man niet in staat om te werken vanwege een burn-out en depressieklachten.

5.14.

Het hof overweegt als volgt.

Vaststaat dat de man vanaf eind 2017 bij [vorige werkgever] werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Het salaris van de man bedroeg destijds € 3.200,- bruto per maand, vermeerderd met ploegentoeslag en vakantietoeslag. [vorige werkgever] heeft de keuze gemaakt de arbeidsovereenkomst van de man voor bepaalde tijd, lopend tot 1 juli 2018, niet te verlengen. De man is tijdens zijn dienstverband met [vorige werkgever] een aantal keren ziek geweest en heeft na afloop van dat dienstverband tijdelijk een ziektewetuitkering van het UWV ontvangen. Met ingang van 1 september 2018 is de man werkzaam voor [bedrijf] voor 40 uur per week, aanvankelijk voor bepaalde tijd en vanaf 1 april 2019 voor onbepaalde tijd. Hij werkt daar niet meer in ploegen. Zijn salaris bedraagt € 3.200,- bruto per maand, vermeerderd met vakantietoeslag.

Het hof is van oordeel dat de man voldoende onderbouwd heeft gesteld waarom hij ervoor heeft gekozen niet langer in ploegendiensten te werken. Hij heeft tijdens zijn dienstverband bij [vorige werkgever] gezondheidsproblemen ervaren (onder andere pijn op de borst, stress, hartkloppingen) die (mede) gerelateerd zijn aan het werken in ploegdiensten. Hij is hierdoor een aantal keren ziek geweest. Vanwege deze gezondheidsklachten en de omstandigheid dat zijn dienstverband niet werd verlengd, heeft de man ervoor gekozen een nieuw fulltime dienstverband aan te gaan, zonder ploegendiensten. In de gegeven omstandigheden acht het hof het inkomensverlies dat de man hierdoor lijdt, niet verwijtbaar en ziet het hof geen aanleiding om aan de man een hogere verdiencapaciteit toe te rekenen dan het inkomen dat hij thans feitelijk verdient.

5.15.

Nu de ingangsdatum van de herbeoordeling van de partneralimentatie door partijen is overeengekomen op 1 september 2018, gaat het hof uit van het (gewijzigde) inkomen van de man per die datum.

Vanaf 1 september 2018 is de man in dienst getreden bij [bedrijf] . Omdat de jaaropgaaf 2018 van [bedrijf] niet ziet op het gehele jaar, zal het hof voor de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2018 de inkomensgegevens van de man volgens de loonstroken uit 2018 in aanmerking nemen. Dit betekent dat het hof rekening zal houden met een salaris van de man van € 3.200,- bruto per maand, te vermeerderen met een vakantietoeslag van 8% over het brutosalaris, en met een bedrag aan ingehouden pensioenpremie van € 88,07 per maand.

Het hof neemt voor de berekening van de draagkracht van de man in 2019 de jaaropgaaf 2019 van [bedrijf] tot uitgangspunt, waaruit volgt dat de man een jaarinkomen heeft van € 39.663,- bruto.

Daarnaast houdt het hof (in beide periodes) rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensheffing.

Woonlasten

5.16.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de helft van de woonlasten van de man en andere gezamenlijke lasten aan de partner van de man dienen te worden toegerekend.

De man voert als verweer aan, dat hij niet samenwoont met zijn nieuwe partner en geen woonlasten met haar deelt.

5.17.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, heeft de vrouw niet, althans onvoldoende concreet gesteld, althans aannemelijk gemaakt, dat de man samenwoont met zijn huidige partner. Het hof zal daarom de woonlasten van de man, zoals hierna onder 5.21 vermeld, volledig in de berekening van de draagkracht van de man betrekken.

Advocaatkosten

5.18.

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met een bedrag aan advocaatkosten van € 114,- per maand vanaf 19 oktober 2018 en voert het volgende aan.

Bij beschikking van 19 oktober 2017 is eerder rekening gehouden met advocaatkosten van € 114,- per maand gedurende de termijn van één jaar. Iedere grond ontbreekt om nog één jaar rekening te houden met deze kosten. De vrouw betwist dat aan de zijde van de man er geen liquide middelen zijn of binnen afzienbare termijn te verwachten zijn om deze kosten te voldoen. Zij wijst in dit verband erop dat de man, anders dan in de berekening van zijn draagkracht in de beschikking van 19 oktober 2017 tot uitgangspunt is genomen, de aflossing op een lening aan de ouders van de vrouw in China van € 325,- per maand niet, althans niet iedere maand heeft voldaan.

5.19.

Volgens de man heeft de rechtbank terecht rekening gehouden met de post advocaatkosten vanaf 19 oktober 2018. Hij heeft deze (wederom) in verband met de door de vrouw aangespannen procedure moeten maken en niets staat er aan in de weg daar dan (wederom) rekening mee te houden. Hij heeft geen liquide middelen om de advocaatkosten te betalen. Door de wijziging in zijn inkomen was hij al niet in staat om zowel de partneralimentatie als de aflossing op een schuld van € 325,- per maand te betalen.

5.20.

Het hof zal rekening houden met een bedrag aan advocaatkosten van de man van € 114,- per maand over de maanden september en oktober 2018, nu dit voortvloeit uit de beschikking van het hof van 19 oktober 2017 én partijen in eerste aanleg overeengekomen zijn dat hiermee rekening moet worden gehouden.

Het hof zal, anders dan de rechtbank, geen rekening met de door de man opgevoerde advocaatkosten vanaf 19 oktober 2018 (voor de draagkrachtberekening zal de eerste dag van de volgende maand worden aangehouden, zijnde 1 november 2018). Bijzondere omstandigheden daargelaten wordt, conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen, bij de bepaling van de draagkracht met advocaatkosten geen rekening gehouden. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken. De man heeft zijn stelling dat hij geen liquide middelen heeft om de advocaatkosten die verband houden met de procedure tot wijziging van de partneralimentatie te betalen, tegenover de betwisting door de vrouw, niet aannemelijk gemaakt.

Draagkrachtberekening

5.21.

Het hof houdt verder rekening met de navolgende posten, die de rechtbank in de bestreden beschikking voor de draagkrachtberekening van de man tot uitgangspunt heeft genomen en tussen partijen in hoger beroep niet in geschil zijn:

- het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag voor een alleenstaande;

- € 1.592,- per jaar aan eigenwoningforfait;

- € 605,- per maand aan rente ter zake de hypothecaire lening betreffende zijn woning;

- € 337,- per maand aan aflossing ter zake de hypothecaire lening betreffende zijn woning;

- € 335,- per maand aan premie levens-overlijdensrisicoverzekering gesloten in verband met die lening;

- € 95,- per maand aan (forfaitair) zakelijke lasten betreffende die woning;

- aan ziektekosten: € 152,- per maand aan premie basisverzekering en aanvullende verzekering(en) en € 32,- per maand aan verplicht eigen risico, te verminderen met € 35,- nominale premie omdat die reeds is begrepen in voormeld normbedrag;

- € 325,- per maand aan aflossing op een schuld aan de ouders van de vrouw, met ingang van 1 oktober 2019. Over de periode september 2018 tot en met september 2019 wordt met deze aflossing geen rekening gehouden.

5.22.

Op grond van de hiervoor vermelde inkomensgegevens en lasten en gelet op de fiscale consequenties hiervan in de betreffende periodes heeft de man de draagkracht om een partneralimentatie aan de vrouw te voldoen van:

- in de periode van 1 september 2018 tot en met 31 oktober 2018: € 211,- (bruto) per maand;

- in de periode van 1 november 2018 tot en met 31 december 2018: € 326,- (bruto) per maand;

- in de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 september 2019: € 303,- (bruto) per maand;

- met ingang van 1 oktober 2019: nihil.

Te veel betaalde partneralimentatie

5.23.

Indien en voor zover de man eerder te veel ter zake partneralimentatie aan de vrouw heeft voldaan, dan wel op hem is verhaald, en hij op grond van deze beschikking nog partneralimentatie dient na te betalen, mag de man hetgeen hij te veel heeft voldaan dan wel op hem is verhaald met de nog door hem aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie verrekenen.

6 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als hierna vermeld.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

6.3.

Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 17 september 2019, voor wat betreft de beslissing over de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud voor de vrouw in de periode van 1 september 2018 tot 1 oktober 2019, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van het hof van 19 oktober 2017 en bepaalt dat de man aan de vrouw

als uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen:

- in de periode van 1 september 2018 tot en met 31 oktober 2018 € 211,- per maand;

- in de periode van 1 november 2018 tot en met 31 december 2018 € 326,- per maand;

- in de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 september 2019 € 303,- per maand;

bepaalt dat de man hetgeen ter zake bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te veel door hem is betaald, dan wel op hem is verhaald, met de nog door hem aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie mag verrekenen;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 17 september 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en K.A. Boshouwers, bijgestaan door de griffier, en is op 14 januari 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.