Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:3862

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-12-2021
Datum publicatie
30-12-2021
Zaaknummer
200.272.387_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vordering vernietiging vaststellingsovereenkomst en schadevergoeding wegens inbreuk op privacy (inzage zakelijke e-mails).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0015
PS-Updates.nl 2022-0052
JAR 2022/34
JBP 2022/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.272.387/01

arrest van 28 december 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. A.C.F. Berkhof te Goes,

tegen

Acces World ( [locatie] ) B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Access World,

advocaat: mr. N. Bakker te Rotterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 2 juni 2020 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer 7151902 / 18-2994 en 7358322 / 18-4411 gewezen vonnis van 18 september 2019.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de tussenarresten van 10 maart 2020 en van 2 juni 2020 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen/comparitie van partijen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 1 juli 2020;

  • -

    de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van 23 februari 2021 van [appellante] ;

  • -

    de antwoordakte van 23 maart 2021 van Access World;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

6.1.1

[appellante] is op 1 februari 2015 in dienst getreden als Legal Counsel Europe cvoor de duur van 12 maanden. Per 1 januari 2016 is deze overeenkomst omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

6.1.2

Nadat begin 2017 bij Acces World bedenkingen waren gerezen bij het goed functioneren van [appellante] hebben partijen naar aanleiding hiervan uiteindelijk op 8 juni 2017 een vaststellingsovereenkomst gesloten, die van de kant van Access World is ondertekend door [persoon A] , managing director Europe van Access World.

6.1.3

Deze vaststellingsovereenkomst houdt onder meer in dat het dienstverband eindigt per 1 september 2017, dat [appellante] met onmiddellijke ingang is vrijgesteld van werkzaamheden, dat Access World het loon e.d. doorbetaalt tot die datum alsmede een beëindigingsvergoeding van € 8.220,-. [appellante] heeft zich verplicht om ook na de einddatum van de arbeidsovereenkomst geheimhouding van gegevens van vertrouwelijke aard van Access World en de aan haar gelieerde ondernemingen te betrachten. Verder heeft [appellante] zich verplicht een aantal zaken aan Access World terug te geven.

6.1.4

Op 8 of 9 juni 2017 heeft Access World zonder daarvoor toestemming aan [appellante] te vragen inzage gehad in de zakelijke e-mailbox van [appellante] , waarbij is gebleken dat [appellante] op 30 mei en 6 juni 2017 een aantal bedrijfsgegevens naar haar persoonlijk e-mailadres had verzonden.

6.1.5

Partijen zijn hierover nader in overleg getreden ( [appellante] vertegenwoordigd door haar toenmalige advocaat [persoon B]), waarna [appellante] op 14 juni 2017 een verklaring heeft ondertekend, waarbij zij heeft erkend dat zij op de hiervoor genoemde dagen vertrouwelijke informatie van Access World en/of aan haar gelieerde ondernemingen heeft doorgestuurd naar haar persoonlijk e-mailadres en verder heeft zij verklaard dat zij deze informatie niet met derden heeft gedeeld, dat zij deze informatie definitief uit haar mailbox heeft verwijderd en dat zij daarover niet meer kon beschikken.

De vorderingen bij de rechtbank

6.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [appellante] bij twee te onderscheiden dagvaardingen (zaken 7151902/18-2994 en 7358322/18-4411) een groot aantal vorderingen ingesteld, die – samengevat en voor zover hier van belang – deels gericht zijn op de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst en doorbetaling van loon, deels op het toekennen van een schadevergoeding wegens schending van de privacy, deels betrekking hebben op het verstrekken van inzage in de persoonsgegevens aan [appellante] en deels een vergoeding van bezorgkosten en een aantal advocaatkosten nastreven.

6.2.2.

Aan deze vorderingen heeft [appellante] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De vaststellingsovereenkomst is ongeldig, nietig dan wel vernietigbaar nu deze van de kant van Access World is uit onderhandeld en gesloten door daartoe niet bevoegde personen, Access World heeft verder de privacy van [appellante] geschonden en daarmee schade berokkend door zonder haar toestemming zakelijke e-mail van [appellante] in te zien en heeft haar (gezondsheids)gegevens niet goed verwerkt, Access World heeft door diverse acties en de wijze van bejegening de eer en goede naam van [appellante] geschaad en haar daarmee op hoge advocaatkosten gejaagd, terwijl zij verder [appellante] heeft gedwongen om kosten te maken om een aantal eigendommen van Access World terug te geven.

6.2.3.

Access World heeft in beide zaken gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.2.4.

In het tussenvonnis van 24 oktober 2018 (zaak 7151902/18-2994) heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

6.2.5.

In het tussenvonnis van 9 januari 2019 (zaak 7358322/18-4411) heeft de kantonrechter eveneens een comparitie van partijen gelast.

6.2.6.

In beide zaken is op 6 juni 2019 gelijktijdig een comparitie van partijen gehouden, daarvan is geen proces-verbaal opgemaakt.

6.2.7.

In het eindvonnis van 18 september 2019 heeft de kantonrechter in beide zaken de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] telkens in de proceskosten veroordeeld.

De vorderingen in hoger beroep

6.3.1

[appellante] heeft in hoger beroep twaalf grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en tot het toewijzen van haar in hoger beroep deels gewijzigde vorderingen. Die vorderingen hebben betrekking op het (nog) bestaan van een arbeidsovereenkomst én de aanspraken op loon (grieven 2, 3, 4 en 9), een schadevergoeding vanwege inbreuk op privacy-rechten ( grief 1, 6 en 10), de kosten van een koerier voor het teruggeven van goederen aan Access World (grief 5), een verbod aan Access World om zich smadelijk en lasterlijk uit te laten over [appellante] (grief 11) en tenslotte de proceskosten (grief 12). Ook heeft [appellante] bezwaren tegen het oordeel van de kantonrechter dat de gang van zaken rondom de verklaring van [appellante] ten aanzien van de door haar aan haar eigen e-mailadres verzonden zakelijke e-mails verder geen rol speelt in de procedure (grieven 7 en 8).

6.3.2

Nu [appellante] haar vorderingen op diverse onderdelen heeft aangepast of zelfs heeft laten vallen, zal het hof zal de grieven bespreken voor zover nog van belang in relatie tot de thans (nog) aanhangige vorderingen. Geen van de aldus gelezen grieven is gericht tegen een van de tussenvonnissen, zodat [appellante] in zoverre niet ontvankelijk is in haar hoger beroep.

Het (nog) bestaan van een arbeidsovereenkomst

6.4.1.

[appellante] betoogt dat de vaststellingsovereenkomst is getekend door een daartoe onbevoegd persoon, te weten [persoon A] , met als consequentie dat deze overeenkomst, niet geldig is. Zij gebruikt daartoe verder de termen nietig of vernietigbaar.

6.4.2

Het hof stelt allereerst vast dat de betwisting van de geldigheid van de vaststellingsovereenkomst door [appellante] uitsluitend is gebaseerd op de stelling dat [persoon A] niet bevoegd was deze overeenkomst namens Access World te sluiten en niet op eventuele wilsgebreken. Ook staat vast dat een vordering tot vernietiging of nietigverklaring van de rechtshandeling verricht door [persoon A] niet voorligt, en evenmin dat [appellante] – stellend dat [persoon A] onbevoegd was tot het sluiten van de vaststellingsovereenkomst – aan Access World ingevolge art. 3:69 lid 4 BW een termijn heeft gesteld om op deze wijze haar eigen gebondenheid aan de vaststellingsovereenkomst te trachten te beëindigen, terwijl verder Access World de vaststellingsovereenkomst is nagekomen en daarmee deze overeenkomst heeft bekrachtigd (art. 3:69 lid 1 BW). De stelling van [appellante] dat dit laatste niet het geval is, nu volgens haar Access World niet alle gemaakte afspraken is nagekomen, verwerpt het hof, nu het hierbij slechts gaat om ondergeschikte en bovendien door Access World betwiste punten, die het wezen van de vaststellingsovereenkomst (beëindigingstijdstip, vrijstelling van werkzaamheden, doorbetaling van loon en een beëindigingsvergoeding) niet aantasten of anderszins raken.

Daarmee kunnen de verdere stellingen van [appellante] met betrekking tot het ontbreken van bevoegdheid bij [persoon A] (en eventueel [persoon C]) – wat daar verder ook van zij – buiten bespreking blijven, terwijl ook overigens niet is gesteld of gebleken dat gebondenheid van [appellante] aan de vaststellingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

6.4.3

De conclusie hiervan is dat de arbeidsovereenkomst van [appellante] met Access World per 1 september 2017 is geëindigd en dat [appellante] daaraan verder geen loonaanspraken e.d. kan ontlenen. De grieven 2, 3, 4 en 9 falen.

De inbreuk op de privacy van [appellante]

6.5.1

Access World heeft op 8 en/of 9 juni 2017 inzage genomen in de zakelijke e-mails van [appellante] . De rechtvaardiging daarvan is volgens Access World daarin gelegen dat zij op de hoogte wilde raken van een aantal dossiers teneinde deze te completeren, terwijl verder [appellante] al eerder (in 2016) toestemming had gegeven om haar zakelijke e-mail te kijken. Bovendien zou [appellante] , die vrijgesteld was van werkzaamheden vanaf 8 juni 2017, niet meer bij Access World terugkeren.

6.5.2

Het hof stelt voorop dat eerst vanaf 25 mei 2018 de Algemene Verordening Gegevensbescherming van toepassing is. Voor die tijd gold het toetsingskader als bepaald door de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en artikel 8 EVRM. Voor zover [appellante] een beroep doet op de AVG, komt dit haar niet toe nu de gestelde inbreuk op haar privacy plaatsvond op 8 en/of 9 juni 2017 of eerder. Tussen de partijen is niet in geschil dat de betreffende e-mailberichten – in ieder geval –vallen onder de bescherming van artikel 8 EVRM, dat het recht op privacy beschermt, ook wanneer de berichten zijn verstuurd vanaf de zakelijke werkplek van de werkgever. De werkgever kan de e-mailberichten van zijn werknemer slechts controleren indien voor de werknemer kenbaar is of kan zijn dat zijn e-mailberichten kunnen worden gecontroleerd door de werkgever (bijvoorbeeld via een personeelsreglement of op grond van de arbeidsovereenkomst), er sprake is van een gerechtvaardigd doel en er voldaan is aan de proportionaliteitseis.

Evenmin is in geschil dat ook wanneer voor de werknemer niet kenbaar is of kan zijn dat zijn e-mailberichten kunnen worden gecontroleerd, controle van die berichten door de werkgever toelaatbaar kan worden geacht. Dan moet echter wel sprake zijn van zodanige omstandigheden, dat aan geen twijfel onderhevig is dat een gerechtvaardigd doel wordt gediend en dat is voldaan aan de proportionaliteitseis.

Vast staat verder dat volgens het Personeelshandboek (pagina 2) binnen Access World had te gelden dat “van alle gebruikers van internet en email binnen de organisatie wordt professioneel en integer handelen verwacht. Inhoudelijke controle van het internet en e-mailgebruik kan plaatsvinden bij een vermoeden van handelen in strijd met de regels in de gedragscode IT Policy”. Daar was in ieder geval Access World aan gebonden ( [appellante] bestrijdt haar eigen gebondenheid).

6.5.3

De door Access World aangevoerde gronden kunnen in het licht van het bovenstaande de inbreuk op de privacy van [appellante] niet rechtvaardigen. Van enig vermoeden van handelen in strijd met de regels in de gedragscode IT policy is niet gebleken en dat wordt ook niet door Access World aangevoerd. Verder valt niet in te zien waarom Access World niet gewoon aan [appellante] had kunnen vragen of zij de zakelijke e-mail vanwege de door haar aangevoerde omstandigheden (volledig beeld van de bij [appellante] in behandeling zijnde dossiers) mocht inzien. Zelfs een poging daartoe is niet gedaan. [appellante] was bovendien nog in dienst van Access World. De stelling dat [appellante] al eerder (overigens in 2016) toestemming had gegeven voor een inzage in haar zakelijke e-mail met betrekking tot een bepaald dossier, maakt dat niet anders.

6.5.4

Het hier van toepassing zijnde art. 49 Wbp opende de mogelijkheid van het vorderen van een schadevergoeding.

1. Indien iemand schade lijdt doordat ten opzichte van hem in strijd wordt gehandeld met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften zijn de volgende leden van toepassing, onverminderd de aanspraken op grond van andere wettelijke regels.

2. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.

3. De verantwoordelijke is aansprakelijk voor de schade of het nadeel, voortvloeiende uit het niet-nakomen van de in het eerste lid bedoelde voorschriften. De bewerker is aansprakelijk voor die schade of dat nadeel, voor zover ontstaan door zijn werkzaamheid.

4. De verantwoordelijke of de bewerker kan geheel of gedeeltelijk worden ontheven van deze aansprakelijkheid, indien hij bewijst dat de schade hem niet kan worden toegerekend.

6.5.5

Getuige randnummer 75 van haar memorie van grieven stelt [appellante] thans in hoger beroep dat zij schade heeft geleden tot een bedrag van € 5.000,- onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2014, ECLI:RBAMS:2014:2751. De schade is verder niet nader onderbouwd anders dan – zo begrijpt het hof de toelichting – door de enkele inbreuk. Nu kan de vraag gewettigd zijn of de enkele inbreuk, los van verdere omstandigheden die als schade – materieel of immaterieel – hebben te gelden, kan dienen om een schadevergoeding naar billijkheid te bepalen. Van een dergelijke andere schade is immers niet gebleken. [appellante] spreekt zelf over een ‘sanctie’ in randnummer 73 van de memorie van grieven. Naar het oordeel van het hof zou het ook gezien het wettelijk stelsel van vergoeding van werkelijke schade te ver voeren om ook in een geval als hiervoor bedoeld een – al dan niet symbolisch – bedrag toe te kennen. Voor zover [appellante] (toch) een vergoeding van immateriële schade beoogt te vorderen geldt nog het volgende. Daarvoor is naar het oordeel van het hof op zijn minst nodig dat sprake is van schade door aantasting op andere wijze in haar persoon. Dat [appellante] schade heeft opgelopen door de gewraakte handelwijze van Access, bijvoorbeeld door aantasting van de persoonlijke levenssfeer van [appellante] of geestelijk letsel is niet aannemelijk geworden. Dat betekent dat de grieven voor zover gericht op de inbreuk op de privacy slagen, maar dat dit niet leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis.

6.5.6

Met grief 6 heeft [appellante] in dit verband ook nog de gang van zaken rondom een eerdere inzage door Access World van haar zakelijke e-mail in mei 2016 aan de orde gesteld (Fuji). Zij stelt thans dat daartoe geen noodzaak bestond. Dat laat echter onverlet dat [appellante] daar destijds expliciet toestemming voor heeft gegeven, sterker nog getuige haar e-mail van 27 mei 2016 (productie 13 bij CvA I) daarop heeft aangedrongen, zodat van een onrechtmatige inbreuk alleen al hierom geen sprake kan zijn. Verder valt nog op te merken dat deze kwestie – die [appellante] natuurlijk bekend was – niet eerder aan de orde is gesteld door [appellante] in het kader van de onderhandelingen die geleid hebben tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. De hierin vastgelegde finale kwijting omvat daarom hoe dan ook deze kwestie, wat daar verder ook van zij.

6.5.7

Met grief 10 stelt [appellante] dat Access World tevens haar privacy heeft geschonden doordat zij in haar registratiesysteem een e-mail van [appellante] van 9 mei 2017 heeft opgenomen inhoudende: “Beste HR e.a., Ik heb kort verzuim opgenomen ivm.afspraak dokter. Mvg [appellante] .

Dit vormt aldus [appellante] een schending van artikel 16 Wbp.

6.5.8

Artikel 16 van de Wbp luidde als volgt: De verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven, alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging is verboden behoudens het bepaalde in deze paragraaf. Hetzelfde geldt voor strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens over onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag.

Het betreft hier een verzuimregistratie en de reden daartoe is opgegeven door de werknemer zelf. Niet goed valt in te zien dat het hierbij gaat om een verwerking van persoonsgegevens gericht op de gezondheidstoestand van betrokkene. Daaromtrent wordt in de e-mail ook helemaal niets vermeld. Het enkel aangeven een vrije dag op te nemen om een dokter te bezoeken valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet onder het in artikel 16 Wbp genoemde verbod.

De kosten van een koerier

6.6.1

Grief 5 richt zich op het oordeel van de kantonrechter dat Access World niet gehouden is de kosten van een koerier te betalen, waarvan [appellante] zich heeft bediend teneinde een aantal bedrijfseigendommen bij Access World in te leveren. Als toelichting op de grief heeft [appellante] aangegeven dat zij bereid was om op 12 juni 2017 een aantal van deze goederen in te leveren, maar dat Access World toen geweigerd heeft om deze goederen in ontvangst te nemen. Daarom heeft [appellante] ervoor gekozen om een hernieuwde weigering voor te zijn en de goederen per koerier te laten afleveren.

6.6.2

De grief faalt. Op grond van artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst van 8 juni 2017 was [appellante] verplicht om de elektronische toegangssleutel en haar laptop in te leveren. [appellante] had op grond van de gebeurtenissen nadien (inzage van Access World in haar zakelijke e-mail waarbij bleek van verzenden van e-mails en bestanden naar het privé e-mailadres van [appellante] ) een afspraak/opdracht om op die dag, 12 juni 2017, op het kantoor van Access World in [vestigingsplaats] te verschijnen. Deze afspraak heeft zij om haar moverende reden genegeerd en zij is naar het kantoor van Access World in [vestigingsplaats] gegaan. Dat is bij Access World niet geheel onbegrijpelijk verkeerd gevallen en dat heeft ertoe geleid dat [appellante] uit het kantoor in [kantoorplaats] is gezet, kennelijk zonder dat haar de kans werd geboden om de bewuste goederen af te geven. Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd dat Access World het [appellante] feitelijk heeft belet en is blijven beletten om de betreffende goederen zelf af te geven. Dat [appellante] na dit incident heeft besloten om de goederen vervolgens per koerier te laten afleveren is haar keuze, maar brengt niet met zich dat Access World uit het oogpunt van goed werkgeverschap verplicht is om de daarmee gemoeide kosten te vergoeden.

Verbod om zich smadelijk en lasterlijk uit te laten over [appellante]

6.7.1

Met grief 11 komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat Access World zich niet smadelijk en lasterlijk jegens [appellante] heeft gedragen. [appellante] verwijst voor de onderbouwing van de grief dat het tegendeel voldoende blijkt uit de correspondentie tussen partijen en dat Access World bepaalde vormen van interne agressie heeft gebezigd om [appellante] te dwingen vrijwillig ontslag te nemen.

6.7.2

Wanneer [appellante] doelt op de met haar gevoerde correspondentie over haar functioneren, valt daarin naar het oordeel van het hof niet te lezen dat Access World haar daarbij kwaadwillig bejegent. Access World was niet tevreden over het functioneren van [appellante] , en zij heeft dat ook met voorbeelden benoemd. Access World heeft een verbetertraject voorgesteld, maar uiteindelijk is in onderling overleg besloten tot het aangaan van een beëindigingsovereenkomst. Verdere feitelijke onderbouwing van het beweerdelijk smadelijk en lasterlijk optreden van Access World binnen haar bedrijf of daarbuiten heeft [appellante] niet gegeven. Dat is ook niet gelegen in de stelling van [appellante] dat volgens haar een medewerkster van Access World ([persoon D]) gezegd zou hebben dat [appellante] ‘iets verschrikkelijks had gedaan’, daarbij kennelijk doelend op het verzenden door [appellante] van gegevens naar privé e-mail. Voor een verbod als door [appellante] gevorderd bestaat dan ook geen aanleiding.

De verklaring van 14 juni 2017

6.8.1

Met de grieven 7 en 8 komt [appellante] op tegen de het oordeel van de kantonrechter – kort samengevat – dat de verklaring die [appellante] op 14 juni 2017 heeft afgelegd zich niet leent voor een vernietiging, terwijl ook niet gebleken is van zodanige omstandigheden, dat de inhoud van die verklaring onder druk is tot stand gekomen.

6.8.2

Hoewel het hof in de betreffende overwegingen van de kantonrechter (rov. 8.1 e.v. en 9.1 e.v.) niet dadelijk een onbegrijpelijk of een onvoldoende ongemotiveerd oordeel kan lezen, kan de bespreking van deze grieven verder buiten beschouwing blijven. [appellante] heeft aan het instellen van de grieven immers geen verder gevolg in de vorm van een vordering verbonden.

De proceskosten

6.9.1

Grief 12 ziet op de proceskostenveroordeling. Die grief kan niet slagen, nu [appellante] ook in hoger beroep op nagenoeg alle onderdelen in het ongelijk is gesteld. Daarmee kan ook de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in stand blijven.

6.9.2

Ook in hoger beroep zal [appellante] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten bedragen € 2.020,-- aan griffierechten en € 1.671,-- (1 ½ punt tarief II) aan kosten advocaat.

7 De uitspraak

Het hof:

Verklaart [appellante] niet ontvankelijk in haar beroep tegen de tussenvonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 oktober 2018 en 9 januari 2019

bekrachtigt het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 september 2019 voor zover onderworpen aan het hoger beroep;

wijst de overige vorderingen af;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep gevallen aan de kant van Access World, tot op heden vastgesteld op € 2.020,-- aan griffierechten en € 1.671,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, H.K.N. Vos en A. van Zanten-Baris en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 december 2021.

griffier rolraadsheer