Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:369

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-2021
Datum publicatie
24-03-2021
Zaaknummer
200.229.010_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:8746
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid assurantietussenpersoon. Bewijsoordeel. Schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.229.010

arrest van 9 februari 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Uienhandel [uienhandel] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg eiseres,

hierna aan te duiden als [appellante],

advocaat: mr. J.J. Blaak-Looij,

tegen

de coöperatie,

Coöperatieve Rabobank u.a., als rechtsopvolger van de coöperatieve Rabobank [rabobank] u.a.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg gedaagde,

hierna aan te duiden als Rabobank,

advocaat: Ph. C. M. van der Ven.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Bij zijn arrest van 20 augustus 2019 heeft het hof Rabobank toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands aannemelijk geachte stelling van [appellante] dat het risico van verduistering van roerende zaken te verzekeren is. Daarop heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden op 12 december 2019 en op 12 maart 2020. De processen-verbaal daarvan bevinden zich bij de stukken. Vervolgens heeft Rabobank een memorie na enquête, tevens houdende verzoek terugkomen op bindende eindbeslissing (met producties), genomen en vervolgens heeft ook [appellante] een memorie na enquête (met een productie) genomen. Vervolgens heeft hof wederom arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

Inleiding

2.1

Bij voormeld arrest heeft het hof de volgende beslissingen genomen:

- Rabobank heeft jegens [appellante] de op haar rustende zorgplicht geschonden (rov. 5.3);

- [appellante] heeft voorshands, behoudens tegenbewijs door Rabobank, aannemelijk gemaakt dat het risico van verduistering van roerende zaken te verzekeren is (rov. 5.5);

- Als Rabobank niet slaagt in het tegenbewijs moet als vaststaand worden aangenomen dat het risico van verduistering een verzekerbaar risico was. In dat geval geldt als uitgangspunt dat [appellante] het risico op verduistering dan ook zou hebben verzekerd (rov. 5.6);

- Als Rabobank wel slaagt in het tegenbewijs dan zal als vaststaand worden aangenomen dat het risico op verduistering niet verzekerbaar is, zodat de vordering van [appellante] moet worden afgewezen (rov. 5.8);

- Het subsidiaire standpunt van [appellante] faalt (rov. 5.8).

2.2

Het oordeel dat [appellante] voorshands, behoudens tegenbewijs door Rabobank, aannemelijk heeft gemaakt dat het risico van verduistering van roerende zaken is te verzekeren bevat een kennelijk fout. [appellante] heeft immers niet voorshands aannemelijk gemaakt maar voorshands bewezen, behoudens tegenbewijs door Rabobank, dat het risico van verduistering van roerende zaken is te verzekeren. Deze kennelijke fout herstelt het hof hierbij op grond van artikel 31 Rv ambtshalve.

2.3

Het oordeel dat Rabobank jegens [appellante] als assurantietussenpersoon haar zorgplicht heeft geschonden is gebaseerd op het volgende:

- Het hof heeft de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde maatstaf voor aansprakelijkheid van de assurantietussenpersoon voorop gesteld (rov. 5.2);

- [appellante] sloot begin 2007 door bemiddeling van de Rabobank de BCP bij

Interpolis af. Daarbij is onder meer de door haar van [de vennootschap 1] gekochte inventaris verzekerd tegen onder meer het risico van diefstal en braak (rov. 3.6 en 5.3);

-Deze inventaris was op dat moment door [appellante] verhuurd aan [de vennootschap 1] , en niet in feitelijk bezit van [appellante] (rov. 5.3). Verduistering is niet gedekt onder de BCP (rov. 5.3). Van die inventaris maakte deel uit een uiensoorteerlijn (rov. 3.5);

- Rabobank was ermee bekend dat de inventaris door [appellante] werd verhuurd aan [de vennootschap 1] .

2.4

Tegen deze achtergrond heeft het hof geoordeeld dat de verhuur van inventaris, waarmee Rabobank bekend was, het risico van verduistering daarvan meebrengt en dat, nu verduistering niet was gedekt onder de BCP, sprake was van een voor de dekking relevant feit waarvan Rabobank, als assurantietussenpersoon, [appellante] opmerkzaam had behoren te maken. Rabobank dient immers te waken voor de belangen van [appellante] bij de tot de portefeuille van Rabobank behorende BCP. Rabobank heeft [appellante] niet gewezen op het relevante feit dat de BCP geen dekking tegen verduistering bood en dat had van haar als redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantie tussenpersoon in de onder 2.2 geschetste context wel verwacht mogen worden.

Terugkomen op bindende eindbeslissing?

2.5

Rabobank heeft het hof gevraagd terug te komen op zijn bindende eindbeslissing omtrent de geschonden zorgplicht. Haar betoog komt er in de kern op neer dat het hof een zorgplicht heeft aangenomen met een te algemene strekking, terwijl die vraag niet beantwoord kan worden zonder daarbij ook de vraag te betrekken of een verzekering ter dekking van het risico van verduistering van inventaris, inclusief een uiensorteerlijn, voorhanden was en sprake was van een voldoende reëel risico.

2.6

In hetgeen Rabobank op dit punt aanvoert vindt het hof aanleiding zijn oordeel over schending van de zorgplicht door Rabobank nader te preciseren. Die precisering komt erop neer dat het tussenarrest aldus moet worden gelezen dat van schending van de zorgplicht door Rabobank alleen sprake is indien Rabobank in de gegeven omstandigheden niet heeft gewezen op het voor [appellante] relevante feit dat de BCP geen dekking bood tegen het risico van verduistering, terwijl het risico van verduistering te verzekeren was en sprake was van een voldoende reëel risico. Het ligt immers niet voor de hand dat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon gevergd zou kunnen worden te wijzen op het feit dat de BCP geen dekking biedt tegen verduistering indien een verzekering daarvoor niet voorhanden is en geen sprake is van een voldoende reëel risico. Voor zover een betoog van die strekking besloten ligt in de subsidiaire grondslag van de vorderingen van [appellante] – te weten: dat de zorgplicht van Rabobank zo ver gaat dat deze ook meebrengt een verplichting te informeren dat de BCP geen dekking biedt tegen het risico van verduistering als een verzekering daartegen niet bestaat - heeft het hof dat in zijn tussenarrest verworpen (rov. 5.8 van het tussenarrest).

2.7

Het voorgaande betekent dat Rabobank geen belang (art. 3:303 BW) meer heeft bij haar verzoek aan het hof terug te komen op zijn eindbeslissing over de (reikwijdte van) de zorgplicht.

Voldoende reëel risico?

2.8

Alvorens te beoordelen of Rabobank is geslaagd in het tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat het risico van verduistering van roerende zaken te verzekeren is, dient in verband met de hiervoor vermelde nadere precisiering door het hof de vraag te worden beantwoord of een risico van verduistering in dit geval als een voldoende reëel risico kan worden beschouwd. Daaromtrent geldt het volgende.

2.9

[appellante] heeft de onderhavige BCP initieel afgesloten in 2006/2007, en de dekking is vervolgens aangepast in 2010. Het staat vast dat na 2007 geschillen zijn ontstaan tussen [appellante] en [de vennootschap 1] , onder meer over de koop van de bedrijfsinventaris, en dat er diverse gerechtelijke procedures tussen hen, althans hun vennootschappen, zijn gevoerd (tussenarrest rov. 3.8). En hoewel verduistering in 2006/2007 respectievelijk 2010 een onzekere gebeurtenis betrof – hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is – kan alleen al op grond van deze geschillen tussen [appellante] en [de vennootschap 1] worden uitgegaan van een voldoende reëel risico voor [appellante] van verduistering van aan [de vennootschap 1] verhuurde inventaris.

2.10

Partijen hebben zowel in eerste aanleg als in hoger beroep getwist over de vraag of Rabobank bekend was met de geschillen tussen [appellante] en zijn latere huurder [de vennootschap 1] . [appellante] stelt dat Rabobank daarmee op de hoogte was, hetgeen Rabobank betwist (oa MvA randnummers 21, 78-91). Blijkens het proces-verbaal van getuigenverhoor van [appellante] van 3 november 2014 (productie 8 bij inleidende dagvaarding) heeft hij Rabobank laten weten dat hij het niet vertrouwde bij [de vennootschap 1] , dat alles zo goed mogelijk moest zijn verzekerd en dat hij in gesprekken met Rabobank de problemen met [de vennootschap 1] aan de orde heeft gesteld. Dat strookt met de “Gespreksnotitie” van de heer [registerexpert] , de registerexpert van Interpolis, de maatschappij bij wie Rabobank de BCP had ondergebracht. Daarin staat te lezen, onder meer:

“De heer [(indirect) bestuurder en aandeelhouder] heeft Interpolis en de Rabobank diverse keren op de hoogte gebracht van de problemen tussen hem en de heer [directeur] . Bij de diefstal van de heftrucks heeft de heer [(indirect) bestuurder en aandeelhouder] te kennen gegeven dat er ruzie was. (…) De Rabobank weet vanaf het begin van de problemen wat er speelt tussen de heer [directeur] en de heer [(indirect) bestuurder en aandeelhouder] . Eerst was de contactpersoon van de Rabobank de heer [contactpersoon 1] en later is dat [contactpersoon 2] geworden. [contactpersoon 2] is sinds begin 2007 bij de Rabobank als contactpersoon van de heer [(indirect) bestuurder en aandeelhouder] opgetreden.(…). Op 19 november 2010 heeft de heer [contactpersoon 2] zijn jaarlijkse onderhoudsgesprek met de heer [(indirect) bestuurder en aandeelhouder] gehad. (…). Tijdens deze overleggen, die onder andere door [contactpersoon 2] zelf zijn gevoerd, heeft Rabobank [vestigingsplaats] tegen de mensen van de afdeling acceptatie, waaronder [medewerker afdeling acceptatie] , gezegd welke problemen er waren tussen [directeur] en [(indirect) bestuurder en aandeelhouder] . De afdeling acceptatie heeft de wijzigingen op de polis niet direct geaccepteerd.”

Als productie 9 bij inleidende dagvaarding heeft [appellante] het klantendossier van Rabobank overgelegd, waaronder een “Klantprofiel verzekeren” met als bezoekdatum 26 februari 2010 van “specialist verzekeren” [contactpersoon 1] . Daarin staat onder meer het volgende vermeld:

ALGEMENE INFO (voor het wegschrijven van overige hard/zachte informatie).

De activiteit is uitsluitend is het verhandelen van uien.

Relatie heeft nog steeds problemen met [de vennootschap 1] . Dit bleek uit het agendaoverleg met [naam] op 24-2-2010.”

2.11

Deze gegevens duiden erop dat Rabobank ruim voor het faillissement van [de vennootschap 1] op 21 april 2010 op de hoogte was van de problematische verhouding tussen [appellante] met zijn huurder [de vennootschap 1] . In het bijzonder blijkt uit de hiervoor genoemde aantekening in het klantdossier van februari 2010, met name uit de tekst Relatie heeft nog steeds problemen met [de vennootschap 1] , dat bij Rabobank de problemen tussen [(indirect) bestuurder en aandeelhouder] en [directeur] al langer bekend waren, hetgeen aansluit bij de verklaring van [registerexpert] (“De Rabobank weet vanaf het begin van de problemen wat er speelt tussen de heer [directeur] en de heer [(indirect) bestuurder en aandeelhouder] .”) en de eigen verklaring van [(indirect) bestuurder en aandeelhouder] . Rabobank is daarop in de processtukken op verschillende plaatsen ingegaan, en heeft bestreden dat zij op de hoogte was van de getroebleerde relatie tussen [(indirect) bestuurder en aandeelhouder] en [directeur] . In de conclusie van antwoord (randnummers 29-34) heeft zij onder verwijzing naar de als productie 8 overgelegde verklaring van haar medewerker [contactpersoon 2] betoogd dat waar [contactpersoon 2] wordt aangehaald in de verklaring van [registerexpert] , [contactpersoon 2] zijn mening uitsluitend baseerde op de uitlatingen van [(indirect) bestuurder en aandeelhouder] en eerdere contacten van [(indirect) bestuurder en aandeelhouder] met Interpolis en dat ook [registerexpert] zijn relaas heeft gebaseerd op hetgeen [(indirect) bestuurder en aandeelhouder] hem vertelde. Dat laat echter onverlet dat in het licht van het geciteerde deel uit het klantendossier, in samenhang gelezen met zowel de verklaring van [(indirect) bestuurder en aandeelhouder] als die van [registerexpert] , de betwisting van Rabobank niet overtuigt en niet volstaat, zodat daaraan wordt voorbijgegaan. Minst genomen had van Rabobank in dit verband verwacht mogen worden dat zij authentieke gespreksverslagen uit de jaren 2007-2010 van haar medewerkers met [(indirect) bestuurder en aandeelhouder] zou hebben overgelegd aan de waarvan de geciteerde zinsnede (Relatie heeft nog steeds problemen met [de vennootschap 1]) nader geduid zou kunnen worden.

2.12

De conclusie op dit onderdeel moet dan zijn dat verduistering in 2006/2007 respectievelijk 2010 weliswaar een onzekere gebeurtenis betrof maar dat sprake was van een voldoende reëel risico van verduistering van gehuurde bedrijfsinventaris door [directeur] en dat Rabobank daarmee vóór het faillissement van [de vennootschap 1] op de hoogte was.

Verduistering bedrijfsinventaris verzekerbaar?

2.13

Vervolgens dient te worden beantwoord de vraag of Rabobank is geslaagd in het tegenbewijs. In verband daarmee zijn namens Rabobank als getuigen gehoord [getuige 1] , werkzaam bij Rabobank en [getuige 2] , werkzaam bij Chubb European Group. In tegen-getuigenverhoor zijn namens [appellante] als getuigen gehoord [getuige 3] , assurantieadviseur en [getuige 4] , eveneens assurantieadviseur.

2.14

Volgens de verklaring van de getuige [getuige 1] is het risico van verduistering van roerende zaken zoals hier aan de orde primair niet te verzekeren, maar hij voegt er vervolgens wel aan toe dat subsidiair gekeken zal worden naar de waarborgen en dat een dergelijke verzekering “maatwerk” is. Het product zit niet standaard in het aanbod, zo verklaart hij, maar “uiteindelijk is alles te verzekeren, tegen de juiste premie”. De verklaring van [getuige 2] sluit daar in de kern bij aan. Bij Chubb valt het risico van verduistering onder de fraudeverzekering. [getuige 2] verklaart, voor zover relevant:

“U houdt mij de specifieke casus van [appellante] voor en vraagt mij of dit te verzekeren is en of er dekking zou zijn geweest bij verduistering. Er zijn polisvoorwaarden die dekking in een dergelijk geval omvatten. Als een acceptant deze vraag voorgelegd krijgt dan zal hij daar goed naar kijken. Hoe de vraag zou zijn beantwoord is lastig te beantwoorden en is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. (…) Ik heb zojuist verklaard dat een aanvraag voor een fraudeverzekering voor een specifieke roerende zaak bijzonder is. U vraagt mij hoe dit is als de aanvraag ziet op een volledige inventaris. Als de aanvraag algemener is, dan is deze minder bijzonder.”

De verklaring van de in tegen-getuigenverhoor gehoorde getuige [getuige 3] ligt in dezelfde lijn – maatwerk - en sluit verzekering van het risico van verduistering van roerende zaken, inclusief een uiensorteerlijn, onder een werkmaterieelverzekering niet uit.

“Of verduistering te verzekeren is hangt af van het soort roerende goed. Machines vallen veelal onder werkmaterieelverzekering. Verduistering van machines is te verzekeren bij onder andere Allianz, ASR en Reaal. Op het moment dat een machine verhuurd is, vraagt het om een maatwerkoplossing. (…) U vraagt mij of een machine zoals die van [appellante] te verzekeren zou zijn geweest tegen het risico van verduistering. Ja dat kan, dat zou dan maatwerk zijn. Er zijn verschillende manieren om een dergelijke verzekering onder te brengen. Bij veel verzekeringsmaatschappijen moet ik melding maken bij verhuur van roerende zaken. Het verschilt per verzekeraar of er in een dergelijk geval dekking wordt verleend. Als je op dat punt dan toch dekking wilt vergt dat maatwerk, deze werkwijze verschilt per verzekeraar. (…) Of de uiensorteerlijn onder de werkmaterieelverzekering zou vallen hangt af van de samenstelling van de machine. Ik ken de machine waar het hier om gaat niet, dus ik weet niet onder welke polis hij zou vallen. Ik heb een aantal verzekeraars benaderd met de vraag of verduistering van de uiensorteerlijn verzekerbaar zou zijn. Dit heb ik in historisch perspectief proberen te plaatsen. Er waren partijen die het wilden verzekeren.”

Ook de getuige [getuige 4] spreekt van ‘maatwerk’:

“Het risico van verduistering van roerende zaken is te verzekeren. Dat is dan een

maatwerkproduct. Bijvoorbeeld HDI-Gerling verzekert het onder een technische

verzekering. Marsh & Mercer verzekert het onder een werkmaterieelverzekering. (…) Ik zou een uiensorteerlijn niet onder een fraudeverzekering aanvragen. Ik zou deze aanvragen onder een technische verzekering of werkmaterieelverzekering niet rollend.”

2.15

Uit de getuigenverhoren volgt dus niet het van Rabobank gevergde tegenbewijs, de ontzenuwing van de voorshandse aanname dat het risico van verduistering van bedrijfsinventaris te verzekeren is. Het is geen standaardverzekering, zoveel is wel duidelijk geworden, maar een dergelijke verzekering kenmerkt zich door maatwerk, afhankelijk van alle relevante omstandigheden. Het is daarom ook dat in het kader van de tegenbewijslevering geen voldoende gewicht toekomt aan het betoog van Rabobank dat uit de door haar bij memorie na enquête overgelegde polisvoorwaarden het tegenbewijs volgt. Dat zijn immers polisvoorwaarden die niet het oog hebben op het bedoelde ‘maatwerk’, maar op het standaard verzekeringsproduct. Rabobank heeft polisvoorwaarden overgelegd met betrekking tot een ‘goederen en inventarisverzekering’, een ‘fraudeverzekering’ en een ‘technische machinebreukverzekering’. Van de eerste categorie sluiten de voorwaarden van Reaal verduistering van dekking uit (producties 13 en 14) alsmede Chubb in haar All-Risk verzekering (prod. 20), en Nationale Nederlanden in de voorwaarden met betrekking tot haar ‘Fraudeverzekering’(prod. 21). Geen van die voorwaarden heeft duidelijk betrekking op een ‘werkmateriaalverzekering’ waarover [getuige 3] en [getuige 4] verklaren en van geen van de betreffende verzekeringsmaatschappijen is informatie voorhanden waaruit blijkt dat het bedoelde ‘maatwerk’ met betrekking tot een inventarisverzekering die verzekert tegen het risico van verduistering categorisch uitsluit.

2.16

Rabobank voert nog aan (memorie na enquête 2.26-2.28) dat een uiensorteermachine geen werkmateriaal is en door verzekeraars niet als zodanig zal worden geaccepteerd onder een werkmateriaalverzekering. Zij baseert dat op de opvatting, zo begrijpt het hof, dat een uiensorteermachine niet eenvoudig te verplaatsen zou zijn en niet is bedoeld om op verschillende locaties te worden gebruikt. Zonder concrete nadere onderbouwing – die ontbreekt – kan het hof er niet van uit gaan dat de uiensorteerlijn als in dit geding aan de orde niet eenvoudig zou zijn te verplaatsen en niet is bedoeld om op verschillende locatie te worden gebruikt. De enkele a contrario uitleg van de verklaring van [getuige 3] (‘machines die op diverse locaties kunnen worden gebruikt, dit valt onder de werkmaterieelverzekering’) overtuigt niet, nog daargelaten dat daaruit niet blijkt dat de onderhavige uiensorteerlijn niet op diverse locaties zou kunnen worden gebruikt. Voor het overige zijn de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] op dit punt - zoals geciteerd in randnummer 2.28 van de memorie na enquête – niet eenduidig. Tussen partijen is bovendien niet in geschil dat de betreffende uiensorteerlijn een roerende, en geen onroerende, zaak betreft (artikel 3:3 BW), althans een debat van die strekking is tussen partijen niet gevoerd.

Tussenconclusie

2.17

Rabobank is niet in het tegenbewijs geslaagd. Dat betekent dat als vaststaand moet worden aangenomen dat het risico van verduistering van roerende zaken een verzekerbaar risico was. Gelet op hetgeen is beslist in rov. 3.5 van het tussenarrest van het hof heeft te gelden dat [appellante] in de hypothetische situatie dat hij door Rabobank zou zijn gewaarschuwd en zou zijn geadviseerd om het risico van verduistering van de inventaris te verzekeren, dat ook zou hebben gedaan.

2.18

Vervolgens ligt voor de vraag of zich een verzekerd risico heeft voorgedaan. Het is tussen partijen in deze procedure niet in geschil dat geen sprake is geweest van diefstal met braak als bedoeld in de polisvoorwaarden (vgl conclusie van antwoord Rabobank randnummer 3). Voornamelijk om die reden is de claim van [appellante] tegen verzekeraar Interpolis door de rechtbank Gelderland bij vonnis van 4 september 2013 afgewezen (inleidende dagvaarding productie 4). Wat vast staat is dat de uiensorteerlijn- of machine kort voor het faillissement van [de vennootschap 1] uit de loods van de huurder, [de vennootschap 1] , is verdwenen, en later beschadigd bij een ander bedrijf is teruggevonden. Dat duidt, in het verlengde van hetgeen het hof in zijn tussenarrest in rov. 5.3 heeft overwogen, op verduistering van de uiensorteerlijn uit de door [de vennootschap 1] gehuurde loods en dat sluit ook aan bij het standpunt dat door verzekeraar Interpolis is ingenomen in haar brief aan [appellante] van 19 mei 2011 (conclusie van antwoord, productie 10). Er zijn door Rabobank geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die op iets anders dan verduistering zouden kunnen wijzen. Het hof gaat dus uit van verduistering van de uiensorteerlijn en daaruit volgt dat zich het (hypothetisch) verzekerd risico heeft voorgedaan.

Hoe verder?

2.19

Rabobank is gelet op het voorgaande gehouden de schade die [appellante] heeft geleden als gevolg van de beroepsfout van Rabobank te vergoeden. Daarbij zal worden uitgegaan van de in het tussenarrest van 20 augustus 2019 in rov. 5.3 geformuleerde uitgangspunten voor schadevergoeding. Het hof is voornemens een deskundige te benoemen bij de vaststelling van de schade die gedekt zou zijn in het geval [appellante] een verzekering zou hebben gesloten die dekt tegen het risico van verduistering van roerende inventaris goederen. Haar vordering van € 582.160 in hoofdsom plus rente heeft [appellante] gebaseerd op het schaderapport van [medewerker] van Achmea Schedeservice (productie 10 bij inleidende dagvaarding), gespecificeerd weergegeven in rov. 3.11 van het tussenarrest. Voor een aanzienlijk deel (€ 375.000) bestaat de vordering uit bedrijfsschade. Voorshands acht het hof, mede gezien de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] , niet aannemelijk dat bedrijfsschade voor vergoeding in aanmerking zou zijn gekomen. [getuige 4] verklaart als enige dat bedrijfsschade zou worden uitgekeerd. Volgens [getuige 2] zou alleen directe financiële schade zijn gedekt, de gevolgschade en de bedrijfsschade niet, en volgens [getuige 3] kan schade als gevolg van bedrijfsstagnatie worden uitgekeerd als ook een bedrijfsschadeverzekering is afgesloten. Dat laatste is hier niet aan de orde.

2.20

Voor de vaststelling van de in het hypothetische geval gedekte schade zal in ieder geval een aantal beredeneerde uitgangspunten moeten worden geformuleerd, waaronder:

- welke soort verzekering zou dekking hebben geboden tegen het risico van verduistering,

- welke soort van schade zou onder een dergelijke verzekering zijn gedekt,

- wat zou de premielast van een dergelijke verzekering zijn geweest.

2.21

Alvorens een deskundige te benoemen zal het hof een meervoudige comparitie van partijen gelasten, teneinde met beide partijen te spreken over zijn voornemen een deskundige te benoemen en over de te hanteren uitgangspunten bij de vaststelling van de schade. Het hof wenst in dat verband van partijen op voorhand vast een – zo mogelijk eenparig - voorstel te ontvangen voor een in deze zaak te benoemen deskundige, alsmede hun opvatting over de bij de schadevaststelling te hanteren uitgangspunten. Tevens zal de comparitie worden benut voor het beproeven van een minnelijke regeling. Het hof verzoekt partijen zich daarop actief voor te bereiden. Iedere verdere beslissing, waaronder die met betrekking tot de schadebeperking en het eigen schuld verweer van Rabobank (memorie van antwoord randnummers 125-126), zal worden aangehouden.

3 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is, vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor het hof dat daartoe zitting zullen houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder 2.21 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 9 maart 2021 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van juni tot en met augustus 2021;

bepaalt dat de advocaat van [appellante] bij haar opgave op genoemde roldatum een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat het hof na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

verzoekt partijen kopieën van de hiervoor onder 2.21 bedoelde informatie uiterlijk twee weken voor de comparitie te doen toekomen aan de wederpartij en aan het hof;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, E.J. van Sandick en Ph. A.J. Raaijmaakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 februari 2021.

griffier rolraadsheer