Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:363

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
200.262.090_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsfout octrooigemachtigde. Verrekening facturen met schade. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.262.090/01

arrest van 9 februari 2021

in de zaak van

Brabants Octrooibureau B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

verder: Brabants Octrooibureau,

advocaat: mr. R.W. Legters te Enter, gemeente Wierden,

tegen

[geïntimeerde] ,

handelend onder de naam Rijtuigbouw [Rijtuigbouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

verder: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. C. Sijm te Amsterdam,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 27 augustus 2019 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, tussen partijen onder zaak-/rolnummer 6143251 \ CV EXPL 17-6437gewezen vonnissen van 12 oktober 2017, 13 december 2018 en 4 april 2019.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 27 augustus 2019;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 10 oktober 2019 waarbij geen minnelijke regeling van het geschil is bereikt;

  • -

    de memorie van grieven van Brabants Octrooibureau van 17 december 2019 met producties;

  • -

    de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 10 maart 2020 met producties en eiswijziging.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de stukken vermeld in het tussenarrest van 27 augustus 2019 en de stukken van de eerste aanleg

6 De verdere beoordeling

6.1

Tegen het tussenvonnis van 12 oktober 2017 staat op grond van artikel 131 Rv geen hoger beroep open, zodat Brabants Octrooibureau in haar hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk verklaard zal worden.

De feiten

6.2

De vaststelling van de feiten in het tussenvonnis van 13 december 2018 onder 2. is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt:

2.1.

[geïntimeerde] is een rijtuigenbouwer. Hij heeft in 2005 bij Brabants Octrooibureau advies ingewonnen ter beantwoording van de vraag of zijn technische vinding voor koetsen achter paard of paarden, octrooiwaardig is. Brabants Octrooibureau heeft bij monde van [ingenieur] , hierna te noemen [ingenieur] , daarover positief geadviseerd. [ingenieur] heeft vervolgens een octrooiaanvrage ingediend. Op 19 juni 2006 is octrooi [octrooinummer] voor een rijtuig verleend, hierna te noemen: het octrooi.

2.2.

In 2008 wordt een inbreuk op het octrooi door [naam] vastgesteld. [ingenieur] adviseert [geïntimeerde] vervolgens op 26 juni 2008 als volgt (bijlage 1 bij productie 20 bij dagvaarding):

"N.a.v. mijn brief aan [naam] waarin wij hem sommeren te stoppen met inbreuk, heeft [naam] blijkbaar een advocaat in de arm genomen. Van deze advocaat heb ik de bijgevoegde brief ontvangen. Naast het gebruikelijke blabla komt het er kortweg op neer, dat (1) [naam] ontkent dat inbreuk gemaakt wordt, (2) [naam] de geldigheid van het octrooi ter discussie stelt, en (3) [naam] verlangt dat jullie stoppen zijn klanten te benaderen. Het zal jullie niet verrassen als ik zeg dat ik het helemaal niet eens ben met de inhoud van deze brief. Wij zijn dus nu weer aan zet en hebben de volgende opties:

  1. Rechtzaak starten (Kort Geding procedure), de kans is heel groot dat wij een Kort Geding zullen winnen. [naam] zal dan mogelijk een Bodemprocedure starten waarin hij de geldigheid van het octrooi aanvecht.

  2. Schriftelijk reageren op deze brief waarin we nog duidelijker aangeven dat [naam] wel degelijk inbreuk maakt (bij achterasophanging is heel duidelijk dat armen aan uiteinden wielas aanwezig zijn) en vermelden dat wij voornemens zijn een Kort Geding procedure te starten maar eerst [naam] twee weken de tijd gunnen om een procedure voor de Octrooiraad op te starten om de geldigheid van ons octrooi aan te vechten.

Mijn voorkeur gaat naar de tweede optie uit. Gaat [naam] niet op onze uitdaging in om het octrooi aan te vechten dan werkt dit zeer sterk in ons voordeel in een rechtszaak die we eventueel na twee weken aan kunnen spannen. Gaat hij wel op onze uitdaging in en lukt het hem niet het octrooi van tafel te vegen dan maakt hij vrijwel geen kans bij een eventuele rechtszaak. Zou het hem wel lukken om het octrooi van tafel te vegen, dan kan hij niet met een hoge schadeclaim komen en mogelijk zelfs helemaal geen schade claimen. Dus we spelen hiermee op safe voor het geval we toch zouden verliezen (hoewel ik nog geen enkele reden zie waarom we zouden kunnen verliezen).”

2.3.

Bij dagvaarding van 13 oktober 2009 heeft [geïntimeerde] , bijgestaan door zijn advocaat [advocaat eerste aanleg] , [naam] in kort geding gedagvaard. Bij vonnis van 20 november 2009 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Gravenhage in conventie de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 36.456,10.

2.4.

Bij factuur van 16 april 2010 (productie 1 bij dagvaarding) heeft Brabants Octrooibureau bij [geïntimeerde] wegens voorbereiding en bijwonen kort geding € 1.980,= en wegens voorbereiding en bijwonen zitting octrooicentrum € 3.780,=, tekens exclusief btw, in rekening gebracht. In totaal is € 6.854,40 inclusief btw in rekening gebracht. Bij factuur van 28 april 2010 heeft Brabants Octrooibureau bij [geïntimeerde] in verband met de Europese octrooiaanvrage een bedrag van € 3.016,50, inclusief btw, bij [geïntimeerde] in rekening gebracht. [geïntimeerde] heeft beide facturen onbetaald gelaten.

2.5.

Op 22 oktober 2010 heeft [geïntimeerde] bij de Raad van Toezicht voor de Octrooigemachtigden, hierna te noemen de RvT, een klacht tegen [ingenieur] ingediend. Bij beslissing van 15 augustus 2011 heeft de RvT [ingenieur] als maatregel een waarschuwing opgelegd. De RvT heeft deze beslissing gegrond op de navolgende vaststellingen:

  • -

    [ingenieur] heeft [geïntimeerde] onvoldoende gewezen op het risico van een (hoge) proceskostenveroordeling;

  • -

    terwijl schriftelijke communicatie wezenlijk is, heeft deze bijna volledig ontbroken;

  • -

    [ingenieur] heeft [geïntimeerde] niet steeds en in voldoende mate op de hoogte gehouden.

2.6.

[ingenieur] is bij beroepschrift van 22 september 2011 bij het gerechtshof

’s-Gravenhage in beroep gekomen tegen de beslissing van de RvT. Het gerechtshof heeft het beroep verworpen onder meer op grond van de vaststellingen van de RvT als in 2.5. weergegeven. Bij verzoekschrift van 19 april 2016 heeft [ingenieur] herziening verzocht van de uitspraak. Bij beschikking van 14 februari 2017 is het herzieningsverzoek door het gerechtshof afgewezen. Ook het op 12 juni 2017 door [ingenieur] ingediende tweede herzieningsverzoek is inmiddels door het gerechtshof afgewezen.

De procedure bij de kantonrechter

6.3

Bij dagvaarding van 4 juli 2017 heeft Brabants Octrooibureau de onderhavige procedure tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt Brabants Octrooibureau dat zij in opdracht en voor rekening van [geïntimeerde] de werkzaamheden heeft verricht die zijn opgenomen in haar facturen van 16 en 28 april 2010, in totaal € 9.870,90 inclusief btw, en dat [geïntimeerde] deze facturen ondanks aanmaningen onbetaald heeft gelaten. Op grond daarvan vordert Brabants Octrooibureau in conventie veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van het bedrag van € 9.870,90, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 28 mei 2010 en € 904,= aan buitengerechtelijke incassokosten. Tot 16 juni 2017 beliep de wettelijke handelsrente een bedrag € 7.246,11 zodat de vordering in totaal € 18.021,01 bedroeg, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 9.870,90 vanaf die datum tot de voldoening.

6.4

[geïntimeerde] stelt hier tegenover dat hij een verrekenbare vordering op Brabants Octrooibureau heeft aangezien hij voor een groter bedrag dan het door Brabants Octrooibureau gevorderde bedrag schade heeft geleden door wanprestatie van de kant van Brabants Octrooibureau. De advisering voor de octrooiaanvraag was volgens [geïntimeerde] onjuist; de diensten van het Brabants Octrooibureau hebben geen toegevoegde waarde voor hem gehad. Volgens [geïntimeerde] heeft Brabants Octrooibureau nagelaten te waarschuwen voor de afwijkende proceskostenveroordeling, gebaseerd op werkelijk gemaakte kosten, die in octrooizaken wordt toegepast en heeft zij de risico’s en kosten van het octrooi en de handhaving ervan onvoldoende aan [geïntimeerde] laten weten. Als schade daarvan dient volgens [geïntimeerde] te worden aangemerkt het bedrag van € 36.456,10 aan proceskosten waartoe hij is veroordeeld in het verloren kort geding.

6.5

Voor het geval de vordering van Brabants Octrooibureau in conventie geheel of gedeeltelijk zou worden toegewezen vorderde [geïntimeerde] in voorwaardelijke reconventie, samengevat, veroordeling van Brabants Octrooibureau tot betaling van het bedrag van € 36.456,10, subsidiair een verklaring voor recht dat dit bedrag, als natuurlijke verbintenis, voor verrekening in aanmerking komt.

Brabants Octrooibureau heeft deze vordering in voorwaardelijke reconventie en het daarmee overeenkomende verweer van [geïntimeerde] in conventie op haar beurt bestreden.

6.6

Bij tussenvonnis van 12 oktober 2017 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald, die op 20 februari 2018 heeft plaatsgevonden en op 21 augustus 2018 in aanwezigheid van [advocaat eerste aanleg] , de advocaat van [geïntimeerde] bij het kort geding, is voortgezet.

Bij tussenvonnis van 13 december 2018 heeft de kantonrechter de feiten vastgesteld, hiervoor in 6.2 weergegeven, het geschil uiteengezet en geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [ingenieur] ten onrechte heeft geadviseerd een octrooiaanvrage in te dienen en mistdien de advisering voor de octrooiaanvraag geen schade heeft opgeleverd, maar dat [ingenieur] wel tekortgeschoten is in zijn voorlichting over de risico’s die aan zijn adviezen en het kort geding kleefden. Over de toerekening van de wanprestatie aan Brabants Octrooibureau en het causaal verband met de gestelde schade konden partijen zich nog uitlaten.

Bij eindvonnis van 4 april 2019 heeft de kantonrechter geoordeeld dat Brabants Octrooibureau door haar wanprestatie [geïntimeerde] de kans heeft ontnomen om een weloverwogen beslissing te nemen over het aanspannen van kort geding. De kans dat [geïntimeerde] dat niet gedaan zou hebben als Brabants Octrooibureau niet tekort zou zijn geschoten stelde de kantonrechter op 50%. De schade van [geïntimeerde] is begroot op € 18.228,05, de helft van het gevorderde bedrag van € 36.456,10. [geïntimeerde] mocht dit bedrag naar het oordeel van de kantonrechter verrekenen zodat de vordering van Brabants Octrooibureau in conventie werd afgewezen en de vordering van [geïntimeerde] in voorwaardelijke reconventie geen behandeling behoefde. Brabants Octrooibureau is in conventie veroordeeld in de proceskosten met nakosten.

De omvang van het geschil in hoger beroep

6.7

Brabants Octrooibureau heeft bij memorie van grieven 27 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep, tot toewijzing van haar vordering in conventie en afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] in reconventie met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6.8

[geïntimeerde] heeft de grieven van Brabants Octrooibureau bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen, tot toewijzing van zijn vordering in reconventie (indien de voorwaarde daarvoor wordt vervuld) en tot veroordeling van Brabants Octrooibureau in de kosten van beide instanties met nakosten en wettelijke rente.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] zijn eis vermeerderd. De eiswijziging houdt in dat het gevorderde bedrag wordt aangevuld met ‘althans een door uw gerechtshof in goede justitie te begroten bedrag’. Tegen de vermeerdering van eis heeft Brabants Octrooibureau geen bezwaar gemaakt als voorzien bij artikel 2.10 van het geldende procesreglement. Het hof acht de vermeerdering van eis toelaatbaar.

6.9

Naast haar grieven heeft Brabants Octrooibureau aangevoerd dat de schadevordering van [geïntimeerde] is verjaard (memorie van grieven punt 99). In eerste aanleg heeft Brabants Octrooibureau dezelfde alinea opgenomen in punt 3 van haar conclusie van antwoord in reconventie. Uit de aantekeningen van de comparitie van partijen in eerste aanleg op 20 februari 2018 blijkt dat dit toen aan de orde is geweest. Als verklaring van de gemachtigde van Brabants Octrooibureau is daarin onder meer opgenomen: “Wij vinden de vordering niet voor verrekening vatbaar. (…) Het is een verjaarde schadevordering. (…) Ik hoor de kantonrechter zeggen dat verjaring bij verweer niet uitmaakt en dat klopt.” Dit laatste is juist (artikel 6:131 lid 1 BW), zodat dit punt bij de behandeling van de vordering van Brabants Octrooibureau verder geen bespreking behoeft.

De tegenvordering van [geïntimeerde]

6.9

Aan de tegenvordering van [geïntimeerde] ligt ten grondslag de stelling dat Brabants Octrooibureau toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht met [geïntimeerde] , waardoor deze schade heeft geleden. Deze schade betreft de veroordeling in de volledige proceskosten ten bedrage van € 36.456,10 bij het kort geding van eind 2009. Hierbij gaat het in dit hoger beroep met name om de vraag of Brabants Octrooibureau in de persoon van [ingenieur] in voldoende mate heeft gewezen op het risico van een dergelijke hoge proceskostenveroordeling.

6.10

Die vraag is ook aan de orde geweest bij de behandeling van de klacht die [geïntimeerde] op 22 oktober 2010 tegen [ingenieur] heeft ingediend bij Raad van Toezicht voor de Octrooigemachtigden, die hiervoor in rechtsoverweging 6.2 onder 2.5. en 2.6. is weergegeven.

Kort na het tussenvonnis van 13 december 2018 heeft [ingenieur] de Raad van Toezicht benaderd met een adviesverzoek. Aan de Raad van Toezicht is met name de vraag voorgelegd ‘of een octrooigemachtigde een zelfstandige verplichting heeft (dus los van het feit of een advocaat al dan niet zijn cliënt op het procesrisico wijst) om zijn cliënt (schriftelijk) op het procesrisico te wijzen voordat besloten wordt tot het starten van een octrooirechtzaak’.

Bij brief van 25 juni 2019 heeft de Raad van Toezicht dit verzoek besproken en daarin het volgende advies geformuleerd:

“Volgens de Raad kennen de gedragsregels van de Orde van Octrooigemachtigden geen expliciet genoemde verplichting om een Cliënt te wijzen op de procesrisico’s van gerechtelijke procedures over octrooien. In het kader van de zorgplicht en het deskundig adviseurschap van de octrooigemachtigde, waarop gedragsregels 4.c en 1.c. zien, is de Raad van mening dat een gemachtigde in zijn advies het onderwerp procesrisico’s dient aan te snijden, al dan niet met verwijzing naar een advocaat. De mate van volledigheid en detaillering, alsmede de wijze waarop dat dient te gebeuren hangen af van de omstandigheden van het geval en de kennis en ervaring van de betrokken Cliënt met octrooi gerelateerde juridische procedures. Naar de mening van de Raad dient in elk geval een advies aan een Cliënt met weinig of geen kennis en ervaring met gerechtelijke procedures over octrooien schriftelijk te worden vastgelegd. Geadviseerd wordt om een dergelijke Cliënt in dit schriftelijke advies altijd aan te bevelen zich over procesrisico’s te laten informeren door de advocaat.”

De adviesaanvraag is in algemene termen gesteld en staat in zoverre los van de eerder gegeven beslissing op de klacht van [geïntimeerde] . Dat geldt ook voor de bespreking ervan door de Raad van Toezicht.

6.11

Partijen verschillen van mening welke betekenis de beslissing en het advies van de Raad van Toezicht hebben voor de beantwoording van de vraag of Brabant Octrooibureau in de persoon van [ingenieur] jegens [geïntimeerde] tekortgeschoten is. Het hof overweegt hierover het volgende. In de tuchtprocedure heeft de Raad van Toezicht de klachten van [geïntimeerde] tegen [ingenieur] gedeeltelijk gegrond verklaard en is aan [ingenieur] de maatregel van waarschuwing opgelegd. Op de punten waarop de Raad van Toezicht de klacht van [geïntimeerde] gegrond achtte, met name het adequaat waarschuwen voor risico van een (hoge) proceskostenveroordeling, heeft ook de onderhavige procedure betrekking. Vooropgesteld moet worden dat de civiele rechter aan tuchtrechtelijke uitspraken belang kan hechten, maar niet gebonden is aan de inhoud van die uitspraken. De tuchtprocedure dient een ander doel dan een civiele procedure dient, waardoor andere maatstaven kunnen worden gehanteerd. Aan het oordeel van de tuchtrechter dat in strijd is gehandeld met de voor de beroepsgroep geldende normen en gedragsregels, kan daarom niet zonder meer de gevolgtrekking worden verbonden dat de betrokkene civielrechtelijk aansprakelijk is wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm

6.12

Voor de beoordeling van de civielrechtelijke aansprakelijkheid geldt als maatstaf dat een opdrachtnemer zijn werkzaamheden dient te verrichten met de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend opdrachtnemer in gelijke omstandigheden mag worden verwacht (artikel 7:401 BW). Het advies van de Raad van Toezicht van 25 juni 2019 geeft naar het oordeel van het hof een goed hanteerbare concretisering van deze maatstaf voor de beoordeling van de werkzaamheden van een octrooigemachtigde en, in dit geval, voor de wijze waarop Brabants Octrooibureau in de persoon van [ingenieur] de werkzaamheden heeft uitgevoerd. Bij toepassing van genoemde maatstaf neemt het hof in aanmerking dat [geïntimeerde] op het terrein van het octrooirecht en het procesrecht heeft te gelden als leek en dat hij op die terreinen niet over enige relevante ervaring beschikte. Verder neemt het hof in aanmerking dat bij de begeleiding van de aanvraag van het octrooi en het optreden tegen de (vermeende) inbreuk daarop alleen Brabants Octrooibureau adviseur van [geïntimeerde] was. [advocaat eerste aanleg] is pas in een later stadium, met het oog op het daadwerkelijk aanhangig maken van het kort geding, in beeld gekomen.

6.13

Naar het oordeel van het hof kan onder deze omstandigheden de beoordeling door de Raad van Toezicht in de tuchtprocedure tot uitgangspunt worden genomen voor de beoordeling van de civielrechtelijke aansprakelijkheid van Brabants Octrooibureau. Met haar advies van 26 juni 2008, hiervoor in rechtsoverweging 6.2 onder 2.2. weergegeven, waarin Brabants Octrooibureau de mogelijkheid van het entameren van een kort geding heeft besproken en daarover derhalve heeft geadviseerd, heeft Brabants Octrooibureau de toon gezet wat betreft de kans op succes bij optreden tegen [naam] en de financiële risico’s die aan dergelijk optreden verbonden zijn. De latere correspondentie is in de lijn van dit initiële advies en doet aan de strekking van de advisering van Brabants Octrooibureau over deze kwestie niet wezenlijk af. Het waarschuwen voor financiële risico’s bij het aanhangig maken van een kort geding behoorde tot de taak van Brabants Octrooibureau als enige inhoudelijke adviseur van [geïntimeerde] .

6.14

In alle zaken die betrekking hebben op intellectuele eigendom (IE) speelt de afwijkende regeling van de proceskosten van artikel 1019h Rv een in het oog springende rol, waarbij voor octrooizaken geldt dat daarvoor geen indicatietarieven golden toen dat voor andere IE-zaken wel het geval was. De indicatietarieven die vanaf 1 september 2020 zijn gaan gelden voor octrooizaken belopen overigens aanzienlijk hogere maximumbedragen dan die sinds 1 augustus 2008 (aangepast per 1 april 2017) worden gehanteerd voor andere IE-zaken. Op het moment dat Brabants Octrooibureau aan [geïntimeerde] adviezen begon te verstrekken over de strategie die tegenover [naam] gevolgd zou kunnen worden, was het risico van een hoge en niet vooraf bepaalbare proceskostenveroordeling bij verlies van de procedure zonder meer aanwezig. Het behoorde tot de taak van Brabants Octrooibureau om [geïntimeerde] hierover vanaf het begin van de besprekingen op voor hem duidelijke wijze te informeren en zich ervan te vergewissen dat [geïntimeerde] dit risico bij zijn beslissing over verdere stappen in voldoende mate zou laten meewegen. Brabants Octrooibureau heeft erkend dat zij zelf [geïntimeerde] niet op dat risico heeft gewezen.

6.15

Brabants Octrooibureau heeft gesteld dat [advocaat eerste aanleg] in het bijzijn van [ingenieur] [geïntimeerde] op het risico van hoge proceskosten heeft gewezen, maar daarvan is niets schriftelijk vastgelegd, hetgeen wel van zowel Brabants Octrooibureau als van [advocaat eerste aanleg] gevergd mag worden, terwijl die stelling door [geïntimeerde] ook wordt betwist. De omstandigheid dat ook van [advocaat eerste aanleg] als behandelend advocaat verwacht mocht worden dat hij dit risico bij [geïntimeerde] onder de aandacht zou brengen, doet op zich niet af aan de zorgplicht van Brabants Octrooibureau als degene die vanaf de aanvang het gehele traject begeleidde en met haar inschatting van de kansen op succes een sterk stempel op de verdere besluitvorming drukte. Echter, voor de beoordeling van (de hoogte van) de tegenvordering van [geïntimeerde] is het van belang vast te stellen of hij al dan niet door [advocaat eerste aanleg] is gewaarschuwd voor het risico van een hoge proceskostenveroordeling. Nu daarover niets is vastgelegd neemt het hof voorshands als vaststaand aan dat dit niet is gebeurd, behoudens tegenbewijs van de kant van Brabants Octrooibureau. Tot dat tegenbewijs zal het hof Brabants Octrooibureau toelaten.

Voor het overige

6.16

Op de overige kwesties zal het hof na de bewijslevering, en mede afhankelijk van het resultaat daarvan, ingaan. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

7 De uitspraak

Het hof:

verklaart Brabants Octrooibureau niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het tussenvonnis van 12 oktober 2017;

laat Brabants Octrooibureau toe tot tegenbewijs tegen de vaststelling dat [advocaat eerste aanleg] [geïntimeerde] niet heeft gewaarschuwd voor het risico van een hoge proceskostenveroordeling bij het entameren van het kort geding;

bepaalt, voor het geval Brabants Octrooibureau bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. L.S. Frakes als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 23 februari 2021 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 16 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van Brabants Octrooibureau ten minste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, T.J. Dorhout Mees en B.A. Meulenbroek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 februari 2021.

griffier rolraadsheer