Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:490

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-02-2021
Datum publicatie
23-02-2021
Zaaknummer
200.284.405_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2020:5017
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindigende maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 18 februari 2021

Zaaknummer : 200.284.405/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/272130 / FA RK 19-4507

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S. Selbach,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader);

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, de gecertificeerde instelling (hierna te noemen: de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 juli 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 8 oktober 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad af te wijzen als ongegrond, kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 december 2020, heeft de GI – naar het hof begrijpt – verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 januari 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Selbach;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling tijdens de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gehouden op 29 mei 2020;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder, ingekomen op 23 november 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.

3.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 8 juni 2018 onder toezicht van de GI en zij zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 8 juni 2018 uit huis geplaatst. Vanaf 9 juli 2019 zijn de kinderen zes weken thuisgeplaatst bij de moeder, totdat zij op 22 augustus 2019 middels een spoedmachtiging uithuisplaatsing weer uit huis zijn geplaatst. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn laatstelijk verlengd tot 8 juni 2021. De kinderen verblijven bij [instelling] te [plaats] .

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het gezag van de ouders over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd en de GI tot voogd benoemd.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het de beëindiging van haar gezag betreft en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

De moeder erkent dat in het verleden niet alles goed is verlopen, maar er moet gekeken worden naar de positieve ontwikkeling die zij heeft doorgemaakt en niet alleen naar gebeurtenissen uit het verleden. De moeder heeft veel begeleiding en hulpverlening gehad en er heeft een psychologisch onderzoek plaatsgevonden. De moeder heeft inzicht in haar problematiek en gaat hieraan werken. Zij wordt begeleid door het FACT-Team. De moeder werkt mee met de GI, ook ten aanzien van medische zaken. Het is dan ook te vroeg om het gezag van de moeder te beëindigen. Gezien de duur van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is de aanvaardbare termijn nog niet verstreken. De kinderen geven duidelijk aan dat zij weer bij de moeder willen wonen en op termijn is dit ook mogelijk. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben het gevoel dat zij de moeder na de gezagsbeëindiging minder mogen zien en dat is voor de kinderen meer belastend dan de jaarlijkse verlengingen van de maatregelen indien het gezag niet wordt beëindigd.

Het contact tussen de moeder en de vader is inmiddels verbeterd. Het is de keuze van de vader om weinig contact met de kinderen te hebben.

3.6.

De raad voert, kort samengevat, het volgende aan.

De gezagsbeëindigende maatregel was heel hard nodig, maar is niet de oplossing voor de bestaande problemen. De moeder en de kinderen blijven zich verzetten en afzetten. Dat was ook het geval op het moment dat de kinderen weer thuisgeplaatst waren. Het is toen compleet uit de hand gelopen met verschrikkelijke gevolgen, waaronder de detentie van de moeder. Het is onduidelijk of er bij de moeder ook echt intrinsieke motivatie bestaat om aan zichzelf te werken, aangezien het FACT-team wordt ingezet op grond van strafrechtelijke voorwaarden en niet zozeer omdat de moeder dit noodzakelijk acht. De raad handhaaft het verzoek. Het is in het belang van de kinderen onverantwoord om terug te gaan naar de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De beslissingen over de hulpverlening en school van de kinderen moeten niet door de moeder genomen worden.

3.7.

De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.

Met betrekking tot de problematiek van de moeder is er weinig veranderd. Hierdoor werkt zij onvoldoende mee aan de noodzakelijke hulpverlening. De moeder vindt dat zij genoeg hulpverleners heeft. De GI ziet bij de moeder weinig inzicht, probleembesef of eigen verantwoordelijkheid. Zij blijft vasthouden aan haar levensvisie en ziet medisch ingrijpen als een strafbaar feit. Van intrinsieke motivatie is bij de moeder nog weinig merkbaar. De moeder komt de afspraken met de GI na, maar de samenwerking blijft bij momenten heel moeilijk. Zij ziet bepaalde zaken als inbreuk op haar privacy. De GI ontvangt weinig informatie, met uitzondering van beperkte informatie van GGZ-organisatie [GGZ] en van de reclasseringsmedewerker.

Met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat het niet goed op de groep. Zij hebben veel moeite met het accepteren van gezag. Dat is een terugkerend probleem en het baart de GI zorgen. Het is ook de reden dat [minderjarige 2] van school is geschorst. Een andere zorg is dat de kinderen heel beïnvloedbaar zijn. Als de moeder een visie heeft die verschilt van die van de hulpverlening nemen de kinderen de visie van de moeder over. De moeder blijft zich verzetten tegen de uithuisplaatsing en de kinderen zeggen weer bij de moeder te willen wonen, waardoor zij niet zichzelf kunnen zijn op de groep en zij stagneren in hun ontwikkeling.

De verlengingszittingen zorgen voor veel onrust bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij moeten niet in onzekerheid wachten tot de moeder in staat is de opvoeding op zich te kunnen nemen en wederom met veranderingen te maken krijgen. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is het belangrijk te weten waar zij aan toe zijn, dat het definitief is en zij niet het gevoel hebben dat er nog ruimte is om ervoor te zorgen dat zij naar huis kunnen.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in

artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of,

de ouder het gezag misbruikt.

3.7.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof – na eigen beoordeling en waardering – overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat alle twee de kinderen zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd, en dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de kinderen aanvaardbaar te achten termijn. In aanvulling op hetgeen de rechtbank aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd overweegt het hof nog het volgende.

Naar het hof is gebleken hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een belaste voorgeschiedenis, met zeer veel wisselingen in hun verblijfplaats. Bij zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] is sprake van (forse) problematiek. Zij accepteren geen gezag en er zijn onder andere zorgen over hun identiteitsontwikkeling. Ook bij de moeder is sprake van ernstige persoonlijke problematiek. Uit het bij haar afgenomen psychologisch onderzoek blijkt dat zij moeite heeft met gezag en dat zij trekken heeft van een narcistische en borderline persoonlijkheid. Door haar onvoorspelbaarheid, persoonlijke problematiek en levensvisie kan de moeder de kinderen geen stabiele en veilige opvoedomgeving bieden. De moeder heeft in het verleden geweigerd haar toestemming te verlenen voor gewone zaken die voor de kinderen geregeld moesten worden en voor noodzakelijke hulpverlening, met als gevolg dat de hulpverleners de belangen van de kinderen niet adequaat hebben kunnen behartigen. De maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing hebben nauwelijks tot een verbetering van de situatie geleid. Sinds haar detentie zou de moeder een positieve ontwikkeling doormaken. Voor zover al juist is, gelet op de lange voorgeschiedenis, deze ontwikkeling nog heel pril en onvoldoende bestendig gebleken. Het is ook onvoldoende duidelijk of deze ontwikkeling voortkomt vanuit een intrinsieke motivatie van de moeder, nu de ondersteuning door het FACT-team is opgelegd op grond van strafrechtelijke voorwaarden. Voorts stond de moeder niet direct open voor de door de GI noodzakelijk geachte hulpverlening vanuit AnaCare omdat zij vond dat er al te veel hulpverleners betrokken waren.

Ten slotte neemt het hof in overweging dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] thans behoefte hebben aan duidelijkheid over hun toekomstperspectief. Door de onduidelijkheid omtrent dit perspectief worden de kinderen in hun ontwikkeling bedreigd, temeer nu de moeder de uithuisplaatsing niet accepteert en zij de kinderen hiermee belast. Om toe te kunnen komen aan hun ontwikkelingstaken is het noodzakelijk dat duidelijk wordt waar de kinderen verder zullen opgroeien. Die duidelijkheid wordt gecreëerd met een gezagsbeëindiging. Een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing brengt met zich dat de situatie jaarlijks moet worden bekeken, met alle spanning, onzekerheid en opspelende loyaliteitsproblematiek voor de kinderen van dien. Doordat de moeder de uithuisplaatsingen niet accepteert, bestaat er een reëel risico althans is voldoende aannemelijk dat de moeder zich ook in de toekomst tegen de verlengingen van de machtiging tot uithuisplaatsing zal verzetten.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] inmiddels is verstreken.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

3.9.

Gelet op de aard van de procedure ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 juli 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat de moeder en de belanghebbenden de eigen proceskosten dragen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, C.A.R.M. van Leuven en A.M. Bossink en is op 18 februari 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.