Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:4069

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2021
Datum publicatie
21-03-2022
Zaaknummer
20-003941-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003941-19

Uitspraak : 6 oktober 2021

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingslocatie Breda , van 17 december 2019, in de strafzaak met parketnummer 02-186438-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.

Namens de verdachte is vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot het inbeslaggenomen geldbedrag is verzocht dit bedrag te retourneren aan de verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 1 augustus 2019 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal ongeveer 30.060,- euro, althans een geldbedrag van in totaal ongeveer 15.600,- euro en/of 14.460,- euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal ongeveer 30.060,- euro, althans een geldbedrag van in totaal ongeveer 15.600,- euro en/of 14.460,- euro, was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal ongeveer 30.060,- euro, althans een geldbedrag van in totaal ongeveer 15.600,- euro en/of 14.460,- euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

subsidiair:
hij op of omstreeks 1 augustus 2019 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging, een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal ongeveer 30.060,- euro, althans een geldbedrag van in totaal ongeveer 15.600,- euro en/of 14.460,- euro, heeft verworven en/of voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak primair tenlastegelegde

Het hof is - met de politierechter, de advocaat-generaal en de raadsman - van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Op grond van de stukken in het dossier kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte zich, al dan niet tezamen en in vereniging, heeft schuldig gemaakt aan het - kort samengevat - verhullen van de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats van een hoeveelheid geld, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geld afkomstig was uit enig misdrijf.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 1 augustus 2019 te [plaats 1] een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal 14.460,- euro, heeft voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het hof acht het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op: 1

1. Het proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, d.d. 1 augustus 2019 (pg. 17-19), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

(dossierpagina 17)

Op 1 augustus 2019 omstreeks 14:30 uur bevonden wij, verbalisanten, ons op de parkeerplaats [locatie] , gelegen aan de rijksweg A16 te [plaats 2] en in de gemeente [plaats 1] . (...)

Op 1 augustus 2019 omstreeks 17:06 uur hielden wij, verbalisanten, de inzittenden van een personenauto staande (...). Deze personenauto kan als volgt worden omschreven: (…)

Kenteken: [kenteken]

Nationaliteit: [nationaliteit] (…)

Voordat wij, verbalisanten, konden overgaan tot het vaststellen van de identiteit, stapte de

bestuurder van het voornoemde voertuig uit de auto. Hierbij zag ik, [verbalisant 1] , een

(01) pakket met geld, op de rug van de bestuurder, tussen de broeksband van de bestuurder

zitten. (...)

(dossierpagina 18)

Vervolgens heb ik, [verbalisant 1] , een onderzoek aan het lichaam van de bestuurder

ingesteld op grond van artikel 95 Wetboek van Strafvordering. Hierbij trof ik, [verbalisant 1]

, het volgende aan:

- 02 pakketten geld in de broeksband van de bestuurder, aan de voorzijde van het lichaam;

- 01 pakket geld in de broeksband van de bestuurder, aan de achterzijde van het lichaam;

- 01 pakket geld, welke los in de rechterbinnenzak van de jas van de bestuurder zat.

Het geld dat ik, [verbalisant 1] , aantrof in de broeksband van de bestuurder was

samengebonden middels elastiek. (...)

De bestuurder kon zich hier identificeren middels een echte en onvervalste [nationaliteit] identiteitskaart. Dit document was op naam gesteld van:

Naam: [naam 1]

Voornaam: [naam 2]

Geboortedatum: [geboortedag] 1990

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Nationaliteit: [nationaliteit]

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 augustus 2019 (pg. 24-25), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

(dossierpagina 24)

Op 1 augustus 2019, omstreeks 20:15 uur, hebben wij verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , op de brigade Scheldestromen van de Koninklijke

Marechaussee, het geld geteld wat bij de verdachte [verdachte] was aangetroffen.

In de rechterjaszak van [verdachte] werd het volgende geld in de volgende coupures aangetroffen:

03X 50 EURO = 150 EURO

09X 20 EURO = 180 EURO

08X 10 EURO = 80 EURO

Totaal: 410 EURO

Vervolgens werd er in de broeksband van [verdachte] , aan de achterzijde van het lichaam het

volgende geld in de volgende coupures aangetroffen:

040X 50 EURO = 2000 EURO

147X 20 EURO = 2940 EURO

006X 10 EURO = 60 EURO

Totaal: 5000 EURO

Vervolgens werd er in de broeksband van [verdachte] , aan de voorzijde van het lichaam het

volgende geld in de volgende coupures aangetroffen:

054X 50 euro = 2700 euro

209X 20 euro = 4180 euro

217X 10 euro = 2170 euro

Totaal: 9050 EURO

Het totaalbedrag dat bij de verdachte [verdachte] aangetroffen is: 14.460,00 euro

3. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 4 augustus 2019 (pg. 90 t/m 94), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte:

V: Vraag verbalisant

A: Antwoord verdachte

(dossierpagina 91)

V: Hoeveel geld had u bij u?

A: Ik had 15.400 euro bij me, waarvan 15.000 op mijn lichaam en 400 in mijn zak. (…)

(dossierpagina 93)

V: Waar verstopte u het geld?

A: Ik verstopte het geld rond mijn middel.

V: Hoe kan het dat u maar 14.460 euro heeft en niet 15.000 euro?

A: Ik heb dan waarschijnlijk niet goed geteld of ik ben wat geld verloren.

Bewijsoverwegingen

A.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

B.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft volgens de raadsman een aannemelijke verklaring gegeven voor de herkomst van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag van € 14.460,-. Die verklaring houdt - kort gezegd - in dat mevrouw [betrokkene] een contant geldbedrag van € 14.000,- aan de verdachte heeft gegeven met de bedoeling om daar twee auto’s mee te kopen ten behoeve van haar autoverhuurbedrijf. Volgens de raadsman heeft de verdachte daarmee een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk verklaring gegeven en had het openbaar ministerie nader onderzoek naar die verklaring kunnen en moeten doen. Echter, nu een nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte door het openbaar ministerie onvoldoende is verricht, kan niet worden geoordeeld dat het tenlastegelegde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, aldus de raadsman. Dit betekent dat niet bewezen kan worden dat de verdachte het tenlastegelegde geldbedrag heeft witgewassen, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

Tegen de achtergrond van dit kader overweegt het hof het volgende.

Ter beoordeling staat of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van na te noemen, in de broeksband en de rechterjaszak van de verdachte aangetroffen, contante geldbedragen:

  • -

    het in de rechterjaszak aangetroffen geldbedrag van € 410,-; en

  • -

    het in de broeksband, aan de achterzijde, aangetroffen geldbedrag van € 5.000,-; en

  • -

    het in de broeksband, aan de voorzijde, aangetroffen geldbedrag van € 9.050,-.

Het hof leidt uit de thans beschikbare bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.

  • -

    De auto van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] is door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voor controle was staande gehouden op de parkeerplaats [locatie] , nabij de grensovergang tussen België en Nederland (dossierpagina 17);

  • -

    Op het moment dat de verdachte uit de auto stapte, zag [verbalisant 1] een pakket met geld tussen de broeksband, aan de achterzijde van het lichaam, van de verdachte zitten (dossierpagina 17);

  • -

    Op verschillende plaatsen op het lichaam en in de kleding van de verdachte werd vervolgens een contant geldbedrag van (in totaal) € 14.460,- aangetroffen (dossierpagina’s 18 en 24);

  • -

    Een geldbedrag van € 5.000,-, verdeeld in 6 biljetten van € 10,-, 147 biljetten van € 20,- en 40 biljetten van € 50,- werd aangetroffen in broeksband, aan de achterzijde van het lichaam, van de verdachte (dossierpagina 24);

  • -

    Een geldbedrag van € 9.050,-, verdeeld in 217 biljetten van € 10,-, 209 biljetten van € 20,- en 54 biljetten van € 50,- werd aangetroffen in de broeksband, aan de voorzijde van het lichaam, van de verdachte (dossierpagina 24);

  • -

    Een geldbedrag van € 410,-, verdeeld in 8 biljetten van € 10,-, 9 biljetten van € 20,- en 3 biljetten van € 50,- werd aangetroffen in de rechterjaszak van de verdachte (dossierpagina 24);

  • -

    De verdachte heeft ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij ten tijde van de aanhouding geen werk had, een maandelijkse uitkering van € 480,- ontving en tussen de 0 en € 1.000,- aan spaargeld had (dossierpagina 77).

Op grond van deze feiten en omstandigheden is sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen en onder die omstandigheden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de genoemde geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn.

Het hof stelt vast dat de verdachte bij gelegenheid van zijn aanhouding noch ter gelegenheid van zijn eerste verhoor door de Koninklijke Marechaussee een dergelijke verklaring heeft afgelegd. De verdachte heeft de ochtend na zijn aanhouding ten overstaan van de politie verklaard dat hij € 15.000,- bij zich droeg, waarvan € 8.000,- van hemzelf was en waarvan hij € 7.000,- had geleend van “een vriend” (dossierpagina’s 76, 78 en 81). In antwoord op de vraag wat de naam is van deze vriend, heeft de verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht (dossierpagina 92). De verdachte heeft voorts verklaard dat hij het cashgeld bij zich had met de bedoeling om een auto te kopen in Nederland die hij vervolgens in Frankrijk , zelfstandig, wilde doorverkopen (dossierpagina’s 76, 79, 86 en 91). Met de winst wilde de verdachte het van zijn vriend geleende geld terugbetalen (dossierpagina 79). Het hof stelt verder vast dat de medepassagier van verdachte, te weten medeverdachte [medeverdachte] , eveneens een aanzienlijke hoeveelheid aan cashgeld op zijn lichaam droeg (dossierpagina’s 26 en 106-107) en - naar het later bleek - een valse identiteit had opgegeven (dossierpagina 29). Tenslotte stelt het hof vast dat de verdachte niet ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee heeft willen verklaren van wie hij en de medeverdachte de auto hadden geleend waarin zij waren staandegehouden (dossierpagina’s 85, 92 en 93) en dat hij evenmin de naam heeft willen noemen van de neef uit Rotterdam die hem zou helpen bij de aankoop van de auto en naar wie hij en de medeverdachte onderweg waren (dossierpagina’s 87, 91 en 93).

Twaalf dagen na zijn aanhouding echter, op 13 augustus 2019, heeft de verdachte ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee aangekondigd dat hij het bewijs van de herkomst van het geld kwam overhandigen. De verdachte verklaarde dat, van het geld dat hij op 1 augustus 2019 bij zich droeg, een bedrag van € 14.000,- in eigendom toebehoorde aan ene mevrouw [betrokkene] en dat een bedrag van € 460,- in eigendom toebehoorde aan de verdachte zelf. [betrokkene] zou het contante geldbedrag van € 14.000,- aan de verdachte hebben overhandigd met de bedoeling dat de verdachte daarmee twee auto’s - te weten een Renault Clio 4 en een Peugeot 207 - zou kopen voor haar onlangs gestarte autoverhuurbedrijf. De verdachte en [betrokkene] hebben, ter onderbouwing van hun stelling dat een geldbedrag van € 14.000,- afkomstig was van [betrokkene] , onder andere bankafschriften ingebracht, waaruit volgt dat [betrokkene] tussen 19 juli 2019 en 25 juli 2019 pinopnames heeft gedaan van viermaal € 3.000,-, eenmaal € 770,-, eenmaal € 860,- en eenmaal € 400,-.2

Het hof acht de verklaring van de verdachte, dat het aangetroffen contante geldbedrag van € 14.000,- afkomstig was van [betrokkene] en dat het bestemd zou zijn voor de aankoop van twee auto’s voor die [betrokkene] , niet geloofwaardig en dus niet aannemelijk geworden. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Allereerst constateert het hof dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over de herkomst van het geld. Meer specifiek verklaarde verdachte wisselend over welk deel van het bedrag aan wie toebehoorde en met welke bedoeling hij dat geld bij zich droeg. In eerste instantie heeft de verdachte verklaard dat hij € 7.000,-, geleend had van “een vriend” - welke “vriend” overigens door de verdachte steeds als “hem” of “hij” wordt aangeduid - en dat het restant van het contante geldbedrag, te weten € 8.000,-, van hemzelf was. Dit alles terwijl het in totaal aangetroffen geldbedrag niet € 15.000,-, maar € 14.460,- bedroeg. Ook heeft de verdachte in eerste instantie verklaard dat het geld bedoeld was voor de aankoop van één auto voor hemzelf, dat hij nog niet wist wat voor auto hij wilde kopen en dat hij de bedoeling had om die auto (zelfstandig) door te verkopen en met de behaalde winst de lening van zijn vriend terug te betalen. De verklaring dat het geld toebehoorde aan [betrokkene] en bestemd was voor de aankoop van een Renault Clio 4 en een Peugeot 207 voor haar autoverhuurbedrijf komt pas twaalf dagen later en eerst nadat de verdachte en [betrokkene] kennelijk contact met elkaar hebben gehad over het inbeslaggenomen geldbedrag. Dat er bij het verhoor door de Koninklijke Marechaussee sprake zou zijn geweest van misbegrip en een taalbarrière, zoals door de verdachte later is gesteld, acht het hof onvoldoende aannemelijk geworden, aangezien de verhoren op 2, 3 en 4 augustus 2019 met bijstand van een beëdigde [nationaliteit] tolk zijn afgenomen. Ook blijkt uit het procesdossier dat het horen van de verdachte zonder dat daarbij een advocaat aanwezig was steeds met instemming van de verdachte heeft plaatsgevonden, dat de verdachte voorafgaand aan de verhoren in de gelegenheid is gesteld om overleg te voeren met zijn advocaat en voorts dat het verhoor in elk geval éénmaal is onderbroken zodat de verdachte met zijn advocaat kon spreken. Gelet hierop acht het hof geen gronden aanwezig om te oordelen dat op de eerder - op 2, 3 en 4 augustus 2019 - door de verdachte afgelegde verklaringen geen acht kan worden geslagen.

In de tweede plaats acht het hof opmerkelijk dat een groot contant geldbedrag van (in totaal) € 14.460,- wordt aangetroffen in kleine coupures van overwegend biljetten van € 10,- en € 20,- (dossierpagina 24), terwijl [betrokkene] grote pinopnames heeft gedaan van viermaal € 3.000,-, eenmaal € 770,-, eenmaal € 860,- en eenmaal € 400,-. Bovendien acht het hof merkwaardig dat het door [betrokkene] overhandigde geldbedrag van exact € 14.000,- en het aan de verdachte zelf toebehorende geldbedrag van exact € 460,- wordt aangetroffen in één pakket van € 410,- en in twee met elastieken samengebonden pakketten van € 5.000,- en € 9.050,- (dossierpagina 18), hetgeen betekent dat de verdachte het door [betrokkene] overhandigde geld met zijn eigen geld heeft vermengd ofwel met € 50,- heeft vermeerderd, dit vervolgens in meerdere pakketten heeft verdeeld en op verschillende plekken in zijn kleding heeft verspreid.

Op de derde plaats gaat het hof aan de verklaring van de verdachte en [betrokkene] als niet-aannemelijk voorbij, omdat het hof van oordeel is dat onvoldoende is onderbouwd dat de contante pinopnamen die door [betrokkene] in de periode tussen 19 juli 2019 en 25 juli 2019 zijn gedaan in directe relatie staan met de in de broeksband en de jaszak van de verdachte aangetroffen contante geldbedragen.

Met betrekking tot het resterende bedrag van € 460,- geldt dat de verdachte in het geheel geen concrete en verifieerbare verklaring heeft afgelegd, anders dan dat het geld hemzelf toebehoorde, zodat het ervoor moet worden gehouden dat ook dit bedrag uit enig misdrijf afkomstig is.

Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat de verdachte er niet in is geslaagd een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van het geldbedrag van € 14.460,-. Derhalve kan het niet anders zijn dan dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig is.

Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Naar het oordeel van het hof kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met de medeverdachte [medeverdachte] heeft schuldig gemaakt aan witwassen. Derhalve acht het hof bewezen dat verdachte het feit alleen heeft gepleegd.

Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde van het subsidiair tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

witwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 14.460,-. Het plegen van een dergelijk strafbaar feit resulteert in een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel in het bijzonder en schade aan de maatschappij in het algemeen. Daarnaast werkt het witwassen van crimineel geld het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 juli 2021, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de Nederlandse strafrechter onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De raadsman heeft in dit verband verklaard dat zich ten opzichte van de terechtzitting bij de politierechter geen wijzigingen hebben voorgedaan in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken passend en geboden, dit ondanks de omstandigheid dat het hof - anders dan de politierechter en de advocaat-generaal - niet komt tot een bewezenverklaring van medeplegen van witwassen.

Beslag

De hierna in het dictum te noemen geldbedragen ter hoogte van € 2.310,-, van € 7.300,- en van € 4.850,-, tezamen een bedrag van € 14.460,-, zijn onder de verdachte in beslag genomen.

Ter zake van dit geldbedrag van € 14.460,- kan niet worden vastgesteld aan wie het toebehoort. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat met betrekking tot dit geldbedrag het bewezenverklaarde witwasfeit is begaan. Het hof is derhalve van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 14.460,- vatbaar is voor verbeurdverklaring. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    een geldbedrag van € 2.310,-, geregistreerd onder goednummer: PL2700-19-070261-5;

  • -

    een geldbedrag van € 7.300,-, geregistreerd onder goednummer: PL2700-19-070261-6;

  • -

    een geldbedrag van € 4.850,-, geregistreerd onder goednummer: PL2700-19-070261-7.

Dit arrest is gewezen door:

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. H.N. Brouwer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.S. van Middelkoop, griffier,

en op 6 oktober 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H.N. Brouwer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het eindproces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee, Landelijk Tactisch Commando, brigade Scheldestromen, dossiernummer: PL27YS/19-002457, opgemaakt door verbalisant T.A.H. Boot, wachtmeester der eerste klasse, afgesloten op 5 augustus 2019, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-120, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal met daarin gerelateerde bijlagen, alsmede geschriften. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

2 Proces-verbaal van verbalisant P.P. Jansen d.d. 13 augustus 2019, met bijlagen 1 t/m 7.