Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:3771

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-12-2021
Datum publicatie
22-12-2021
Zaaknummer
200.234.357_01 H Afwijzing
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herstelverzoek proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team handelsrecht

zaaknummer 200.234.357/01

arrest van 21 december 2021 strekkende tot VERBETERING in de zin van artikel 31 Rv dan wel artikel 32 Rv van het arrest, gewezen op 6 juli 2021

in de procedure in hoger beroep die bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch aanhangig is geweest tussen

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Overwegingen

1.1.

Bij arrest van 6 juli 2021 heeft het hof als volgt beslist:

“vernietigt het vonnis waarvan beroep, behoudens voor zover daarin werd beslist dat de overeenkomsten met de contractnummers 74489516 en 13181077 tijdig werden vernietigd;

en in zoverre opnieuw rechtdoende

verklaart voor recht dat de overeenkomsten 74023237, 38280273, 59106885, 59182825, 59183856 en 59184852 rechtsgeldig zijn vernietigd ex artikel 1:88 en 89 BW;

veroordeelt Dexia aan [appellant] te voldoen al hetgeen aan Dexia is betaald onder deze overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2004 tot aan die der uiteindelijke algehele voldoening;

veroordeelt Dexia aan [appellant] ter zake de overeenkomsten 74489516 en 13181077 aan [appellant] de wettelijke rente te vergoeden vanaf 30 september 2004 tot aan die der uiteindelijke algehele voldoening;

verklaart ter zake de overeenkomsten Profit Effect met de contractnummers 56083905, 56083914 en 56083906 voor recht dat Dexia jegens [appellant] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en veroordeelt Dexia om al hetgeen door [appellant] krachtens de overeenkomsten aan Dexia is betaald, aan [appellant] terug te betalen, met aftrek van het fiscaal voordeel van € 161,75 voor overeenkomsten 56083905 en 56083906 en € 242,62 voor overeenkomst 56083914, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag der door [appellant] gedane betalingen tot aan die der voldoening;

veroordeelt Dexia in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 94,08 aan dagvaardingskosten, op € 79,00 aan griffierecht en op € 5.310,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 98,01 aan dagvaardingskosten, op € 318,00 aan griffierecht en op € 9.834,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op € 163,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 248,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.”

1.2.

Bij brief van 29 oktober 2021 heeft Dexia herstel verzocht van het arrest. Het verzochte herstel betreft de proceskostenveroordeling.

Dexia schrijft:

“Ten aanzien van de procedure in eerste aanleg geldt dat Dexia op grond van het vonnis

gehouden was tot (terug)betaling van een bedrag van tussen de EUR 20.000,- en EUR

40.000,- zodat tarief III op de procedure van toepassing was en ieder punt conform het

liquidatietarief gewaardeerd wordt op EUR 721,- met een maximum van zeven punten.

Daarbij zijn door de gemachtigde van [appellant] in eerste aanleg enkel drie processtukken

genomen alvorens er eindvonnis werd gewezen, wat conform het liquidatietarief

gewaardeerd wordt op hoogstens twee punten. De maximale proceskostenveroordeling in

eerste aanleg bedraagt dan ook EUR 1.442,-, waardoor Dexia het bedrag van EUR 5.310,- onjuist acht.

Voor het hoger beroep heeft te gelden dat Dexia ook op grond van het arrest gehouden

is tot (terug)betaling van een bedrag van tussen de EUR 20.000,- en EUR 40.000,- zodat

tarief III op onderhavige zaak van toepassing is en ieder punt conform het liquidatietarief

gewaardeerd wordt op EUR 1.442,- met een maximum van vier punten. De maximale

vergoeding op grond van het liquidatietarief kan dan ook hoogstens EUR 5.768,-

bedragen. Een proceskostenveroordeling in hoger beroep ter hoogte van EUR 9.834,- acht

Dexia dan ook onjuist.”

1.3.

Het hof heeft mr. Maliepaard in de gelegenheid gesteld namens zijn cliënt zijn mening hierover aan het hof kenbaar te maken. Mr. Maliepaard heeft zich, kort weergegeven, op het standpunt gesteld dat het verzoek niet ontvankelijk moet worden verklaard, althans afgewezen. Hij wijst op de leasesommen (ruim € 100.000,00), de werkelijke betaalde inleg (ruim € 37.000,00), de restschuld (ruim € 36.000,00) en het belang van de zaak (hoger dan € 40.000,00) en meent dat de proceskostenveroordeling (minstens tarief IV) passend is. In elk geval is er volgens hem geen kennelijke fout die zich leent voor herstel.

1.4.

Het hof acht Dexia ontvankelijk. Anders dan [appellant] op dit punt schrijft, is de werkwijze van Dexia toelaatbaar: de advocaat van Dexia heeft een door haar cliënte opgesteld herstelverzoek ingediend.

1.5.

Het hof is van oordeel dat er geen ruimte is voor de verzochte rectificatie. Het gaat niet om een (kennelijke, voor eenvoudig herstel vatbare) fout. Het hof heeft de proceskosten in beide instanties begroot aan de hand van tarief V op basis van de leasesommen die in de zaak aan de orde zijn, omdat deze werkwijze redelijk voorkomt gelet op alle omstandigheden van het geval. De leasesommen zijn in de context van deze zaak een afspiegeling van de belangen waar het partijen uiteindelijk om gaat, ook al gaat het om lagere bedragen bij de werkelijk betaalde inleg, de restschuld en het bedrag dat op grond van het vonnis of arrest daadwerkelijk is of wordt voldaan. Een belangrijk standpunt in de zaak was het beroep van [appellant] op vernietiging van overeenkomsten. De vorderingen van [appellant] sloten aan bij de onderliggende rechtsverhouding (vernietiging, vergoeding van “al hetgeen (…) is betaald”), in plaats van concrete bedragen.

1.6.

Het hof zal het verzoek tot herstel dan ook afwijzen

2 De beslissing

Het hof:

wijst af het verzoek tot herstel.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, E.A.M. van Oorschot en M.W.M. Souren en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 december 2021.

griffier rolraadsheer