Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:4323

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-10-2021
Datum publicatie
21-03-2022
Zaaknummer
20-002536-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002536-20

Uitspraak : 12 oktober 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 18 november 2020, in de strafzaak met parketnummer 01-278793-20 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij het vonnis waarvan beroep is de verdachte veroordeeld ter zake van diefstal tot een gevangenisstraf van 1 week met aftrek van voorarrest, waarvan 5 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter beslist op de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde] .

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de straf.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat de camerabeelden waarop de dader van de diefstal is te zien ‘onvoldoende concreet en te vaag zijn’ om daarop een herkenning, zoals gedaan door verschillende verbalisanten, te kunnen baseren.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De raadsman erkent dat de uiterlijke kenmerken van de persoon die op de camerabeelden is te zien, passen bij de uiterlijke kenmerken van de verdachte. De camerabeelden zijn ter zitting in hoger beroep afgespeeld. Het hof stelt vast:

  • -

    dat de camerabeelden van goede kwaliteit zijn;

  • -

    dat het kleurenbeelden betreft;

  • -

    dat op de camerabeelden is te zien hoe de dader van de diefstal loopt en beweegt;

  • -

    dat de dader van de diefstal op enig moment (kort) richting de camera kijkt en op dat moment de gelaatstrekken van de dader te zien zijn.

Gelet op het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat de camerabeelden van zodanige kwaliteit zijn en hetgeen op de beelden is te zien zodanig concreet en duidelijk is dat verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] verdachte hebben kunnen herkennen als de dader van de tenlastegelegde diefstal. Het hof betrekt hierbij de omstandigheid dat de verbalisanten hebben gerelateerd de verdachte ambtshalve te herkennen omdat de verdachte vanwege insluipingen reeds vele malen eerder met de politie in aanraking is gekomen.

De raadsman heeft, onder verwijzing naar het strafdossier in de zaak die gelijktijdig doch niet gevoegd ter zitting in hoger beroep is behandeld, nog gesuggereerd dat de genoemde verbalisanten specifiek de opdracht hadden gekregen om te bezien of het de verdachte was die op de camerabeelden te zien is (in plaats van de vraag: wie is op die beelden te zien). Het voorgaande zou inhouden dat de verbalisanten bevooroordeeld naar de beelden hebben gekeken, hetgeen de kans op een valse herkenning vergroot, aldus de raadsman.

In het dossier bevindt zich echter geen enkele aanwijzing dat de verbalisanten de beelden met een dergelijke opdracht hebben bekeken. De enkele omstandigheid dat onderhavige zaak speelde korte tijd nadat de politie zich heeft beziggehouden met het andere strafdossier, acht het hof daarvoor volstrekt onvoldoende. Het hof schuift de suggestie van de raadsman dan ook terzijde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Gelet op deze oriëntatiepunten en de omstandigheid dat het feit als een insluiping in een bedrijfspand dient te worden gekwalificeerd, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van 1 maand met zich brengt. Het hof zal dan ook een hogere straf opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof heeft daarbij ook rekening gehouden met de omstandigheid dat uit het strafblad van de verdachte naar voren komt dat hij zich vele malen eerder schuldig heeft gemaakt aan vermogensdelicten. Kennelijk is de verdachte hardleers.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. G.J. Schiffers, voorzitter,

mr. F. van Es en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Nieuwendijk, griffier,

en op 12 oktober 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Schiffers is buiten staat dit arrest te ondertekenen.