Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:506

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-02-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
200.262.764_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Europees civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid Nederlandse rechter. Rechtskeuze en forumkeuze in agentuurovereenkomst. Wilsovereenstemming partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.262.764/01

arrest van 23 februari 2021

in de zaak van

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. L. van Leeuwen te Haarlem,

tegen

1 [geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] , Duitsland,

2. [Kindermoden],
gevestigd te [vestigingsplaats] , Duitsland,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. J. Overdijk te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 juli 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 25 april 2019, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7641200 \ CV EXPL 19-3064)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep

  • -

    de memorie van antwoord met twee producties

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Van Leeuwen

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Overdijk

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De procedure in eerste aanleg

3.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellante] dat [geïntimeerden] hoofdelijk worden veroordeeld tot het betalen van € 74.835,98, met de wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten en proces- en nakosten.

3.2.

Daaraan heeft [appellante] in hoofdzaak het volgende ten grondslag gelegd. [appellante] handelt in kinderkleding, onder het label ‘Retour’. Zij heeft op 25 april 2016 een agentuurovereenkomst gesloten met [geïntimeerde] . Op grond van deze agentuurovereenkomst zou [geïntimeerde] vanaf 1 mei 2016 voor de duur van drie jaar als Duits agent kleding van [appellante] verkopen op de Duitse markt. De overeenkomst is op 24 oktober 2018 opgezegd en vervolgens op 30 november 2018 beëindigd. [appellante] gaat ervan uit dat partijen hebben bedoeld dat (ook) [Kindermoden] als partij zou worden gebonden aan de overeenkomst. De hoofdsom van de vordering van [appellante] betreft het saldo van de eindafrekening die [appellante] heeft gemaakt.

3.3.

[appellante] heeft bij de inleidende dagvaarding de tekst van een agentuurovereenkomst overgelegd. Art. 19 van deze agentuurovereenkomst luidt:

‘This Agreement is governed exclusively by Dutch Law.

Place of performance and exclusive place of jurisdiction for any disputes arising from this agreement is the registered office of the Company. However, the Company may also appeal to the competent court for the place of business of the Representative.’

3.4.

[geïntimeerden] zijn verschenen bij de kantonrechter. Voordat zij verweer hebben gevoerd, heeft de kantonrechter bij het bestreden vonnis zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van [appellante] . Daartoe heeft de kantonrechter kort gezegd overwogen dat hij geen bevoegdheid kan ontlenen aan art. 99 en 100 Rv, omdat de vestigingsplaats en de plaats van de dagelijkse werkzaamheden van [geïntimeerden] niet in zijn rechtsgebied zijn gelegen, en evenmin aan art. 109 Rv, nu art. 99 en art. 100 Rv de relatief bevoegde rechter aanwijzen.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1.

[appellante] heeft in hoger beroep één grief aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis en tot het terugwijzen van de zaak naar de kantonrechter.

4.2.

De kantonrechter heeft, zo begrijpt het hof, niet beoordeeld of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, maar alleen of hij relatief bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. Het hof moet echter eerst beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Indien dit het geval is, moet het hof nagaan of de kantonrechter de relatief bevoegde Nederlandse rechter is.

4.3.

[appellante] heeft woonplaats in Nederland, [geïntimeerden] hebben woonplaats in Duitsland. Of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Brussel I bis-Verordening. Volgens de hoofdregel van art.

4 lid 1 Brussel I bis-Verordening is de Duitse rechter bevoegd om van de vorderingen van [appellante] kennis te nemen. Art. 7, aanhef en onder 1 van de verordening leidt tot hetzelfde resultaat, omdat de diensten volgens de agentuurovereenkomst werden verstrekt in Duitsland. Art. 25 Brussel I bis-Verordening maakt echter forumkeuze mogelijk. Indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor het kennis nemen van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd, tenzij het forumkeuzebeding krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Daarnaast is van belang dat volgens art. 25 lid 5 Brussel I bis-Verordening een forumkeuzebeding dat deel uitmaakt van een overeenkomst, wordt aangemerkt als een beding dat los staat van de overige bepalingen van de overeenkomst. De geldigheid van het beding kan niet worden bestreden op grond van het enkele feit dat de overeenkomst niet geldig is.

4.4.

[appellante] heeft een beroep gedaan op de forumkeuze die partijen volgens haar hebben gemaakt bij het sluiten van de agentuurovereenkomst. Zij heeft daarvoor verwezen naar art. 19 van de door haar overgelegde tekst van de agentuurovereenkomst. De forumkeuze die in art. 19 is neergelegd, wijst de rechter aan van de vestigingsplaats van [appellante] .

4.5.

[geïntimeerden] hebben in hoger beroep tegengesproken dat er een forumkeuze is gemaakt. Volgens hen is de overgelegde tekst van de agentuurovereenkomst slechts een aanbod van hun kant geweest (een ‘contractvoorstel’), dat [appellante] niet tijdig heeft aanvaard.

4.6.

Art. 25 Brussel I bis-Verordening vereist voor een geldige forumkeuze een overeenkomst tussen partijen, die voor zover hier van belang schriftelijk is vastgelegd of bevestigd. Van een overeenkomst is sprake indien de forumkeuze daadwerkelijk het voorwerp is geweest van wilsovereenstemming tussen partijen die duidelijk en nauwkeurig tot uiting komt. De eis van schriftelijke vastlegging of bevestiging heeft ten doel te waarborgen dat de wilsovereenstemming tussen partijen vaststaat. Indien aan dit vormvoorschrift is voldaan, kan het bestaan van een overeenkomst worden aangenomen

(zie HvJ EU 7 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:525). De materiële geldigheid van de overeenkomst wordt bepaald door het recht van de lidstaat van de rechter die bij de overeenkomst is aangewezen, met inbegrip van het conflictenrecht van die lidstaat (zie de considerans nr. 20 van de Brussel I bis-Verordening). De materiële geldigheid betreft ook de vraag of tussen partijen wilsovereenstemming bestaat en hoe het forumkeuzebeding moet worden uitgelegd.

4.7.

Gelet op het verweer van [geïntimeerden] moet het hof beoordelen of in art. 19 van de overgelegde tekst van de agentuurovereenkomst de wilsovereenstemming tussen partijen met betrekking tot de forumkeuze is vastgelegd of bevestigd.

4.8.

Bij deze beoordeling moet het hof het Nederlands recht toepassen, met inbegrip van het Nederlands conflictenrecht, omdat het forumkeuzebeding de Nederlandse rechter aanwijst als de bevoegde rechter. In dit geval is het Nederlands conflictenrecht van belang, want partijen hebben woonplaats in verschillende staten. Tot het Nederlands conflictenrecht behoort de Rome I-Verordening. De forumkeuzeovereenkomst valt niet onder het materiële toepassingsgebied van de Rome I-Verordening (art. 1 lid 2, aanhef en onder e).

Op grond van art. 10:154 BW zijn in dit geval echter de bepalingen van de Rome I-Verordening van overeenkomstige toepassing.

4.9.

Volgens art. 3 Rome I-Verordening wordt de overeenkomst beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. Art. 19 van de overgelegde tekst bevat een rechtskeuze, namelijk een keuze voor het Nederlands recht. Volgens art. 10 lid 1 Rome I-Verordening moeten het bestaan en de geldigheid van dit rechtskeuzebeding worden beoordeeld aan de hand van het Nederlands recht, omdat dit recht toepasselijk zou zijn indien het beding geldig zou zijn, terwijl de uitzondering van art. 10 lid 2 Rome I-Verordening zich hier niet voordoet. De rechtskeuze in art. 19 is een algemene rechtskeuze. Bij gebreke van een aanwijzing voor het tegendeel mag daarom worden aangenomen dat de rechtskeuze ook betrekking heeft op het forumkeuzebeding. Voor zover het Haags Vertegenwoordigingsverdrag van toepassing is, levert dit geen ander resultaat op, gelet op hetgeen is bepaald in art. 5 en art. 8 van dat verdrag.

4.10.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof naar Nederlands recht moet beoordelen of art. 19 van de overgelegde tekst van de agentuurovereenkomst de wilsovereenstemming tussen partijen verwoordt ten aanzien van de rechtskeuze. Als blijkt dat de rechtskeuze geldig is, is ook Nederlands recht van toepassing op de vraag of in art. 19 de wilsovereenstemming tussen partijen is vastgelegd of bevestigd ten aanzien van de forumkeuze. Omdat gesteld noch gebleken is dat partijen op enig moment in onderhandelingen of anderszins een onderscheid hebben gemaakt tussen het rechtskeuzebeding en het forumkeuzebeding waaruit art. 19 bestaat, valt het oordeel over de geldigheid van de forumkeuze samen met het oordeel over de geldigheid van de rechtskeuze.

4.11.

Uit de stellingen van partijen en de stukken die zij hebben overgelegd, blijkt het volgende over de gang van zaken bij het tot stand komen van de agentuurovereenkomst.

4.11.1.

Bij e-mail van 1 april 2016 heeft [appellante] uitgangspunten voor een samenwerking toegezonden aan, naar het hof begrijpt, [geïntimeerde] . [appellante] en [geïntimeerde] hebben vervolgens per

e-mail hierover van gedachten gewisseld. Op 11 april 2016 heeft [appellante] een concept voor een overeenkomst aan [geïntimeerde] toegezonden. Over het concept heeft [geïntimeerde] opmerkingen gemaakt, waarop [appellante] heeft gereageerd. Er heeft tevens een gesprek tussen [appellante] en [geïntimeerde] plaatsgevonden.

4.11.2.

Bij e-mail van 25 april 2016 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] onder meer meegedeeld:

‘Thanks for your visit last Friday.

We have spoken about points to change in the contract, Fred has done this. See everything written in blue. (…)

Still I need to get all your legal info, address and etc.. You can also fill it in the contract in the TERM SHEET.

Would be good if we could get a signed contract back. (if you sign and scan it and email it to us, would be already good for now!)

Then I can introduce you TOMMOROW to all agents.’

4.11.3.

Bij e-mail van 25 april 2016 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] het volgende meegedeeld:

‘Here you will find the signed contract. The only change I had done is at the target. Normally summer is lower then winter, or? For SS17 I put 500.000.-- and HW17 800.000, that the total for the year will be the same, but we are very late to prepare the seasons

I am happy to start now together with the whole team, see you soon.’

De ‘signed contract’ waarnaar [geïntimeerde] in haar e-mail verwijst, is de agentuurovereenkomst die [appellante] in deze procedure heeft overgelegd. De overeenkomst is ondertekend door [geïntimeerde] . Bij de handtekening van [geïntimeerde] is met de hand de datum van 25 april 2016 geschreven.

Als bijlage bij de e-mail is ook een TERM SHEET gevoegd, waarop met de hand gegevens over [geïntimeerde] zijn ingevuld en die is ondertekend door [geïntimeerde] .

De wijziging die [geïntimeerde] noemt in haar e-mail (‘only change’), betreft een wijziging in de verdeling van de ‘target’ voor 2017 over het lente/zomerseizoen (SS17) en herfst/winterseizoen (HW17). Zoals uit de email volgt, blijft het totaal van de ‘target’ voor 2017 gelijk.

4.11.4.

Kort daarna is [geïntimeerde] begonnen met haar werkzaamheden als agent voor [appellante] . Over de inhoud van de overeenkomst is niet meer onderhandeld. Bij e-mail van 26 oktober 2018, toen er onenigheid tussen partijen was ontstaan, heeft [geïntimeerde] aan haar Duitse advocaat over de overeenkomst meegedeeld:

‘…Den Mist habe ich wohl wirklich unterschrieben…..:-(‘

4.12.

Uit de gang van zaken kan het volgende worden opgemaakt. Vóórdat [geïntimeerde] voor [appellante] aan het werk ging als agent, hebben partijen onderhandeld over de voorwaarden waaronder [geïntimeerde] het werk zou uitvoeren. Er zijn in die fase uitgangspunten, concepten en opmerkingen uitgewisseld en besproken. Dit heeft geleid tot de tekst van de overeenkomst die [appellante] op 25 april 2016 aan [geïntimeerde] heeft toegezonden. [appellante] heeft daarbij aan [geïntimeerde] verzocht om ‘a signed contract’ terug te sturen. Hieruit blijkt dat de tekst van de overeenkomst de instemming van [appellante] had en [geïntimeerde] heeft dit redelijkerwijs niet anders kunnen opvatten. [geïntimeerde] heeft de overeenkomst vervolgens ondertekend en aan [appellante] teruggezonden. Zij heeft daarbij eveneens gesproken van ‘signed contract’. Zij heeft op dat punt geen voorbehoud gemaakt. De wijziging van de verdeling van de ‘target’ voor 2017 over het zomer- en winterseizoen is niet geformuleerd als voorstel of voorbehoud, maar als mededeling. [geïntimeerde] heeft aan het slot van haar bericht toegevoegd: ‘happy to start now together with the whole team’. Dit duidt erop dat zij meende dat er een overeenkomst tot stand was gekomen, op basis van de ondertekende tekst. In het licht van de stand van de onderhandelingen, het verzoek om een ondertekend contract terug te sturen, het ondertekenen van de overeenkomst, het terugsturen van de ondertekende overeenkomst en de mededelingen die [geïntimeerde] daarbij aan [appellante] heeft gedaan, heeft [appellante] redelijkerwijs mogen aannemen dat [geïntimeerde] had ingestemd met de bepalingen van de ondertekende overeenkomst. In wezen wordt dit bevestigd door de omstandigheid dat partijen daarna niet meer over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld en dat [geïntimeerde] als agent voor [appellante] aan het werk is gegaan. De instemming blijkt ook uit de e-mail van [geïntimeerde] van 26 oktober 2018. Voor zover het wijzigen van de verdeling van de ‘target’ voor 2017 over het lente/zomer- en herfst/winterseizoen nog de instemming van [appellante] behoefde, is onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat partijen dit punt als wezenlijk voor het tot stand komen van de overeenkomst beschouwden, daargelaten of [geïntimeerde] uit het uitblijven van bezwaar van [appellante] niet heeft mogen afleiden dat [appellante] instemde met de wijziging.

4.13.

De conclusie is dat de overeenkomst die [geïntimeerde] in 2016 heeft ondertekend en die [appellante] in deze procedure heeft overgelegd, de weergave is van de wilsovereenstemming tussen partijen. Art. 19, dat de rechtskeuze en de forumkeuze bevat, maakt daarvan deel uit. Er is dus voldaan aan de eisen die art. 25 Brussel I bis-Verordening stelt aan een forumkeuze.

4.14.

De rechter die partijen in art. 19 van de overeenkomst hebben aangewezen, is de rechter van de vestigingsplaats van [appellante] . Deze vestigingsplaats is [vestigingsplaats] . Op grond van art. 108 lid 1 Rv in verbinding met art. 93, aanhef en onder c, Rv is de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant de Nederlandse rechter die relatief bevoegd is om van de vorderingen van [appellante] kennis te nemen. De kantonrechter heeft zich dus ten onrechte onbevoegd verklaard. De grief slaagt.

4.15.

Ten overvloede overweegt het hof dat [Kindermoden] niet heeft aangevoerd dat, als [geïntimeerde] aan de forumkeuze is gebonden, die gebondenheid niet voor haar geldt.

4.16.

Het hof zal het vonnis van de kantonrechter vernietigen en de zaak naar de kantonrechter terugwijzen voor verdere behandeling. Hetgeen partijen over de inhoud van de zaak naar voren hebben gebracht, behoeft het hof in dit hoger beroep niet te bespreken.

4.17.

[geïntimeerden] zijn in het ongelijk gesteld. De proceskosten van het hoger beroep komen om die reden voor hun rekening. Over de proceskosten van de eerste aanleg doet het hof geen uitspraak, omdat deze kosten alleen de inleidende dagvaarding betreffen. De beslissing over de kosten daarvan kunnen te zijner tijd worden betrokken bij de beslissing over de proceskosten in de einduitspraak van de kantonrechter.

4.18.

Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep tot heden aan de zijde van [appellante] als volgt vast:

- explootkosten € 81,83

- griffierecht € 2.020,00

- salaris advocaat € 2.228,00 (tarief II, 2 punten)

totaal € 4.329,83

De explootkosten zijn niet vermeld op het dagvaardingsexploot. Het hof heeft de explootkosten daarom vastgesteld met toepassing van art. 2 lid 1, aanhef en onder a, van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders, zoals dit gold op de dag van het uitbrengen van het exploot, dat is 12 juli 2019.

4.19.

De vergoeding voor nakosten stelt het hof vast, zoals [appellante] heeft verzocht, omdat de gevorderde vergoeding lager is dan volgens het huidige liquidatietarief.

4.20.

De afgifte van een certificaat als bedoeld in art. 53 Brussel I bis-Verordening geschiedt niet bij arrest, zodat het hof het verzoek tot afgifte daarvan van [appellante] niet behoeft te bespreken.

5 De uitspraak

Het hof:

5.1.

vernietigt het bestreden vonnis;

en, opnieuw rechtdoende,

5.2.

verklaart de kantonrechter bevoegd om van de vorderingen van [appellante] kennis te nemen;

5.3.

wijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, terug naar de kantonrechter voor verdere behandeling;

5.4.

veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten, aan de zijde van [appellante] vastgesteld op:

- € 4.329,83 tot heden voor het hoger beroep,

- € 156,00 aan nasalaris advocaat zonder betekening van dit arrest of € 239,00 vermeerderd met de explootkosten bij betekening van dit arrest, indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de dag van deze uitspraak tot de dag van betaling;

5.5.

verklaart dit arrest zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, L.S. Frakes en T. van Malssen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 februari 2021.

griffier rolraadsheer