Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:4090

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-10-2021
Datum publicatie
12-10-2022
Zaaknummer
20-002767-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het tenlastegelegde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002767-20

Uitspraak : 18 oktober 2021

TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 11 december 2020, in de strafzaak met parketnummer 01-272760-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958,

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

laatst opgegeven woon- of verblijfplaats volgens de Informatiestaat SKDB d.d. 29 juli 2021: [adres]

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter integraal zal bevestigen.

Namens de verdachte is vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 13 november 2019 op Eindhoven Airport (als uitreizend passagier bij de securitycheck), in de gemeente Eindhoven, althans in Nederland,

- van een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, tot een (totaal)bedrag van euro 110.410 of daaromtrent, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was en/of voormeld voorwerp voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat voormeld voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

en/of

- een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, tot een (totaal)bedrag van euro 110.410 of daaromtrent, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans van voormeld voorwerp gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat voormeld voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 november 2019 op Eindhoven Airport (als uitreizend passagier bij de securitycheck), in de gemeente Eindhoven,

een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, tot een (totaal)bedrag van euro 110.410 voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat voormeld voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen aan hem ten laste is gelegd wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is – op de gronden als verwoord in de pleitnota overgelegd ter terechtzitting in hoger beroep – aangevoerd dat er door de verdachte een verklaring is gegeven met betrekking tot de herkomst van het geldbedrag welke verklaring concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte verkoopfacturen heeft overgelegd waaruit blijkt dat de door het bedrijf van de verdachte gegenereerde omzet in euro’s bestaat uit factuurbedragen die contant in euro’s zijn ontvangen van de betreffende afnemers. Voorts bevinden zich in het dossier de door verdachte overgelegde verklaringen van deze afnemers en heeft de verdachte op verzoek van het Openbaar Ministerie de meest recente jaarrekeningen van zijn onderneming overgelegd. De jaarcijfers bevestigen de omzet op basis van de facturen.

De verdediging heeft verder gewezen op de e-mail van verdachte van 16 maart 2020 (dossier p. 67) waarin de verdachte verklaart “all the euros recieved were changed to sterling by the director (me) and were entered at the time as sterling in the books”. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat uit deze mail volgt dat de euro’s zijn omgewisseld in ponden afkomstig uit het privévermogen van verdachte. De euro’s zouden zijn opgeborgen in de kluis van het bedrijf en met deze euro’s op zak is verdachte aangehouden. Het betreffende bedrag is dus niet afkomstig uit de liquide middelen van het bedrijf. Dit staan de bedrijfscijfers op basis van omzet minus kosten ook niet toe. De aangetroffen euro’s zijn slechts gegenereerd door middel van de bedrijfsactiviteiten en waren door het omwisselen naar ponden uiteindelijk afkomstig uit het privévermogen. De verdediging voert aan dat het, gelet op het stappenplan dat in de jurisprudentie is ontwikkeld, aan het Openbaar Ministerie is om (nader) onderzoek te (laten) doen naar de alternatieve herkomst van het voorwerp. Het Openbaar Ministerie heeft de verklaring van verdachte echter ter zijde geschoven zonder nader onderzoek te doen en vervolgens onjuiste conclusies getrokken op basis van de opgevraagde en overgelegde bedrijfsresultaten. Het Openbaar Ministerie had nader onderzoek moeten verrichten naar bijvoorbeeld het privévermogen van de verdachte. Derhalve stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waar de verdenking betrekking op heeft een legale herkomst heeft en dat niet kan worden gesteld dat er sprake is van een voorwerp afkomstig uit enig misdrijf.

Het juridische kader

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder, het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

Feiten en omstandigheden

Uit het procesdossier (dossier p. 15-18) is gebleken dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de Koninklijke Marechaussee op 13 november 2019 een melding hebben gekregen van de meldkamer dat bij het securityfilter op Eindhoven Airport tijdens een controle een grote hoeveelheid contant geld werd aangetroffen onder verdachte. De verdachte heeft desgevraagd allereerst verklaard dat hij € 40.000,00 bij zich had. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben samen met collega’s van de douane het geld geteld en kwamen tot een bedrag van € 50.000,00. Op de vraag of de verdachte op dat moment nog meer geld bij zich had, heeft de verdachte geantwoord dat hij in totaal € 110.000,00 bij zich had. [verbalisant 2] heeft voorts samen met de medewerkers van de douane al het geld geteld met behulp van een gekalibreerde geldtelmachine van de Koninklijke Marechaussee. Na het tellen van het geld is aan de verdachte nogmaals gevraagd of hij nog meer geld bij zich had. De verdachte gaf toen nog twee coupures van € 200,00 en twee coupures van € 5,00. Hij beschikte over een geldbedrag van in totaal € 110.410,00. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen dat de verdachte het geld vervoerde in toilettassen in hoofdzakelijk coupures van € 50,00. Het geld werd vervoerd in bundeltjes welke bij elkaar gebonden waren met elastieken.

Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat de verdachte heeft getracht een groot bedrag aan contant geld, opgeborgen in toilettassen hoofdzakelijk in coupures van € 50,00, via Eindhoven Airport het land uit te voeren, zonder daarvan aangifte te doen bij de douane, terwijl hij over de omvang van het bedrag niet meteen duidelijkheid heeft gegeven aan de verbalisant die hem controleerde. Deze verhullende wijze van transport, het negeren van de aangifteplicht en het trachten te verzwijgen van de omvang van het geldbedrag tijdens de controle, zijn reeds omstandigheden die erop duiden dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich brengt en daarom voor privépersonen hoogst ongebruikelijk is.

Op grond van het voorgaande acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het voorwerp in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

De verklaring van verdachte

De verdachte heeft bij zijn aanhouding (dossier p. 16-17) verklaard dat hij die ochtend vanuit Londen is aangekomen op Eindhoven Airport en dat hij met een taxi is gebracht naar een voor hem onbekende loods in een voor hem onbekende plaats. Hij zou daar zaken hebben gedaan met een man die hij kent als [man 1] waarover hij verder niets meer kan vertellen. De verdachte zou eerder zijn benaderd door [man 1] of hij wellicht modeartikelen van hem wilde kopen omdat de verdachte een warenhuis heeft in Londen met de naam Odyssey. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij met [man 1] een deal probeerde te sluiten over een partij schoenen waarop hij € 80.000,00 zou hebben geboden, maar [man 1] zou daarmee niet akkoord zijn gegaan en dat zou de reden zijn dat de verdachte met het geld weer retour naar Londen zou gaan.

De verdachte heeft ten tijde van zijn eerste verhoor (dossier p. 26-29) op 13 november 2019 verklaard dat hij naar Nederland is gekomen om 16.000 paar schoenen te kopen. Deze schoenen wilde hij kopen door tussenkomst van een vriend, [man 1] , een agent uit Londen die mensen die producten willen verkopen brengt bij mensen die producten willen kopen en daaraan verdient. De verdachte zou met de taxi naar de loods zijn gegaan waar de betreffende schoenen zouden liggen. Wat hij in de loods zag, is hem niet bevallen en dat is de reden waarom hij zijn geld mee terug heeft genomen. Het geld zou hij hebben meegenomen uit Londen. Verdachte zou veel contant geld hebben liggen in Londen. Dit geld wisselde hij niet om, omdat hij dan commissie zou moeten betalen.

Ten tijde van het tweede verhoor (dossier p. 30-36) op 14 november 2019 heeft de verdachte verklaard dat een contant bedrag van € 110.000,00 uit de kluis van zijn kantoor komt en dat hij dit bedrag door de jaren heen heeft verdiend met zijn onderneming. De verdachte heeft verklaard dat hij weet dat het geld op de bank veiliger is. Aan de verdachte is ten tijde van dit verhoor voorgehouden dat hij naar zijn berekening voor 16.000 paar schoenen ongeveer € 56.000,00 nodig had en is hem gevraagd waarom hij zoveel meer geld bij zich had. De verdachte heeft toen verklaard dat [man 1] hem ook nog andere schoenen had laten zien op foto’s en dat dat de reden is dat hij meer geld bij zich had.

De verdachte heeft vervolgens desgevraagd eerst verkoopfacturen over de jaren 2015 t/m 2018 overgelegd welke zouden zijn voldaan door zijn afnemers. Desgevraagd heeft verdachte vervolgens debiteurenoverzichten en jaarrekeningen van 2013 tot en met 2017 met betrekking tot zijn onderneming, alsmede de hierboven reeds genoemde e-mail van 16 maart 2020 aangeleverd.

Het hof stelt vast dat verdachte niet meteen openheid van zaken heeft gegeven omtrent de hoeveelheid contant geld die hij bij zich had. Ook de vraag waarom en waarvoor verdachte deze hoeveelheid geld bij zich had, heeft verdachte niet eenduidig beantwoord. De verdachte verklaart bijvoorbeeld pas over een deal van meer dan 16.000 paar schoenen nadat hij werd geconfronteerd met het feit dat zijn eerdere verklaring het bedrag van € 110.410,00 niet kon verklaren. Verder zijn de verklaringen van verdachte omtrent ene [man 1] wisselend, vaag en niet verifieerbaar gebleven. Met betrekking tot de door verdachte overlegde stukken stelt het hof vast dat uit het proces-verbaal bevindingen administratie (dossier p. 80-89) volgt dat de aangeleverde informatie de verklaring van de verdachte dat de € 110.410,00 afkomstig zijn uit zijn onderneming weerspreekt.

Het hof is van oordeel dat de verklaring die de verdachte geeft omtrent het aangetroffen geldbedrag op grond van het bovenstaande niet kan worden aangemerkt als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring.

Eerst ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat de verdachte de contante euro’s verkregen uit zijn onderneming heeft omgewisseld met Britse ponden uit zijn privévermogen en dat het bedrag in euro’s dus uiteindelijk het privévermogen van verdachte betreft. Het hof stelt vast dat deze verklaring afkomstig is van de raadsvrouw van de verdachte en niet van de verdachte zelf. Ook uit de tekst van de e-mail op pagina 67 van het dossier volgt naar het oordeel van het hof niet met zoveel woorden dat de inbeslaggenomen euro’s afkomstig zijn uit het privévermogen van de verdachte. Dat is een interpretatie die er door de raadsvrouw aan wordt gegeven. Zo de verklaring van de raadsvrouw al aan de verdachte zou moeten worden toegerekend, is het hof van oordeel dat deze verklaring van de raadsvrouw geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring betreft zoals bedoeld in de jurisprudentie.

Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het tenlastegelegde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Het hof verwerpt het verweer en komt daarmee tot een bewezenverklaring het tenlastegelegde.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

witwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De politierechter heeft de verdachte veroordeeld ter zake witwassen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest en de verbeurdverklaring van het geldbedrag ter hoogte van € 110.410,00.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter integraal zal bevestigen.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de mate waarin het bewezenverklaarde feit heeft geleid tot financiële schade;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte kennelijk slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 juli 2021, waaruit blijkt dat hij hier te lande niet eerder is veroordeeld ter zake strafbare feiten. Tevens heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor duur van 6 maanden met zich brengt.

Beslag

Van het onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geld is een bedrag van € 110.410,00, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot hetwelk het bewezenverklaarde is begaan.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

105000 EUR, 5000 EUR, 400 EUR en 10 EUR.

Aldus gewezen door:

mr. S.V. Pelsser, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. H.N. Brouwer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.M.M. Dielesen, griffier,

en op 18 oktober 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mrs. S.V. Pelsser en H.N. Brouwer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.